-A +A

Aansprakelijkheid wegbeheerder en fout van een derde die gebrek veroorzaakte

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
woe, 02/04/2008
A.R.: 
2005/AR/2197

Indien de gemeente oordeelt dat een derde aansprakelijk is voor het gebrek in de weg, belet dit niet dat onmiddellijk beveiligende maatregelen dient te nemen, onverminderd de aansprakelijke derde in een geding te betrekken.

Wanneer een wegbeheerder op de hoogte was van eeen gebrek in de weg en dit gebrek heeft laten voortbestaan kan zij haar aansprakelijkheid niet verder betwisten.

De burgemeester is bevoegd voor de bestuurlijke politie (art. 133 nieuwe gemeentewet) en kan qualitate qua, een verklaring afleggen die de gemeente bindt, zonder tussenkomst van het college of van de gemeenteraad. De verklaring van de burgemeester kan hierbij aanzien worden als een bekentenis.

Een verzakking met een diepte van 4 à 5cm en een diameter van ongeveer 40cm is een gebrek in de weg.

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Het Hof van Beroep te Brussel, aanvullende kamer 1S, (wet van 9 juli 1997),

Na beraad spreekt het volgend arrest uit :

A.R. Nr. 2005/AR/2197

Rep.nr.: 2008/
IN ZAKE VAN :

Kamer 1S

De GEMEENTE X., vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoren op het Gemeentehuis

appellante,
geïntimeerde op incidenteel beroep,
Eindarrest
TEGEN :

S. L.,
geïntimeerde,
appellante op incidenteel beroep,

Gezien het vonnis op tegenspraak tussen partijen uitgesproken door de 24ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 22 april 2005.

Gezien de niet-betekening van dit vonnis.

Gezien het verzoekschrift hoger beroep op 19 augustus 2005 ter griffie van het hof neergelegd.

Gezien de syntheseconclusie van geïntimeerde, en deze van appellante.

Gehoord de advocaten van partijen op de openbare terechtzitting van 20 februari 2008, datum waarop de debatten gesloten werden verklaard en de zaak in beraad werd genomen.

De feiten welke aan de basis liggen van huidig geschil werden door de eerste rechter volledig en correct uiteengezet in het tussenvonnis van 10 februari 2005.

Het hof maakt dit relaas tot het zijne.

1.DE PROCEDURE IN EERSTE AANLEG.

Bij inleidende dagvaarding van 31 juli 2003 dagvaardde huidig geïntimeerde de gemeente X., huidig appellante, voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Zij vorderde:
– een bedrag van euro 325,96 voor medische kosten;
– een bedrag van euro 20.000, te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding, wegens morele, materiële, esthetische en economische schade, met accessoria;
– in ondergeschikte orde: de aanstelling van een arts – expert en een provisionele vergoeding van euro 5.000,- meer de intrest sinds 9/01/01, de gerechtelijke intrest en de kosten.

Bij conclusie op 10 mei 2004 ter griffie van de rechtbank neergelegd, bevestigde zij deze vorderingen.

Bij conclusie op 14 januari 2004 neergelegd, vorderde de gemeente X. de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

Subsidiair vorderde zij de gevraagde vergoeding te herleiden tot euro 700, en in ieder geval de uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen.

Bij tussenvonnis van 10 februari 2005 verklaarde de eerste rechter de vordering van L. S. principieel gegrond en veroordeelde de gemeente X. tot betaling van een provisie van euro 620 op een vordering geraamd op euro 20.000,- en nodigt L. S. uit om op basis van de attesten van Dr. VAN DEN EYNDE een definitieve schadebegroting op te stellen, waarschijnlijk teneinde een lange en dure gerechtelijke medische expertise te vermijden.

Bij conclusie na tussenvonnis begroot L. S. haar schade op euro 8.200,88 méér accessoria.

Bij (aanvullende) conclusie na tussenvonnis vordert de gemeente X. de vordering ongegrond te verklaren daar de attesten van Dr. VAN DEN EYNDE betrekking zouden hebben op een ongeval van 11 januari 2001 en niet 9 januari 2001.

Subsidiair vordert zij haar akte te verlenen van haar aanbod om een vergoeding van euro 12,50 per dag arbeidsongeschiktheid te betalen.

Bij eindvonnis van 22 april 2005 veroordeelde de eerste rechter de gemeente X. tot betaling van een vergoeding van euro 2.308,83 meer accessoria, verminderd met de reeds toegekende provisie van euro 620.

De gemeente wordt tevens veroordeeld tot de gerechtelijke intrest en de gerechtskosten.

2.DE PROCEDURE IN HOGER BEROEP.

Bij verzoekschrift hoger beroep vordert de gemeente X. haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de vonnissen van 10/2/05 en 22/4/05 te vernietigen en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding hierin begrepen de wettelijke rechtsplegingvergoedingen.

Bij syntheseconclusie bevestigt zij deze vordering.

Bij syntheseconclusie vordert L. S. het hoofdberoep ontvankelijk en “gegrond” (sic) te verklaren bijgevolg appellante ervan af te wijzen.

Zij vordert eveneens het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en appellante te veroordelen tot betaling van een vergoeding van euro 8.200,88, meer aankleven.

In ondergeschikte orde vordert zij opnieuw de aanstelling van een arts-expert.

3.BEOORDELING DOOR HET HOF.

Vooreerst stelt het hof vast dat geïntimeerde, appellante op incidenteel beroep vraagt het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Deze laatste vordering berust manifest – rekening houdende met de andere elementen van de zaak – op een materiële vergissing en dient dus gelezen te worden als “ongegrond”.

Betreffende het incident van 9 januari 2001, werd de burgemeester van de gemeente X. ondervraagd, in het kader van het geseponeerde strafonderzoek.

De inhoud van zijn verklaring van 25 januari 2001 luidt letterlijk als volgt:

“Als burgemeester van de gemeente X. ben ik in deze hoedanigheid gemachtigd om een verklaring af te leggen. Ik neem kennis van de aangifte van S. L.. Ik zal er voor zorgen dat de zaak de gepaste opvolging krijgt. Deze zaak zal bij de verzekering van de gemeente aanhangig worden gemaakt. De technische dienst van de gemeente zal onmiddellijk de herstelling van de verzakking laten uitvoeren om herhaling van de feiten te voorkomen”.

De burgemeester is bevoegd voor de bestuurlijke politie (art. 133 nieuwe gemeentewet) en kan qualitate qua, een verklaring afleggen die de gemeente bindt, zonder tussenkomst van het college of van de gemeenteraad.

Uit de verklaring van de burgemeester stelt het hof vast dat hij de aanwezigheid van de verzakking niet betwist, de materialiteit van de verzakking wordt dus niet betwist.

In conclusie geeft de gemeente trouwens zelf toe dat er een verzakking was met een diepte van 4 à 5cm en een diameter van ongeveer 40cm.

In die optiek van de verklaring van de burgemeester is het dan ook niet te verwonderen dat langere periodes verstreken zijn tussen de verschillende stappen en rechtshandelingen door S. ondernomen.

Zij verkeerde inderdaad in de overtuiging dat haar schade in der minne zou worden vergoed en geregeld.

Uit de verklaring van de burgemeester dat hij technische dienst opdracht zal geven om de verzakking te herstellen leidt het hof af dat de weg een abnormaal kenmerk vertoonde en dus “gebrekkig” was in die zin van art. 1384, lid 1 BW, zodat de gemeente dus aansprakelijk is voor vergoeding van de door geïntimeerde opgelopen schade, op basis van deze rechtsgrond.

Gezien deze vaststelling is het irrelevant te onderzoeken of er eventueel ook aansprakelijkheid zou kunnen bestaan op grond van art. 1382 – 1383 BW of art. 135 nieuwe gemeentewet.

Door de verklaring, zonder enig voorbehoud, van de burgemeester heeft de gemeente dus haar aansprakelijkheid toegegeven en aanvaard.

Tengevolge hiervan kan dan ook geen rekening worden gehouden met een eventueel gedeelde aansprakelijkheid.

Indien de gemeente van oordeel was dat de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening aansprakelijk was voor de verzakking in het wegdek en de eruit voortvloeiende schade, stond het haar vrij deze maatschappij in het geding te betrekken; zij deed dit niet.

Uit de overgelegde stukken blijkt eerder dat de gemeente op de hoogte was van de potentieel gevaarlijke verzakking en deze toestand heeft laten voortbestaan.

Toen het schadegeval zich had voorgedaan gaf de burgemeester opdracht de nodige herstellingen uit te voeren.

Het hoofdberoep is dan ook ongegrond.

Het incidenteel beroep van S. is ontvankelijk doch ongegrond.

Inderdaad, rekening houdend met de gevolgen van het incident voor geïntimeerde, aanlegster op incidenteel beroep, is de door haar gevorderde schadevergoeding niet in verhouding en overdreven.

De eerste rechter heeft een oordeelkundige en billijke berekening gemaakt van de aan S. toe te kennen vergoeding.

Het bedrag van euro 2.308,83 meer aankleven zoals beslist door de eerste rechter dient dan ook te worden bevestigd.

Het incidenteel beroep is dan ook ongegrond.
OM DEZE REDENEN
HET HOF

rechtsprekend na tegenspraak en na beraad,
en bij toepassing van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der taal in gerechtszaken:

Verklaart zowel het hoofdberoep als het incidenteel beroep ontvankelijk.

Verklaart zowel het hoofdberoep als het incidenteel beroep ongegrond.

Veroordeelt appellante op hoofdberoep tot de kosten van het hoofdberoep, vastgesteld in haren hoofde op euro 836 (186 + 650) en in hoofde van geïntimeerde op hoofdberoep op euro 650 RPV.

Veroordeelt appellante op incidenteel beroep tot de kosten van dit incidenteel beroep, vastgesteld in haren hoofde op euro 900 RPV en in hoofde van geïntimeerde op incidenteel beroep op euro 900 RPV.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de kamer 1S van het hof van beroep te Brussel op 2 april 2008

Noot: 

Zie ook: Burgerlijke Rechtbank te Turnhout, 4e Kamer – 4 december 2009, RW 2011-2012; 577

samenvatting:

Het feit dat op een agrarische weg modder ligt is niet abnormaal en behelst geen gebrek in de zin van artikel 1384 Gerechtelijk wetboek

tekst voonis:

De V. t/ Stad Hoogstraten

...

4. Ten gronde

4.1. De feiten

Op 27 december 2003 omstreeks 18 uur ‘s avonds gebeurde te Wortel “Kolonie” op een landweg een verkeersongeval waarbij appellant met zijn motorfiets BMW ten val is gekomen.

Appellant werd gewond, liep verschillende breuken op en werd overgebracht naar het ziekenhuis.

Aan de openbare weg waar het ongeval gebeurde ligt een stuk landbouwgrond met daarop een voedersilo. Deze grond werd gebruikt door de heer K.P.

Daags na het ongeval ging de echtgenote van de heer De V. aangifte doen van de feiten bij de politie. Er werd een strafdossier opgesteld, dat later werd geseponeerd.

Onder de rubriek “kort relaas” schreven de verbalisanten:

“De V. was samen met enkele kennissen bezig met een motortocht om de kerststallen in de buurt te bezichtigen. (...) Daar hebben zij de Langenberg overgestoken en het weggetje aldaar ingereden. De straat heeft geen officiële naam, maar wordt gerekend tot Wortel Kolonie. Voor de bocht aldaar lag slijk op de rijbaan, afkomstig van een landbouwvoertuig. De V. is geslipt op het slijk en is ten val gekomen (...)”.

Voorts is de rubriek “vaststellingen” relevant: “Wij kunnen twee dagen na de feiten nog vaststellen dat er slijk op de rijbaan ligt. Het slijk is duidelijk afkomstig van een landbouwvoertuig dat uit de weide aldaar komt. In de weide is een voedersilo gelegen (...)”.

Bij “technische vaststellingen” werd genoteerd: “Weersomstandigheden: onbekend. Staat van de weg: vuil (zand, grind, bladeren, ...). (...) Weg-/verkeersomstandigheden: bevuilde rijbaan”.

De heer E. was mee op kerststallentocht en verklaarde als getuige dat ter plaatse voor een bocht enorm veel slijk op de rijbaan lag en dat hij vermoedde dat dit afkomstig was van een landbouwvoertuig. Hij verklaarde tevens dat daar een silo van een boer gelegen was, dat hij ook over het slijk was geslipt, maar dat hij zijn voertuig nog onder controle had kunnen houden en dat men aan een snelheid van 35 km per uur reed.

De heer V., die ook tot het gezelschap behoorde, verklaarde dat er slijk op de rijbaan lag en dat de baan vochtig was. Hij zei ook dat er aan 35 km per uur werd gereden en dat appellant slipte op het slijk. Ten slotte verklaarde hij dat het slijk duidelijk afkomstig was van een tractor die van het erf aldaar kwam en dat de rijbaan verderop proper was.

K.P., de landbouwer, werd ook gehoord door de politie en legde volgende verklaring af: “(...) Ik neem er kennis van dat er een verkeersongeval gebeurd is op de weg achter mijn boerderij. (...). Ik heb aldaar een silo liggen. Ik neem er kennis van dat het verkeersongeval is gebeurd doordat de rijbaan vervuild was. Ik zorg er echter voor dat de rijbaan proper blijft. Ik wens wel te vermelden dat er zeer dikwijls zwaar verkeer doorkomt dat de rijbaan ook vervuilt (...)”.

Op 4 februari 2004 verhoorde de politie de heer De V. Hij verklaarde: “(...). We hadden juist de Langenberg overgestoken en reden aan een trage snelheid van 40 km per uur. Op een gegeven ogenblik voor een bocht naar links, lag er slijk op de rijbaan. Ik ben dan gevallen door dit slijk op de rijbaan. (...). Ik ben met mijn motorfiets gevallen ingevolge slijk, gedeelte van silo(gras) dat op de rijbaan lag (...)”.

Appellant voert aan dat geïntimeerde de bewaarder is van de weg op de plaats van het ongeval en dat zij aan een veiligheidsverplichting te voldoen heeft in het raam van de Nieuwe Gemeentewet.

4.2. Het bestreden vonnis

In eerste aanleg vorderde de heer De V. in primaire orde van NV K.V. (verzekeraar van de genoemde heer K.P. en thans niet meer in zake) een vergoeding van 2.000 euro provisioneel, vermeerderd met de interesten en de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

Subsidiair, voor het geval de in primaire orde ingestelde eis zou worden afgewezen, vorderde hij van de stad Hoogstraten een schadevergoeding van 10.000 euro provisioneel, vermeerderd met de interesten en de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

De eerste rechter verklaarde de vorderingen van appellant ontvankelijk. Hij verklaarde de vordering tegen NV K.V. deels gegrond en veroordeelde NV K.V. om aan appellant 1 euro provisioneel te betalen. Tevens stelde hij een geneesheer-deskundige aan om de heer De V. te onderzoeken.

De vordering van appellant tegen de stad Hoogstraten werd zonder voorwerp verklaard.

...

4.4. Beoordeling

1. Appellant voert aan dat geïntimeerde als bewaarder van de weg aansprakelijk is op basis van art. 1384, eerste lid, BW voor een gebrek in de rijbaan.

Hij betoogt dat uit de gegevens die hij bijbrengt blijkt dat de plaats van het ongeval behoort tot het openbaar domein van de stad Hoogstraten. Hij vraagt dat, indien de rechtbank zou twijfelen wie de bewaarder van de weg is op de ongevalsplaats, een landmeter-deskundige zou worden aangesteld om hierover uitsluitsel te bieden.

Appellant geeft aan dat de rijbaan behept was met een gebrek, namelijk modder en slijk op de rijbaan, en dat dit gebrek tevens als abnormaal kan worden bestempeld, zodat daardoor aan derden schade berokkend kon worden.

Vervolgens meent de heer De V. dat de stad Hoogstraten alleszins gefaald heeft haar veiligheidsverplichting na te leven. Volgens appellant bestond er een abnormaal gevaar op het grondgebied van de stad en heeft deze laatste nagelaten om dit te verhelpen.

Voorts betoogt appellant dat uit niets blijkt dat hij overdreven snel reed. Hij geeft aan dat de aanwezige modder niet kan worden beschouwd als een voorzienbare hindernis; hij argumenteert dat een weggebruiker zich niet hoefde te verwachten aan een rijbaan die op dermate erge wijze vervuild was. Hij zegt dat uit niets blijkt dat hij niet de vereiste stuurbekwaamheid had of onoplettend zou zijn geweest en wijst op het feit dat ook zijn medebestuurders problemen hadden om overeind te blijven.

2. Geïntimeerde argumenteert dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet kan worden afgeleid waar het ongeval zich precies heeft voorgedaan en meent dat zij niet zomaar als bewaarder van de weg op de plaats van het ongeval kan worden beschouwd. Ze meent dat deze plaats niet tot de openbare weg behoort, maar tot het privaat domein van de instelling van Wortel-Kolonie.

Subsidiair is zij van oordeel dat de aanwezigheid van slijk op een landweg bezwaarlijk als abnormaal kan worden beschouwd, zodat zij alleszins niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het gebeurde ongeval op basis van art. 1384, eerste lid, BW.

Ze wijst erop dat de veiligheidverplichting voor de gemeente een inspannings- en geen resultaatsverbintenis is en dat zij op 19 november 2003 ter plaatse nog grachten heeft geruimd en zich ter plaatse van de toestand heeft vergewist.

De stad Hoogstraten is van oordeel dat het ongeval enkel en alleen heeft kunnen plaatsvinden door de fouten en de onvoorzichtigheid van de heer De V. zelf.

Ze meent dat de aanwezigheid van slijk op een landweg niet onvoorzienbaar was en dat de heer De V. art. 10.1.3o, van het Wegverkeersreglement heeft geschonden.

3. De eerste rechter heeft geoordeeld dat de vordering van appellant tegen geïntimeerde alsdan zonder voorwerp was geworden wegens het feit dat de verzekerde van NV K.V. door hem aansprakelijk werd geacht voor het gebeurde ongeval, zodat hij zich niet verder diende uit te spreken over de eventuele aansprakelijkheid van de stad Hoogstraten.

Momenteel dient te worden vastgesteld dat de vordering die appellant in eerste aanleg in subsidiaire orde stelde, op dit ogenblik niet langer zonder voorwerp is. Deze rechtbank dient juist de eventuele aansprakelijkheid van geïntimeerde voor het gebeurde ongeval te onderzoeken.

De vaststelling van de eerste rechter dat er geen aanwijzing voorhanden is dat de heer De V. te snel zou hebben gereden, kan worden bijgevallen. Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat er zich heel wat modder op de rijbaan bevond.

Op een agrarische weg als de kwestieuze baan dient een voorbijganger zich echter wel te verwachten aan de aanwezigheid van modder. Het is niet abnormaal dat er zich slijk bevindt op een landweg. Als hij in het donker een dergelijke weg betreedt, moet een normale en voorzichtige motorrijder zich eraan verwachten dat een landweg in een agrarisch gebied glad kan zijn door aanzienlijk wat modder en vuil.

Het feit dat er zich modder en zelfs veel modder op een dergelijke weg bevindt, is in het geheel niet abnormaal.

Er is bijgevolg geen sprake van een gebrek in de zaak, zodat geïntimeerde – als ze al bewaarder van de kwestieuze weg zou zijn, maar wat dus niet verder dient te worden onderzocht – niet aansprakelijk kan worden gesteld op basis van art. 1384, eerste lid, BW.

Voorts staat vast dat de veiligheidsverplichting van de gemeente wel degelijk een inspanningsverbintenis is. Van geïntimeerde kan niet worden verwacht dat zij bij wijze van spreken elke dag of week op alle landwegen gaat kijken of ze nog wel berijdbaar zijn ingevolge de aanwezigheid van slijk. Van een normale en zorgvuldige gemeente moet worden verwacht dat zij haar wegen onderhoudt en probeert problemen te verhelpen van zodra deze worden gemeld. Uit niets blijkt dat de stad Hoogstraten zich niet in voldoende mate heeft ingespannen om de kwestieuze weg veilig en berijdbaar te houden. Appellant toont niet aan dat geïntimeerde zich niet aan haar verplichting om de wegen veilig te houden, heeft gehouden.

Uit niets blijkt dat geïntimeerde de Nieuwe Gemeentewet niet heeft nageleefd.

Samenvattend kan worden gezegd dat niets kan worden verweten aan geïntimeerde.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 29/01/2018 - 12:43
Laatst aangepast op: ma, 29/01/2018 - 12:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.