-A +A

Aansprakelijkheid voor sneeuw en ijs op het voetpad

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 15/10/2012

Natuurlijke ijzelvorming die niet haar oorsprong vindt in een gebrekkige toestand van de weg of sneeuw beschouwt als een natuurlijk fenomeen waarvan de aanwezigheid de weg of het voetpad niet als zodanig niet gebrekkig maakt

Men mag niet verwachten van de burger dat deze reeds bij het krieken van de dag zijn voetpad ruimt.

Een gemeentelijke reglement inhoudende de verplichting tot het ijs en sneeuwvrijmaken van de voetpaden maakt doet de aansprakelijkheid op basis van 1384 BW niet ontstaan (aansprakelijkheid zonder bewijs van fout).

De schadelijder dient de aansprakelijkheid en het oorzakelijk verband dus in aanwezigheid van een dergelijk reglement nog steeds te bewijzen op basis van artikel 1382-1383 BW.

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Van E.G. t/ BVBA T.G.

Eiser zet in de dagvaarding uiteen dat hij op 12 februari 2010 ter hoogte van de oprit van het bedrijf van verweerster uitgleed op het voetpad dat niet sneeuw- en ijsvrij was gemaakt. Eiser kwam ten val en liep een enkelfractuur op. De feiten deden zich voor omstreeks 9 u15.

Eiser acht verweerster aansprakelijk op basis van art. 1384, eerste lid BW (bewaarder van een gebrekkige zaak, te dezen een gebrekkig voetpad) en art. 1382-1383 BW juncto de politieverordening van 23 september 1998, en vordert een schadevergoeding van 5.956,46 euro, vermeerderd met de interest.

Verweerster betwist haar hoedanigheid van bewaarder van het voetpad in de zin van art. 1384, eerste lid BW, wijst op het vroege uur waarop eiser viel en waarop haar aangestelde al sneeuw aan het ruimen was, en voert ten slotte in conclusie een eigen fout van eiser aan.

Verweerster legt foto’s van de plaats van het ongeval voor. Daarop is een bedrijfsterrein met een lange geplaveide oprit (vermoedelijk “betonklinkers”) te zien, aan de straat afgesloten door een hek. Voor die ingang en verder voor de aanpalende huizen loopt er een voetpad dat eveneens geplaveid is.

Volgens een inspectieverslag en gevoerde briefwisseling had het ’s nachts hevig gesneeuwd en was een aangestelde van verweerster sneeuw aan het ruimen en zout aan het strooien in de omgeving van de ingang van de showroom en de parking, was de oprit naar het complex wel geruimd, maar lieten voertuigen die aan- en afreden smeltwater achter op het voetpad/oprit, dat opnieuw aanvroor.

Beoordeling

A. Art. 1384, eerste lid BW

1. De kwalitatieve aansprakelijkheid voor een gebrekkige zaak rust op de bewaarder van die zaak. De bewaarder van de zaak in de zin van art. 1384, eerste lid BW is degene die voor eigen rekening ervan gebruik maakt of het genot ervan heeft, zich van de zaak bedient en voor haar bewaring en instandhouding instaat met de mogelijkheid van leiding, toezicht en controle over de zaak (Cass. 4 april 1986, RW 1986-87, 1819; T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, nr. 739; H. Vandenberghe, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad”, TPR 2011, p. 349, nr. 158).

Het is ten zeerste de vraag of verweerster die hoedanigheid heeft en de rechtbank beschikt alleszins over geen elementen die daarop wijzen. De loutere verplichting het voetpad sneeuwvrij te maken, maakt van de aangelande in kwestie nog geen bewaarder van het voetpad in bovenstaande betekenis.

2. Deze rechtbank onderschrijft de strekking in de rechtspraak die natuurlijke ijzelvorming die niet haar oorsprong vindt in een gebrekkige toestand van de weg of sneeuw beschouwt als een natuurlijk fenomeen waarvan de aanwezigheid de weg of het voetpad als zodanig niet gebrekkig maakt (Rb. Gent 16 oktober 2003, T.Vred. 2007, 442; Rb. Turnhout 12 september 2003, RW 2006-07, 152).

3. In de mate als gebaseerd op art. 1384, eerste lid BW wordt de vordering door de rechtbank ongegrond bevonden.

B. Art. 1382-1383 BW

1. De tegen verweerster ingeroepen aquiliaanse fout bestaat in het verzuim het voetpad van sneeuw en ijs te ontdoen, niettegenstaande het hierboven vermelde gemeentereglement haar daartoe verplichtte.

2. De politieverordening, door een gemeentereglement uitgevaardigd, is een dwingende rechtsnorm.

De miskenning van een wettelijke of reglementaire bepaling die een welbepaald gebod of verbod oplegt, maakt op zichzelf een fout uit die leidt tot de burgerlijke aansprakelijkheid van degene die de norm heeft geschonden, weliswaar op voorwaarde dat de overtreding willens en wetens werd begaan (Cass. 22 september 1988, RW 1989-90, 433; Cass. 3 oktober 1994, RW 1996-97, 1227; H. Vandenberghe, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad”, TPR 2010, p. 1749, nr. 11).

Met “willens en wetens” wordt niet bedoeld dat de betrokkene opzettelijk de norm naast zich neerlegde, maar wel dat de schadeverwekker uit vrije en bewuste wil onrechtmatig heeft gehandeld, d.w.z. dat de dader op het moment van de feiten inzicht had in zijn eigen handelen, dat hij kon beseffen dat hij onrechtmatig handelde en zijn gedrag daaraan kon aanpassen (T. Vansweevelt en B. Weyts, o.c., nr. 205). In casu is de aansprakelijkheidsvordering gebaseerd op de overtreding van een norm, zodat eiser de toerekenbaarheid van deze overtreding aan de overtreder moet bewijzen (H. Vandenberghe, o.c., TPR 2010, nr. 9).

3. Het wordt niet betwist dat verweersters aangestelde sneeuw en ijs aan het ruimen was. Het was ook nog relatief vroeg in de morgen, mede rekening houdend met het openen van het bedrijf. Ten slotte bewijst niets het tegendeel van het uit de stukken (zie boven) tot uiting komend gegeven dat de oprit geruimd was, maar dat door voertuigen achtergelaten smeltwater opnieuw aanvroor (en wellicht opnieuw zou geruimd of bestrooid geweest zijn door verweersters aangestelde die bezig was).

4. Eiser slaagt niet in het bewijs van de fout van verweerster zoals hierboven omschreven, zodat ook in de mate zoals gebaseerd op art. 1382-1383 BW juncto de politieverordening van 23 september 1998 de vordering door de rechtbank ongegrond bevonden wordt.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 26/10/2013 - 17:19
Laatst aangepast op: zo, 27/10/2013 - 21:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.