-A +A

Aansprakelijkheid voor hondenbeet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 08/03/1994

De eigenaar/feitelijke meester van een labrador begaat een fout in de zin van art. 1382-1383 BW door een labrador onbewaakt achter te laten in nabijheid van kinderen.

De eignaar/feitelijke meester van de hond is evenzeer aansprakelijk op grond van art. 1385 BW, waartoe geen fout dient bewezen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
93
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C. en H. t/ A. e.a.

Naar aanleiding van de omstandigheid dat Dominique A., geboren te Gent, op 31 maart 1972, bij de voorbereiding van een Chirojeugdfeest op het Gemeenteplein te Gontrode, op vrijdagavond 26 juli 1985, omstreeks 21 uur, door de hond van de appellanten (een driejarige zwarte jachthond, door mevrouw H. vastgebonden aan de balustrade van een soort open veranda aan de straatzijde van het gemeentehuis) in zijn rechteroor werd gebeten met een partiële amputatie van het laterale deel ervan, hebben de ouders van de jonge knaap — in het exploot van dagvaarding van 13 juni 1986 optredend zowel in eigen naam als qualitate qua (in hun hoedanigheid van wettige beheerders over de persoon en de goederen van hun toen minderjarige zoon) — een rechtsgeding aangespannen tot het verkrijgen van schadevergoeding en waarna de N.M.B.S. in haar hoedanigheid van ziekenfonds vrijwillig tussenkwam (André A. spoorwerker zijnde) ter recuperatie van haar geneeskundige kosten veroorzaakt door het schadegeval.

...

Beoordeling

4. «Uit de voor de appellanten genomen conclusie blijkt dat mevrouw H. een gewezen Chiroleidster is, en kleuterleidster van beroep, en dat zij op de dag der feiten is komen vragen of zij kon meehelpen bij de voorbereiding van de Chiro-feestelijkheden. Zij wist dus uiteraard waar zij haar hond (zonder twijfel met het akkoord van haar echtgenoot) naar meenam: naar een soort jeugdactiviteit waar jonge kinderen joelen en veel drukte maken.

Gelet op haar professionele hoedanigheid weet mevrouw H. ongetwijfeld dat de meerderheid van jonge kinderen zich aangetrokken voelt tot een hond, en dat zij graag een hond strelen (de strafinformatie doet ervan blijken dat tal van kinderen die avond met de hond hebben gespeeld, en ook Dominique A. had vooraf ook al eens de hond gestreeld).

Voorzichtigheid was dan zeker geboden — Volgens de appelconclusie van 7 januari 1993, gaat het om een volwassen labrador, een jachthond (apporteur) en zeker niet om een dociele en makke huishond, en geen echte gezelschapshond — en het zonder enige bewaking achterlaten van het vastgebonden dier constitueert een foutaansprakelijkheid in de zin van artt. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek.

De eerste rechter heeft op dit punt correct gevonnist.

5. De stelling dat de jonge knaap, een risico zou hebben aanvaard door de hond te gaan strelen, is onjuist.

Allereerst wil het Hof erop wijzen dat alleen de foutieve risicoaanvaarding gevolgen kan hebben bij de beoordeling van de foutaansprakelijkheid (immers de leer van de risicoaanvaarding is niet een zelfstandige rechtsfiguur, maar een toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).

Vervolgens is er foutieve risicoaanvaarding wanneer de gedraging van het slachtoffer wijst op een fout van het slachtoffer zelf (= het bewustzijn dàt er risico‘s worden genomen, gekoppeld aan het nalaten van het nemen van de vereiste voorzorgsmaatregelen).

Het staat vast dat Dominique A., zoals tal van andere kinderen, het dier is gaan strelen: dat is een normale reactie aan de zijde van kinderen, en geldt zeker niet als fout. De suggestie dat het slachtoffer door een onstuimig gedrag of door pesterijen het dier zou hebben aangezet tot bijten vindt nergens steun in enig concreet en decisief gegeven.

Er kan dus geen sprake zijn van foutieve risicoaanvaarding.

6. Ook de bewering dat de ouders A.—V. een toezichtsfout zouden hebben begaan, snijdt geen hout.

Die ouders hebben hun kind naar een jeugdfeest laten gaan van een erkende jeugdvereniging (hetgeen reeds op zichzelf wijst naar een goede opvoeding der ouders ten opzichte van hun kind); dat er een tekortkoming zou zijn geweest in de hoedeplicht blijkt uit geen enkel concreet en vaststaand gegeven (noch aan de zijde van de ouders, noch aan de zijde van de jeugdleiding, cf. noot Jacques Libouton in R.G.A.R., 1977, nr. 9693).

7. Rest de materie betreffende art. 1385 Burgerlijk Wetboek.

Om artikel 1385 B.W. te kunnen toepassen, is het voldoende — het gaat immers om een vermoeden van aansprakelijkheid, gebaseerd op een tekortkoming in de bewaking van het dier (dit werd ook in de oude rechtsleer en rechtspraak aanvaard; zie Gustave Beltjens, Encyclopédie du droit civil belge, tome IV, Brussel - Parijs 1906, pp. 421 en volgende) — dat het dier, waarvan de aangesprokene de eigenaar of de bewaarder is, die schade heeft veroorzaakt.

Voldoende is dat het slachtoffer aantoont dat zijn schade werd veroorzaakt door de daad van een dier waarvan de aangesproken persoon de bewaking had. Het slachtoffer moet geen fout in de bewaking bewijzen: artikel 1385 B.W. leidt de fout af uit het bestaan van de schade (cf. T.P.R., 1987, 1432).

8. Sinds het cassatiearrest van 23 juni 1932 staat vast dat het om een niet-weerlegbaar vermoeden van fout gaat.

De bewaker van het dier — eigenaar of gebruiker — kan zich niet bevrijden door aan te tonen dat hij geen fout beging. Enkel het bewijs dat de schade niet is veroorzaakt door het gedrag van het dier, maar door een vreemde oorzaak (toeval of overmacht, daad van een derde, daad van het slachtoffer) werkt bevrijdend (cf. Cass., 12 oktober 1984, R.W., 1984-85, 2278). Zoals werd aangetoond in de voorgaande punten slagen de appellanten niet in de bewijslevering van enige fout aan de zijde van het slachtoffer; de fysieke en de juridische causaliteit staat vast, en uit de cassatierechtspraak blijkt niet dat het slachtoffer het abnormaal gedrag van het dier moet bewijzen (cf. artikel Thierry Vansweevelt, R.W., 1985-86, nr. 28 van kolom 2210).

Daaruit volgt dat de appellanten aansprakelijk zijn voor het schadegeval.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 04/07/2017 - 17:44
Laatst aangepast op: di, 04/07/2017 - 17:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.