-A +A

aansprakelijkheid voor dieren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 05/04/2006
Publicatie
Referentie: 
Hof van Beroep Antwerpen, 5 april 2006, RW 2009-2010 161
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Samenvatting:

De bewaarder van een dier draagt aansprakelijkheid voor het gedrag van dit dier. Een en ander betreft een onweerlegbaar vermoeden ingesteld door artikel 1385 van het burgerlijk wetboek.

Maar één en ander vergt een gedraging en geen loutere aanwezigheid van het dier. Zo brengt het vallen over een hond die zich normaal gedraagt geen aansprakelijkheid mee voor de bewaarder van het dier.

Tekst van het arrest:

De vordering van geïntimeerde heeft betrekking op een schadegeval dat zich voordeed op 23 juni 2002 in de woning van de dochter van geïntimeerde, Liliane Van G. te Tielen-Kasterlee.

Geïntimeerde zou er gevallen zijn over het hondje van appellante, die ter plaatse op bezoek was en brak hierbij haar heup.

Geïntimeerde acht appellante aansprakelijk voor de door haar opgelopen schade op grond van art. 1385 B.W. Appellante betwist haar aansprakelijkheid en voert aan dat het niet bewezen is dat haar hondje zich zodanig gedragen heeft dat het de val van geïntimeerde en haar verwondingen heeft veroorzaakt.

De eerste rechter oordeelde dat er geen twijfel kan bestaan over het feit dat geïntimeerde inderdaad gestruikeld is over het hondje van appellante, wat volgens hem ook blijkt uit de eerste verklaring van appellante zelf.

De eerste rechter nam ook de aansprakelijkheid van appellante aan, omdat zij er niet in slaagt het vermoeden van aansprakelijkheid van de eigenaar van een dier te weerleggen en oordeelde voorts ook dat geen bewijs voorligt van enige fout van het slachtoffer.

...

Na nieuw onderzoek van de zaak in hoger beroep, sluit het hof zich aan bij de beslissing van de eerste rechter en bij diens oordeelkundige overwegingen die hier als herhaald dienen te worden beschouwd.

Er is geen betwisting dat het hondje van appellante, een drie maanden oude puppy Jack Russell Terrier, in de kwestieuze woning aanwezig was en aldaar niet was vastgemaakt.

Art. 1385 B.W. legt ten laste van de bewaker van het dier een wettelijk en onweerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid. Het slachtoffer dient dan ook enkel de toepassingsvoorwaarden van art. 1385 B.W. – gedrag van het dier, schade en oorzakelijk verband – te bewijzen. Zodra deze toepassingsvoorwaarden verenigd en bewezen zijn, is de bewaker van het dier aansprakelijk. Het bewijs van afwezigheid van fout bij de bewaarder is volkomen irrelevant.

De bewaarder van het dier kan zich dan ook enkel door het bewijs van een vreemde oorzaak – overmacht, fout van het slachtoffer of daad van een derde – bevrijden.

Terecht merkt appellante op dat de loutere aanwezigheid van het hondje geen voldoende grond is om te besluiten tot haar gehoudenheid. Het louter vrij laten rondlopen in een woning is op zich inderdaad onvoldoende om de aansprakelijkheid van appellante, eigenares van het betrokken hondje aan te nemen.

Om art. 1385 B.W. toe te passen en derhalve de bewaarder van een dier aansprakelijk te kunnen stellen, is een autonome gedraging van het dier vereist.

Appellante voert aan dat een dergelijk autonome gedraging van haar hondje niet bewezen zou zijn; met name zou volgens appellante geenszins bewezen zijn dat haar hondje plots tussen de benen van geïntimeerde kwam gelopen, en dat zij hierdoor ten val is gekomen.

Samen met de eerste rechter is het hof echter van oordeel dat niet ernstig kan worden betwist dat geïntimeerde effectief gestruikeld is over het hondje van appellante. De eerste rechter verwees hiertoe terecht naar de eerste verklaring van appellante.

Ook in hoger beroep herhaalt appellante weliswaar dat het hier zou gaan om een loutere «complaisance-verklaring», maar in tegenstelling tot wat zij aanvoert in haar conclusies, is haar tweede verklaring, afgelegd twee maanden later, namelijk op 30 augustus 2002, niet strijdig met voormelde eerste verklaring. Zij verwijst in deze tweede verklaring uitdrukkelijk naar de verklaring van geïntimeerde, waarin uitdrukkelijk wordt gezegd dat zij over het hondje is gestruikeld. Nergens in deze verklaring trekt zij dit feit noch haar eerste verklaring, waarin zij uitdrukkelijk bevestigde dat geïntimeerde over haar hond «Flor» struikelde, in vraag. Zoals geïntimeerde terecht opmerkt, zocht appellante in haar tweede verklaring enkel kennelijk naar een reden waarom haar hondje buiten is willen lopen en oppert zij: «... Ik vermoed dat Flor naar voor is kunnen lopen omdat kindjes, die ik niet ken, naar de buren liepen...».

Uit deze (tweede) verklaring blijkt dat appellante alvast erkent dat haar hondje naar de straat is gelopen. Dit gebeurde kennelijk toen geïntimeerde zelf wilde buitengaan om de kinderen terug binnen te roepen, zoals zij zelf verklaarde.

De versie van geïntimeerde wordt daarenboven bevestigd door de heer M.R., die eveneens aanwezig was op het ogenblik dat geïntimeerde ten val kwam. Zijn dochtertje, Kelly, heeft geïntimeerde over het hondje zien struikelen.

Er is dan ook geen reden om te twijfelen aan de verklaring van geïntimeerde die op geen enkel moment door iemand van de andere aanwezigen werd tegengesproken.

Nu aangenomen wordt dat geïntimeerde inderdaad gestruikeld is over het hondje van appellante, dat kennelijk vóór of tussen de benen van geïntimeerde liep, kan appellante zich als bewaarster van het hondje enkel bevrijden door het bewijs te leveren van een vreemde oorzaak, namelijk van overmacht, van een fout van het slachtoffer of van een daad van een derde.

De eigenaar of de bewaker van het dier is inderdaad niet aansprakelijk o.m. wanneer het dier niet abnormaal noch onvoorzienbaar handelt en wanneer de schade wordt veroorzaakt door de fout van het slachtoffer.

In casu echter wordt geen fout van geïntimeerde bewezen, zoals ook de eerste rechter terecht oordeelde. Zoals de eerste rechter terecht opperde, diende geïntimeerde niet voorbereid te zijn op elke concrete beweging van het hondje van appellante, ook achter haar rug of tussen haar voeten, en uit niets blijkt dat het voor geïntimeerde mogelijk was tijdig te voorzien dat het hondje zich zodanig gedroeg dat het haar mogelijk ten val zou brengen, zodat zij haar staprichting daaraan moest aanpassen.

Het was integendeel aan appellante om haar jonge – kennelijk dartele – puppy in het oog te houden, zeker wanneer de voordeur wordt geopend, zij er diende voor te zorgen dat de puppy de andere mensen in huis niet zou hinderen en ook niet op straat zou lopen, wat zij kennelijk niet heeft gedaan.

Gelet op dit alles, besloot de eerste rechter dan ook zeer terecht tot de (uitsluitende) aansprakelijkheid van appellante, die dan ook terecht werd veroordeeld tot het vergoeden van de schadelijke gevolgen van het schadegeval.

...

 

Noot: 

Overzicht rechtspraak Kwalitatieve aansprakelijkheid TPR 2011-2, 349

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 21/09/2009 - 17:29
Laatst aangepast op: di, 01/11/2011 - 09:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.