-A +A

Aansprakelijkheid voor de beschadiging van ondergrondse leidingen die niet of op onjuist plan vermeld staan

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 04/11/1997

Vernieling aan een ondergrondse kabel waaran de ligging meer dan 1,50 m afwijkt van het plan dient te worden beschouwd als een onoverwinnelijke dwaling.

Aldus is de schade in kwestie enkel en alleen ontstaan door de verkeerde informatie op het plan. 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1999-2000
Pagina: 
48
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
C.V. I. t/ B.V.B.A. W.H.

Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder een eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift ingediend ter griffie van dit Hof op 5 maart 1993, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld;

Overwegende dat appellante, bij hervorming van het bestreden vonnis, nastreeft dat haar oorspronkelijke vordering tegen huidige geïntimeerde gegrond zou worden verklaard en dat dientengevolge deze laatste zou worden veroordeeld tot betaling van de som van 141.678 fr., vermeerderd met de vergoedende interesten sedert 12 maart 1990, de gerechtelijke interesten en de kosten van beide aanleggen;

Overwegende dat geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis;

...

Overwegende dat de doelstellingen van de door appellante ingestelde vordering en de toedracht van de feiten, die eraan ten grondslag liggen, alsmede de respectieve stellingen van partijen in het bestreden vonnis nauwkeurig werden toegelicht en dat het Hof ernaar verwijst;

Overwegende dat het Hof insgelijks de door de eerste rechter opgestelde oordeelkundige motieven en diens beslissing daaromtrent onderschrijft en herneemt;

dat voor het Hof geen nieuwe argumenten worden aangevoerd die niet reeds aan de eerste rechter waren gekend en die hij niet passend zou hebben beantwoord;

dat appellante meer bepaald haar huidige argumentatie reeds op identieke wijze verwoordde in haar conclusies genomen voor de eerste rechter;

dat appellante in deze nagenoeg woordelijke herhaling van haar conclusies in eerste aanleg geen specifieke grieven tegen de motivering ten gronde van de eerste rechter aanvoert;

dat enkel nogmaals, gelet op de volgehouden stelling dat de door geïntimeerde beschadigde kabels duidelijk zichtbaar waren in de zijwand van de sleuf — stelling waarmee volgens appellante de eerste rechter geen rekening zou hebben gehouden — en dat de liggingsplans als zodanig niet foutief zouden zijn geweest, maar enkel de configuratie van de baan was gewijzigd sedert het opstellen van de plans, de redengeving van de eerste rechter als volgt wordt aangevuld;

Overwegende dat, in tegenstelling tot wat appellante beweert, geenszins bewezen is dat de kwestieuze kabels zichtbaar waren op het ogenblik dat ze werden beschadigd; dat het tegendeel eerder blijkt uit de gegevens van het strafdossier en uit de minnelijke contradictoire vaststelling van de schade;

dat namelijk uit de gegevens van het strafdossier en uit die minnelijke contradictoire vaststelling van het ongeval blijkt dat de beschadiging van de kabels is ontstaan tijdens het graven met een kraan van een put van 2,70 m diepte;

dat de kabel inderdaad zichtbaar is op de foto‘s, genomen nà de beschadiging, maar dat hieruit geenszins kan worden afgeleid dat deze reeds zichtbaar was vóór de graafwerken; dat dit overigens niet aannemelijk voorkomt, gelet op de diepte van de ligging van de kabel, zoals blijkt uit diezelfde foto‘s;

dat de verklaring van de heer Coppens, aangestelde van appellante, afgelegd één maand na de feiten, geen waarborg van objectiviteit biedt; te meer daar uit diens verklaring dient te worden afgeleid dat hij niet ter plaatse aanwezig was op het ogenblik van de feiten;

Overwegende dat, zoals de eerste rechter terecht vaststelde, de ligging van de kwestieuze kabel wel degelijk ernstig afweek van de ligging volgens het door appellante medegedeelde plan;

dat deze afwijking van die aard was dat de kwestieuze kabel binnen de werkzone kwam te liggen, terwijl hij bij een ligging conform het plan buiten deze zone zou gebleven zijn; dat de afwijking van de kabels overigens uitdrukkelijk werd bevestigd door de heer Coppens;

dat blijkens de plannen de kabels rechts naast het fietspad zouden liggen, d.w.z. langs de kant van de huizen; dat de kwestieuze kabels in realiteit onder de rijbaan lagen, hetgeen een serieuze afwijking geeft, alleszins méér dan 50 cm waarvan appellante gewag maakt;

dat het Hof zich in dit verband aansluit bij het oordeel van de eerste rechter, die stelde dat de afwijking in kwestie zeker meer dan 1,50 m bedroeg;

dat, zoals de eerste rechter ook terecht stelde, een dergelijke afwijking dient te worden beschouwd als een onoverwinnelijke dwaling;

Overwegende dat de schade in kwestie enkel en alleen is ontstaan door de verkeerde informatie verstrekt door appellante;

dat appellante ten onrechte beweert dat geïntimeerde zelf is tekortgeschoten in haar lokalisatieverplichting doordat zij geen peilingen zou hebben doorgevoerd;

dat geïntimeerde het tegendeel beweert en dat dit niet werd tegengesproken door de aangestelde van appellante, de heer Broes;

dat bovendien, zoals de eerste rechter ook terecht opmerkte, slechts peilingen dienen te gebeuren zo volgens het plan ondergrondse leidingen in de onmiddellijke nabijheid van de werkzone liggen;

dat, zoals reeds hierboven aangestipt, volgens de liggingsplans zich geen kabels in de nabijheid bevonden van de plaats waar de werken door geïntimeerde dienden te worden uitgevoerd;

dat op het plan dat appellante aan geïntimeerde afleverde, geen afstandsmaten voorkwamen, zodat dient te worden aangenomen dat ook ter plaatse niet duidelijk moet geweest zijn dat de rijbaan verbreed was en dat geïntimeerde dan ook mocht aannemen dat het hem voorgelegde plan overeenstemde met de werkelijkheid;

dat overigens het totale uitzicht hetzelfde was gebleven, namelijk een rijbaan met een ernaast gelegen fietspad;

dat, zo appellante het niet nodig achtte om lengtematen op te nemen op haar plannen, zij de gevolgen hiervan dient te dragen;

dat men immers van geen enkele aannemer kan eisen dat hij weet heeft van het feit dat de plaatselijke gesteldheid anders is in afmetingen, zo deze niet op de plannen worden vermeld en het totale uitzicht hetzelfde is gebleven;

dat dan ook om de hierboven vermelde redenen, ter aanvulling van die van de eerste rechter, die hier als herhaald dienen te worden beschouwd, appellante zelf aansprakelijk is voor de schade aan de kabel en dat haar vordering dan ook terecht door de eerste rechter als ongegrond werd afgewezen;

dat het hoger beroep dan ook ongegrond is en het bestreden vonnis integraal dient te worden bevestigd;

 

Noot: 

Schade door stroomonderbreking - Kabelschade, schade door graafwerken - Quasi immuniteit uitvoeringsagent

Kh. Dendermonde 8 maart 2012, RABG 2014/2, 107

samenvatting

Een aannemer die graafwerken uitvoert dient de plannen van de ondergrond in het algemeen en van de onderliggende kabels in het bijzonder op te vragen en te bestuderen. Indien de aannemer tijdens de graafwerken een ondergrondse hoogspanningskabel beschadigt, is deze buitencontractueel aansprakelijk t.o.v. de schuldloze derde die schade lijdt ingevolge de daardoor ontstane stroomonderbreking. De aannemer van deze graafwerken kan hierbij niet de quasi-immuniteit als uitvoeringsagent inroepen, middels verwijzing naar de contractuele band met de elektriciteitsleverancier van de schadelijder.

tekst arrest

(I. NV I./NV GTI I., NV E.A.)

(II. NV GTI I./NV E.)

(III. NV GTI I./GEMEENTE WETTEREN, NV A.)

I. De procedure

[ ... ]

II. Voorwerp van de vorderingen 2.1. Eiseres, de NV I. vordert:

- in hoofdorde: de veroordeling solidair of in solidum, de ene bij gebreke van de andere, van de NV GTI I. en de NV E.A., tot betaling aan haar van de som van 168.031,99 EUR, meer de vergoedende interesten vanaf 27 maart 2002, meer de gerechtelijke interesten;

- in ondergeschikte orde: de veroordeling van de NV E. tot betaling aan haar van de som van 168.031,99 EUR, meer de vergoedende interesten vanaf 27 maart 2002, meer de gerechtelijke interesten.

2.2. Eerste verweerster op hoofdeis, de NV GTI I. (verder aangeduid: GTI), vraagt dat zij zou worden gevrijwaard voor elke veroordeling in hoofdsom, interesten en bijhorigheden door A., E.A., Electrabel en de gemeente Wetteren.

2.3. Tweede verweerster op hoofdeis, de NV E.A., vraagt op haar beurt de NV GTI en de gemeente Wetteren solidair, in solidum, de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot betaling aan haar van de som van 7.019,13 EUR, meer de vergoe¬dende interesten sedert 27 maart 2002 en de gerechtelijke interesten tot de algehele betaling.

III. Samenvatting van de standpunten van partijen

[ ... ]

3.2. Samengevat komt het er op neer dat eiseres, de NV I. (producent van zuivelprodukten), schade heeft geleden ingevolge een stroomonderbreking die plaatsvond op 2 7 maart 2002 te Wetteren.

Ingevolge de stroomonderbreking (gedurende± 45 minuten) viel de productie stil van het product rice cream; er werden pogingen ondernomen tot herverwerking; naderhand werd echter zgn. 'uitvlokking' vastgesteld, met olieafscheiding, waardoor het bewuste dessertprodukt door aantasting van smaak en uitzicht onverkoopbaar bleek en niet langer geschikt voor de markt. Het zou gaan om ca. 118.000 liter.

Deze stroomonderbreking is het gevolg van een geval van kabelschade, waarbij meer bepaald een kabel werd geraakt bij graaf- en wegenwerken.

In deze procedure zijn de opdrachtgever(s) van de werken betrokken evenals de aan-nemer(s), naast de eigenaar van het hoogspanningsnetwerk.

Inzet van de procedure is een vordering tot schadevergoeding gestoeld op [bui¬ten ]contractuele aansprakelijkheid.

E. houdt voor dat zij eigenaar, noch exploitant is van de hoogspanningskabel welke werd geraakt bij de graafwerken. Volgens E. ontslaat het gebeurlijk ontbreken van liggingsplannen GTI niet van haar verplichting om de plannen op te vragen voor aanvang van de werken en de ondergrondse leidingen op te zoeken en te lokaliseren: in dat verband onderlijnt E. dat de kabel in kwestie hoe dan ook afgebeeld stond op de liggingsplannen, zodat mits de plannen waren opgevraagd deze kabel had moeten opgemerkt geweest zijn.

E.A., die eigenaar is van het Belgische hoogspanningsnetwerk en in die hoedanigheid de producenten verbindt met grote verbruikers en talrijke intercommunales als distributeurs en beheerders van het netwerk, van haar kant stelt dat er geen enkele fysieke verbinding bestaat tussen haar en I., terwijl zij ook geen contractuele band met I. heeft (nu zij geenszins de leverancier van stroom is van I.): Inex zou aangesloten zijn op het netwerk van Im. (niet in zake) en haar elektriciteit bekomen bij E.

IV. Beoordeling

4.1. Eiseres, de NV I. (producent-verkoper van zuivelprodukten), is schuldloze derde: hierover bestaat geen betwisting.

4.2. Evenmin bestaat er ernstige betwisting omtrent de materialiteit van de feiten. Bij graafwerken voor gasaansluitingen in opdracht van E. werd te Wetteren op datum van 27 maart 2002 omstreeks 13h00 een ondergrondse electriciteitskabel (hoogspanningskabel) beschadigd, waardoor er bij I., zoals hoger reeds aangehaald, stroompanne (stroomonderbreking) ontstond (beschadiging post Bavegem), gedu¬rende iets minder dan een uur (tussen 13h07 en 13h46, zo blijkt uit de voorgelegde stukken).

De kabel in kwestie zou initieel gelegd zijn op de reglementaire diepte, maar zou naderhand door werken opgehoogd zijn tot amper 15 cm. onderliggende diepte.

Er bleken geen plannen aanwezig te zijn ten tijde van de werken (en het schadegeval). De actoren bij dit gebeuren zijn:

- de gemeente Wetteren, op wiens grondgebied de werken gebeurden (en die tevens opdracht gegeven had tot bestratingswerken aan het Stationsplein, met verlaging van het straatniveau);

E., welke de electriciteitsleverancier is van I. en die de opdrachtgever was van de kwestieuze werken;

GTI, die de eigenlijke werken (verlagen van een gasleiding) uitvoerde, in opdracht van E.;

A., die bestratingswerken uitvoerde aan het Stationsplein, in opdracht van de gemeente Wetteren;

- E.A., de transportnetbeheerder-eigenaar van het hoogspanningsnet.

4.3. Grootste discussie blijkt de aansprakelijkheid van de diverse gedaagde partijen, welke verder hierna zal worden onderzocht.

Naar het oordeel van de deskundige dient de aansprakelijkheid te worden verdeeld tussen GTI en de gemeente Wetteren, respectievelijk voor 85% en 15%.

[ ... ]

4.5. Als foutloze derde, schadelijder, kan I. verhaal nemen op buitencontractuele basis.

[ ... ]

4.6. Het is duidelijk dat een zware verantwoordelijkheid rust op GTI, aannemer van de werken die de kabel in kwestie heeft beschadigd bij de uitvoering van haar werkzaamheden.

De aannemer die in de nabijheid van elektrische kabels werkt is gehouden tot een algemene zorgvuldigheid zoals geformuleerd in artikel 192.02.a AREI, dat luidt als volgt:

"Geen enkel grondwerk, bestrating of ander werk mag in de omgeving van een ondergrondse kabel uitgevoerd worden zonder voorafgaand de eigenaar van de grond, de overheid die de eventueel gebruikte openbare weg beheert en de eigenaar van de kabel te raadplegen. Het al dan niet aanwezig zijn van merktekens, voorzien in artikel 18 8, geeft geen vrijstelling van deze raadpleging. Afgezien van deze raadpleging mag met de uitvoering van een werk slechts begonnen worden na lokalisatie van de kabels."

De inbreuk op voormelde bepaling is bewezen.

Deze bewezen inbreuk levert het bewijs van een fout, zonder dat de rechtbank ertoe gehouden is nog verder in te gaan op andere rechtsgronden die worden aangehaald ter staving van de fout van GTI. Andere mogelijke overtredingen of wetsinbreuken kunnen immers niet tot een grotere aansprakelijkheid leiden: de lichtste fout volstaat reeds opdat de schadeverwekker aansprakelijk zou zijn, mits het causaal verband tussen deze fout en de schade bewezen wordt.

De raadplegingsplicht vanwege de aannemer bestaat in het verzamelen en verkrijgen van informatie omtrent de aanwezigheid en ligging van de leidingen. Het verkrijgen, inzien en bestuderen van ter beschikking gestelde plannen is één van de methodes om deze informatie te bekomen.

Daarnaast moet de aannemer ook lokaliseren, d.w.z. effectief peilen naar het juiste verloop van de kabel: een loutere intellectuele lokalisatie volstaat niet (zie hieromtrent o.a.: M. DEBAENE en A. VAN GRUNDERBEEK, "De aansprakelijkheid van aannemers en nutsmaatschappijen bij beschadiging van ondergrondse kabels en leidingen", TBO 2007, 13). Intellectuele en materiële lokalisatie gaan hand in hand en kunnen onmogelijk los van elkaar worden gezien.

Materiële lokalisatie houdt in feite een soort van double check in, waarbij de plannen op het terrein zelf worden afgetoetst.

De ligging van de ondergrondse kabel moet immers door effectieve peiling worden bepaald en de aannemer mag geen blind vertrouwen stellen in de situatie¬plans: doel van de effectieve lokalisatie is juist zich te beveiligen tegen de gevolgen van eventuele vergissingen of onvolmaaktheden op de plannen.

De aannemer mag zich bijgevolg niet vergenoegen met een loutere intellectuele lokalisatie van de ondergrondse kabel, verwijzend naar het plan.

Het is aan de aannemer én zekerlijk in dichtbevolkte gebieden en woonwijken, om met peilingen het juiste tracé van de kabel te achterhalen.

De werkelijke ligging en het effectieve traject van de kabel of leiding moet worden nagegaan precies op grond van de algemene zorgvuldigheidsnorm die juist inhoudt dat bij voorzienbare schade of risico op schade (en hiervan is uiteraard sprake bij wegeniswerken of openbare werken) alle mogelijke voorzorgsmaatregelen moeten genomen worden.

De op de aannemer rustende lokalisatieplicht is een resultaatsverbintenis, wat inhoudt dat hij peilingen dient uit te voeren totdat de kabel is opgespoord (Antwerpen 31 oktober 2001, 1999/AR/1161, aangehaald door Kh. Hasselt 25 september 2003, RW 2005-06, 511). Rampen als deze in Gellingen tonen aan dat het opleggen van een dergelijke verplichting aan de aannemer (per slot van rekening toch een professioneel met expertise en ervaring) beantwoordt aan een maatschappelijk verwachtingspatroon en bijgevolg aan het rechtsgevoel, dat o.a. vertolkt wordt door de zorgvuldigheidsnorm van artikel 1382 BW.

Zeker wanneer graafwerken gebeuren met mechanische werktuigen, zoals in casu (uit de stukken leidt de rechtbank immers af dat er werd gewerkt met een elektrische breekhamer / overigens werd ook in de ongevalsaangifte, ondertekend door GTI, de passage "mechanisch werktuig" omcirkeld), dringt deze materiële lokalisatieplicht zich op (Gent (17de k.) 2 november 2007, 2006/AR/2510, onuitg.). Wordt geen kabel of leiding aangetroffen (er is er dus een afwijking van de plannen) dan dient de maatschappij te worden gecontacteerd (Gent 9 juni 1993, RW 1994-95, 1445).

In voorliggende zaak staat vast dat GTI de plannen niet heeft opgevraagd (zie deskundig verslag, p. 24: er is geen aanvraag geweest bij de centrale planservice van E., hoewel deze ter beschikking waren: zie p. 28 deskundig verslag), noch daadwerkelijk heeft gepeild of gesondeerd.

Haar fout staat vast.

[ ... ]

Deze inbreuken staan duidelijk in oorzakelijke relatie met de schade: indien de plan¬nen zouden zijn nagekeken en zeker indien er zou zijn gepeild dan had de aannemer, GTI, de hoogspanningskabel in kwestie opgespoord en aangetroffen. De schade had kunnen vermeden worden indien GTI haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, o.a. neergelegd in artikel 192.02 AREI, zou hebben nageleefd.

Ten onrechte concludeert GTI dat I. geen buitencontractuele vordering kan formuleren ten haren aanzien: geen enkele bepaling staat er aan in de weg dat I. op buiten-contractuele basis vordert ten aanzien van GTI. Deze laatste kan zich ook niet beroe¬pen op enige immuniteit, nu GTI niet als uitvoeringsagent kan aanzien worden van E. of E.A. Uitvoeringsagent of hulppersoon is immers (enkel) de zelfstandige of onderneming die door de schuldenaar van een contractuele verplichting wordt gelast met de gehele of gedeeltelijke uitvoering van die verplichting: GTI beantwoordt ech¬ter niet aan deze kwalificatie. De opdracht welke E. gaf aan GTI staat volkomen los van haar eigen contractuele verplichtingen ten aanzien van I.

Het leerstuk van de zgn. aansprakelijkheidsimmuniteit van de uitvoeringsagent is bijgevolg niet aan de orde. De stuwadoorsrechtspraak past dan ook niet op de rechtsverhouding die in deze zaak tussen de E. en GTI bestaat.

De vordering van I., in zoverre gericht tegen GTI, is dan ook gegrond, althans wat het principe van de aansprakelijkheid betreft. Inzake de cijfers wordt verder in onderhavig vonnis geoordeeld.

4.7. Ten aanzien van E. wordt geen vordering geformuleerd (feit waarvan akte genomen wordt door de rechtbank), behoudens door I., weze het in ondergeschikte orde. Het is duidelijk dat I. geen solidaire veroordeling of veroordeling in solidum vordert van E. naast de veroordeling van GTI en E.A.

Gezien de vordering in hoofdorde toegekend wordt, heeft deze, door I. in ondergeschikte orde ingestelde eis, geen voorwerp. De rechtbank dient dan ook niet in te gaan op deze subsidiair ingestelde vordering, vermits zij in andersluidend geval het beschikkingsbeginsel zou miskennen en ultra petita zou statueren. Het is dan ook niet dienstig te antwoorden op de argumentatie van I. dat E. een contractuele fout begaan heeft in de levering of toevoer van stroom.

Volledigheidshalve dient opgemerkt dat:

- gelet op het principiële samenloopverbod, E. enkel zou kunnen aangesproken worden door I. voor een contractuele fout, terwijl duidelijk is dat de onderbreking in de stroomtoevoer te wijten is aan overmacht, minstens aan een vreemde en aan E. niet toerekenbare oorzaak (vgl. Antwerpen 24 maart 2004, Iuvis 2008, 1629);

- het loutere feit dat E. opdrachtgever was van GTI eerstgenoemde niet aansprakelijk maakt: er wordt immers niet aangetoond dat E. zou gehandeld hebben als aansteller van GTI, d.w.z. dat laatstgenoemde de werken, waarbij de beschadiging is ontstaan, zou hebben uitgevoerd onder leiding, gezag en toezicht van E.

[ ... ]

V. De uitspraak

[ ... ]

Rechtdoende op de vordering van I.

Verklaart deze ontvankelijk en grotendeels gegrond, in de mate zoals hierna volgt. Veroordeelt de GTI tot betaling aan I. NV van de som van 135.890,64 EUR, meer de vergoedende interesten aan een rentevoet van 4% op jaarbasis, sedert 27 maart 2002 ( datum schadegeval) tot de datum van integrale betaling. Wijst I. af van het meer en het anders gevorderde.

Verklaart deze ongegrond, in zoverre gericht tegen E.A.

[ ... ]

Noot S. Heibrant, Quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent: uitzondering op principe van co-existentie

Bronverwijzingen

• Cass. 7 december 1973, RW 1973-74, 1597;

• Cass. 8 april 1983, Arr.Cass. 1982-83, 934;

• Cass. 7 november 1997, Arr.Cass. 1997, 1093;

• Cass. 1 juni 2001, Arr.Cass. 2001, 1071;

• I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid. De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent herbekeken, Antwerpen, Intersentia, 2003, 43-50 en 152; 169-200

• H. BOCKEN en I. BOONE, Het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en andere schadevergoedingsmechanismen, Brugge, die Keure, 2010, 44.

• Cass. 5 oktober 1990, AR 6750, www.cass.be;

• Cass. 27 februari 2003, C.010257.F, www.cass.be;

• Cass. 29 september 2006, RW 2006-07, 1717;

• Cass. 3 december 1976, RW 1977-78, 1303;

• H. BOCKEN en I. BOONE, Het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en andere schadevergoedingsmechanismen, Brugge, die Keure, 2010, 43-44-45.

• T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 110;

• S. STIJNS, "Samenloop van civielrechtelijke aansprakelijkheidsregimes: quo vadis?" in H. VUYE en Y. LEMENSE (eds.), Springlevend aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, lntersentia, 2011, 141-196.

• Cass. 11 juni 1981, Pas. 1981, I, 1159;

• Cass. 25 oktober 1990, RGAR 1992, nr. 11.990;

• Cass. 26 maart 1992, Arr.Cass. 1991-92, 722;

• Cass. 20 juni 1997, Arr.Cass. 1997, 286;

• Cass. 22 juni 2009, NJW 2009, 724;

• I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid. De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent herbekeken, Antwerpen, Intersentia, 2003, 43;

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 18/01/2018 - 19:09
Laatst aangepast op: do, 18/01/2018 - 19:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.