-A +A

Aansprakelijkheid voor de beschadiging van ondergrondse leidingen die niet of op onjuist plan vermeld staan - geen peiling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Mechelen
Datum van de uitspraak: 
din, 09/06/1998

art. 51 van het K.B. van 28 juni 1971 bepaalt:

«Wanneer derden werken in de omgeving der gasleiding en dienstleidingen uitvoeren dan moeten zij, bij aangetekende brief de betrokken gasverdelers daarvan minstens 48 uur van tevoren kennisgeven en de nodige maatregelen nemen teneinde de veiligheid en de goede staat van de gasinstallatie te verzekeren. Deze verplichte kennisgeving mag door een bestendige overeenkomst vervangen worden. De werken worden na overleg met de betrokken overheden en gasverdelers begonnen. Bescheiden met de verschillende tussenkomsten worden opgemaakt».

De openbare nutsvoorziener dient  zonodig «elke keer» na uitvoering van zodanige werken, die van invloed kunnen zijn op haar nutsleidingen, haar plannen te controleren en zonodig aan te passen. Aangezien, de veiligheid van burgers in het gedrang kan komen, mag van van de openbare nutsvoorziener een uiterste voorzichtigheid worden verwacht en dient zij bij het minste risico zelf de nodige peilingen uit te voeren teneinde te controleren of de werkelijke ligging van de leidingen nog correspondeert met haar plannen. Om redenen van openbare veiligheid mag een openbare nutsvoorzieningsmaatschappij zich niet de minste nalatigheid permitteren.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1999-2000
Pagina: 
49
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
C.V. I. t/ N.V. D.C.

1. Procedure

De oorspronkelijke vordering van de C.I.V. I., thans appellante, strekte ertoe, op basis van art. 1382 ev. B.W., alsmede art. 51 van het K.B. van 28 juni 1971, de N.V. De C., aannemingen bouw- en wegenbouw, (in ‘t kort D.C.A.), nu geïntimeerde, te veroordelen tot betaling van 34.170 fr. schadevergoeding in hoofdsom.

De oorspronkelijke tegeneis van huidige geïntimeerde voormeld, strekte ertoe de C.I.V. I. te veroordelen tot betaling van 98.320,F. als schadevergoeding in hoofdsom.

Bij het bestreden vonnis van 22 mei 1996, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, heeft de eerste rechter, beide vorderingen ontvankelijk verklaard, maar alleen de tegeneis van de N.V. De C. ingewilligd en huidige appellante afgewezen van haar hoofdeis.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, dat regelmatig naar vorm en termijn ter griffie hier werd neergelegd op 28 juni 1996, vordert appellante na hervorming van het bestreden vonnis, de inwilliging van haar hoofdeis en de afwijzing van de tegeneis.

Geïntimeerde besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en tot de bevestiging van het vonnis a quo.

2. De feiten

Uit de door partijen overgelegde stavingsstukken blijkt dat geïntimeerde in juli 1993 belast werd met de uitvoering van rioleringswerken in de Wilsonstraat te Sint-Katelijne Waver, en op 7 juli 1993 rond 11.45 uur bij de uitvoering van voormelde werken de hoofdgasleiding ter hoogte van nr. 41 heeft beschadigd met een kraan. Onder alle voorbehoud terzake de verantwoordelijkheid, werd de schade minnelijk vastgesteld.

Naar aanleiding van die vaststellingen is gebleken dat de beschadiging zich had voorgedaan op 16,5 m van de rand van huis nr. 41 en dat de leiding op 60 cm diepte lag, terwijl de plannen van C.I.V.I. deze leiding situeert op 14 m van voormelde woning en op een diepte van 80 cm. Tussen plan en werkelijkheid is er dus zowel horizontaal als verticaal een afwijking.

Appellante voert aan dat geïntimeerde onvoorzichtig is tewerkgegaan en heeft nagelaten de medegedeelde plannen te raadplegen op het terrein en dat zij bovendien naliet vooraf inlichtingen in te winnen en de plannen en werkprogramma‘s mede te delen en ten slotte nagelaten heeft ter plaatse peilingen of sonderingen uit te voeren.

Geïntimeerde voert aan dat zij de medegedeelde plannen van C.I.V. I. wel degelijk opvroeg en raadpleegde, maar er zich niet aan moest verwachten dat er een «grote afwijking» bleek te bestaan tussen de werkelijke ligging van de leiding en die vermeld op de plans en inzonderheid een afwijking van 2,5 m respectievelijk 20 cm. Geïntimeerde stelt derhalve dat haar geen aanrekenbare fout of nalatigheid kan worden verweten, daar zij werd geconfronteerd met niet geactualiseerde en dus foutieve plannen.

Zowel nopens de aansprakelijkheid als nopens de respectievelijk gevorderde bedragen is er totale betwisting.

3. Beoordeling

a) Aansprakelijkheid

Er is geen betwisting omtrent het feit dat geïntimeerde in juli 1993 onder meer in de Wilsonstraat te Sint-Katelijne Waver rioleringswerken heeft uitgevoerd en op 7 juli 1993 rond 11.45 uur bij de uitvoering van voormelde werken, de hoofdgasleiding ter hoogte van pand nr. 41 heeft beschadigd door een kraan, wat een schade zou hebben veroorzaakt van 34.170,- fr., waarvoor appellante meent dat geïntimeerde aansprakelijk is wegens schending van art. 1382 e.v. B.W. en art. 51 van het K.B. van 28 juni 1971.

Voormeld art. 51 van het K.B. van 28 juni 1971 bepaalt: «Wanneer derden werken in de omgeving der gasleiding en dienstleidingen uitvoeren dan moeten zij, bij aangetekende brief de betrokken gasverdelers daarvan minstens 48 uur van tevoren kennisgeven en de nodige maatregelen nemen teneinde de veiligheid en de goede staat van de gasinstallatie te verzekeren. Deze verplichte kennisgeving mag door een bestendige overeenkomst vervangen worden. De werken worden na overleg met de betrokken overheden en gasverdelers begonnen. Bescheiden met de verschillende tussenkomsten worden opgemaakt».

Appellante kan bezwaarlijk ontkennen dat zij op de hoogte was van het feit dat geïntimeerde ook in de Wilsonstraat rioleringswerken moest uitvoeren, omdat zij niet betwist op vraag van geïntimeerde een liggingsplan van de bestaande of voorziene leidingen te hebben bezorgd.

Tevens kan niet ernstig worden ontkend dat blijkens dat liggingsplan van de leidingen van I. de kwestieuze hoofdgasleiding zich volgens het plan althans horizontaal op 14 m van pand nr. 41 en anderzijds op een diepte van 0,80 m. Blijkens de minnelijke vaststellingen, al was het onder voorbehoud van aansprakelijkheid, van 7 juli 1993 staat vast, en wordt overigens niet ernstig betwist, dat de beschadiging van de hoofdgasleiding zich localiseerde op 16,5 m van de rand van voormeld pand en op 0,60 m diepte, wat ontegenzeglijk resulteert in een afwijking van 2,5 m horizontaal en 20 cm verticaal.

Appellante die voormelde vaststellingen niet betwist, voert niettemin aan dat ingevolge de mededeling van het liggingsplan van de leidingen, zij geen enkele aansprakelijkheid draagt en de betrokken aannemer maar alle veiligheidsmaatregelen moet nemen en zonodig vooraf de nodige peilingen en sonderingen dient uit te voeren.

Op de coördinatievergadering van 10 maart 1993 tussen het gemeentebestuur en de openbare nutsvoorzieningsmaatschappijen, werden blijkbaar alleen de werken aan de Duffelsesteenweg, Halewijn en de Offendonckstraat als problematisch beschouwd, maar niet die in de Wilsonstraat.

Nopens de juiste ligging van de hoofdgasleiding kwam het aan appellante toe desbetreffend de nodige correcte en zonodig geactualiseerde informatie mede te delen aan de aannemer die opdracht heeft werken uit te voeren, teneinde deze in staat te stellen deze werken zonder gevaar voor ongevallen uit te voeren volgens de regels van de kunst. Immers alleen appellante was in staat of moest weten welke door derden uitgevoerde werken van aard waren een technische actualisering van haar plannen door te voeren.

Desbetreffend mag worden verwacht dat appellante als openbare nutsvoorziener beschikt of moet beschikken over de nodige technische en financiële middelen, temeer dat terzake de openbare veiligheid van derden kan betrokken zijn. Derhalve dient appellante zonodig «elke keer» na uitvoering van zodanige werken, die van invloed kunnen zijn op haar nutsleidingen, haar plannen te controleren en zonodig aan te passen. Aangezien, zoals gezegd, de veiligheid van burgers in het gedrang kan komen, mag van appellante een uiterste voorzichtigheid worden verwacht en dient zij bij het minste risico zelf de nodige peilingen uit te voeren teneinde te controleren of de werkelijke ligging van de leidingen nog correspondeert met haar plannen. Om redenen van openbare veiligheid mag een openbare nutsvoorzieningsmaatschappij zich niet de minste nalatigheid permitteren.

Het is derhalve totaal onverantwoord van appellante te stellen dat zij alleen maar louter indicatieve plannen onder alle voorbehoud dient mede te delen, en het aan derden toekomt de correctheid van die plannen vooraf in te schatten of te controleren. Appellante bewijst niet dat zij zich desbetreffend geldig zou hebben bevrijd van haar aansprakelijkheid te meer dat niet wordt aangetoond dat geïntimeerde enig exoneratiebeding van appellante op de voorzichtigheidsnorm van art. 1382 B.W. zou hebben aanvaard.

Weliswaar heeft geïntimeerde voor de werven Duffelsteenweg en Halewijnstraat wel sonderingen uitgevoerd, en niet in de Wilsonstraat. Deze laatste werf kwam evenwel op de coördinatievergadering van 10 maart 1993 niet voor als «problematisch», zodat geïntimeerde minstens mocht veronderstellen dat het liggingsplan in casu correct de ligging van de leidingen zou vermelden en zich bijgevolg zeker niet moest verwachten aan een verschil van niet minder dan 2,5 m horizontaal en 0,20 m qua diepte, en waarvoor uitsluitend appellante in casu aansprakelijk is wegens manifest foute informatie (cfr. Rb. Antwerpen 11 september 1987, R.W., 1987-88, 1514; Rb. Brussel 7 november 1983, De Verz., 1983, 671).

Derhalve is het duidelijk dat het alleen aan appellante als enige beheerder van de leidingen, vooraf toekomt haar plannen te controleren en te corrigeren om loutere veiligheidsoverwegingen, bij ieder mogelijk werk van invloed en ook bij invloed van weersomstandigheden. Het tegenargument desbetreffend van appellante dat zulks om financiële redenen onmogelijk zou zijn, is eerder misplaatst, aangezien appellante terzake als monopolist optreedt en eerder goed kwoteert.

Appellante blijft derhalve totaal in gebreke enige fout in causaal verband te bewijzen van geïntimeerde, die er zich bij gebreke van correcte informatie van appellante niet aan moest verwachten plots te worden geconfronteerd met een aanzienlijke afwijking zoals vermeld ten aanzien van de voorgelegde foute plannen.

De niet-uitvoering van sonderingen in de Wilonstraat door geïntimeerde staat in geen enkel oorzakelijk verband tot het schadegeval, daar de zone niet problematisch was, zodat geïntimeerde des te meer mocht verwachten dat de voorgelegde plannen correct waren en men des te minder van hem moest verwachten dat hij in die omstandigheden nogmaals overal zou gaan peilen.

Voor het schadegeval en zijn gevolgen is alleen appellante zelf aansprakelijk, zoals de eerste rechter terecht besliste.

b) Gevorderde bedragen:

De N.V. De C., thans geïntimeerde vordert een bedrag van 98.320 fr. in hoofdsom als schadevergoeding wegens immobilisatie en rendementsverlies gedurende een halve dag veroorzaakt door de nalatigheid van appellante die foutieve plannen bezorgde, en waardoor geïntimeerde beweert benadeeld te zijn.

Appellante beweert dat deze bedragen nooit op tegenspraak werden vastgesteld en overdreven zijn. Ongetwijfeld heeft geïntimeerde ten gevolge van het ongeval schade geleden in oorzakelijk verband, die bij gebreke aan een contradictoire vaststelling, ex aequo et bono kan bepaald worden op 50.000 fr., compensatoire interesten inbegrepen, maar vermeerderd met de gerechtelijk interesten.

Het meergevorderde wordt afgewezen als ongegrond.

Het hoger beroep is derhalve ontvankelijk en deels gegrond.

 

Noot: 

• M. Neut noot onder Rb. Mechelen 9 juni 1998: Beschadiging van ondergrondse kabels en leidingen: raadplegingsplicht van de aannemer versus informatieplicht van de kabeleigenaar, RW 1999-2000, 49 e.v.

• L. Deridder en T. Vermeir noot onder Rb. Mechelen 9 juni 1998: Antwoord op de annotatie "Beschadiging van ondergrondse kabels en leidingen: raadplegingsplicht van de aannemer versus informatieplicht van de kabeleigenaar", RW 1999-2000, 49 e.v.

• M. Neut noot onder Rb. Mechelen 9 juni 1998: Wederantwoord van de auteur op de reactie van L. Deridder en T. Vermeir, RW 1999-2000, 49 e.v.
 


Schade door stroomonderbreking - Kabelschade, schade door graafwerken - Quasi immuniteit uitvoeringsagent

Kh. Dendermonde 8 maart 2012, RABG 2014/2, 107

samenvatting

Een aannemer die graafwerken uitvoert dient de plannen van de ondergrond in het algemeen en van de onderliggende kabels in het bijzonder op te vragen en te bestuderen. Indien de aannemer tijdens de graafwerken een ondergrondse hoogspanningskabel beschadigt, is deze buitencontractueel aansprakelijk t.o.v. de schuldloze derde die schade lijdt ingevolge de daardoor ontstane stroomonderbreking. De aannemer van deze graafwerken kan hierbij niet de quasi-immuniteit als uitvoeringsagent inroepen, middels verwijzing naar de contractuele band met de elektriciteitsleverancier van de schadelijder.

tekst arrest

(I. NV I./NV GTI I., NV E.A.)

(II. NV GTI I./NV E.)

(III. NV GTI I./GEMEENTE WETTEREN, NV A.)

I. De procedure

[ ... ]

II. Voorwerp van de vorderingen 2.1. Eiseres, de NV I. vordert:

- in hoofdorde: de veroordeling solidair of in solidum, de ene bij gebreke van de andere, van de NV GTI I. en de NV E.A., tot betaling aan haar van de som van 168.031,99 EUR, meer de vergoedende interesten vanaf 27 maart 2002, meer de gerechtelijke interesten;

- in ondergeschikte orde: de veroordeling van de NV E. tot betaling aan haar van de som van 168.031,99 EUR, meer de vergoedende interesten vanaf 27 maart 2002, meer de gerechtelijke interesten.

2.2. Eerste verweerster op hoofdeis, de NV GTI I. (verder aangeduid: GTI), vraagt dat zij zou worden gevrijwaard voor elke veroordeling in hoofdsom, interesten en bijhorigheden door A., E.A., Electrabel en de gemeente Wetteren.

2.3. Tweede verweerster op hoofdeis, de NV E.A., vraagt op haar beurt de NV GTI en de gemeente Wetteren solidair, in solidum, de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot betaling aan haar van de som van 7.019,13 EUR, meer de vergoe¬dende interesten sedert 27 maart 2002 en de gerechtelijke interesten tot de algehele betaling.

III. Samenvatting van de standpunten van partijen

[ ... ]

3.2. Samengevat komt het er op neer dat eiseres, de NV I. (producent van zuivelprodukten), schade heeft geleden ingevolge een stroomonderbreking die plaatsvond op 2 7 maart 2002 te Wetteren.

Ingevolge de stroomonderbreking (gedurende± 45 minuten) viel de productie stil van het product rice cream; er werden pogingen ondernomen tot herverwerking; naderhand werd echter zgn. 'uitvlokking' vastgesteld, met olieafscheiding, waardoor het bewuste dessertprodukt door aantasting van smaak en uitzicht onverkoopbaar bleek en niet langer geschikt voor de markt. Het zou gaan om ca. 118.000 liter.

Deze stroomonderbreking is het gevolg van een geval van kabelschade, waarbij meer bepaald een kabel werd geraakt bij graaf- en wegenwerken.

In deze procedure zijn de opdrachtgever(s) van de werken betrokken evenals de aan-nemer(s), naast de eigenaar van het hoogspanningsnetwerk.

Inzet van de procedure is een vordering tot schadevergoeding gestoeld op [bui¬ten ]contractuele aansprakelijkheid.

E. houdt voor dat zij eigenaar, noch exploitant is van de hoogspanningskabel welke werd geraakt bij de graafwerken. Volgens E. ontslaat het gebeurlijk ontbreken van liggingsplannen GTI niet van haar verplichting om de plannen op te vragen voor aanvang van de werken en de ondergrondse leidingen op te zoeken en te lokaliseren: in dat verband onderlijnt E. dat de kabel in kwestie hoe dan ook afgebeeld stond op de liggingsplannen, zodat mits de plannen waren opgevraagd deze kabel had moeten opgemerkt geweest zijn.

E.A., die eigenaar is van het Belgische hoogspanningsnetwerk en in die hoedanigheid de producenten verbindt met grote verbruikers en talrijke intercommunales als distributeurs en beheerders van het netwerk, van haar kant stelt dat er geen enkele fysieke verbinding bestaat tussen haar en I., terwijl zij ook geen contractuele band met I. heeft (nu zij geenszins de leverancier van stroom is van I.): Inex zou aangesloten zijn op het netwerk van Im. (niet in zake) en haar elektriciteit bekomen bij E.

IV. Beoordeling

4.1. Eiseres, de NV I. (producent-verkoper van zuivelprodukten), is schuldloze derde: hierover bestaat geen betwisting.

4.2. Evenmin bestaat er ernstige betwisting omtrent de materialiteit van de feiten. Bij graafwerken voor gasaansluitingen in opdracht van E. werd te Wetteren op datum van 27 maart 2002 omstreeks 13h00 een ondergrondse electriciteitskabel (hoogspanningskabel) beschadigd, waardoor er bij I., zoals hoger reeds aangehaald, stroompanne (stroomonderbreking) ontstond (beschadiging post Bavegem), gedu¬rende iets minder dan een uur (tussen 13h07 en 13h46, zo blijkt uit de voorgelegde stukken).

De kabel in kwestie zou initieel gelegd zijn op de reglementaire diepte, maar zou naderhand door werken opgehoogd zijn tot amper 15 cm. onderliggende diepte.

Er bleken geen plannen aanwezig te zijn ten tijde van de werken (en het schadegeval). De actoren bij dit gebeuren zijn:

- de gemeente Wetteren, op wiens grondgebied de werken gebeurden (en die tevens opdracht gegeven had tot bestratingswerken aan het Stationsplein, met verlaging van het straatniveau);

E., welke de electriciteitsleverancier is van I. en die de opdrachtgever was van de kwestieuze werken;

GTI, die de eigenlijke werken (verlagen van een gasleiding) uitvoerde, in opdracht van E.;

A., die bestratingswerken uitvoerde aan het Stationsplein, in opdracht van de gemeente Wetteren;

- E.A., de transportnetbeheerder-eigenaar van het hoogspanningsnet.

4.3. Grootste discussie blijkt de aansprakelijkheid van de diverse gedaagde partijen, welke verder hierna zal worden onderzocht.

Naar het oordeel van de deskundige dient de aansprakelijkheid te worden verdeeld tussen GTI en de gemeente Wetteren, respectievelijk voor 85% en 15%.

[ ... ]

4.5. Als foutloze derde, schadelijder, kan I. verhaal nemen op buitencontractuele basis.

[ ... ]

4.6. Het is duidelijk dat een zware verantwoordelijkheid rust op GTI, aannemer van de werken die de kabel in kwestie heeft beschadigd bij de uitvoering van haar werkzaamheden.

De aannemer die in de nabijheid van elektrische kabels werkt is gehouden tot een algemene zorgvuldigheid zoals geformuleerd in artikel 192.02.a AREI, dat luidt als volgt:

"Geen enkel grondwerk, bestrating of ander werk mag in de omgeving van een ondergrondse kabel uitgevoerd worden zonder voorafgaand de eigenaar van de grond, de overheid die de eventueel gebruikte openbare weg beheert en de eigenaar van de kabel te raadplegen. Het al dan niet aanwezig zijn van merktekens, voorzien in artikel 18 8, geeft geen vrijstelling van deze raadpleging. Afgezien van deze raadpleging mag met de uitvoering van een werk slechts begonnen worden na lokalisatie van de kabels."

De inbreuk op voormelde bepaling is bewezen.

Deze bewezen inbreuk levert het bewijs van een fout, zonder dat de rechtbank ertoe gehouden is nog verder in te gaan op andere rechtsgronden die worden aangehaald ter staving van de fout van GTI. Andere mogelijke overtredingen of wetsinbreuken kunnen immers niet tot een grotere aansprakelijkheid leiden: de lichtste fout volstaat reeds opdat de schadeverwekker aansprakelijk zou zijn, mits het causaal verband tussen deze fout en de schade bewezen wordt.

De raadplegingsplicht vanwege de aannemer bestaat in het verzamelen en verkrijgen van informatie omtrent de aanwezigheid en ligging van de leidingen. Het verkrijgen, inzien en bestuderen van ter beschikking gestelde plannen is één van de methodes om deze informatie te bekomen.

Daarnaast moet de aannemer ook lokaliseren, d.w.z. effectief peilen naar het juiste verloop van de kabel: een loutere intellectuele lokalisatie volstaat niet (zie hieromtrent o.a.: M. DEBAENE en A. VAN GRUNDERBEEK, "De aansprakelijkheid van aannemers en nutsmaatschappijen bij beschadiging van ondergrondse kabels en leidingen", TBO 2007, 13). Intellectuele en materiële lokalisatie gaan hand in hand en kunnen onmogelijk los van elkaar worden gezien.

Materiële lokalisatie houdt in feite een soort van double check in, waarbij de plannen op het terrein zelf worden afgetoetst.

De ligging van de ondergrondse kabel moet immers door effectieve peiling worden bepaald en de aannemer mag geen blind vertrouwen stellen in de situatie¬plans: doel van de effectieve lokalisatie is juist zich te beveiligen tegen de gevolgen van eventuele vergissingen of onvolmaaktheden op de plannen.

De aannemer mag zich bijgevolg niet vergenoegen met een loutere intellectuele lokalisatie van de ondergrondse kabel, verwijzend naar het plan.

Het is aan de aannemer én zekerlijk in dichtbevolkte gebieden en woonwijken, om met peilingen het juiste tracé van de kabel te achterhalen.

De werkelijke ligging en het effectieve traject van de kabel of leiding moet worden nagegaan precies op grond van de algemene zorgvuldigheidsnorm die juist inhoudt dat bij voorzienbare schade of risico op schade (en hiervan is uiteraard sprake bij wegeniswerken of openbare werken) alle mogelijke voorzorgsmaatregelen moeten genomen worden.

De op de aannemer rustende lokalisatieplicht is een resultaatsverbintenis, wat inhoudt dat hij peilingen dient uit te voeren totdat de kabel is opgespoord (Antwerpen 31 oktober 2001, 1999/AR/1161, aangehaald door Kh. Hasselt 25 september 2003, RW 2005-06, 511). Rampen als deze in Gellingen tonen aan dat het opleggen van een dergelijke verplichting aan de aannemer (per slot van rekening toch een professioneel met expertise en ervaring) beantwoordt aan een maatschappelijk verwachtingspatroon en bijgevolg aan het rechtsgevoel, dat o.a. vertolkt wordt door de zorgvuldigheidsnorm van artikel 1382 BW.

Zeker wanneer graafwerken gebeuren met mechanische werktuigen, zoals in casu (uit de stukken leidt de rechtbank immers af dat er werd gewerkt met een elektrische breekhamer / overigens werd ook in de ongevalsaangifte, ondertekend door GTI, de passage "mechanisch werktuig" omcirkeld), dringt deze materiële lokalisatieplicht zich op (Gent (17de k.) 2 november 2007, 2006/AR/2510, onuitg.). Wordt geen kabel of leiding aangetroffen (er is er dus een afwijking van de plannen) dan dient de maatschappij te worden gecontacteerd (Gent 9 juni 1993, RW 1994-95, 1445).

In voorliggende zaak staat vast dat GTI de plannen niet heeft opgevraagd (zie deskundig verslag, p. 24: er is geen aanvraag geweest bij de centrale planservice van E., hoewel deze ter beschikking waren: zie p. 28 deskundig verslag), noch daadwerkelijk heeft gepeild of gesondeerd.

Haar fout staat vast.

[ ... ]

Deze inbreuken staan duidelijk in oorzakelijke relatie met de schade: indien de plan¬nen zouden zijn nagekeken en zeker indien er zou zijn gepeild dan had de aannemer, GTI, de hoogspanningskabel in kwestie opgespoord en aangetroffen. De schade had kunnen vermeden worden indien GTI haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, o.a. neergelegd in artikel 192.02 AREI, zou hebben nageleefd.

Ten onrechte concludeert GTI dat I. geen buitencontractuele vordering kan formuleren ten haren aanzien: geen enkele bepaling staat er aan in de weg dat I. op buiten-contractuele basis vordert ten aanzien van GTI. Deze laatste kan zich ook niet beroe¬pen op enige immuniteit, nu GTI niet als uitvoeringsagent kan aanzien worden van E. of E.A. Uitvoeringsagent of hulppersoon is immers (enkel) de zelfstandige of onderneming die door de schuldenaar van een contractuele verplichting wordt gelast met de gehele of gedeeltelijke uitvoering van die verplichting: GTI beantwoordt ech¬ter niet aan deze kwalificatie. De opdracht welke E. gaf aan GTI staat volkomen los van haar eigen contractuele verplichtingen ten aanzien van I.

Het leerstuk van de zgn. aansprakelijkheidsimmuniteit van de uitvoeringsagent is bijgevolg niet aan de orde. De stuwadoorsrechtspraak past dan ook niet op de rechtsverhouding die in deze zaak tussen de E. en GTI bestaat.

De vordering van I., in zoverre gericht tegen GTI, is dan ook gegrond, althans wat het principe van de aansprakelijkheid betreft. Inzake de cijfers wordt verder in onderhavig vonnis geoordeeld.

4.7. Ten aanzien van E. wordt geen vordering geformuleerd (feit waarvan akte genomen wordt door de rechtbank), behoudens door I., weze het in ondergeschikte orde. Het is duidelijk dat I. geen solidaire veroordeling of veroordeling in solidum vordert van E. naast de veroordeling van GTI en E.A.

Gezien de vordering in hoofdorde toegekend wordt, heeft deze, door I. in ondergeschikte orde ingestelde eis, geen voorwerp. De rechtbank dient dan ook niet in te gaan op deze subsidiair ingestelde vordering, vermits zij in andersluidend geval het beschikkingsbeginsel zou miskennen en ultra petita zou statueren. Het is dan ook niet dienstig te antwoorden op de argumentatie van I. dat E. een contractuele fout begaan heeft in de levering of toevoer van stroom.

Volledigheidshalve dient opgemerkt dat:

- gelet op het principiële samenloopverbod, E. enkel zou kunnen aangesproken worden door I. voor een contractuele fout, terwijl duidelijk is dat de onderbreking in de stroomtoevoer te wijten is aan overmacht, minstens aan een vreemde en aan E. niet toerekenbare oorzaak (vgl. Antwerpen 24 maart 2004, Iuvis 2008, 1629);

- het loutere feit dat E. opdrachtgever was van GTI eerstgenoemde niet aansprakelijk maakt: er wordt immers niet aangetoond dat E. zou gehandeld hebben als aansteller van GTI, d.w.z. dat laatstgenoemde de werken, waarbij de beschadiging is ontstaan, zou hebben uitgevoerd onder leiding, gezag en toezicht van E.

[ ... ]

V. De uitspraak

[ ... ]

Rechtdoende op de vordering van I.

Verklaart deze ontvankelijk en grotendeels gegrond, in de mate zoals hierna volgt. Veroordeelt de GTI tot betaling aan I. NV van de som van 135.890,64 EUR, meer de vergoedende interesten aan een rentevoet van 4% op jaarbasis, sedert 27 maart 2002 ( datum schadegeval) tot de datum van integrale betaling. Wijst I. af van het meer en het anders gevorderde.

Verklaart deze ongegrond, in zoverre gericht tegen E.A.

[ ... ]

Noot S. Heibrant, Quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent: uitzondering op principe van co-existentie

Bronverwijzingen

• Cass. 7 december 1973, RW 1973-74, 1597;

• Cass. 8 april 1983, Arr.Cass. 1982-83, 934;

• Cass. 7 november 1997, Arr.Cass. 1997, 1093;

• Cass. 1 juni 2001, Arr.Cass. 2001, 1071;

• I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid. De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent herbekeken, Antwerpen, Intersentia, 2003, 43-50 en 152; 169-200

• H. BOCKEN en I. BOONE, Het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en andere schadevergoedingsmechanismen, Brugge, die Keure, 2010, 44.

• Cass. 5 oktober 1990, AR 6750, www.cass.be;

• Cass. 27 februari 2003, C.010257.F, www.cass.be;

• Cass. 29 september 2006, RW 2006-07, 1717;

• Cass. 3 december 1976, RW 1977-78, 1303;

• H. BOCKEN en I. BOONE, Het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en andere schadevergoedingsmechanismen, Brugge, die Keure, 2010, 43-44-45.

• T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 110;

• S. STIJNS, "Samenloop van civielrechtelijke aansprakelijkheidsregimes: quo vadis?" in H. VUYE en Y. LEMENSE (eds.), Springlevend aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, lntersentia, 2011, 141-196.

• Cass. 11 juni 1981, Pas. 1981, I, 1159;

• Cass. 25 oktober 1990, RGAR 1992, nr. 11.990;

• Cass. 26 maart 1992, Arr.Cass. 1991-92, 722;

• Cass. 20 juni 1997, Arr.Cass. 1997, 286;

• Cass. 22 juni 2009, NJW 2009, 724;

• I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid. De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent herbekeken, Antwerpen, Intersentia, 2003, 43;

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 18/01/2018 - 19:21
Laatst aangepast op: do, 18/01/2018 - 19:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.