-A +A

Aansprakelijkheid van uitgever en hoofdredacteur voor foute berichtgeving journalist

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 03/03/1995

De Grondwettelijke vrijheden van pers en vrije meningsuiting beletten niet dat een uitgever of hoofdredacteur aansprakelijk worden gesteld voor de fouten van een journalist bestaande uit verkeerde berichtgeving door een gebrek aan controle en toezicht, waarbij aan een derde schade wordt toegebracht.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
540
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

L. e.a. t/ Van K.

2. In hun eerste grief stellen appellanten dat de oorspronkelijke vorderingen t.a.v. tweede en derde appellant — de hoofdredacteur en uitgever van de krant — M. — niet toelaatbaar zijn op basis van art. 25 (voorheen 18) van de Grondwet, mede gelet op art. 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

2.1. Artikel 25 van de Grondwet staat de toepassing van de artikelen 1382 e.v. B.W. niet in de weg wanneer in een burgerlijke vordering blijkt dat de journalist — ook wanneer hij bekend is en zijn woonplaats in België heeft —, de hoofdredacteur en de uitgever, door een gebrek aan controle en toezicht op de door hen geschreven en gepubliceerde artikelen, nadeel toebrengen aan een derde.

Anders gaan oordelen zou, mede gelet op art. 18 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomst, elke uitgever, elke hoofdredacteur en uiteindelijk iedere journalist, behoudens bewezen bedrog, zware fout of bij hem gewoonlijk voorkomende lichte fout, vrijstellen van elke zorgvuldigheidsplicht.

2.3. Artikel 10 E.V.R.M. waarborgt eenieder recht op vrijheid van meningsuitdrukking maar erkent terzelfder tijd dat de uitoefening van deze vrijheid plichten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt zodat ze kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn o.m. ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen.

Volgens appellanten zijn de artikelen 1382 e.v. B.W. waarop geïntimeerde zijn vordering baseert, te algemeen van inhoud, niet voldoende precies om als een wet beschouwd te worden die een sanctie oplegt die past in het raam van voornoemd artikel 10.

De artikelen 1382 e.v. B.W. behoren tot de basisprincipes van het Belgisch buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht en kunnen derhalve zeker niet beschouwd als te algemeen of te weinig precies en dit des te meer daar de begrippen fout, schade, causaal verband en aangestelde — mede onder de invloed van de rechtsleer en rechtspraak — duidelijk omschreven zijn en precies daarom de wettelijke beperkingen zijn die in een democratische samenleving nodig zijn tot bescherming van de goede naam en de rechten van anderen.

3. In de tweede plaats betwisten appellanten, zoals voor de eerste rechter, het onrechtmatig karakter van het door geïntimeerde gewraakte artikel.

Het Hof is, samen met de eerste rechter, van oordeel dat ieder journalist — zeker in verband met verslaggeving omtrent gerechtelijke acties — bijzonder omzichtig dient tewerk te gaan; dit des te meer daar onjuiste — dan nog op grote schaal verspreide — informatie — die mogelijk vatbaar is voor overname door de andere media — de persoon op wie ze slaat in discrediet kan brengen en zelfs onherstelbare schade toebrengen.

Van een normaal zorgvuldig en omzichtig journalist mag worden verwacht dat hij — wanneer hij, zoals te dezen, inzake verslaggeving omtrent een gerechtelijk en/of disciplinair onderzoek, namen, graden en hoedanigheden van personen publiceert — zijn informatiebronnen op een vakkundige wijze heeft gecontroleerd.

Dat de journalist dit in casu niet heeft gedaan, blijkt duidelijk uit het communiqué van de generale staf van de rijkswacht en het daarop aansluitend attest van de auditeur bij het Militair Gerechtshof.

Opvallend in deze zaak is dat de journalist ook na dit communiqué — onmiddellijk na het eerste artikel gepubliceerd — in een tweede artikel, op een weinig genuanceerde wijze, blijft suggereren dat geïntimeerde zich toch aan de door hen aangeklaagde laakbare feiten zou kunnen schuldig gemaakt hebben.

Bij de publicatie van het recht van antwoord van geïntimeerde kan de journalist opnieuw niet nalaten te wijzen op de «ernst» van zijn bronnen waarop zijn aanhoudende suggesties van corruptie zijn gestoeld.

Zelfs al zijn de gewraakte artikelen in de voorwaardelijke zin opgesteld, dan nog doet de journalist telkens uitkomen dat hij over dermate ernstige bronnen beschikt dat iedere doorsneelezer sterk geneigd blijft er de voor geïntimeerde nadelige conclusies uit te trekken.

4. Appellanten zijn verder van oordeel dat zij in hun latere artikelen, nl. die gepubliceerd op 23 en 24 juni 1988, en door de publicatie van het recht van antwoord ieder mogelijke fout of onrechtmatigheid jegens geïntimeerde hebben hersteld.

Hierboven werd reeds opgemerkt dat deze artikelen inderdaad in de voorwaardelijke zin zijn opgesteld maar ook dat hierbij telkens wordt herhaald dat het gewraakte artikel van 21 juni 1988 gestoeld is op «meer dan één betrouwbare bron» en het naschrift onder het gepubliceerde recht van antwoord besluit met de opmerking dat de informatie «ons overigens gisteren herbevestigd» werd.

Wat meer is, een recht van antwoord is op zichzelf niet bedoeld als een herstel van schade maar is niets anders dan een suppletief, bijkomend recht waarover eenieder beschikt die in een krant genoemd wordt «onverminderd de andere rechtsmiddelen» (cf. art. 1 van de wet van 23 juni 1961 op het recht van antwoord).

5. Appellanten stellen dat art. 10 E.V.R.M. eerst dan toelaat de persvrijheid te beperken wanneer een nationale wet voorziet in bepaalde sancties, nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen en dat die nationale wet in België enkel en alleen de wetten zijn die op eerroof en laster een straf stellen, omdat volgens hen de artikelen 1382 e.v. B.W. al te vaag, al te summier zijn geformuleerd.

Verwijzend naar het, door de wet van 23 juni 1961 afgeschafte, persdecreet van 20 juli 1831 en naar diezelfde wet bestaat er volgens hen geen mogelijkheid om, buiten het geval van een strafbaar feit, een burgerlijke eis in te stellen en is deze mogelijkheid vervangen door het recht van antwoord.

Eerroof en laster zijn te dezen niet bewezen en derhalve heeft de eerste rechter, steeds volgens appellanten, een onjuiste toepassing gemaakt van artikel 1382 B.W., art. 10 E.V.R.M. en de wet van 23 juni 1961.

Hierboven werd reeds opgemerkt dat de artikelen 1382 e.v. B.W. voldoende precies en duidelijk omschreven zijn en derhalve kunnen gelden als sanctie zoals bedoeld en voorzien door art. 10 E.V.R.M. en ook dat het recht van antwoord slechts een «bijkomend» recht is, onverminderd de andere rechtsmiddelen.

De andere rechtsmiddelen waarover de gelaedeerde beschikt zijn o.m. de burgerlijke rechtsvordering op grond van de artikelen 1382 e.v. B.W.

6. Eerste appellant is van oordeel dat, tenzij hem bedrog, zware fout of een lichte fout die bij hem eerder gewoonlijk toe te schrijven is, bewezen is, de vordering van geïntimeerde jegens hem niet toelaatbaar is op grond van art. 18 van de wet op de arbeidsovereenkomsten.

Geïntimeerde van zijn kant stelt dat tot zolang geen arbeidsovereenkomst wordt overgelegd, betrokkene zich op deze wetsbepaling niet kan beroepen.

Het Hof is van oordeel dat ervan uitgegaan moet worden dat eerste en tweede appellant hebben gehandeld in loondienst van derde appellante.

Zulks belet niet dat deze appellanten in casu een zware fout hebben begaan door, niettegenstaande de rechtzetting door de generale staf van de rijkswacht, de verklaring van de auditeur bij het Militair Gerechtshof, de zware beschuldigingen ten laste van geïntimeerde te handhaven in een aanvullend artikel en in een nota onder het gepubliceerde recht van antwoord, derwijze dat zij jegens geïntimeerde persoonlijk tot schadevergoeding gehouden zijn. Derde appellant is voor de fout van eerste en tweede appellant jegens geïntimeerde aansprakelijk overeenkomstig art. 1384 B.W.

7. Appellanten stellen dat de eerste rechter in zijn toepassing van artikel 1382 B.W. niet de juiste afweging heeft gemaakt van dit artikel in het licht van artikel 10 E.V.R.M.

Het recht op vrije meningsuiting, verzekerd door art. 10 E.V.R.M., belet geenszins dat elke journalist, elke uitgever de nodige voorzichtigheid en beroepsernst aan de dag moet leggen, in het bijzonder wanneer hij binnen het kader van gerechtelijk en/of disciplinaire onderzoeken namen, beroep en hoedanigheden gaat publiceren van personen die bij het onderzoek rechtstreeks betrokken zijn, op gevaar zowel deze personen als de instanties en/of bedrijven waarin ze zijn tewerkgesteld, voor lange tijd en mogelijk op een onherstelbare wijze bij de publieke opinie in diskrediet te brengen.

Wie deze voorzichtigheid en zorgvuldigheid niet aan de dag legt, pleegt zowel een inbreuk op de plichten die inherent zijn aan elke vorm van vrije meningsuiting, als op de, in onze nationale wetgeving gesanctioneerde, algemene zorgvuldigheidsplicht.

De door het verdrag toegelaten en door de nationale wet gesanctioneerde beperking beoogt trouwens de bescherming van de, door het verdrag evenzeer beschermde, goede naam van de burger waaraan voor eenieder in onze democratische maatschappij een dringende en dwingende behoefte bestaat.

Wanneer dan nog rekening gehouden wordt met het feit dat de gewraakte artikelen uiteindelijk betrekking hebben op een particulier, dan komt het Hof tot het besluit dat het door artikel 10 E.V.R.M. verzekerde principe van vrije meningsuiting te dezen de toepassing van de artikelen 1382 e.v. B.W. niet in de weg staat en omgekeerd.

Noot: 

Rechtspraak:

• Brussel, 15 september 1993, R.W., 1994-95, 850;

• Rb. Brussel, 13 september 1994, R.W., 1994—95, 955.

Rechtsleer:

• Vandenberghe, H., «Over persaansprakelijkheid», T.P.R., 1993, 843—883.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 14/10/2017 - 12:16
Laatst aangepast op: za, 20/01/2018 - 15:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.