-A +A

Aansprakelijkheid van een grootbank die haar naam verbindt aan de introductie van buitenlands aandeel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 03/10/2006
A.R.: 
2004/AR/369

Indien de leidende bank die verzekering niet wenst te geven, komt ze aan haar verplichting tot voorzichtigheid tekort indien ze de belegger het tegengestelde laat aannemen door niet te vermelden dat ze betrouwbaarheid niet waarborgt.

Het risico-karakter van het financieel product dat wordt geïntroduceerd, doet niet af aan deze verbintenis.

Bij een ongelukkige afloop is immers niet aan de orde of met het product een risico was verbonden, maar wel of het niveau van het risico al dan niet adequaat kon worden ingeschat.

In het voorliggende geval was er volgens BBL klaarblijkelijk geen bijzonder risico voorhanden, aangezien het aandeel als een opportuniteit werd voorgesteld.

De te vergoeden schade wordt in principe gevormd door de ingelegde bedragen in hoofdsom. De vergoeding van gederfde winsten is te aleatoir om in aanmerking te komen.

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2007/82
Pagina: 
227
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(ING België t. Baltus e.a.)

De rechtspleging

1. Het hof wordt geadieerd in hoger beroep tegen een vonnis dat op 17 oktober 2003 werd uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel.

[ ... ]

Het onderwerp van het hoger beroep

4. De vergoedingseis die door de geïntimeerden werd ingeleid bij dagvaarding van 11 oktober 1991 is gesteund op een fout in de zin van art. 1382, B.W die een rechtsvoorganger van appellante, Bank Brussel Lambert, beweerd zou hebben begaan in november 1998 toen ze onder meer in een prospectus en ook naderhand de aandelen van de vennootschap naar Australisch recht Barrack Mines Ltd. - verder afgekort als BML - zonder de vereiste nuance zou hebben aangeprezen bij de beleggers.

Met name zou ze hierbij geen voorbehoud hebben geformuleerd omtrent de bijzondere kenmerken van de financiële structuur en/of de herstructureringsintenties inherent aan de betreffende vennootschap waarvan ze weet had.

[ ... ]

De feiten van het geding

[ ... ]

Omtrent de gegevens opgenomen in dit prospectus werd volgende verklaring afgelegd :

«Barrack Mines Limited bevestigt dat de gegevens op pagina 1 en 2 en van het hoofdstuk II 'De vennootschap' met de werkelijkheid overeenstemmen en dat niets werd weggelaten dat hun draagwijdte wezenlijk kan veranderen.

Voor de gegevens verstrekt in de overige hoofdstukken van dit document nemen Sogès-Fiducem en de BBL de verantwoordelijkheid op zich».

[ ... ]

De vorderingen

36. In het prospectus dat bij de beursintroductie ter beschikking werd gesteld van het publiek, wordt als doel van de introductie vermeld «het aandeelhouderschap van de vennootschap te verruimen» en ook «de Belgische beleggers de gelegenheid te bieden vlotter een belang te kunnen nemen».

Een specifieke toelichting omtrent de keuze voor een kleine beleggersmarkt als België voor een verruiming van het aandeelhouderschap wordt niet verstrekt.

3 7. Verder worden er betreffende de drie voorafgaande jaren 1986, 1987 en 1988 naar verschillende types rekeningen toe van de onderneming (activa, bedrijfsresultaat, kapitaal reserves, schulden) - telkens geconsolideerd voor de groep en niet geconsolideerd - schematische overzichten verstrekt met toelichting, maar deze blijft geheel technisch in cijfers uitgedrukt.

Specifieke duiding omtrent de concrete praktische draagwijdte van die cijfers, in het bijzonder in verband met navolgende inzake vooruitzichten, wordt evenwel niet verstrekt.

38. Omtrent de onderneming BML wordt gesteld dat ze in volle groeifase verkeert, een gediversifieerde mijnbouwactiviteit heeft en ook ertsen behandelt.

Er wordt haar grote winstcapaciteit toegeschreven die gestoeld is op goudmijnen en op « aanzienlijke latere groeimogelijkheden in de sector van het goud en van de overige basisproducten».

Ook wordt gewag gemaakt van belangrijke concessies en een « overheersende positie in drie goudaders» en van «overige projecten in West-Australië, Queensland en NieuwZeeland » die de verwachting wettigen van de mogelijke opening van nieuwe goudmijnen in een nabije toekomst.

39. Over haar eigen vermogensgeschiedenis wordt niets anders vermeld dan dat in 1983 het kapitaal werd geherstructureerd.

Het blijkt toen te zijn verhoogd van 115 000 naar 2 198 000 AUD.

Anno 1988 beliep het 14,089 miljoen AUD.

In dit verband kan nog worden vermeld dat blijkens het prospectus anno 1988 de twintig grootste aandeelhouders 89% van het geplaatste kapitaal controleren.

40. Voor het boekjaar dat eindigde op 30 juni 1989 wordt een «forse winstgroei» aangekondigd en voor het boekjaar 1990 wordt een verdere winstgroei aangekondigd.

Dit wordt toegeschreven aan verruimde installaties in de goudmijn Wiluna en aan het begin van de siliciumproductie.

Inzake dividenden wordt de bedoeling uitgedrukt om hoge winstuitkeringen te handhaven en verder aan de aandeelhouders interessante mogelijkheden voor herbelegging van dividenden te bieden.

Dit wordt meegedeeld tegen een achtergrond van beursgegevens die sedert vijf jaar een stijgend beeld te zien geven : zowel in termen van uiterste koersen, geconsolideerde winst per aandeel als van dividend per aandeel.

41. Uit het geheel van deze vermeldingen, waarvoor geen enkel voorbehoud werd gemaakt wat toekomstige ontwikkelingen betreft, blijkt zodoende dat BML als een zeer gedegen, expansieve en beloftevolle onderneming werd voorgesteld.

Over de randvoorwaarden voor de expansie en de aangekondigde ontwikkelingen worden geen details vermeld.

Een afweging van sterkten en zwakten van de onderneming is niet voorhanden.

42. De ontwikkelingen rond het aandeel BML sedert de beursintroductie worden goed weergegeven in een studie van 4 oktober 1990 van beursmakelaar Dewaay.

Volgende elementen komen daarbij naar voor:

- bij de introductie op 6 december 1988 verwachtten de analisten een verdriedubbeling van de winst van BML van 15,8 miljoen AUD in 1987-1988 naar 34,95 miljoenAUD in 1988-1989 en 44,8 miljoen AUD in 1989- 1990;

- in het eerste semester van het boekjaar 1988-1989 steeg de winst met 30% en voor het gehele boekjaar 1988-1989 nam de winst zelfs toe met 90%. De winst per aandeel nam toe met 58% van 0,125 naar 0, 198 AUD. Voor het boekjaar 1989-1990 verwachtten de analisten toen een winst van 0,24 dollar per aandeel;

- Barrack Mines rapporteerde nadien dat voor het boekjaar 1989-1990 een verlies na belastingen en uitzonderlijke elementen was gerealiseerd van 169,2 miljoen AUD, met een deficit van 12 miljoen AUD als gevolg;

- het enige winstgevende actief van Barrack Mines was de Wïluna-goudmijn waarin ze een deelneming van 50% houdt. Deze participatie werd evenwel te koop aangeboden;

- de Horseshoe koper- en goudmijn sloot het boekjaar af met een operationeel verlies van 17 ,4 miljoen AUD. De activiteiten werden er ondertussen stilgelegd om technische redenen. De meeste specialisten verwachtten niet dat de mijnactiviteiten in Horseshoe opnieuw zouden worden opgestart;

- de Croydon goudmijn werd ook gesloten wegens uitputting van de goudreserves;

- het silicium-project van Barrack Mines was verlieslatend door hoger dan verwachte operationele kosten en lage siliciumprijzen.

43. Die ontwikkelingen, die zich allemaal binnen de achttien maanden na de beursintroductie, en dus op een relatief korte termijn, hebben voltrokken, beantwoorden op geen enkele wijze aan de vooruitzichten die in het prospectus werden geformuleerd.

In het prospectus staat geen enkele passus te lezen die zelfs bij een aandachtige lezer van cijfers een veronderstelling omtrent een mogelijke evolutie in die zin aannemelijk maakt.

44. Post factum wordt trouwens nog steeds geen afdoende verklaring verstrekt voor de onverwachte neergang van het bedrijf.

Die verklaring wordt inzonderheid niet verstrekt door een onverwachte daling van de goudprijs.

Een belegger mag immers aannemen dat een bedrijf dat alleen maar lof krijgt toegezwaaid over reserves beschikt om tegenvallende conjunctuur op te vangen.

45. Die neergang wordt evenmin verklaard door het «onverwachte» uittreden van de hoofdaandeelhouder in april 1990 en de vertrouwenscrisis in de nasleep hiervan.

De betrokkene wenste zijn participatie immers van de hand te doen precies omwille van de precaire toestand van het bedrijf, maar heeft geen overnemer gevonden.

De bovenstaande chronologie van de gebeurtenissen doet immers blijken dat de schuldpositie van het bedrijf dermate precair was geworden dat het zijn bankiers om een moratorium moest vragen.

46. Eén van de hoofdredenen blijkt de overmatige schuldenlast te zijn geweest.

Cijfers hierover zijn wel vermeld in het prospectus, maar geen gevolgtrekkingen eruit naar rendabiliteit toe of aandacht voor het risico dat eraan verbonden was in termen van solvabiliteit.

Nochtans was BBL indirect -via een Australische dochtermaatschappij - bij de schuldenopbouw betrokken en kon ze op dit vlak dus niet over foute informatie beschikken.

4 7. Het staat verder vast dat de meegedeelde exploitatievooruitzichten in geen enkel opzicht verantwoord waren door de grondstoffenvoorraden waarover BML beschikte.

Noch kwantitatief, noch kwalitatief beschouwd, noch wegens de diversiteit ervan, noch wegens groeimogelijkheid in de sector konden de voorraden steun bieden voor het ongeremde optimisme.

48. Het lijdt dan ook geen twijfel dat de gegevens die bij de beursintroductie werden meegedeeld, geen getrouwe weergave van de werkelijkheid en de toekomst van het bedrijf vormden.

De gegevens op bladzijde 34 uit het prospectus met de vooruitzichten tot in juni 1990, waarbij de groeifase, de grote winstcapaciteit, de verdubbeling van de capaciteit voor ertsbehandeling in Wiluna en de incidentie van de siliciumproductie worden in de verf gezet, steunde niet op redelijke en betrouwbare hypotheses.

De door BBL verstrekte informatie was duidelijk inadequaat en dus foutief.

49. In het prospectus wordt wel vermeld dat «voor de andere hoofdstukken dan dat betreffende 'de vennootschap'», Sogès-Fiducem en BBL de verantwoordelijkheid op zich nemen, maar dit doet niet terzake bij de beoordeling van de aansprakelijkheid.

De clausule waaruit appellante een bevrijding van aansprakelijkheid afleidt, vormt geen onderdeel van ruimere «voorwaarden» die het optreden van appellante beheersen, maar staat apart afgedrukt op een onopvallende onderkant van de keerzijde van het titelblad.

Er kan niet worden aangenomen dat de belegger, wiens aandacht niet eens is gevestigd op de draagwijdte van de bedoelde vermelding, hiermee rekening heeft kunnen houden.

50. Overigens kan uit de gebruikte formulering ook niet worden afgeleid dat de clausule een bevrijding van aansprakelijkheid beoogt.

Ze kan immers door de belegger begrepen en naar rede uitgelegd worden in die zin dat naargelang het onderdeel van de prospectus, de gegevens ervan afkomstig zijn van de éne en van de andere en dat de betrokkenen dit bevestigen («verantwoordelijk zijn voor »),

Maar de term «aansprakelijkheid» komt in de clausule niet eens voor.

De gedeelde herkomst van de meegedeelde gegevens sluit per se niet uit dat de partij die de introductie leidt, aansprakelijkheid kan treffen betreffende het geheel van die verrichting.

51. In het voorliggende geval heeft BBL de hoofdrol op zich genomen bij de beursintroductie van BML.

Als één van de belangrijkste spelers op de toenmalige Belgische markt van beleggingsproducten genoot appellante een faam van deugdelijkheid en betrouwbaarheid.

Wanneer ze haar naam verbindt aan een financiële operatie als de introductie van een buitenlands aandeel, moet aangenomen worden dat ze het project zelf als een opportuniteit beschouwt voor de belegger.

52. Voor de belegger moet zulks dan meteen kunnen betekenen dat de gegevens die de leidende bank verspreidt volledig zijn, afgemeten aan het doel van de verrichting, én betrouwbaar zijn.

Indien de leidende bank die verzekering niet wenst te geven, komt ze aan haar verplichting tot voorzichtigheid tekort indien ze de belegger het tegengestelde laat aannemen door niet te vermelden dat ze betrouwbaarheid niet waarborgt.

5 3. Het risico-karakter van het financieel product dat wordt geïntroduceerd, doet niet af aan deze verbintenis.

Bij een ongelukkige afloop is immers niet aan de orde of met het product een risico was verbonden, maar wel of het niveau van het risico al dan niet adequaat kon worden ingeschat.

In het voorliggende geval was er volgens BBL klaarblijkelijk geen bijzonder risico voorhanden, aangezien het aandeel als een opportuniteit werd voorgesteld.

54. In dit verband is ook niet dienend dat het prospectus werd goedgekeurd door de toenmalige Bankcommissie.

Art. 3 0 van het toenmalige K.B. van 9 juli 1935 bepaalde dat de goedkeuring geen beoordeling inhoudt van de opportuniteit en de kwaliteit van de verrichting, noch van de positie van diegene die ze uitvoert.

Het schreef overigens nadrukkelijk voor dat de goedkeuring niet als een promotioneel gegeven kan worden aangewend.

5 5. Rekening houdend met alle vermelde gegevens kan alleen maar worden besloten dat de BBL bij de introductie van het aandeel BML foutief heeft gehandeld door inadequate informatie te verstrekken.

[ ... ]

59. De door BBL aangenomen houding wordt evenmin vergoelijkt door de omstandigheid dat ze een belangenconflict diende te vermijden dat verbonden was aan de omstandigheid dat haar Australische dochter schuldeiser was van BML.

De redenering luidt dat haar divisie beleggingen, die de introductie en de latere opvolging behartigde, geen informatie mocht garen bij haar afdeling die vertrouwd was met de kredietverlening (zgn. «chinese walls» tussen verschillende afdelingen), precies om een belangenconflict te vermijden.

Dit gegeven speelde volgens haar trouwens ook in de andere richting, ter verklaring van het feit dat de positie als schuldeiser van een verbonden onderneming niet werd vermeld in het prospectus en later verstrekte informatie.

60. Het bestaan van een latent intern belangenconflict doet evenwel niet af aan het beginsel, noch aan de draagwijdte van de verbintenis van BBL inzake verstrekking van informatie en advies.

Indien ze wegens die bijzondere toestand haar rol niet kon spelen met inachtname van alle verplichtingen die een voorzichtige en vooruitziende leidende bank in acht heeft te nemen, kon de conclusie hieruit alleen maar zijn dat ze zich afzijdig diende te houden bij de introductie en navolgende informatieverstrekking.

61. Ook de verwijzing naar de eigen onderzoeksplicht van de beleggers is in dit geval niet dienend.

BBL was immers de enige instantie waar de Belgische belegger terecht kon voor informatie.

Eerst nadat duidelijk was geworden dat BML steil neerging, waren er in België ook andere stemmen te horen dan die van appellante.

Eigen onderzoek door de appellanten kon zodoende geen ander resultaat opleveren inzake informatie dan hetgeen BBL hen verstrekte.

62. Aan alle bovenstaande overwegingen omtrent het foutief optreden van de BBL wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling dat de inschrijvers bij de introductie in een eerste fase nog baten konden realiseren.

Vooreerst kon de waardestijging van het aandeel een gevolg zijn van de stimulering van de vraag die door BBL werd gecreëerd via de introductie van het aandeel en door de volgehouden positieve adviezen.

De voorspelling vervulde zichzelf. Vervolgens is gebleken dat aan de stijging geen duurzame waardevermeerdering ten grondslag lag, aangezien minder dan een werkjaar later het bedrijf is ten onder gegaan.

[ ... ]

64. Omtrent het oorzakelijk verband tussen de begane fouten en de schade waarover de geïntimeerden zich beklagen, overweegt het hof het volgende.

In eerste instantie moet van de doorsnee belegger worden aangenomen dat hij zijn beslissing treft nadat hij zich behoorlijk heeft geïnformeerd bij alle bronnen die de financiële markt biedt.

Het doet niet terzake of hij die informatie gaart bij de bron zelf of bij een tussenpersoon die zelf aangewezen is op die bron.

65. De geïntimeerden die aandelen BML hebben aangekocht ter gelegenheid van de introductie of de hierbij aansluitende periode hadden niet de mogelijkheid om anders dan via de tweede notering van het aandeel te Brussel aandelen BML te verwerven.

Ze konden hun kennis omtrent het aandeel enkel opdoen in de geschriften verspreid door de BBL en kregen hun informatie via het prospectus en navolgende persartikelen ofwel diezelfde informatie uit de tweede hand.

BBL was als tweede grootste Belgische bank een gereputeerd specialist van de goudsector en van de Australische markt.

Als goudaandeel gold BML als een « conservatieve belegging».

66. Het lijdt geen twijfel dat beleggers die in de vermelde periode aandelen BML hebben aangekocht hiertoe hebben besloten door toedoen van BBL of wegens haar berichtgevmg.

Er is geen reden om aan te nemen dat die beleggers de aandelen zouden hebben kunnen aankopen indien het aandeel niet in België was genoteerd en indien het niet de volgehouden ondersteuning van BBL had gekregen.

67. Evenwel kan niet in het algemeen worden gesteld dat voor alle aankopen van aandelen BML door de geïntimeerden een oorzakelijk verband bestaat met het optreden van BBL.

Inzonderheid kan dit verband niet worden aanvaard voor verrichtingen die dateren nadat in de pers berichten waren verschenen over de uitstap van de hoofdaandeelhouder en de val van het aandeel op de beurzen in Australië. Dit werd publiek bekend op 4 mei 1990.

Weliswaar heeft de analyst van BBL in zijn mededeling aan de pers, die verscheen in L'Echo van 10 mei 1990 nog eerder sussende taal gesproken, maar in elk geval was toen overduidelijk dat de tot dan toe verstrekte positieve berichtgeving geen goede gronden had.

Het hof neemt aan dat de inhoud van de publicatie in L'Echo van 10 mei 1990 na enkele dagen was doorgedrongen in de financiële markt.

Een voorzichtige belegger nam vanaf dat ogenblik afstand van het aandeel. Daarna verrichte aankopen berusten op duidelijk speculatieve inzichten.

Kort nadien waren er trouwens ook andere informatiebronnen dan de BBL en vanaf dat ogenblik kreeg de eigen onderzoeksplicht dan ook reële draagwijdte.

68. Er bestaat verder geen reden om, wat het oorzakelijk verband betreft, onderscheid te maken tussen de aankopen die bij de introductie van het aandeel en de daarbij aansluitende periode werden verricht en de latere periode tot 14 mei 1990.

De berichtgeving van BBL bleef sedert 1989 immers altijd onterecht positief en zij was de enige gezaghebbende informatiebron.

Tot 14 mei 1990 konden bijkomende aankopen van beleggers trouwens ook verantwoord worden door een poging tot schadebeperking. In het licht van verhoopt koersherstel kon door een bijkomende aankoop tegen de inmiddels veel lagere prijs een gemiddelde lagere kostprijs per aandeel worden bereikt en kon aldus wellicht deels worden gerecupereerd wat tot dan toe was verloren.

69. De tegenwerping van appellante dat de geïntimeerden hun aandelen met winst hebben kunnen verkopen in de loop van 1989 kan niet worden beaamd.

Het aandeel werd bij zijn introductie getypeerd als een groeiaandeel en de belegging was dus bedoeld voor een langere termijn.

Tijdens de beschouwde periode heeft BBL op geen enkel ogenblik ook maar enig verkoopadvies geformuleerd. Er kan de geïntimeerden dan ook niet euvel worden geduid dat ze hun aandelen niet hebben verkocht.

70. Het oorzakelijk verband tussen de fout van BBL en het BML aandelenbezit van appellanten wegens aankopen die gebeurden tussen december 1988 en 14 mei 1990 staat vast.

Voor latere aankopen ontbreekt dit verband.

71. De te vergoeden schade voor de individuele geïntimeerden wordt gevormd door de bedragen in hoofdsom die ze hebben geïnvesteerd in BML aandelen vanaf de introductie tot 14 mei 1990.

Deze sommen kunnen begroot worden op basis van de overgelegde aankoopborderellen en er bestaat dan ook geen reden om alsnog voorafgaande neerlegging van effectenportefeuilles te vragen.

72. De geïntimeerden vorderen ook vergoeding wegens «gederfde winst», die ze begroten in functie van de stijging van de aandelenindex Bel 20 tijdens de periode tussen februari 1991 en september 1999.

Ze gaan er van uit dat tijdens deze periode het verloren bedrag kon belegd zijn in aandelen die bij veronderstelling de stijging van de Bel 20 index konden opgeleverd hebben.

73. In het voorliggende geval stemt de gederfde winst overeen met de waarde van een misgelopen kans.

Er is nochtans geen reden om aan te nemen dat de geïntimeerden een bedrag dat overeenstemt met het geleden verlies in de voormelde periode zouden belegd hebben in aandelen uit de Bel 20, na een teleurstellende investering in wat gold als een «conservatieve» belegging in goudaandelen.

Zulke hypothese blijkt met name niet plausibel uit een langdurige houding in deze zin die ze voorheen zouden hebben aangenomen.

De in die zin misgelopen kans is in de voorliggende zaak te aleatoir om apart als vergoed baar in aanmerking te nemen.

74. Wel is op de toegekende hoofdsommen vergoedende interest verschuldigd sedert de successieve data waarop de geïntimeerden aankopen hebben verricht tot op de datum van dit arrest.

Navolgend is moratoire interest verschuldigd op het geheel tot op de dag van betaling.

7 5. Enkele onder de geïntimeerde partijen hebben de aandelen verkocht in het najaar van 1990 en begin 1991, toen ze al vrijwel waardeloos waren geworden.

Die opbrengstwaarde wordt in mindering gebracht van hun aankoopwaarde.

Voor de geïntimeerden die in 1989 een dividend hebben genoten, neemt het hof aan dat dit klein voordeel gecompenseerd wordt door het nadeel dat ze leden wegens gemiste kansen om tijdens die periode met het geïnvesteerde geld een lucratieve belegging te doen.

[ ... ]

78. De geïntimeerden vorderen thans ook vergoeding wegens de honoraria en onkosten die ze dienden te vergoeden aan hun advocaat.

Het lijdt geen twijfel dat de geïntimeerden hun vordering niet konden in staat stellen zonder het advies en de bijstand van een advocaat.

De sommen die ze uit dien hoofde dienden te spenderen vormt een vergoedbare schadepost, althans voor diegenen onder hen wiens vordering werd toegewezen.

79. Er wordt een billijke «provisionele» vergoeding van 20 000 EUR gevorderd, maar uit het dispositief van de conclusie moet begrepen worden dat het vermelde bedrag toch geen provisioneel karakter heeft.

De geïntimeerden dienen in beginsel de omvang van de schadepost te bewijzen. Er kan nochtans worden aangenomen dat hij in dit stadium van de rechtspleging nog niet definitief kan worden begroot en daarom komt een billijke vergoeding verantwoord voor.

Rekening houdend met de aard, de duur en de complexiteit van de problematiek enerzijds en met de omstandigheid dat niet voor alle geïntimeerden de vergoedingeis wordt toegewezen, kent het hof een billijke vergoeding toe van 15 000 EUR ten voordele van de geïntimeerden samen wiens vordering deels of geheel werd toegewezen.

Om deze redenen :

Het hof,

[ ... ]

Ontvangt de hoger beroepen,

Verklaart het principale ongegrond en het incidentele gegrond.

Wijzigt het beroepen vonnis behoudens waar het de vordering van de geïntimeerden ontvangt en beslist over de last van de gedingkosten.

Verklaart de vordering als volgt gegrond in hoofdsom ten voordele van de hierna vermelde partijen en veroordeelt appellante tot betaling aan hen van de aangegeven bedragen:

Zegt dat op deze hoofdsommen vergoedende rente verschuldigd is vanaf de successieve data van hun aankopen tot op de datum van dit arrest en vervolgens moratoire rente op het geheel tot op de datum van betaling.

Verwerpt het door deze geïntimeerden méér gevorderde.

Verwerpt de vordering van de overige geïntimeerden.

Ontvangt ook de nieuwe vergoedingseis en verklaart hem gegrond.

Veroordeelt appellante tot betaling aan de geïntimeerden samen wiens vordering deels of geheel werd toegewezen van 15 000 EUR wegens vergoeding van kosten en erelonen die ze aan hun advocaat dienen te betalen.
 

Noot: 

Barrack Mines : het vervolg (noot onder de publicatie van dit arrest in DAOR)

Bronvermeldingen

De prospectusaansprakelijkheid is in principe een zuivere toepassing van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad:

• P.D. CAMESASCA, « Prospectusaansprakelijkheid », D.A. O.R., 1996, afl. 3 9, (9) 14;

• L. CORNELIS en J. PEETERS, «De bankier als raadgever, vermogensbeheerder en beleggingsadviseur: inhoud en draagwijdte van zijn informatie- en adviesverplichtingen», in X (ed.), Actuele ontwikkelingen in de, rechtsverhouding tussen bank en consument, Antwerpen, Maklu, 1994, (189) 215;

• F. DE BAUW en M. DuPLAT, «Ernission d'euro-obligations et devoir de due diligence du banquier chef de file - Observations à propos de !'arrêt Confederation Life», Bank Fin. R., 2003, (136) 138; V DE ScHRYVER, «Prospectusaansprakelijkheid», in E. WYMEERSCH (ed.), Financieel recht tussen oud en nieuw, Antwerpen, Maklu, 1996, (337) 345 en 346;

• H. SWENNEN, Financiële wetgeving, Gent, Mys en Breesch, 1995, 43).

•  Kooph. Brussel, 17 oktober 2003, D.A. O.R., 2004, afl. 69, 83, noot S. DELAEY en T.B.H., 2004 (weergave), 92.

• S. DELAEY, «Barrack Mines: prospectusaansprakelijkheid van de kredietinstelling», noot onder Kooph. Brussel, 17 oktober 2003, D.A. O.R., 2004, afl. 69, 87-96.

• Brussel, 8 maart 2002, Bank Fin. R., 2002, (2 34) 2 3 5;

• Kooph. Brussel, 26 maart 1997, Bank Fin., 1997, (334) 3 3 5, Bulletin droit et banque (Luxemburg), 1998, afl. 27, (55) 56 en T.R. V., 2000, (109) 111;

• Kooph. Brussel, 10 februari 2000, T.R. V., 2000, (100) 101; A. BRUYNEEL en E. VAN DEN HAUTE, «Chronique de droit bancaire privé- Les opérations de banque (2002-2005)», Bank Fin. R., 2005, (223) 235. Nederland: M.A. BLOM, Prospectusaansprakelijkheid van de lead manager, Deventer, Kluwer, 1996, 119;

• JR. ScHAAFSMA, «La responsabilité en matière de prospectus: röle et responsabilité des commissaires aux comptes aux Pays-Bas», Bull. Joly B., 1994, afl. april (speciaal nummer),

• B. WESSELS, «Eigen verantwoordelijkheid bank voor emissieprospectus», De Nv, 1993, (199) 201.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 04/08/2016 - 12:16
Laatst aangepast op: do, 04/08/2016 - 12:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.