-A +A

Aansprakelijkheid van de turnleraar voor ongeval in de turnles

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 24/05/2017

Een school is niet aansprakelijk voor de verwondingen die een kind aan een medeleerling toebrengt tijdens de les lichamelijke opvoeding wanneer de eiser geen fout bewijst van de school zelf (art. 1382 BW), evenmin als een fout bewijst begaan van haar aangestelde, de turnleraar (art. 1384 lid 3 BW).

Het Hof weerhield te dezen niet de wettelijk vermoede fout (art. 1384 lid 4 BW).
 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
305
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. J.-P.S.,

in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige dochter, K.S., geboren op 28 maart 1995, over wie hij het ouderlijk gezag uitoefende en wiens goederen hij beheerde op datum van het ongeval,

2.P.T.,

in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter, K.S., geboren op 28 maart 1995, over wie zij het ouderlijk gezag uitoefende en wiens goederen zij beheerde op datum van het ongeval, ter zitting van 9 mei 2017 in persoon aanwezig,

3.K.S.,

ter zitting van 9 mei 2017 in persoon aanwezig[ ... ]
appellanten 1 t/m 3,
[ ... ]

tegen

1. Katholiek secundair onderwijs Maasmechelen De Helix vzw [ ... ] geïntimeerde 1,
[ ... ]
2.S.M.,[ ... ] geïntimeerde 2,
[ ... ]

DE ANTECEDENTEN EN DE VORDERINGEN
1.
Het voorwerp van door J.-P.S. en P.T., samen handelend als wettelijke vertegenwoordigers van hun alsdan minderjarige dochter K.S., bij dagvaarding van 6 februari 2013 tegen het Katholieke Secundair Onderwijs Maasmechelen De Helix VZW (hierna "de school" genoemd) ingestelde vorderingen, van het verstekvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 8 maart 2013 (waarin "alvorens nader recht te doen", dr. J.R. als gerechtsdeskundige werd aangesteld voor het oogletsel) en van de dagvaarding in verzet en tussenkomst d.d. 18 juli 2013 van de school uitgebracht t.a.v. J.-P.S. en P.T., K.S. en S.M. en de daaraan ten grondslag liggende feiten, werden correct uiteengezet in het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, d.d. 3 oktober 2014 en dit hof verwijst ernaar.
De eerste rechter verklaarde de vordering van de J.-P.S. en P.T. en van K.S. ten aanzien van de school ontvankelijk maar ongegrond (artikel 1384, vierde lid B.W., artikel 1384 derde lid B.W. en artikel 132 B.W.). De vordering in tussenkomst en vrijwaring van de school ten aanzien van S.M. werd ontvankelijk maar zonder voorwerp verklaard. J.-P.S., P.T. en K.S. werden veroordeeld tot de betaling van de proceskosten van de school. De school werd veroordeeld tot de betaling van de proceskosten van S.M.

2.
J.-P.S., P.T. en K.S. (hierna "de consorten S." genoemd) hebben met een ter griffie van dit hof op 3 december 2014 neergelegd verzoekschrift, hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis van 3 oktober 2014.

Zij vragen het bestreden vonnis "teniet te doen" en het verstekvonnis van 8 maart 2013 te bevestigen, met dien verstande dat een andere geneesheer-deskundige dan dr. R. dient te worden aangesteld met dezelfde opdracht.

3.
De school besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij herhaalt in ondergeschikte orde haar vrijwaringsvordering t.a.v. S.M.

Op incidenteel beroep vraagt zij bij hervorming van het bestreden vonnis om de consorten S. en/of S.M. te veroordelen tot de kosten van de vrijwaringsvordering.

4.
S.M. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep van de consorten S. en van het incidenteel beroep van de school en tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

BEOORDELING
5.

De betwisting tussen partijen heeft betrekking op een schadegeval tijdens het lesuur lichamelijke opvoeding in de school, opgelopen door K.S. op 1 juni 2010 waarbij zij een bal tegen haar rechteroog kreeg. Zij gooide, als "werper" van de bal, deze naar de "slagman", S.M., die de bal terugsloeg, waarbij deze bal het rechteroog van K.S. raakte.

De aansprakelijkheid van de school wordt ingeroepen op basis van artikel 1384, vierde lid B.W., artikel 1384, derde lid B.W. en artikel 1382 B.W. De bewijslast hiervan rust op de consorten S.
6.

De onderwijzers zijn aansprakelijk voor de schade door hun leerlingen veroorzaakt gedurende de tijd dat ze onder hun toezicht stonden (artikel 1384, vierde lid B.W).

De toepassing van artikel 1384, vierde lid B.W. vereist, zoals de eerste rechter terecht stelde, de hoedanigheid van onderwijzer en is dus enkel van toepassing op de onderwijzer en niet op de onderwijsinstelling waar de onderwijzer werkt, ten deze de school.

De leraar, dhr. V., is niet betrokken in deze procedure.

Deze vordering is zodoende ongegrond.
7.

De onderwijsinstelling kan aangesproken worden als aansteller van de leerkracht als deze een fout begaat die schade aan derden veroorzaakt en het schadeverwekkend feit gebeurt in de bediening van de aangestelde (artikel 1384, derde lid B.W.).

Enkel de toepassingsvoorwaarde van de fout wordt betwist. Niet de toepassingsvoorwaarde dat de leraar in kwestie een aangestelde was van de school.

Onterecht stellen de consorten S. dat geen fout moet bewezen worden in hoofde van de leerkracht met verwijzing naar artikel 1384, vierde lid B.W. Het bewijs van een fout van de leerkracht maakt wel degelijk een toepassingsvoorwaarde uit van artikel 1384, derde lid B.W.

De eerste rechter heeft op oordeelkundige gronden, die door de consorten S. niet weerlegd en door dit hof overgenomen worden, besloten dat geen fout wordt aangetoond in hoofde van de leerkracht lichamelijke opvoeding. Enkel in antwoord op de door de consorten S. ontwikkelde grieven, voegt dit hof daar aan toe wat volgt.

Ter terechtzitting verklaart de raadsman van de consorten S. niet langer het standpunt aan te houden dat de leerkracht de leerlingen had moeten voorzien van veiligheidskledij (speciale helm met gezichtsmasker).

Aan de leerkracht wordt verweten niet het juiste materiaal te hebben gebruikt, m.n. een tennisbal in plaats van een kindvriendelijke zachte bal, waarbij verwezen wordt naar een handleiding voorgebracht door de consorten S. onder stuk 11 van hun bewijsbundel.

Terecht betwisten de overige partijen de toepasselijkheid van deze handleiding, minstens bewijzen de consorten S. niet dat de school verplicht is deze handleiding te volgen. De loutere vermelding dat "incrediballs" nodig zijn om honkbal te spelen ("materiaal") doet nog niet besluiten dat niet met een tennisbal mag gespeeld worden. Bovendien is niet aangetoond dat de schade niet zou zijn ontstaan indien zou zijn gespeeld met een "incrediball" in plaats van met een tennisbal. Eveneens met verwijzing naar deze handleiding stellen de consorten S. dat de school niet het klassieke honkbalspel maar een veiligere versie ervan nl. "peannutbal" had moeten onderrichten.

Zoals gesteld, geraakt de toepasselijkheid van deze handleiding op de school niet bewezen.

Bovendien blijkt uit deze handleiding dat de scholen zelf een keuzevrijheid hebben welke spelvorm van honkbal en welk niveau ze wensen te onderrichten. Er wordt uitdrukkelijk gesteld: "de aanbevolen stappen zijn niet bindend".

De consorten S. voeren verder aan dat de leerkracht niet de nodige veiligheidsafstand heeft voorzien tussen werper en slagman, waarbij zij verwijzen naar de verklaring van K.S. dat er tussen de werper en de slagman 2 meter afstand was. Een gebrek in het toezicht m.b.t. een voldoende afstand tussen de leerlingen wordt zodoende aangevoerd.

Het louter feit dat het ongeval gebeurde, doet nog niet besluiten tot een fout van de zijde van de leerkracht. Het is niet aangetoond dat bij een ruimere afstand, het ongeval niet zou zijn gebeurd zoals het ten deze is gebeurd. Er wordt geen technisch verslag desbetreffend voorgebracht door de consorten S., op wie nochtans de bewijslast rust. Bovendien wordt deze voorgehouden afstand van 2 meter betwist door de overige partijen nu deze beweerde feitelijkheid enkel gebaseerd is op de verklaring van het slachtoffer zelf en de eerste rechter ook terecht stelde dat niet aangetoond wordt "dat een afstand van 2 meter om het loutere gooien en slaan te oefenen, een onvoldoende veilige afstand zou zijn".

Het hof aanvaardt geen aansprakelijkheid van de school op basis van artikel 1384, derde lid B.W.

8.
Verder wordt de foutaansprakelijkheid van de school zelf aangevoerd (artikel 1382 B.W.).

Het hof verwijst naar haar hierboven (randnummer 7) weergegeven motieven m.b.t. de veiligheidskledij, het aan te wenden materiaal (bal), de afstand van 2 meter en de "veiligere" versie van honkbal nl. "peannutbal" en besluit dat geen fout bewezen geraakt in hoofde van de school.

Dat het ging om een les in de turnzaal (kleine ruimte) geraakt niet bewezen en werd ter terechtzitting tegengesproken door het slachtoffer zelf.

9.
Het hof besluit tot de ongegrondheid van de vordering van de consorten S.

Zij worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot de proceskosten van de school in eerste aanleg (bevestiging van het bestreden vonnis) en in hoger beroep (€ 1440,00 rechtsplegingsvergoeding).

10.
In ondergeschikte orde stelt de school een vrijwaringsvordering tegen S.M. Deze vordering is, zoals terecht geoordeeld door de eerste rechter, ongegrond.

Nu de school in eerste aanleg zelf is overgaan tot dagvaarding in tussenkomst van S.M., wordt de school, ook al stelde zij slechts een in ondergeschikte orde vrijwaringsvordering, veroordeeld tot de betaling van de proceskosten van S.M. in eerste aanleg en is haar incidenteel beroep ongegrond (bevestiging van het bestreden vonnis).

De consorten S. hebben S.M. in hoger beroep betrokken, zodat zij gehouden zijn tot de betaling van de proceskosten van S.M. in hoger beroep, begroot op € 1440,00 rechtsplegingsvergoeding.

[ ... ]

 

 

Noot: 

Noot: Marc Kruithof, EEN TYPISCH SCHOOLONGEVAL: STRUIKELEN OVER 'VERTICALE GETRAPTE CUMUL' OF 'CASCADE' VAN AFGELEIDE AANSPRAKELIJKHEDEN? NJW 2018, 306

• W. VANDENBUSSCHE, Bewijs en onrechtmatige daad, Antwerpen, Intersentia, 2017, nr. 132 e.v., p. 100 e.v., en nr. 155 e.v. p. 120 e.v.).
• R. KRUITHOF, "Aansprakelijkheid voor andermans daad: kritische bedenkingen bij enkele ontwikkelingen", RW 1978-79, 1393-1426, nr. 21, k. 1411;
• P. DE TAVERNIER, De buitencontractuele aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door minderjarigen, Antwerpen, Intersentia, 2006, nr. 360, p. 270-271
Rechtspraak:
• Cass. 19 juni 1997, C.96.0254.F-C.96.0258.F, nr. 284, Pas. 1997, 700, Arr.Cass. 1997, 670, RW 1998-99, 148, noot A. VAN OEVELEN, RCJB 1998, 587, noot R. DALCQ, RGAR 1997, nr. 12.852, TBBR 1997, 829, l.dr.jeun. 1997, 400, noot T. PAPART, JT 1997, 582, JLMB 1997, 1122, noot T. PAPART
• Cass. 8 maart 2006, P.05.0854.F, nr. 133, Pas. 2006, 549, Arr.Cass. 2006, 552, JT 2006, 625, RABG 2007, 892, noot V. VERVLIET, RGAR 2006, nr. 14.185, RW 2009-10, 104;
• Cass. 18 november 1981, RGAR 1982, nr. 10.459, RW 1982-83, 859;
• Arbitragehof nr. 2000/19 van 9 februari 2000) of ontoerekeningsvatbaarheid (TH. VANSWEEVELT & B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, nr. 619, p. 411).

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 16/05/2018 - 19:21
Laatst aangepast op: ma, 21/05/2018 - 14:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.