-A +A

Aansprakelijkheid kredietgever voor zijn makelaar culpa in eligendo

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Sint-Niklaas
Datum van de uitspraak: 
woe, 03/01/1996

De consument is slechts verplicht om de juiste en volledige informatie te verstrekken die de kredietgever of de kredietbemiddelaar noodzakelijk achtten, en tot niets meer, terwijl aan de kredietgever (en de kredietbemiddelaar) een ondervragingsplicht wordt opgelegd. De medewerkingsplicht van de consument gaat echter niet zover dat hij spontaan ongevraagde informatie over zijn financiële toestand moet meedelen.

Niettegenstaande de niet correcte raadpleging van de gegevenscentrale van de N.B.B. en de gebrekkige informatie vanwege de kredietbemiddelaar, heeft de kredietgever geen verder onderzoek uitgevoerd of andere gegevens verzameld om de terugbetalingsmogelijkheden van verweerders adequaat te kunnen beoordelen.

Artikel 15 CKW laat nochtans, door het gebruik van de woorden «onder meer», duidelijk uitschijnen dat de raadpleging en de informatie die bedoeld zijn in de artikelen 10 en 71 CKW, niet altijd kunnen volstaan.

Het door de verweerders (of de kredietbemiddelaar?) opgegeven doel van de lening, namelijk het afwerken van hun woning, is zo ruim en vaag dat het bij eiseres argwaan had moeten wekken en minstens tot een summier onderzoek aanleiding had moeten geven. Dan zou vlug de ware toedracht aan het licht zijn gekomen.

Een onvolledig nazicht van de kredietwaardigheid door de makelaar ontslaat de kredietgever niet van zijn verantwoordelijkheid.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
406
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C.V. A. t/ Van K.-T.

...

2. Door bemiddeling van de B.V.B.A. M., kredietmakelaar, stond eiseres bij kredietovereenkomst (contract nr. 92976.2) van 18 mei 1994 aan verweerders een lening op afbetaling toe voor een nominaal bedrag van 301 000 BEF, met een jaarlijks kostenpercentage van 19,50, terugbetaalbaar in 48 maandtermijnen van 8 833 BEF vanaf 17 juni 1994.

Eiseres vordert nu de betaling van het bedrag groot 367 239 BEF, te vermeerderen met de gerechtelijke rente op 365 686 BEF en met de gedingkosten. Bij conclusie heeft eiseres haar vordering uitgebreid met de kosten van bewarend beslag onder derden en op onroerend goed.

Verweerders hebben een tegenvordering ingesteld tot nietigverklaring van de leningovereenkomst en tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het nog niet afbetaalde kapitaal, vermeerderd met 96 708 BEF en een provisie van 75 000 BEF, te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke rente en met de gedingkosten. Subsidiair vragen verweerders de vordering slechts gegrond te verklaren tot beloop van 25 000 BEF, en ten hoogste tot het openstaande kapitaal van de lening, met behoud van de afbetalingstermijnen.

Eiseres vraagt nog een bij voorraad uitvoerbaar vonnis met uitsluiting van het kantonnement, terwijl verweerders in voorkomend geval vragen de uitvoerbaarheid te beperken tot de voor beslag vatbare gedeelten van hun inkomen.

...

4. Er bestaat tussen partijen geen betwisting over dat de bewuste kredietovereenkomst onderworpen is aan de Consumentenkredietwet (CKW) van 12 juni 1991.

...

5.2. De nietigheid van de akte (instrumentum) brengt evenwel op zichzelf niet de nietigheid mee van de overeenkomst zelf (negotium).

Het bewijs van de overeenkomst kan ook geleverd worden door een begin van bewijs door geschrift, aangevuld door vermoedens. Die zijn terzake voorhanden: het door de verweerders ondertekende origineel exemplaar maakt ontegensprekelijk een begin van bewijs door geschrift uit, en samen met onder meer de gedeeltelijke uitvoering van de overeenkomst door verweerders, namelijk hun twaalf maandelijkse betalingen van 8 833 BEF, vormt dit het bewijs van het bestaan en van de voorwaarden van de leningsovereenkomst.

De leningovereenkomst is dus bewezen en geldig volgens het gemene recht, alhoewel de leningsakte van 18 mei 1994 nietig is.

De nietigheid van de leningsakte zelf wordt in de Consumentenkredietwet echter niet gesanctioneerd, terwijl die nietigheid ook niet belet dat een geldig kredietaanbod werd gedaan dat beantwoordt aan de voorschriften van artikel 14 CKW. Bijgevolg kan de nietigheid (of de vermindering van de verplichtingen van verweerders) op grond van artikel 86 niet ingeroepen worden.

Verder kan evenmin gesteld worden dat de verweerders het aanbod niet hebben aanvaard, zodat er geen sprake kan zijn van een overtreding van artikel 16 CKW noch van de sancties van de artikelen 88 en 89 CKW.

...

10. Verweerders beroepen zich op de precontractuele aansprakelijkheid van eiseres als bankier, en met name op de culpa in contrahendo, op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

De verwijzing naar de bankiersaansprakelijkheid gaat hier niet op. Ofwel wordt daarmee bedoeld de extra-contractuele aansprakelijkheid van de bankier tegenover derden, wanneer het krediet een schijn van solvabiliteit schept. Ofwel betreft het de contractuele aansprakelijkheid tegenover de kredietnemer, wanneer het krediet te bruusk of te onpas wordt opgezegd waardoor de kredietnemer in liquiditeitsproblemen komt; de bankier zal daarentegen niet aansprakelijk gesteld worden omdat hij te veel krediet heeft gegeven (Lettany, P., Het consumentenkrediet. De wet van 12 juni 1991, pp. 75-76, nr. 92).

Terzake kan geen gemeenrechtelijke burgerlijke of contractuele aansprakelijkheid van eiseres tegenover verweerders ingeroepen worden. Het kan eiseres immers op die gronden niet als fout aangewreven worden dat zij is ingegaan op het verzoek van verweerders om hen krediet toe te staan.

11. Anders ligt het evenwel wanneer de handelswijze van eiseres wordt beoordeeld vanuit de Consumentenkredietwet. Die wet beoogt immers hoofdzakelijk de consument een betere bescherming te verlenen tegenover onder meer de kredietgevers, de kredietbemiddelaars en ook tegenover zichzelf (Lettany, P., o.c., pp. 1-2, nr. 2), als reactie (van de wetgever) op de overmatige schuldenlast van bepaalde groepen consumenten en uit bezorgdheid om de sociale crisissituaties en de bedreiging van het evenwicht van de betrokken gezinnen (Dambre, M., Consumentenkrediet, p. 1, nrs. 1-2). Het eenvoudig verstrekken van krediet op vraag van de consument kan, in het licht van de Consumentenkredietwet, bijgevolg wél een fout uitmaken.

De fout die eiseres terzake wordt verweten is dat zij het bewuste krediet heeft aangeboden in strijd met artikel 15 CKW, omdat zij redelijkerwijze niet mocht aannemen dat de verweerders in staat waren de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst na te komen.

Voor zover uit de stukken kan worden opgemaakt, is eiseres uitsluitend voortgegaan op de consultatie van de (negatieve) gegevenscentrale van de Nationale Bank van België (NBB) en op het aanvraagformulier dat door bemiddeling van de B.V.B.A. M. werd opgemaakt en aan eiseres bezorgd. Het blijkt niet, en het wordt ook niet beweerd, dat eiseres andere inlichtingen heeft ingewonnen.

11.1. Het stuk 3 van eiseres moet het bewijs leveren van de raadpleging geregeld door artikel 71 CKW. De betekenis van de gebruikte codes op dit cryptische bericht wordt niet uitgelegd. Voorzover dit kan begrepen worden, kan daaruit alleen afgeleid worden dat op 17 mei 1994 niemand beantwoordde aan de gegevens «van k./e/130248/b/090950» noch aan de gegevens «VAN K./E/130248», m.a.w. dat er geen (achterstallig) krediet bekend was op naam van Van K. E, geboren op 13 februari 1948 én van T. B., geboren op 9 september 1950, noch op naam alleen van Van K., E, geboren op 13 februari 1948.

Nu blijkt de geboortedatum van eerste verweerder 13 februari 1949 (i.p.v. 1948) te zijn, zodat hij uiteraard niet kon teruggevonden worden, evenmin als hij én tweede verweerster samen. Op het bewuste bericht komt verder achter de gegevens betreffende «T/B/090950» de vermelding dat niemand aan deze gegevens beantwoordt niet voor. Bovendien blijkt nergens uit dat alle door de twee echtgenoten hoofdelijk afgesloten kredieten ook op naam van de beide echtgenoten afzonderlijk worden geregistreerd. Bijgevolg werd de door artikel 15 CKW voorgeschreven raadpleging door eiseres niet correct uitgevoerd.

De consultatie per modem op 21 november 1995 van de Centrale voor Uitwisseling van Gegevens over het Risico van de leden van de Koninklijke Beroepsvereniging van het Krediet (BVK) bewijst niets m.b.t. de raadpleging op 17 mei 1994 van de centrale gegevensbank van de NBB: het gaat immers over een ander gegevensbestand en de consultatie werd uitgevoerd op een andere datum. Bovendien blijkt niet dat het bericht van die consultatie bij BVK volledig is en dat er bijvoorbeeld geen vroegere registraties op een volgend scherm terug te vinden zijn. Aldus wordt ook niet eens bewezen dat een correcte raadpleging van de gegevenscentrale van de NBB eveneens een negatief resultaat zou hebben opgeleverd.

11.2. Eiseres voert aan dat zij zich gebaseerd heeft op de haar door verweerders verstrekte informatie, en met name op het ingevulde formulier «Aanvraag aanbod voor een krediet». Dit werd haar door de kredietbemiddelaar de B.V.B.A. M., bezorgd.

Waar en wanneer dit formulier werd ingevuld is niet bekend: de rubrieken daaromtrent werden opengelaten. De datum kan niet met zekerheid afgeleid worden uit de stukken die eiseres aan dat formulier gehecht heeft, namelijk de loonafrekening van eerste verweerder over de maand april 1994 en het rekeninguittreksel van 6 mei 1994 met de werkloosheidsvergoeding van tweede verweerster. Het is immers niet zeker dat die stukken ook oorspronkelijk aan het formulier waren gehecht, temeer daar de daarop vermelde bedragen (nettoloon van 53 809 BEF voor eerste verweerder en vergoeding van 11 943 BEF voor tweede verweerster) niet overeenstemmen met de op het formulier opgegeven bedragen (respectievelijk ± 68 000 en 12 500). Nog aangenomen dat die stukken wel aangehecht waren, dan kan hooguit voor zeker worden aangenomen dat het formulier dateert van na 6 mei 1994; dit kan dan echter evengoed na 18 mei 1994, de (ingangs)datum van het kredietaanbod en van de aanvaarding ervan, gesitueerd worden.

Uit de vergelijking met het handschrift van de verweerders bij de ondertekening van het kredietaanbod is duidelijk dat het aanvraagformulier niet door verweerders zelf werd ingevuld. Voorzover dit kan uitgemaakt worden, gaat het integendeel om het handschrift van de afgevaardigde van de B.V.B.A. M.; dit is ook hetzelfde handschrift als op het formulier «Echtheidsverklaring: handtekening en identiteit» (in het dossier van eiseres geïnventariseerd als «bewijs ontvangst cheque door verweerders»). Het lijkt trouwens de gebruikelijke werkwijze dat het aanvraagformulier door toedoen van de professionele kredietgever of kredietbemiddelaar wordt ingevuld en dan ter ondertekening aan de consument wordt voorgelegd. Aangenomen mag worden dat het er terzake niet anders aan toegegaan is en dat, quod plerumque fit, de verweerders het ingevulde aanvraagformulier niet hebben nagekeken; alleszins hebben zij de tekst boven hun handtekening («De aanvragers verklaren volledige en juiste informatie te hebben verstrekt. Zij verklaren eveneens juiste en volledige informatie te hebben ontvangen in verband met de beoogde kredietovereenkomst. Opgemaakt te ... op ... Handtekening(en) aanvrager(s)» niet nagelezen vermits plaats en datum niet werden ingevuld.

Hieruit moet worden afgeleid dat de verweerders zich ertoe beperkt hebben te antwoorden op de vragen die hen door de afgevaardigde van de B.V.B.A. M. werden gesteld. Uit niets blijkt dat zij geen of een onjuist antwoord hebben gegeven over hun financiële toestand en hun terugbetalingsmogelijkheden. Dat de bewuste rubrieken niet werden ingevuld is dan aan de afgevaardigde van de B.V.B.A. M. te wijten; in elk geval werd in de rubrieken «kredieten in omloop» en «nog te betalen saldo» waarvan men ook nog zou kunnen veronderstellen dat zij onder de titel «Onroerende goederen» thuishoren, ook niet genoteerd dat er geen waren.

Hiermee hebben de verweerders voldaan aan de op hen rustende (negatieve) informatieverplichting van artikel 10 CKW. De consument is immers slechts verplicht om de juiste en volledige informatie te verstrekken die de kredietgever of de kredietbemiddelaar noodzakelijk achtten, en tot niets meer, terwijl aan de kredietgever (en de kredietbemiddelaar) een ondervragingsplicht wordt opgelegd. De medewerkingsplicht van de consument gaat echter niet zover dat hij spontaan ongevraagde informatie over zijn financiële toestand moet meedelen (Dambre, M., o.c., pp. 23-24, nr. 46).

Hoe dan ook kende terzake de B.V.B.A. M. voldoende de financiële situatie en de terugbetalingsmogelijkheden van de verweerders, aangezien via deze zelfde kredietbemiddelaar enkele maanden voordien twee leningen op afbetaling aan de verweerders waren toegestaan, namelijk op 8 februari 1994 door de N.V. S. voor een nominaal bedrag van 401 000 BEF (af te korten in 60 x 9 617 BEF) en op 19 februari 1994 door de N.V. W. voor een nominaal bedrag van 650 000 BEF (af te korten in 60 x 15 589 BEF). Verweerders mochten er daarom alleszins van uitgaan dat zij deze informatie niet opnieuw moesten meedelen, en zij kunnen bijgevolg niet van bedrog of van kwade trouw beschuldigd worden.

Eiseres kan zich er tegenover verweerders niet op beroepen dat de B.V.B.A. M. ingevolge artikel 64, § 2, CKW niet verplicht was haar deze kredieten ter kennis te brengen; dit behoort immers wel tot de mededelingsplicht van de kredietbemiddelaar, op grond van artikel 64, §1, CKW. Eiseres zal ook hier de gevolgen moeten dragen van haar «culpa in eligendum» van de B.V.B.A. M. als haar kredietbemiddelaar (vgl. Lettany, P., o.c., p. 346, nr. 422). Eiseres moet dan maar tegenover de B.V.B.A. M. de sanctie van artikel 99 CKW inroepen.

11.3. Niettegenstaande de niet correcte raadpleging van de gegevenscentrale van de N.B.B. en de gebrekkige informatie vanwege de kredietbemiddelaar, heeft eiseres geen verder onderzoek uitgevoerd of andere gegevens verzameld om de terugbetalingsmogelijkheden van verweerders adequaat te kunnen beoordelen.

Artikel 15 CKW laat nochtans, door het gebruik van de woorden «onder meer», duidelijk uitschijnen dat de raadpleging en de informatie die bedoeld zijn in de artikelen 10 en 71 CKW, niet altijd kunnen volstaan.

Het door de verweerders (of de kredietbemiddelaar?) opgegeven doel van de lening, namelijk het afwerken van hun woning, is zo ruim en vaag dat het bij eiseres argwaan had moeten wekken en minstens tot een summier onderzoek aanleiding had moeten geven. Dan zou vlug de ware toedracht aan het licht zijn gekomen.

Ook de discrepantie tussen de op het aanvraagformulier vermelde inkomsten van ± 68 000 BEF en ± 12 500 BEF met de werkelijke inkomsten van 53 809 BEF en 11 943 BEF die uit de daarbij gevoegde stukken had voor eiseres een signaal moeten zijn.

12. Uit het vorenstaande volgt dat eiseres, gelet op de gegevens waarover zij beschikte of zou moeten beschikken, niet mocht aannemen dat de verweerders in staat waren de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst na te leven, en bijgevolg had zij aan de verweerders geen kredietaanbod mogen voorleggen (artikel 15 CKW).

De miskenning hiervan door de kredietgever kan gesanctioneerd worden door de consument te ontslaan van het geheel of van een gedeelte van de nalatigheidsinteresten en door zijn verplichtingen te verminderen tot het ontleende bedrag, terwijl de consument het voordeel van de betaling in termijnen behoudt (artikel 92, lid 1, 2°, en lid 2, CKW).

Wanneer uitsluitend wordt rekening gehouden met de door eiseres gekende werkelijke inkomsten van verweerders bij het aangaan van de lening (53 809 BEF + 11 943 BEF = 65 752 BEF) enerzijds, en met de mensualiteiten waarvan eiseres toen kennis had of moest hebben (15 000 BEF hypothecaire lening, volgens stuk 4 van eiseres + 9 617 BEF Spaarkrediet + 15 589 BEF Westkrediet + 8 833 BEF eiseres = 49 039 BEF) anderzijds, diende 75 % van het inkomen van de verweerders gespendeerd te worden aan het afbetalen van leningen en bleef er hen maandelijks slechts een saldo van 16 713 BEF voor alle andere uitgaven.

Gelet op deze manifeste schuldoverlast waartoe eiseres heeft bijgedragen, is het zeker verantwoord, bij toepassing van artikel 92 CKW, de verplichtingen van de verweerders te verminderen tot het ontleende bedrag van 301 000 BEF, uiteraard onder aftrek van de reeds uitgevoerde betalingen van 12 x 8 833 BEF = 105 996 BEF, zodat er nog hooguit een saldo van 195 004 BEF overblijft, af te korten met maandelijkse betalingen van 8 833 BEF.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de inkomsten van de verweerders intussen zouden zijn vermeerderd; zelfs dan nog bevinden zij zich, gelet op de vermelde enorme schuldenlast, nog steeds in een bijna uitzichtloze en alleszins uiterst precaire financiële toestand. Het kan de verweerders niet verweten worden dat zij, gelet op hun stellingname, het vonnis afwachten vooraleer verdere betalingen te verrichten. Evenmin kan hen ten kwade geduid worden dat zij het verzet tegen de loonsoverdracht niet hebben opgegeven; het is aan eiseres om, indien zij dit nodig en mogelijk oordeelt, de bekrachtiging van die overdracht te vorderen. Verweerders moeten dan ook te goeder trouw geacht worden. Daarom moet hen ook nu nog de kans gegeven worden om de maandelijkse afkortingen na dit vonnis te hernemen.

13. Blijft de vraag of, gelet op de formulering van artikel 92 CKW, dat begint met de woorden «onverminderd de andere gemeenrechtelijke sancties», terzake nog verder kan gegaan worden door een bijkomende schadevergoeding toe te kennen, die de consument zou kunnen compenseren met zijn kapitaalschuld. Hier is dan wel het gemene recht van toepassing, waarbij de consument de fout van de kredietgever moet bewijzen, het feit dat hij op basis van de hierboven vermelde sanctie niet volledig schadeloos is gesteld, alsook het oorzakelijk verband (Lettany, P., o.c., p. 77, nr. 93).

Hierboven (nr. 10) werd echter reeds aangegeven dat het verstrekken van een krediet op verzoek van de consument, voor de kredietgever geen gemeenrechtelijke fout uitmaakt.

De door eiseres gepleegde inbreuk op artikel 15 CKW wordt wel gesanctioneerd door artikel 92 CKW, maar maakt het kredietaanbod op zichzelf niet nietig.

Bijgevolg kan er ook geen sprake zijn van een nietige aanvaarding van het aanbod noch van enige betaling voordien, zodat er geen overtreding is van het verbod van artikel 16 CKW en geen reden bestaat tot toepassing van de sancties van de artikelen 88 en 89 CKW (vgl. hierboven: nr. 5.2 in fine).

Noot: 

Annick De Boeck, De kredietwaardigheidsbeoordeling door de kredietgever na tussenkomst van een kredietbemiddelaar

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 11/10/2017 - 14:30
Laatst aangepast op: wo, 11/10/2017 - 14:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.