-A +A

Aansprakelijkheid beleggingsadvies

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 11/01/2016

De verplichting van een beleggingsadvies behelst slechts een middelenverbintenis.

De loutere waardedaling van de portefeuille van de belegger resulteert niet automatisch tot de aansprakelijkheid van de beleggingsadviseur.

De beleggingsadviseur is aansprakelijk wanneer de belegger het bewijs levert dat ieder ander normaal zorgvuldige en omzichtige beleggingsadviseur, geplaatst in dezelfde omstandigheden, de beleggingsproducten niet zou hebben geadviseerd.

Bij de beoordeling van de inspanningsverbintenis van de beleggingsadviseur moet men zich plaatsen in dezelfde historische, economische en financiële omstandigheden zoals die bestonden op het moment dat de handelingen werden gesteld.

Het beleggingsadvies is onderworpen aan de onvoorspelbaarheden van de financiële markten, reden waarom de overeenkomst van beleggingsadvies een inspanningsverbintenis uitmaakt in hoofde van de beleggingsadviseur.
 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
605
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

6. Het beleggingsadvies is een contract van aanneming van werk.

Het beleggingsadvies is onderworpen aan de onvoorspelbaarheden van de financiële markten, reden waarom de overeenkomst van beleggingsadvies een inspanningsverbintenis uitmaakt in hoofde van de beleggingsadviseur.

In het contract van beleggingsadvies zoals dit tussen partijen aanvankelijk op 22 maart 2006 tot stand kwam, is deze middelenverbintenis overigens uitdrukkelijk als volgt bevestigd:

"De adviseur vervult de opdracht die hij aanvaard heeft als een goed huisvader, dit is met behulp van de resultaten van zijn studies, van de beste informatie en met de nauwlettendheid van een beleggingsadviseur. Hij waarborgt echter niet het rendement van de roerende waarden die deel uitmaken van de portefeuille, noch de evolutie van hun koersen, noch in het algemeen de resultaten van de uitgevoerde operaties. In hoofde van de adviseur is deze overeenkomst derhalve een louter middelenverbintenis."

Waar er derhalve geen sprake is van een resultaatsverbintenis, maar enkel een middelenverbintenis, impliceert de loutere vaststelling dat de portefeuille van appellant zelfs substantieel in waarde is gedaald dan ook niet de aansprakelijkheid van de beleggingsadviseur.

De aansprakelijkheid van geïntimeerde als beleggingsadviseur vereist het bewijs dat een normaal voorzichtige en professionele beleggingsadviseur in de gegeven omstandigheden de betreffende producten niet zou hebben aangeraden.

7. Krachtens artikel 36 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, zoals gepubliceerd in het B.S. van 29 april 2003 en opgeheven met ingang van 1 november 2007, dienen bemiddelaars bij transacties in financiële instrumenten zich optimaal in te zetten voor de belangen van hun cliënten en ondermeer alle stappen te ondernemen om de cliënt die zij adviseren, in een voor de cliënt verstaanbare taal, alle informatie te bezorgen die hem toelaten om welafgewogen en met kennis van zaken een beleggingsbeslissing te nemen.

Krachtens artikel 27, § 1, 2, 3 en 4 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 27 april 2007 tot omzetting van de MiFID-richtlijn, waken de gereglementeerde ondernemingen erover om op loyale, billijke en professionele wijze te handelen en om naar best vermogen de belangen van de cliënt te dienen. Alle aan cliënten of potentiële cliënten verstrekte informatie moet 'correct, duidelijk en niet misleidend' zijn. Deze informatie, die in gestandaardiseerde vorm mag worden verstrekt, moet de redelijkerwijs in staat stellen de aard en de risico's van de aangeboden beleggingsdienst en van de specifiek aangeboden categorie van financieel instrument te begrijpen en derhalve met kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen.

Aldus geformuleerd sporen de voormelde verplichtingen, zowel pre- als post MiFID, met de voormelde middelenverbintenis en creëren zij, in tegenstelling tot wat appellant aanvoert, geen resultaatsverbintenis in hoofde van geïntimeerde.

8. In essentie samengevat laat appellant gelden dat geïntimeerde het in de overeenkomst van 22 maart 2006 vastgelegd verbintenisrechtelijk kader te buiten ging en zonder de vereiste voorafgaandelijke informatie complexe en risicovolle producten adviseerde waardoor appellant werd misleid in zijn rechtmatige verwachtingen.

Nog volgens appellant schond zij daardoor manifest de door haar aangegane verbintenissen, pleegde zij precontractuele en contractuele fouten en is zij aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door appellant geleden schade, waaronder zowel het kapitaal- als het rendementsverlies.

8.1.Met het oog op de beoordeling of geïntimeerde al dan niet heeft voldaan aan de op haar rustende middelenverbintenissen moet men zich plaatsen in dezelfde historische, economische en financiële gegevens die gekend waren en rekening houden met de omstandigheden die een normaal zorgvuldige professionele beleggingsadviseur toen redelijkerwijze kon of moest voorzien.

Naar het oordeel van het hof kan appellant niet worden bijgetreden in zijn argumentatie dat geïntimeerde het beleggingsprofiel anno 2006 zou hebben miskend door hem complexe en zeer risicovolle producten te adviseren die niet in dit beleggersprofiel pasten.

Aan de hand van de voorliggende stukken stipt geïntimeerde vooreerst terecht aan en wordt het door appellant niet betwist dat de hier ter discussie staande producten:

allemaal financiële producten waren, uitgegeven door financiële instellingen wiens solvabiliteit in die periode onaantastbaar werd geacht, allemaal voor 100% gelinkt waren aan bankaandelen, welke op het ogenblik van de advisering werden beschouwd als "goede-huisvader" - aandelen met quasi vast rendement, allemaal voorzagen in een kapitaalsbescherming, die ervoor zorgde dat op de vervaldag minstens de inleg zou worden terugbetaald, tenzij de onderliggende bankwaarden met meer dan 30% zouden gedaald zijn, wat toen voor bankaandelen zeer onwaarschijnlijk was.

Aldus beschouwd en rekening houdend met de onderliggende bankaandelen kunnen de ter discussie staande producten, op het ogenblik dat zij aan appellant werden geadviseerd, de facto niet als zeer risicovol worden bestempeld en pasten zij wel degelijk binnen het profiel anno 2006 ("bescherming kapitaal, regelmatig inkomen").

Uit geen enkel gegeven blijkt immers dat er op het ogenblik van de intekening op de hier ter discussie staande producten indicaties waren van een nakende bankencrisis die een aanzienlijke daling van de bankaandelen zou veroorzaken.

Er was op het ogenblik van de intekening geen enkele aanwijzing dat appellant zich aan een hoog marktrisico blootstelde.

Overigens stelt het hof vast dat appellant zelf herhaaldelijk en zeer nadrukkelijk bevestigde dat de hier ter discussie staande producten aan zijn beleggingsprofiel beantwoordden.

In de door hem ondertekende verklaringen naar aanleiding van zijn inschrijving op twee Phoenix-notes op 29 april 2008 bevestigde appellant:

"dat deze inschrijving in overeenstemming is met zijn beleggingsdoelstellingen en mogelijkheden om eventuele beleggingsrisico's financieel te dragen en dat de bank er bijgevolg terecht kan vanuit gaan dat deze inschrijving geschikt of gepast is." (stukken 22 en 25 - geïntimeerde)

Zoals geïntimeerde naar het oordeel van het hof terecht voorhoudt, kan deze bevestiging ook in aanmerking worden genomen voor de overige hier ter discussie staande intekeningen vermits het steeds identieke en aan bankaandelen gelinkte producten betrof, die appellant niet van de hand deed en waaromtrent hij nooit enige opmerking formuleerde.

De argumentatie van appellant dat geïntimeerde het beleggersprofiel anno 2006 zou hebben miskend, staat haaks op zijn houding en het standpunt dat hij eerder zelf innam en waarmee hij zelf uitdrukkelijk de profiel-conformiteit bevestigde.

Anders dan appellant voorhoudt is het dan ook niet zo dat geïntimeerde in 2009 en in 2011 het oorspronkelijke profiel heeft aangepast in een poging om haar tekortkomingen recht te zetten en zich in te dekken.

En, indien er gaandeweg al een evolutie in het aanvankelijke beleggersprofiel in aanmerking zou kunnen worden genomen, dan nog blijkt uit wat voorafgaat dat appellant daarmee zijn volledige instemming betuigde nog vooraleer in 2009 en 2011 tot een effectieve aanpassing/actualisering van dit profiel werd overgegaan.

Dat deze aanpassing/actualisatie van zijn beleggersprofiel de volledige instemming van appellant wegdroeg kan alleen maar bevestigen dat de hier ter discussie staande producten, met de kenmerken en de beschermingsgraad zoals hiervoor vermeld, zich wel degelijk situeerden binnen het beleggersprofiel van appellant.

Appellant suggereert, maar bewijst niet dat voormelde instemming door enig wilsgebrek was aangetast.

Anders dan appellant voorhoudt betrof het naar het oordeel van het hof ook geen complexe producten, waaromtrent hij bezwaarlijk ernstig kan voorhouden onvoldoende te zijn voorgelicht waardoor geïntimeerde, zowel pre-MiFID als post-MiFID, zou tekort gekomen zijn aan haar informatieverplichting.

Al van bij de eerste intekening op 4 april 2007 werd appellant voorafgaandelijk door geïntimeerde in kennis gesteld van de concrete gegevens en het concept van de Eagle-note waarop hij intekende.

De inhoud van het faxbericht dat geïntimeerde op 3 april 2007 aan appellant toestuurde, laat aan duidelijk niets te wensen over. (stuk 9 - geïntimeerde)

Verder heeft appellant ook naar aanleiding van verdere aankopen van gelijkaardige notes uitdrukkelijk en bij herhaling bevestigd:

"door de bank voldoende geïnformeerd te zijn over de algemene kenmerken van gestructureerde producten en over de specifieke kenmerken van het gestructureerd product waar door middel van dit formulier wordt op ingeschreven en hiertoe de vereiste informatiebronnen te hebben ontvangen of geraadpleegd;

Onder meer dankzij deze informatie, de nodige ervaring en voldoende kennis te hebben om te begrijpen welke risico's verbonden zijn aan beleggingen in gestructureerde producten en het onderscheid tussen de begrippen kapitaalsgarantie en kapitaalsbescherming te kennen." (stukken 22 en 25 - geïntimeerde)

Appellant kan in de gegeven omstandigheden bezwaarlijk ernstig voorhouden dat hij onvoldoende werd geïnformeerd over de gestructureerde producten, nl. de Eagle-notes en de Phoenix-notes, waarop hij intekende.

Voorafgaand aan de effectieve intekening werden door geïntimeerde voorstellen tot aankoop uitgestuurd waarin de nodige uitleg werd gegeven omtrent de structuur en de werking van het product, alsook over het mogelijk rendement. (stuk 9 - geïntimeerde)

Uit voormeld stuk blijkt dat zeer expliciet werd vermeld dat het in de Eaglenote geïnvesteerde kapitaal slechts terugbetaald zou worden ten belope van de tegenwaarde van de onderliggende ING aandelen wanneer de koers van het ING-aandeel na vijf jaar minder dan 70% van de startwaarde zou bedragen.

Nog afgezien van de discussie of appellant al dan niet in kennis werd gesteld van de technische fiche/informatiebrochure betreffende het product, moet worden vastgesteld dat iedere intekening door geïntimeerde werd bevestigd door een borderel met bijsluiter, welke bijsluiter telkens opnieuw nogmaals de productkenmerken vermeldde, daarin begrepen het gegeven dat het kapitaal op vervaldag niet gegarandeerd was:

"Graag geven we u nog enkele belangrijke kenmerken van de Eagle Note mee:

6. een potentieel hoog rendement (met een aantrekkelijke bonus), zelfs bij een beperkte stijging van het onderliggende,

7. een mogelijkheid tot vervroegde terugbetaling,

8. een kapitaalsbescherming zolang het onderliggende niet fors daalt

9. noch de bonus, noch het kapitaal zijn echter gegarandeerd."

(zie stukken 11,16,19,23,26 en 28 - geïntimeerde (eigen vetdruk door het hof))

Met betrekking tot de producten waarop was ingetekend werden aan appellant op verschillende tijdstippen ook diverse brieven gestuurd waarbij, naast de nieuw in aanmerking te nemen modaliteiten, ook uitdrukkelijk werd gewezen op mogelijk kapitaalverlies en de mogelijke omvang ervan.

(stukken 12,17,20,24 en 29 - geïntimeerde)

Waar uit niets blijkt dat appellant - na ontvangst van deze voorstellen tot aankoop, de navolgende borderellen en de voormelde briefwisseling - op enig ogenblik enige vraag om bijkomende informatie of toelichting formuleerde, laat staan binnen de contractueel bepaalde termijn enig protest liet gelden - dringt zich de vaststelling op dat hij, zoals overigens zelf uitdrukkelijk erkend (zie hiervoor), zich door geïntimeerde voldoende geïnformeerd achtte over de algemene en de specifieke kenmerken van het gestructureerd product en bevestigde "dankzij deze informatie, de nodige ervaring en voldoende kennis te hebben om te begrijpen welke risico's verbonden zijn aan beleggingen in gestructureerde producten en het onderscheid tussen de begrippen kapitaalsgarantie en kapitaalsbescherming te kennen".

Komt daarbij de vaststelling dat appellant sinds 1998 reeds een contract inzake verhandeling van opties met geïntimeerde had ondertekend, hij in het contract van beleggingsadvies van 22 maart 2006 zelf aangaf vertrouwd te zijn met gestructureerde producten.

Appellant kan gelet op wat voorafgaat dan ook niet worden bijgetreden in zijn argumentatie dat hij, uitgaande van het beleggersprofiel anno 2006, er rechtmatig mocht vanuit gaan dat hij volledige kapitaalsgarantie genoot en hij daarin werd verschalkt door geïntimeerde die hem niet voldoende zou hebben geïnformeerd over het risico

8.3. Het is naar het oordeel van het hof ook niet zonder belang om vast te stellen dat op 14.11.2008, na het uitbreken van de financiële crisis, appellant zich uitdrukkelijk akkoord verklaarde met de toenmalige samenstelling van zijn portefeuille nu hij het per 14.11.2008 opgestelde portefeuilleoverzicht welk overzicht de op dat ogenblik al geboekte verliezen vermeldde en waarin nogmaals werd benadrukt dat er geen kapitaalsgarantie was - zonder enig voorbehoud of opmerking voor 'gelezen en goedgekeurd' ondertekende.

Ook de navolgende portefeuilleoverzichten die telkens opnieuw melding maakten van de samenstelling van de portefeuille en de waardering ervan, en waaruit ook de grote verliezen bleken, ontlokten bij appellant geen enkel protest noch enige opmerking of aanspraak ten aanzien van geïntimeerde.

Ook deze vaststellingen onderlijnen dat appellant bezwaarlijk ernstig kan voorhouden dat hij er steeds is vanuit gegaan dat zijn kapitaal gedurende de volledige duur van de beleggingen onaangetast bleef en derhalve integraal gegarandeerd werd en hij terzake door geïntimeerde werd misleid.

9. Gelet op wat voorafgaat dringt zich dan ook de conclusie op dat appellant niet naar genoegen van recht aantoont dat (i) geïntimeerde het in de overeenkomst van 22 maart 2006 vermelde beleggers-/investeringsprofiel te buiten ging en zonder de vereiste voorafgaandelijke informatie complexe en risicovolle producten adviseerde waardoor appellant werd misleid in zijn rechtmatige verwachtingen en (ii) geïntimeerde bij het adviseren van de ter discussie staande producten precontractuele dan wel contractuele fouten beging.

Waar in hoofde van geïntimeerde geen fouten kunnen worden weerhouden komt een verder onderzoek naar de door appellant gevorderde schadevergoeding en naar het causaal verband niet terzake dienend voor zodat het hof daarop niet verder ingaat.

10. Op grond van al het voorgaande komen de overige middelen en argumenten van partijen niet relevant voor, zodat het hof er niet verder op ingaat.

In toepassing van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. legt het hof de gedingkosten van het hoger beroep ten laste van appellant.

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,

[ ... ]

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond,

Bevestigt, deels op andere gronden, het bestreden vonnis,

[ ... ]

Noot: 

Evariest Callens, De informatieplicht van de beleggingsadviseur, NJW 2017, 608

Overige grotendeels gelijklopende rechtspraak

• Kh. Brussel 26 april 2013, TBH 2015, 224;

• Kh. Brussel 24 april 2013, BFR 2013, 174;

• Kh. Brussel 28 januari 2011, BFR 2011, 363;

• Brussel 28 mei 2009, 2004/ AR/2993, www.juridat.be;

• Gent 4 april 2005, DAOR 2005, 359;

• Gent 13 december 2004, DAOR 2005, 354

• Luik 29 juni 2001, JT 2001, 864

• Kh. Brussel, 26 april 2013, TBH 2015, 224

• Kh. Brussel 28 januari 2011, BFR  2011, 363).

• Kh. Brussel 26 april 2013, , TBH 2015, 224; Kh. Brussel 28 januari 2011, BFR 2011, 363 en V. COLAERT, “Welke bescherming voor welke belegger? Cliëntclas-
sificatie pre- en post-MiFID”, BFR 2007, (396) 398).

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 18/05/2018 - 13:35
Laatst aangepast op: wo, 23/05/2018 - 10:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.