-A +A

Aansprakelijkheid bank bij uitbetaling cheque

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 16/04/2002
A.R.: 
A.R. nr. 2002/AR/2557

Op grond van art. 3 S van de Chequewet is de betrokkene die een door endossement overdraagbare cheque betaalt, enkel gehouden de regelmatigheid van de reeks van endossementen te onderzoeken, maar niet de handtekening der endossanten. Bovendien is de betrokkene door de betaling van de cheque wettig bevrijd, tenzij hem bedrog of grove schuld te wijten is.

Alhoewel in het voorliggend geval de handtekening van de endossanten Ferroli en Vurkeij vals was, moet vastgesteld worden dat de reeks van endossementen regelmatig was. Er kan aan KBC (of haar rechtsvoorganger) als betrokkene bovendien geen bedrog of grove schuld verweten worden. Zij had, in tegenstelling tot [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ, geen kennis van de omstandigheden waarin de cheque ter incasso werd aangeboden en het feit dat de cheque laattijdig werd aangeboden was geen reden, om niet tot betaling ervan over te gaan (P. DE VROEDE, a.w., nr. 213,

In de mate dat noch bedrog, noch grove schuld, aan Kredietbank ten laste kan gelegd worden en Van Marcke niet aantoont dat de cheque gestolen werd nadat hij Ferroli bereikte, kan aan KBC als rechtsopvolger van de Kredietbank, die de betrokkene was van de litigieuze cheque, geen aansprakelijkheid ten laste gelegd worden. Zij had derhalve het recht - en de verplichting - om de rekening van Van Marcke te debiteren (cfr E. WYMEERSCH, M. DAMBRE en K. TROCH, a.w., T.P.R., 1999, nr. 213, p. 1931).
 

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2008/85
Pagina: 
67
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

(Bank für Kärnten und Steiermark AG t. n.v. Van Marcke Logistics en KBC Bank n.v.)

1. Gegevens van de zaak in beroep

1.1. Bank für Kärnten und Steiermark AG stelde op 4 december 2002 hoger beroep in tegen het vonnis van 2 5 juni 2002 van de rechtbank van koophandel te Kortrijk.

Van Marcke Logistics n.v. stelde in besluiten neergelegd op 28 augustus 2003 incidenteel hoger beroep in.

KBC n.v. vordert de bevestiging van het vonnis. In ondergeschikte orde herneemt zij haar eis in vrijwaring tegen Bank für Kärnten und Steiermark AG voor een eventuele veroordeling tot betaling van de schade, die Van Marcke Logistics n.v. ook haar blijft vorderen (en waarover de eerste rechter zich niet meer heeft moeten uitspreken, nadat hij de hoofdeis van Marcke Logistics n.v. tegenover KBC n.v. ongegrond had verklaard).

1.2. De blijvende betwisting betreft de eis van Van Marcke Logistics n.v., die strekt tot de hoofdelijke veroordeling van Bank für Kärnten und Steiermark AG en KBC n.v. tot de betaling van een schadevergoeding van 651 570,80 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 7 mei 2003, 1 provisionele euro aan kosten voor juridische bijstand en de gedingkosten.

1.2 .1. Van Marcke Lo gis tics n.v. grondt deze eis op de manifeste fouten van Bank für Kärnten und Steiermark AG en KBC n.v. bij de aanvaarding en uitbetaling van een gekruis te cheque voor 398 149,82 EUR (16 061 324 BEF), die zij op 29 december 1996 had getrokken op haar bank KBC n.v. in betaling van een factuurschuld tegenover haar klant Ferroli SpA. Deze cheque werd klaarblijkelijk gestolen en nadien vervalst.

De gekruiste cheque werd in blanco geëndosseerd door een zekere Walter F erroli, die onbekend is bij Ferroli SpA en ook onbekend bleef.

De cheque werd daarna ter incasso bij Bank für Kärnten und Steiermark AG aangeboden door een zekere Handanovic, die zich als Karlo Vurkeij uitgaf. De aanbieding werd voorafgegaan door een afspraak buiten het bankkantoor in het koffiehuis «Am Platzl», die een Sloveens journalist Alojz Kos als tolk voor Karlo Vurkeij had geregeld met een relatiebeheerder van de bank, de heer A. Egger, en waarop ook nog een zekere Renaux aanwezig was.

Deze kantoorverantwoordelijke liet Handanovic een bankrekening bij Bank für Kärnten und Steiermark AG openen, om het bedrag van de cheque hierop te kunnen storten. Hij voorzag er ook meteen in, dat Hans Siegl - aan wie Handanovic het bedrag van de cheque verschuldigd zou geweest zijn voor een of andere contractuele schuld - een volmacht op deze rekening zou krijgen.

Als incassobankier heeft Bank für Kärnten und Steiermark AG bij KBC n.v. om de uitbetaling gevraagd van de cheque. Zij bracht hiervoor de stempel «Prior endorsements guaranteed» op de cheque aan. En nadat zij hiervoor door KBC n.v. was geprovisioneerd heeft zij het bedrag gestort op de rekening, die zij Handanovic had laten openen. Daarop nam Hans Siegl meteen het geld op van de bankrekening waarop hij volmacht had, om het na aftrek van een commissie - door te geven aan Alojz Kos, die het op zijn beurt doorgaf aan Handanovic.

Aangezien Ferroli SpA onbetaald bleef, heeft de eerste rechter Van Marcke Logistics n.v. -van wie de rekening met het bedrag van de cheque al gedebiteerd was - veroordeeld om (nog eens) 456 206,75 EUR te betalen aan Ferroli SpA, vermeerderd met de verwijlintresten aan de overeengekomen intrestvoet van 10% op 398 149,82 EUR, vanaf 1 juni 1998 tot aan de betaling.

- Van Marcke Logistics n.v. bekwam voor de eerste rechter vergoeding van de schade die zij als gevolg van de uitbetaling van de vervalste cheque leed, doordat hij Bank für Kärnten und Steiermark AG tot haar vrijwaring veroordeelde voor alle sommen, intresten en kosten, waarvan Van Marcke Logistics n.v. het bewijs levert ze in uitvoering van het vonnis te hebben betaald aan Ferroli SpA. Hij verklaarde de eis van Van Marcke Logistics n.v. tegenover KBC n.v. ongegrond.

1.2.2. Bank für Kärnten und Steiermark AG en KBC n.v. vorderen wederzijds van elkaar vrijwaring voor een eventuele veroordeling tot betaling van de schade, die Van Marcke Logistics n.v. van hen vordert.

1.3. Het hof weerhoudt volgende relevante overwegingen uit het vonnis :

1.3 .1. In de nummers 3 7 tot en met 41 preciseerde de eerste rechter welk recht van toepassing was op de zaak :

« 3 7. In zover [Van Marcke Logistics n. v. aan Bank für Kärnten und Steiermark AGJ verwijt een fout te hebben begaan bij het aanvaarden en de uitbetaling van de kwestieuze cheque, beroept Van Marcke zich op de aquiliaanse aansprakelijkheid van [Bank für Kärnten und Steiermark AG}. Meer bepaald roept zij in dat [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ naar aanleiding van de uitvoering van het mandaat tot incasso dat zij gekregen heeft van de aanbieder van de cheque, ten aanzien van Van Marcke haar zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden en een extra-conctractuele fout heeft begaan.

Het incassomandaat is, naar Belgisch recht, een overeenkomst van lastgeving, waarbij een bank als lasthebber optreedt van de houder van de cheque, die hem ter incasso aanbiedt. [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ is opgetreden als mandataris ter incasso. Het feit dat zij de cheque pas heeft betaald, nadat de cheque door de betrokken bank werd betaald, doet daaraan geen afbreuk (Antwerpen, 10 januari 1995, R.W., 1995- 1996, 262).

In het voorliggend geval werd het verzoek tot incasso door de houder in Oostenrijk gedaan aan [Bank für Kärnten und Steiermark AG], die een Oostenrijkse bank is. Partijen zijn het er over eens dat op dit verzoek tot incasso het Oostenrijks recht van toepassing is. Ook het Oostenrijks recht kwalificeert de overeenkomst tot incasso als een mandaat (Auftrag) (AvANCINI, Ino en Kozroi., Österreichisches Bankvertragsrecht, nr. 7 /81, p. 429).

[. . .}

39. Wanneer Van Marcke voorhoudt dat [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ tegenover haar onrechtmatig zou gehandeld hebben naar aanleiding van de verrichtingen met het oog op het incasso van de cheque, moet dit onrechtmatig handelen getoetst worden aan de bepalingen van de Oostenrijkse Chequewet van 16 februari 19 5 5 ("Bundesgesetz vom 16 Februar 19 5 5 betreffend das Scheckrecht''). Aldus bepaalt art. 19 van deze Wet onder meer: (. . .) vertaald: "Hij die een door endossement overdraagbare cheque in handen heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, ook wanneer het laatste endossement in blanco is gesteld (. . .) ".

In art. 21 van dezelfde wet wordt bepaald : (. . .) vertaald : "Indien iemand op welke manier dan ook, het bezit van een cheque heeft verloren, is de houder, in wiens handen de cheque zich bevindt - tenzij het om een cheque aan toonder of een door endossement overdraagbare cheque gaat, ten aanzien waarvan de houder van zijn recht doet blijken op de in art. 19 bepaalde wijze - slechts tot teruggave van de cheque verplicht, wanneer hij deze te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is".

40. De kredietinstelling die een cheque ter incasso aanvaardt, is in principe niet verplicht om te controleren of de houder van de cheque hiertoe gerechtigd is, tenzij wanneer heel bijzondere omstandigheden, vooral in de persoon van de houder, of de ongewoonheid van transactie met inbegrip van de begeleidende omstandigheden, de verdenking doen rijzen dat de cheque verloren zou kunnen geraakt zijn (AvANCINI, Iao en KoZIOL, Österreichisches Bankvertragsrecht, nr. 7137,p. 412).

De bank heeft niet de plicht te zoeken naar opvallende omstandigheden die zouden kunnen blijken uit het feit dat degene die de cheque aanbiedt, verschilt van de aanvankelijke begunstigde ervan, aangezien het in het commerciële verkeer niet ongewoon is dat de eerste ontvanger van een cheque die vermeld is in het chequeformulier, de cheque niet meteen ter incasso aanbiedt, maar hem ter betaling opnieuw in omloop brengt (HAUSER, Österreichisches Wechsel- und Scheckrecht, II, 1999, nr. 555, p. 211).

Degene die een cheque verkrijgt is slechts ernstig nalatig, wanneer hij de in het verkeer vereiste zorgvuldigheid in ongewone, bijzonder zware mate geschonden heeft, doordat hij niet gelet heeft op wat in een concreet geval voor iedereen volkomen duidelijk had moeten zijn (AvANCINI, Ino en Kozioi, a.w., nr. 7137, p.413).

41. Door het Oostenrijkse Hooggerechtshof werd geoordeeld dat de bank, die een cheque ter incasso aanvaardt, hoewel ze op grond van opvallende omstandigheden bij de indiening van de cheque had moeten twijfelen aan het recht van de toonder, wordt verplicht tot schadeloosstelling indien de ondertekenaar aan zijn schuldeiser, aan wie hij door middel van de cheque wilde betalen, een tweede maal moet betalen (OGH 9 april 19 91, 4 Oh 504191). In het geval dat voor het Oostenrijks Hooggerechtshof werd behandeld, bestond een opvallende omstandigheid erin dat gevraagd was het bedrag van een verrekeningscheque te boeken op een spaarrekening, die speciaal daarvoor geopend werd en waarvan het totale chequebedrag onmiddellijk na de creditering opnieuw van de spaarrekening werd afgehaald.

Een verrekeningscheque is een cheque die alleen mag voldaan worden door middel van een boeking (creditering in rekening, overschrijving of schuldvergelijking) (art. 3 8 (2) van de Oostenrijkse Chequewet). Een buitenlandse gekruiste cheque wordt in Oostenrijk als een verrekeningscheque beschouwd (art. 39 (1) Oostenrijkse Chequewet) ».

1.3.2. In de nummers 42 tot en met 47 toetste de eerste rechter de eigen gegevens van de zaak aan de toepasselijke rechtsregels, om tot een tekortkoming van Bank für Kärnten und Steiermark AG te besluiten :

«42. Uit de gegevens van de zaak, die blijken uit de verklaringen van de partijen en de andere betrokkenen, zoals ze onder meer gedaan werden naar aanleiding van het strafonderzoek, komt naar voor dat de wijze waarop - en de omstandigheden waarin - de cheque die door Van Marcke getrokken was, werd aangeboden met het oog op incasso, evenals de wijze waarop tot opname van het bedrag van de cheque werd overgegaan, abnormaal en bijzonder verdacht waren.

Vooreerst is er de vaststelling dat de bijeenkomst met Kos, "Vurkeij" - die in werkelijkheid Handanovic was - en een derde, die zich niet bekend maakte, maar een zekere "Renaux" bleek te zijn, niet plaats vond in de kantoren van de bank maar in een café, [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ roept weliswaar in dat het niet ongewoon is dat haar medewerkers zaken met klanten bespreken in een café, maar in het voorliggend geval ging het er niet om zaken te bespreken, maar gewoon om een cheque ter incasso aan te bieden.

De heer Suschnig, die de bièrarcbiscbe overste was van Egger bij [Bank für Kärnten und Steiermark A G], verklaarde dat dagelijks wel 100 buitenlandse cheques in het bankkantoor van [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ te Klagenfurt werden aangeboden. Het betrof dus blijkbaar een courante verrichting, die kon gebeuren aan het loket en waarvoor geen beroep hoefde gedaan te worden op Egger, die een relatiebeheerder was. Het feit dat de aanbieder geen Duits sprak, belette hem niet om zich samen met zijn tolk aan het loket aan te bieden.

[. . .]

43. Naast het feit dat de afspraak met het oog op het incasso van een cheque werd gemaakt buiten het bankkantoor, was ook de vaststelling "dat deze vraag uitging van Kos en de cheque moest geïnd worden in het voordeel van Siegl" een voldoende reden voor enige argwaan bij Egger. Kos was immers reeds enkele maanden eerder langs was geweest om een cheque te verzilveren in voordeel van Siegl en toen was gebleken dat deze cheque niet gedekt was. Volgens de verklaring die

Kos in het kader van het strafonderzoek aflegde, waren Egger en Siegl "woedend" toen dit bleek Bovendien verklaarde Kos (. . .) vertaald : "Beide maakten toendertijd verwijten aan het adres van Handanovic wegens de afgifte van deze cheque". Daarmee leek Kos te suggereren dat Egger Handanovic kende.

Overigens blijkt uit de verklaring die de heer Wagner, jurist van [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ, aflegde in het kader van het strafonderzoek, dat het [Bank für Kdrnten und Steiermark AGJ bekend was dat geregeld cheques gestolen werden die met de post naar Italië verzonden werden. Het feit dat een Sloveen bij een Oostenrijkse bank een cheque komt innen die door een Belgische trekker werd uitgeschreven, met als betrokkene een Belgische bank en aan order van een Italiaanse vennootschap, is in het kader van de internationale handel als zodanig niet abnormaal of verdacht. Het feit dat zij er evenwel van op de hoogte was dat de georganiseerde criminaliteit zich inliet met het stelen van cheques die met de post naar Italië' werden verzonden, moest [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ evenwel tot bijzondere waakzaamheid aanzetten, gelet op de andere bijzondere omstandigheden van de zaak.

44. [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ stelt dat het verhaal van Kos en "Vurkeij" - dat de cheque moest dienen om een betaling te verrichten aan Siegl in het kader van een commerciële transactie - geloofwaardig was, omdat zij wist dat Siegl actief was in de internationale handel. Nochtans waren zowel de houding van Handanovic alias Vurkeij, als deze van Siegl, van die aard dat zij bij [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ niet enkel ernstige vragen moesten doen rijzen over de beweerde goederentransactie, doch bovendien duidelijk wezen op de ongeloofwaardigheid van dit verhaal.

De heer Egger was blijkbaar van meet af aan op de hoogte, dat het de bedoeling was de cheque in contanten te innen. In het kader van het strafonderzoek verklaarde hij immers op 24 maart 1997 dat hij aan de heer Kos meedeelde dat een verrekeningscheque niet in contanten kon geïnd-worden (. . .) (sic!). Tijdens zijn verklaring op 4 april 1997 in het kader van het strafonderzoek, bevestigde Egger dat het hem tijdens het gesprek in café "Am Platzl" duidelijk werd dat Siegl het geld zou afnemen van de rekening, die zou geopend worden.

Het voorschrift van art. 38 (2) van de Oostenrijkse Chequewet, dat een verrekeningscheque slechts mag voldaan worden door middel van een boeking (creditering in rekening, overschrijving of schuldvergelijking), werd door [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ omzeild door voor te stellen dat "Vurkeij" een rekening zou openen, waarop Siegl een volmacht had, zodat de daarop geboekte som onmiddellijk in contanten kon opgenomen worden.

4 5. De reispas die Handanovic bij de opening van de rekening overhandigde en waarvan Egger een kopie nam, was van - de echte - Vurkeij. Uit een vergelijking van de handtekening die Handanovic plaatste op de documenten voor opening van de rekening, die hem door [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ werden overgelegd en op de cheque met deze vermeld op de reispas, blijkt dat er geen enkele gelijkenis is.

Waar Egger stelde dat het noodzakelijk was een reispas voor te leggen om een rekening te kunnen openen, moet vastgesteld worden dat hij deze reispas niet eens bekeken heeft. Gelet op de andere elementen, die van de zaak een op zijn minst ongewone transactie maakten, moet dit als een ernstige nalatigheid worden beschouwd. Een eenvoudige vergelijking van de handtekening op de reispas met deze op de documenten die in de bank werden ondertekend en van de foto op dezelfde reispas met de persoon die de rekening opende, volstond om het bedrog aan het licht te brengen. Het is onbegrijpelijk dat Egger deze elementaire controle niet heeft gedaan.

[Bank für Kärnten und Steiermark AGJ is derhalve op manifeste wijze tekortgeschoten aan haar verplichting om de identiteit van de persoon die de rekening opende, te controleren (cfr ScHINNERER en AvANCINI, Bankvertrag,p. 35). Art. 3 van de Europese Richtlijn van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld legt overigens uitdrukkelijk aan de Lidstaten op, om er op toe te zien dat de kredietinstellingen en financiële instellingen van hun cliënten legitimatie door overlegging van bewijsstukken vragen, onder meer bij het openen van een rekening (Pb, nr. L 166van 28juni 1991,p. 77).

[Bank für Kärnten und Steiermark AGJ kan de ernst van deze tekortkoming niet betwisten door er op te wijzen dat de uiteindelijke begunstigde van de transactie Siegl was, die een bekende klant was en die een volmacht had op de rekening.

Feit is immers dat de rekening werd geopend op naam van Vurkeij, die alle verrichtingen op deze rekening kon uitvoeren.

46. Wanneer Siegl op 7 februari 1997 het bedrag van de rekening kwam opnemen, werd dit hem ter beschikking gesteld, zonder dat hij stukken had voorgelegd, waaruit bleek welke de onderliggende transactie was. Bovendien moest [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ zich toch ernstig vragen stellen bij het feit dat Siegl het geld in contanten opnam. Wanneer het immers een bedrag betrof dat "Vurkeij" wilde betalen aan Siegl in het kader van een verkoop van goederen, dan mocht toch verwacht worden dat Siegl deze som niet in contanten zou opnemen, maar ze zou laten overboeken op de rekening die hij volgens Egger had bij [Bank für Kärnten und Steiermark AG].

Wanneer [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ dan op 10 februari 1997 uiteindelijk een overeenkomst en een - pro forma ( !) - factuur ontvangt, die de transactie met de cheque moet verantwoorden, heeft het voorgelegde contract betrekking op een verkoop van drank aan een Tsjechische vennootschap, doch blijkt er geen enkel verband te bestaan tussen dit contract en de Sloveen "Vurkeij". [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ die ondertussen het geld aan Siegl had uitbetaald, ondernam evenwel nog steeds niets.

Tijdens zijn verhoor in het kader van het strafonderzoek gaf de heer Wagner, jurist van [Bank für Kärnten und Steiermark AG], toe dat Egger een fout had gemaakt door de overeenstemming tussen de transactie en de overgelegde contractdocumenten niet te verifiëren.

47. Uit het geheel van de bovenvermelde feiten en omstandigheden besluit de rechtbank tot het bestaan van een grove nalatigheid in hoofde van [Bank für Kärnten und Steiermark AG], die zich bij het uitvoeren van haar mandaat ter incasso van de cheque getrokken door Van Marcke niet gedragen heeft zoals van een voorzichtig en professioneel handelend bankier mocht verwacht worden.

[. . .]

Uit het aangehaalde arrest valt, in tegenstelling tot wat [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ voorhoudt, niet af te leiden dat wat daarin werd beslist, niet zou gelden wanneer, zoals in het voorliggend geval, de incassobank pas tot uitbetaling overgaat nadat zij zelf betaling heeft ontvangen van de betrokken bank Het feit dat hij de betaling door de betrokken bank heeft afgewacht, doet geen afbreuk aan haar grove nalatigheid.

 

Door aldus te handelen heeft zij enkel haar eigen risico verminderd. Haar fout wordt er eerder zwaarder dan lichter door. Immers, door op de cheque de vermelding "Prior Endorsments Guaranteed" aan te brengen, heeft zij bevestigd dat de op de cheque aangebrachte endossementen formeel en materieel correct waren, terwijl de betrokken bank bovendien niet op de hoogte kon zijn van de omstandigheden waarin de cheque bij [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ werd aangeboden. Tot de endossementen waarop de garantieclausule betrekking hadden, behoorde ook dit van de aanbieder van de cheque, waarvan [Bank für Kdrnten und Steiermark AGJ door eenvoudige vergelijking van zijn handtekening op de rugzijde van de cheque met deze op de door hem afgegeven reispas, ondubbelzinnig kon vaststellen dat het niet dezelfde persoon betrof

[Bank für Karnten und Steiermark AGJ roept in dat in het voorliggend geval geen toepassing zou kunnen gemaakt worden van § 33 S van het ABGB, waarop het Oostenrijks Hooggerechtshof steunde, omdat [Bank für Karnten und Steiermark AGJ geen "verkrijger" te kwader trouw van de cheque was (naar Belgisch recht wordt de bankier die de cheque ter incasso in zijn bezit heeft, wel als een houder beschouwd, cfr. P DE VROEDE, De cheque, de postcheque en de reischeque, 188). Indien dit juist is, dan belet zulks niet dat zij hoe dan ook op basis van de algemene bepaling van § 129 S (I) ABGB aansprakelijk kan gesteld worden».

1.3.3. In de nummers 48 tot en met 50 weerhield de eerste rechter op grond van de hierboven weerhouden tekortkomingen - en met uitsluiting van het beroep van Van Marcke Logistics n.v. op de «Prior Endorsments Guaranteed»-clausule, die Bank für Kärnten und Steiermark AG op de cheque heeft aangebracht (de P.E.G.-clausule) - de aansprakelijkheid van Bank für Kärnten und Steiermark AG voor de schade die Van Marcke Logistics n.v. heeft geleden :

« 48. Uit het voorgaande volgt dat {Bank für Karnten und Steiermark AGJ een zware fout heeft begaan. Bovendien lijdt Van Marcke schade, die in oorzakelijk verband staat met deze fout. Alhoewel haar rekening gedebiteerd werd voor het bedrag van de cheque aan Ferroli, dient zij laatstgenoemde een tweede keer de prijs voor de geleverde goederen te betalen. Deze schade staat vast. De eerste debitering zou niet hebben plaats gevonden, indien {Bank für Kärnten und Steiermark AGJ de ingevolge de bijzondere omstandigheden van de aanbieding te verrichten verificaties had uitgevoerd en de Kredietbank als betrokken bank daarvan op de hoogte had gebracht.

Ten onrechte betwist {Bank für Kärnten und Steiermark AGJ het oorzakelijk verband door voor te houden dat de schade zich pas voordeed wanneer Siegl het geld van de rekening nam en dat ten aanzien van hem, als vaste klant van {Bank für Kärnten und Steiermark AG], geen reden bestond om van gegronde verdenking te spreken, die een bijzondere verificatie noodzakelijk maakte. Hoger werd reeds gesteld dat de handelwijze van Siegl, die erin bestond het geld in contanten op te nemen gelet op de omstandigheden, wel bijzonder verdacht was. Zoals Van Marcke terecht stelt ontstond de schade bovendien reeds op het ogenblik dat haar rekening gedebiteerd werd, niet ter voldoening van haar schuld aan Ferroli, maar om de rekening te crediteren die door de onrechtmatige houder van de cheque in de hoger aangehaalde omstandigheden was geopend. Op het ogenblik van de opname van het geld door Siegl, die kaderde in de uitvoering van de frauduleuze transactie die Handanovic had opgezet, was het geld reeds uit het patrimonium van Van Marcke verdwenen, zonder dat Ferroli het ontvangen had.

{. . .] ».

1.3.4. In de nummers 51 tot en met 59 wees de eerste rechter elke medeverantwoordelijkheid van Van Marcke Logistics n.v. voor haar schade af :

«{. . .]

S9. De rechtbank besluit dat geen fout van Van Marcke bewezen voorkomt, die ertoe zou leiden dat zij zelf geheel of gedeeltelijk aansprakelijk moet geacht worden voor de schade die zij lijdt.

{. . .] ».

1.4. Op volgende relevante overwegingen verklaarde de eerste rechter de eis van Van Marcke Logistics n.v., die strekt tot de hoofdelijke mede-veroordeling van KBC n.v. voor de gevorderde schade-vergoeding, ongegrond:

« 61. Op het chequerechtelijke vlak gelden tussen Van Marcke en KBC de bepalingen van de Belgische Chequewet van 1961.

Op grond van art. 3 S van de Chequewet is de betrokkene die een door endossement overdraagbare cheque betaalt, enkel gehouden de regelmatigheid van de reeks van endossementen te onderzoeken, maar niet de handtekening der endossanten. Bovendien is de betrokkene door de betaling van de cheque wettig bevrijd, tenzij hem bedrog of grove schuld te wijten is.

Alhoewel in het voorliggend geval de handtekening van de endossanten Ferroli en Vurkeij vals was, moet vastgesteld worden dat de reeks van endossementen regelmatig was. Er kan aan KBC (of haar rechtsvoorganger) als betrokkene bovendien geen bedrog of grove schuld verweten worden. Zij had, in tegenstelling tot [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ, geen kennis van de omstandigheden waarin de cheque ter incasso werd aangeboden en het feit dat de cheque laattijdig werd aangeboden was geen reden, om niet tot betaling ervan over te gaan (P. DE VROEDE, a.w., nr. 213,

Bovendien geldt in de verhouding tussen Van Marcke als trekker en de Kredietbank als betrokkene, de hoger vermelde aansprakelijkheid van de eigenaar van het chequeboekje op grond van art. 3 5bis van de Chequewet.

In de mate dat noch bedrog, noch grove schuld, aan Kredietbank ten laste kan gelegd worden en Van Marcke niet aantoont dat de cheque gestolen werd nadat hij Ferroli bereikte, kan aan KBC als rechtsopvolger van de Kredietbank, die de betrokkene was van de litigieuze cheque, geen aansprakelijkheid ten laste gelegd worden. Zij had derhalve het recht - en de verplichting - om de rekening van Van Marcke te debiteren (cfr E. WYMEERSCH, M. DAMBRE en K. TROCH, a.w., T.P.R., 1999, nr. 213, p. 1931).

62. Van Marcke meent ook ten aanzien van KBC rechten te kunnen putten uit de PE. G. - clausule die door [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ op de cheque werd aangebracht. Zoals hoger gesteld kan zij zich als trekker van de cheque niet beroepen op de garantie die [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ aan KBC verleend heeft (zie randnummer 50). Evenmin kan Van Marcke aan KBC verwijten, dat zij op deze garantie geen beroep heeft gedaan, aangezien de voorwaarden daartoe niet vervuld zijn, vermits KBC Van Marcke niet heeft dienen te vergoeden.

63. Aangezien de vordering in vrijwaring van Van Marcke ten aanzien van KBC ongegrond is, dient geen uitspraak gedaan te worden over de vordering die KBC in ondergeschikte orde, namelijk voor zover de vordering Van Marcke gegrond zou verklaard worden, instelde tegen [Bank für Kärnten und Steiermark AGJ».

1.5. Bank für Kärnten und Steiermark AG stelt dat de eerste rechter de feiten en het Oostenrijkse recht verkeerdelijk heeft ingeschat, om tot haar veroordeling te komen tot de schadeloosstelling van Van Marcke Logistics n.v.

[ ... ]

1.6. Het incidenteel hoger beroep van Van Marcke Logistics n.v. strekt tot de hoofdelijke veroordeling van KBC n.v. met Bank für Kärnten und Steiermark AG tot betaling van haar schade.

1.6.1. Van Marcke Logistics n.v. grondt deze eis op de P.E.G.-clausule, die afkomstig is uit het Noord-Amerikaanse bancaire recht. De bank, die de clausule aanbrengt, zou de inhoudelijke en formele regelmatigheid van de endossementen, in die zin zou garanderen, dat de handtekeningen die op de cheque voorkomen authentiek zijn, aangebracht werden door bevoegde personen en dat de cheque niet wezenlijk werd gewijzigd. De P.E.G.-clausule zou de navolgende bankiers een absolute garantie bieden over de recuperatie-mogelijkhed en voor het geval er is mis zou zijn met de cheque.

1.6.2. De volle draagkracht van de P.E.G.clausule zou ook op het Europese continent gelden, zo de banken er - in hun onderlinge verhouding- gebruik van maken; wat hier het geval is aangezien Bank für Kärnten und Steiermark AG deze clausule op de cheque heeft aangebracht. Zij zou de bepalingen van art. 3 Sbis van de Belgische Chequewet van 1 maart 1961 overstijgen en een bijkomende garantie inhouden bovenop de verplichtingen die het nationale chequerecht inhoudt.

Waar art. 3 Sbis van de Belgische Chequewet de trekker (Van Marcke Logistics n.v.) verantwoordelijk houdt voor alle gevolgen « die voortvloeien uit het verlies, de diefstal of het verkeerd gebruik van de cheque, tenzij hij bewijst, ofwel dat aan betrokkene bedrog of grove schuld te wijten is, ofwel dat de cheque verloren, gestolen of vervalst werd nadat de wettige geadresseerde hem ontvangen had», zou KBC n.v. hier bij toepassing van deze clausule verantwoordelijk zijn voor haar schade als gevolg van de uitbetaling van de gestolen en vervalste cheque. De eerste rechter zou dan ook de autonome werking van de P.E.G.-clausule miskend hebben.

1.6.3. Van Marcke Logistics n.v. stelt verder, dat KBC n.v. - door haar de kopieën over te leggen van de aanmaningen die zij aan Bank für Kärnten und Steiermark AG heeft verstuurd en die strekten tot de terugbetaling van het chequebedrag bij toepassing van de P.E.G.-clausule - haar rechtmatige verwachtingen heeft gewekt, dat zij de terugbetaling van het chequebedrag zou bekomen en dat KBC n.v. ook al het nodige zou doen om dit recht af te dwingen.

KBC n.v. zou nu ten onrechte proberen, om de draagwijdte van de garantie te beperken door een te restrictieve uitleg te geven aan de draagwijdte van de P.E.G.-clausule; in deze interpretatie zou de betrokken bank alleen de garantie waartoe de incassobank bij toepassing van de P.E.G.-clausule gehouden is kunnen afdwingen, in de gevallen waarin een derde ook beschikt over een vordering op de betrokken bank op grond van de eigen tekortkoming van de betrokken bank.

[ ... ]

Zij zou aldus Van Marcke Logistics n.v. moeten vrijwaren voor het nadeel dat zij berokkent door tegenover Bank für Kärnten und Steiermark AG de waarborg niet in te roepen, die zij zelf vanwege Bank für Kärnten und Steiermark AG heeft bekomen door het aanbrengen van de P.E.G.-clausule.

[ ... ]

1.8. Op dezelfde gronden vordert Bank für Kärnten und SteiermarkAG in ondergeschikte orde haar vrijwaring door KBC n.v. voor een eventuele veroordeling tot betaling van de schade, die Van Marcke Logistics n.v. van haar vordert en een verdeling van de aansprakelijkheid tussen alle partijen.

2. Beoordeling

2 .1. Het Hof ziet geen reden, om bij toepassing van de Europese Overeenkomst van 7 juni 1968 betreffende het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht nog verdere inlichtingen in te winnen.

[ ... ]

2 .2. Het Hof onderschrijft integraal de nummers 3 7 tot en met 41 van het vonnis, waarin de eerste rechter preciseerde welk recht van toepassing was op de zaak. Het kan alleen nog nader preciseren, dat de P.E.G clausule (Prior Endorsement is Guaranteed) geen deel uitmaakt van de Belgische chequewet van 1 maart 1961 en evenmin van de Oostenrijkse Chequewet. De nadere verklaring en invulling van deze clausule ligt dan ook niet in deze nationale wetgevingen, maar wel in het Noord-Amerikaans bancair recht, die haar in het leven riep.

Overeenkomstig het in de V.S geldende chequeincassorecht, zoals het door nagenoeg alle staten en federale rechtbanken wordt toegepast, waarborgt de P.E.G.-clausule alle volgende banken die ter goeder trouw handelen, dat de handtekeningen die op de cheque voorkomen, 1) authentiek zijn, 2) aangebracht werden door bevoegde personen en 3) dat de cheque niet wezenlijk werd gewijzigd.

Dit impliceert dat de incassobank die rechtstreeks onderhandeld heeft met de vervalser- of de vertegenwoordiger zonder volmacht en de cheque onder de waarborg die de P.E.G.-clausule inhoudt aan de navolgende bank heeft aangeboden, 1) de schade moet dragen die uit de vervalsing van de cheque volgt en 2) zich niet kan beroepen op een nalatigheid van de navolgende bank die ter goeder heeft gehandeld [U.S. Supreme Court - Case : National Metropolitan Bank v. United States, 323 u.s. 454 (1945), 323 u.s. 454].

Overeenkomstig het V.S.-chequerecht waarborgt de betrokken bank in de regel de klant/ trekker voor de gevolgen van diefstal. Dit impliceert dat de betrokken bank (en niet de trekker) zich in de regel tegen de incassobank keert, die nalaat de verbintenissen uit te voeren die de P.E.G.-clausule inhoudt. Waar uit de aard van een cheque meerdere partijen bij de chequetransancties betrokken zijn, moeten evenwel hun wederzijdse rechten en verbintenissen telkens teruggeplaatst worden in de onderlinge samenhang eigen aan de concrete chequetransactie. Het Hof zal dan ook nader ingaan op de onderlinge samenhang, waarbinnen partijen in de concrete chequetransactie zijn tussengekomen en de P.E.G.-clausule hebben geplaatst. Het kan tegenover Bank für Kärnten und Steiermark AG wel al stellen, dat de betrokken bank de cheque op de rekening van haar klant (de trekker) debiteert, omdat zij de klant kan verzekeren dat de incassobank er zich heeft toe verbonden om de schade te vergoeden, die zou volgen uit de verrekening van een vervalste cheque op zijn rekening. Het niet nakomen van deze waarborgverbintenis schaadt dan ook rechtstreeks de trekker van de cheque, die zich op een tekortkoming van de incassobank aan deze verbintenis kan beroepen.

Elke Europese bank kan vrij beslissen, om de verbintenissen die zij overeenkomstig haar nationale wetgeving als incassobank draagt, uit te breiden met de verbintenissen die de P.E.G.-clausule inhoudt. Zij kan zich zowel eenzijdig, als bij overeenkomst, tot de waarborgen die de P.E.G.-clausule inhoudt, verbinden.

2. 3. Op juiste gronden die geen verdere aanvulling vragen, heeft de eerste rechter vastgesteld dat Bank für Kärnten und Steiermark AG schromelijk tekort gekomen is aan haar voorzorgsverplichtingen, wat naar Oostenrijks recht haar aansprakelijkheid tegenover Van Marcke Logistics n.v. impliceert bij toepassing van art. 1295 (1) van het Oostenrijkse «Allgemeines Bürgerliches Gesetsbuch (ABGB) » (zie onder andere het arrest van 26 augustus 1999 van het Oostenrijkse Hooggerechtshof). De eerste rechter is tot deze vaststelling gekomen zonder beroep te doen op de garantieverbintenissen, die de P.E.G.clausule inhoudt die Bank für Kärnten und Steiermark AG op de cheque heeft aangebracht.

2.3.1.Het Hof verwijst partijen naar de nummer 42 tot en met 47 van het vonnis, waarin de eerste rechter omstandig de bijzondere omstandigheden heeft opgesomd, waaruit volgt dat zowel de wijze waarop de cheque werd aangeboden, als de wijze waarop in afspraak met de relatiebeheerder van de bank de onmiddellijke opname van het cheque werd voorbereid, abnormaal en bijzonder verdacht waren (zie boven punt 1.3.2).

2.3.2. Het volstaat om in het bijzonder te verwijzen naar het «op café» voorbereiden van de aanbieding van de cheque, het overleg « buiten het bankkantoor» om de waarborg die de gekruiste cheque inhield te omzeilen en te voorzien in een onmiddellijke opname van de gelden eens zij beschikbaar zouden ZlJn.

Het was, of moest minstens de aangestelde van Bank für Kärnten und Steiermark AG heel duidelijk zijn, dat de rekening - die in de grensstreek werd geopend op naam van Handanovic, die zich voor Carlo Vurkeij uitgaf en waarop Hans Siegl volmacht werd gegeven - alleen maar zou gebruikt worden voor het innen van een cheque; een cheque die in België was uitgeschreven voor een bijzonder hoog bedrag van 398 149,82 EUR, waarvoor de opname in contanten al niet voor de hand lag; die bestemd was voor de Italiaanse firma «Ferroli Industrie» die geen zakenrelatie van de bank was; en die geëndosseerd was aan een al even onbekende « Carlo Vurkeij » wiens identiteit zelfs niet nader werd geverifieerd.

2.3.3. De omstandigheden die de eerste rechter nader heeft geduid, had de aangestelde van Bank für Kärnten und Steiermark AG er minstens van moeten weerhouden, om bij de internationale uitwisseling van de cheque - door het aanbrengen van de P.E.G.-clausule - de indruk te versterken, dat de omruiling van de cheque in volle vertrouwen door de betrokken bank (KBC n.v.) kon gebeuren, zelfs al werd de cheque aangeboden buiten de termijn die voorzien is in art. 3 3 van de Oostenrijkse Chequewet en art. 29 van de Belgische Chequewet.

Zij had daarentegen KBC n.v. op de hoogte moeten stellen van de verdachte omstandigheden, waarin de cheque haar werd aangeboden.

2 .3 .4. De hier hernomen feitelijke vaststellingen van de eerste rechter leiden tot de aansprakelijkheid van Bank für Kärnten und Steiermark AG tegenover Van Marcke Logistics n.v. voor de schade, die in oorzakelijk verband met de grove nalatigheid van haar aangestelde staat.

2.4. Het Hof stelt vast 1) dat Van Marcke Logistics n.v. bijzonder onachtzaam heeft gehandeld bij de verzending van een gekruiste cheque voor een bedrag van 398 149,82 EUR, wat de diefstal van deze cheque in de hand heeft gewerkt en 2) dat de grove tekortkoming van Bank für Kärnten und Steiermark AG aan haar voorzorgsverplichtingen zoals hierboven weerhouden, Van Marcke Logistics n.v. niet vrijstelt van de gevolgen van het eigen, bijzonder onachtzaam handelen dat zij heeft gevolgd voor de betaling van haar Italiaanse klant.

2 .4.1. Een diligent en voorzichtig handelaar had de contractuele afspraak die voorzag in de betaling door middel van een S.W.I.F.T.-overschrijving die diefstal voorkomt niet vlug naast zich neergelegd. Deze betalingswijze is veilig en algemeen gebruikelijk in de internationale handel en brengt daarenboven weinig bankkosten mee.

Een diligent en voorzichtig handelaar had minstens het zeer hoog risico weten in te schatten van de werkwijze die Van Marcke Logistics n.v. hier heeft gevolgd. Van Marcke Logistics n.v. heeft bij gewone brief een gekruiste cheque voor een zeer hoog bedrag van 398 149,82 EUR verstuurd en dit dan nog naar Italië, zonder zelfs de moeite te nemen om de aankomst van de cheque bij de bestemmeling op te volgen.

Aldus voorkwam zij dat kon worden achterhaald, op welk ogenblik de cheque gestolen werd. Voorafgaande of gelijktijdig op het ogenblik van verzending?; na de overhandiging van de cheque aan de postdiensten die vanaf dan de verzending moesten opvolgen?; of na aankomst van de cheque bij de begunstigde wat haar verantwoordelijkheid voor de diefstal bij toepassing van art. 3 5 bis van de Belgische Chequewet van 1 maart 1961 had uitgesloten?

Dit maakte het verduisteren van de cheque voor een dergelijk bedrag aantrekkelijk; een verduistering die erop gericht was om door de vervalsing van de cheque - uiteraard - ook de uitbetaling van het chequebedrag te bekomen.

Haar nonchalant handelen voorkwam verder, dat zij de cheque - die vervalst werd en die buiten de termijn voorzien in de chequewet werd aangeboden - heeft herroepen.

2.4.2. Het Hof weerhoudt dan ook een gedeelde verantwoordelijkheid van Van Marcke Logistics n.v. voor haar schade. Haar onzorgvuldig handelen heeft de diefstal, de vervalsing en de uitbetaling van de cheque mee in de hand gewerkt.

2.5. Op juiste gronden weerhield de eerste rechter dat Van Marcke Logistics n.v. in haar verhouding tot KBC n.v. - bij toepassing van art. 35bis van de Belgische Chequewet van 1 maart 1961 - alle gevolgen draagt van het verlies van de cheque die zij heeft uitgeschreven (zie punt 1.4 hierboven).

2.5.1. De verhouding tussen Van Marcke Logistics n.v. en KBC n.v. wordt beheerst door het Belgisch recht en meer in het bijzonder door de chequewet van 1 maart 1961.

Uit geen enkel stuk volgt dat Van Marcke Logistics n.v. met KBC n.v. de afspraak zou gemaakt hebben, dat KBC n.v. bij de afhandeling van de cheques - die zij in het voordeel van haar internationale handelsrelaties zou uitschrijven - alleen voor de betaling mocht zorgen onder de voorwaarde 1) dat de buitenlandse bank die van de houder de opdracht kreeg om de cheque te innen, de P.E.G.-clausule op de cheque zou aanbrengen en 2) dat het gebruik van deze clausule zowel de buitenlandse bank, als KBC n.v. zou verplichten om in te staan voor de terugbetaling zo achteraf zou komen vast te staan dat een vervalste cheque werd uitbetaald.

Er ligt evenmin een stuk voor waaruit zou volgen dat KBC n.v. van Bank für Kärnten und Steiermark AG heeft geëist, dat zij de P.E.G.-clausule op de betrokken cheque zou aanbrengen.

Uit de aangevoerde feiten en overgelegde stukken kan het Hof alleen opmaken, dat de afgevaardigde van Bank für Kärnten und Steiermark AG de P.E.G.-clausule op de cheque heeft aangebracht, om een mogelijk argwaan van KBC n.v. te voorkomen bij de uitbetaling van de cheque die buiten de termijn weerhouden in art. 29 van de Belgische Chequewet werd aangeboden.

2.5.2. Naar Belgisch recht draagt de eigenaar van een chequeboekje in de regel bij toepassing van art. 3 5 bis van de Belgische Chequewet de aansprakelijkheid voor alle gevolgen van een diefstal van een cheque. Dit sluit niet uit dat de betrokken bank bij toepassing van art. 3 5 van de Belgische Chequewet blijft gehouden om de rechtmatigheid van de reeks van endossementen te onderzoeken en aansprakelijk blijft voor een bedrog of grove tekortkoming.

Door het vrijwillig aanbrengen van de P.E.G.-clausule engageerde Bank für Kärnten und Steiermark AG haar verantwoordelijkheid voor de regelmatigheid van de reeks van endossementen en de handtekeningen tegenover KBC n.v., die bij toepassing van art. 35 van de Chequewet van 1 maart 1961 tegenover de trekker eveneens voor de regelmatigheid instaat van de reeks van endossementen.

Waar beide banken hier tegenover de trekker de regelmatigheid van de reeks van endossement moesten waarborgen, zouden zij tegenover de trekker dan ook hoofdelijk gehouden zijn voor de schade, zo zij beiden op grove wijze tekort kwamen aan deze verplichting.

Het vrijwillig aanbrengen van de P.E,G.clausule door Bank für Kärnten und Steiermark AG impliceert evenwel niet, dat KBC n.v. ook hoofdelijk met Bank für Kärnten und Steiermark AG zou moeten instaan voor de gevolgen van een onregelmatige handtekening, nu de betrokken bank bij toepassing van art. 3 5 van de Chequewet van 1 maart 1961 de handtekening van de endossanten niet moet onderzoeken.

2.5.3. In tegenstelling tot Bank für Kärnten und Steiermark AG had KBC n.v. geen kennis van de omstandigheden, waarin de cheque ter incasso werd aangeboden. De eerste rechter weerhield terecht, dat de zware tekortkoming alleen in hoofde van Bank für Kärnten und Steiermark AG bewezen is en dat Van Marcke Logistics n.v. geen grove nalatigheid of bedrog vanwege KBC n.v. bewijst.

Bij gebrek van een haar toerekenbare zware fout kan KBC n.v. niet hoofdelijk met Bank für Kärnten und Steiermark AG gehouden zijn voor de schade, die volgde uit de uitbetaling van een gestolen cheque of uit de onregelmatige handtekeningen op de cheque.

Als titularis van een rekening bij KBC n.v. gaf Van Marcke Logistics n.v. door het uitschrijven van de cheque aan KBC n.v. een schriftelijk mandaat tot het uitbetalen van het bedrag van de cheque aan de gelegitimeerde houder. De P.E.G.-clausule die Bank für Kärnten und Steiermark AG binnen het internationaal betalingsverkeer op de cheque aanbracht versterkte het regelmatig vertrouwen van KBC n.v., dat zij de cheque aan een gelegitimeerde houder uitbetaalde. Zij wist de trekker minstens gevrijwaard voor de gevolgen van de uitbetaling van een eventuele vervalste cheque.

Van Marcke Logistics n.v. draagt tegenover KBC n.v. zelf de volle verantwoordelijkheid voor de uitbetaling van de cheque, die buiten de termijn waarin art. 29 van de Chequewet voorziet, werd aangeboden. Zij bleef immers zelf in gebreke om de verzending en de aankomst op te volgen van de cheque die zij heeft uitgeschreven. En deze nalatigheid voorkwam dat zij de cheque nog zou herroepen hebben.

2.5.4. De eerste rechter verklaarde de aanspraken van Van Marcke Logistics n.v. op KBC n.v. dan ook terecht ongegrond.

Van Marcke Logistics n.v. kan haar aanspraken op een tussenkomst van KBC n.v. evenmin gronden op de bijstand, waartoe de bank tegenover de klant gehouden is. Deze deontologische zorgvuldigheidsverplichting impliceert niet, dat de bank in naam en voor rekening van de klant een eis zou moeten instellen tegenover de derde ( ook al zou het een bank betreffen) die de klant voor haar schade aansprakelijk houdt.

En Van Marcke logistics n.v. kan zich tenslotte evenmin op de vertrouwensleer beroepen, om haar schade te verhalen op KBC n.v.

De schade die zij wenst te verhalen werd hier duidelijk niet veroorzaakt door een schijnbare toestand waarvoor KBC n.v. aansprakelijk is. Haar schade volgde uit de uitbetaling van de cheque door KBC n.v. aan Bank für Kärnten und Steiermark AG, nadat Bank für Kärnten und Steiermark AG de verzekering had gegeven dat zij zou instaan voor een mogelijke vervalsing van de cheque, maar die verbintenis niet is nagekomen en die als incassobank daarenboven op grove wijze tekort is gekomen aan haar incassoverbintenissen.

2 .6. Op bovenvermelde gronden is de eis in vrijwaring die Bank für Kärnten und Steiermark AG tegenover KBC n.v. instelt eveneens ongegrond.

Het Hof weerhield hierboven dat de uitbetaling waartoe KBC n.v. is overgegaan, haar verklaring juist vindt in de waarborg, die Bank für Kärnten und Steiermark AG haar heeft verstrekt door het aanbrengen van de P.E.G.-clausule. Bank für Kärnten und Steiermark AG - die rechtstreeks onderhandeld heeft met de vervalser en voor hem een rekening heeft geopend, waarop de gelden konden gestort worden en waarop zij heeft voorzien in een volmacht voor Hans Siegl - verzekerde KBC n.v. aldus dat zij de schade zou dragen die uit een eventuele vervalsing van de cheque zou volgen. Deze waarborg geldt zelfs in het geval van een nalatigheid van de navolgende bank, die ter goeder trouw handelt (zie het hierboven onder punt 2.2 geciteerde arrest van het Supreme Court).

2. 7. De eis in vrijwaring die KBC n.v. tegenover Bank für Kärnten und Steiermark AG instelde heeft, bij gebrek, aan veroordeling van KBC n.v. geen voorwerp.

[ ... ]
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 26/07/2016 - 13:08
Laatst aangepast op: di, 26/07/2016 - 13:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.