-A +A

aanrijding met van rechts komende fietser met hoge snelheid vanuit moeilijk waarneembaar straatje onvoorzienbare hindernis

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
din, 01/04/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschriften van de politierechters
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2010
Pagina: 
161
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Corr. Dendermonde 1 april 2008
 [...]
Beroepsgrieven en beoordeling


In termen van pleidooien vraagt beklaagde-appellante de vrijspraak opgrond van de overweging dat het voor haar totaal onmogelijk was “te voorzien dat er uit een niet gesignaliseerde, zelfs niet merkbare zijwegel een fietser met een hoge snelheid zou komen afrijden”en zij aldus in haar redelijke verwachtingen werd bedrogen. Overigens zou de komst van de fietser niet alleen niet zichtbaar, doch ook niet voorzienbaar geweest zijn gelet op het onaangepast rijgedrag van de fietser (zonder te vertragen en met een hoge snelheid,gebruikmakende van een MP3-speler). Verder benadrukt zij dat de penale schets gevoegd in het strafdossier niet in overeenstemming zou zijn met de werkelijke verkeerssituatie vermits het voetpad ter plaatse slechts één meter in plaats van drie meter zou bedragen.
 
De burgerlijke partijen daarentegen beroepen zich op hun voorrangsrecht en zijn van oordeel dat ieder normaal voorzichtig en aandachtig bestuurder – ondanks de beperkte zichtbaarheid – rekening zou gehouden hebben met het voorrangsgerechtigde verkeer. In hoofde van de fietser zou er geen enkele fout weerhouden kunnen worden vermits zij op regelmatige wijze gebruik zou hebben gemaakt van haar voorrangsrecht zodat een inbreuk op artikel 12.4 AVR in haren hoofde zou uitgesloten zijn.
 
Zij betwistende getuigenverklaring van H.K. wiens verklaring als onbetrouwbaar wordt bestempeld aangezien zij pas na driedagen werd verhoord en collusie alsdan niet zou uitgesloten zijn. Overigens zou haar verklaring omtrent de aanrijdingconfiguratie volgens de burgerlijke partijen niet in overeenstemming zijn met de lokalisatie van de schade zoals deze blijkt uit de foto’s met name: de primaire contactfase zou zich situeren vooraan in plaats van de flank. De fietser zou – in strijd met de beweringen van appellante – geen MP3-speler hebben gedragen.
 
Het Openbaar Ministerie vorderde ter terechtzitting de bevestiging van het vonnis a quo op grond van de overweging dat strikt juridisch de voorrang van rechts van toepassing is op onderhavige verkeerssituatie zolang niet is aangetoond dat de voorrangsgerechtigde op een onregelmatige wijze haar voorrangsrecht zou hebben uitgeoefend.
 
Hoewel de rechtbank strafrechtelijk niet geadieerd is om uitspraak te doen over eventuele verkeersinbreuken begaan door de fietser De N. M., dient ze de stelling van beklaagde wél te onderzoeken teneinde zich een juist oordeel te kunnen vormen nopens de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van beklaagde, alsook nopens de gevolgen van het ongeval op burgerlijk gebied.
 
Vermits beklaagde W. M.-J. vervolgd wordt wegens het onopzettelijk slagen of verwondingen te hebben toegebracht aan een persoon, dient de rechtbank ten gronde tevens te onderzoeken waar¬in het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg bestaat, waardoor de letsels zijn veroorzaakt.
 
Daarbij kunnen in aanmerking worden genomen, alle fouten, zelfs de lichtste, die dat gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg kunnen opleveren, inzonderheid ook de overtredingen van de Wegcode, ongeacht of die overtredingen aan de beklaagde afzonderlijk ten laste worden gelegd of niet, zo ook de (thans verjaarde) tenlastelegging B en C, zijnde niet kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis en geen voorrang te hebben verleend aan de bestuurder die op een regelmatige manier van rechts komt.
 
Deze tenlasteleggingen zijn weliswaar verjaard, maar deze gebeurlijke inbreuken dienen desalniettemin, in het kader van de algemene tenlastelegging sub A, als een mogelijke fout te worden onderzocht.
 
In se wordt namens beklaagde niet betwist dat ter plaatse de voorrang van rechts van toepassing is en beklaagde W. principieel voorrangsplichtig was ten overstaan van de fietser, doch laatstgenoemde zou volgens de beroepsgrieven een onvoorzienbare hindernis hebben uitgemaakt.
 
Er dient opgemerkt te worden dat een hindernis – vast of bewegend – slechts niet te voorzien is wanneer haar aanwezigheid zo plots, zo onverwacht en zo dichtbij opduikt dat zij noodzakelijk moet ontsnappen aan de verwachtingen van ieder normaal voorzichtig en oplettend bestuurder én dat zij door deze laatste ook niet kon vermeden worden door te stoppen, te vertragen of uit te wijken zonder gevaar voor hem of der¬den. Uiteraard mag de bestuurder die de onvoorzienbaarheid inroept aan het niet tijdig kunnen waarnemen zelf geen schuld hebben door eigen fout, nalatigheid of gebrek aan vooruitzicht.
 
De fout van een ander kan immers nooit de rechtvaardiging zijn voor de eigen fout. Het onvoorzienbaar karakter van een hindernis mag evenmin afgeleid worden uitsluitend uit het feit dat de andere weggebruiker een fout heeft begaan.
 
De beklaagde kan slechts ontheven worden van iedere aansprakelijkheid indien zij aantoont dat het opdagen van de fietser niet te voorzien was of dat diens rijgedrag haar daadwerkelijk in haar normale of redelijke verwachtingen heeft kunnen verschalken, der wijze dat zij zich in een overmacht situatie bevond (vgl. Cass. 27 april 1993, AR 7238; Cass. 20 november 1991, JT 1992,32; Cass. 5 juni 1991, VRJ, nr. 92/58). De beoordeling hiervan dient te gebeuren in functie van de begeleidende concrete omstandigheden en de feitelijke situatie. Hieruit blijkt dat de Lambroekstraat en de gelijknamige zijwegel van deze straatzicht haaks ten opzichte van elkaar situeren waardoor partijen op een asymmetrische wijze met elkaar in aanrijding zijn gekomen.
 
De foto’s, neergelegd in eerste aanleg, geven een waarheidsgetrouw beeld omtrent de plaatsgesteldheid en de uiterst beperkte zichtbaarheid. De Lambroekstraat is, gezien in de rijrichting van beklaagde, een rechte weg met lintbebouwing, her en der onderbroken door private opritten. ter hoogte van de woning nummer 23 situeert zich de bewuste zijwegel met een straatbreedte van 2,5 meter.
 
Er is in de rijrichting van beklaagde geen verkeerssignalisatie voorzien die de aansluiting met een prioritaire zijwegel aankondigt. Wel in-tegendeel: deze aansluiting is nauwelijks zichtbaar in de rijrichting van beklaagde gezien de aangrenzende hoekgevel waardoor elk zicht op het voorrang hebbend verkeer wordt ontnomen.

Gezien de voorgebrachte foto’s, waaromtrent geen betwisting voorhanden is, dient vastgesteld te worden dat de zeer rudimentaire schets van de lokale politie een aantal onvolkomenheden bevat welke implicaties heeft op de afmeting en de zichtbaarheid op het voorrang hebbend verkeer, gezien de asverschuiving in de bouwlijn voorbij de zijwegel ontbreekt en de breedte van het voetpad (voor het kruispunt) aldus foutief werd weergegeven. Ongeacht de breedte van dit voetpad, waaromtrent tussen partijen wél discussie bestaat, is de zichtbaarheid op de verkeerssituatie quasi nihil waardoor beklaagde in deze omstandighedenonmogelijk kon veronderstellen dat zij zou geconfronteerd worden met een kruispunt en voorranghebbend verkeer.
 
Derhalve dient de rechtbank aan te ne¬men dat beklaagde in haar normale en redelijke verwachtingen werd misleid ingevolge deze ongewone verkeerssituatie en zij onmogelijk kon voorzien of inschatten dat zij zou geconfronteerd worden met een kruispunt en voorrang¬hebbend verkeer, derwijze dat zij zich in een overmachtsituatie bevond.
Uit de schadelokalisatie aan beklaagdes voertuig (rechtervoorhoek en rechter¬voordeur cf. foto’s neergelegd tijdens de procedure a quo) en de lokalisatie van de aanrijdingszone blijkt dat beklaagde zich ruimschoots ter hoogte van de zijwegel bevond toen de fietser hieruit kwam gereden.
 
De feiten werden ook zo weergegeven door de getuige H. die stelde dat beklaagde, rijdende met een normale snelheid, zich reeds ter hoogte van het smalle straatje bevond toen de fietser met hoge snelheid inreed op de wagen.
De burgerlijke partijen betwisten op basis van de foto’s aangaande de voer¬tuigschade de geloofwaardigheid van de getuige voorhoudende dat de rechter- voorhoek werd aangereden in plaats van de rechtervoordeur zoals de getuige verklaarde. Wat de bewijswaarde van deze getuigenis betreft, dient gewezen te worden op het feit dat de strafrechter, buiten enkele wettelijke uitzonderingen,de bewijswaarde van de gegevens van de zaak vrij en naar eigen overtuiging beoordeelt (cf. R. DecLercq, Beginselen van strafrechtspleging, tweede editie, 1999,553, nr. 1222 en de aldaar geciteerde cassatierechtspraak), zo ook van de voor¬gebrachte getuigenissen (cf. R. DecLercq,ibid., 554, nr. 1223 en de aldaar geciteerde cassatierechtspraak).
 
Vooreerst blijkt uit de strafbundel niet met absolute zekerheid dat het primaire botsingspunt zich effectief vooraan voordeed en niet ter hoogte van de rechtervoordeur. Hoe dan ook zou een dergelijke afwijking, gezien de schuine perceptie van de getuige op het ongevalsgebeuren in hoofde van de getuige niet van aard zijn om haar geloofwaardigheid aan te tasten.
 
De rechtbank acht de twijfels en de argwaan van de burgerlijke partijen omtrent de onpartijdigheid van de getuige H.K., die zich onmiddellijk na de feitenheeft gemeld, onterecht. Uit niets blijkt dat deze getuige vooringenomen zou zijn tegen de fietser, noch dat zij in haar verklaring beïnvloed werd. De beweerde collusie wordt ter zake op geen enkele wijze aangetoond. De omstandigheid dat zij pas na drie dagen werd verhoord of kon verhoord worden door de orde¬diensten is irrelevant inzake de betrouwbaarheid van de getuigenis.


Uit de getuigenverklaring blijkt dat de fietser zonder te vertragen en met een hoge snelheid het kruispunt opreed. Ook de fietser diende overeenkomstig arti¬kel 12.2 AVR de bijzondere voorzichtigheid te respecteren en haar snelheid aan te passen aan de plaatsgesteldheid,temeer daar het kruispunt voor haar (in tegenstelling tot beklaagde) wel zicht¬baar was en zij het kruispunt beoogde over te steken en links af te draaien. Dergelijk rijgedrag dient in het kader van de gebeurlijke fout in de zin van een inbreuk op artikel 12.3.1, alinea 1 als – op een niet regelmatige manier van rechts komen – te worden beschouwd.


Mede gelet op de gevaarlijke verkeerssituatie (waarbij zij onzichtbaar was voorbestuurders zoals W.) leidt onderhavig onaangepast rijgedrag in hoofde van de fietser onvermijdelijk tot ongevallen. Dat de fietser een MP3-speler zou hebben gedragen staat evenwel geenszins vast,evenmin als het gebeurlijk causaal ver¬band tot het ongeval en de schadelijke gevolgen ervan.


In casu kon beklaagde de voorliggende verkeerssituatie met een prioritaire fietser niet tijdig opmerken en geen enkelelement liet beklaagde toe een andere rechtmatige veronderstelling in deze zin te maken. Het rechtmatig vertrouwen van de weggebruiker werd volkomen verschalkt bij gebreke aan enige verkeerssignalisatie, terwijl geen enkel gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in hoofde van beklaagde werd aangetoond. Evenmin kan ernstig worden voorgehouden dat beklaagde niet dubbel voorzichtig zou geweest zijn.


In acht genomen de hierboven vermelde bijzondere omstandigheden, blijkt af¬doende dat de beklaagde de fietser en de zijstraat niet tijdig kon opmerken derwijze dat haar principiële verplichting om voorrang te verlenen aan de van rechts komende fietser werd opgeheven en zij niet meer tijdig kon reageren op deze plots opduikende belemmering op het door haar gevolgde traject. De fietser maakte aldus een onvoorzienbare hindernis uit. Ieder normaal voorzichtig en aandachtig bestuurder, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden zou een aanrij¬ding met de fietser niet hebben kunnen vermijden en deze uiterst gevaarlijke verkeerssituatie is enkel te voorkomen mits een aangepaste verkeerssignalisatie.


Gelet op de overeenstemmende gegevens van het strafdossier, zoals hiervoor uiteengezet en de behandeling ter terechtzitting is derhalve niet ten genoegen van recht bewezen dat beklaagde enige fout in oorzakelijk verband met de schadelijke gevolgen zou hebben begaan en dient zij vrijgesproken te worden wegens het feit A.
[...]  

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 21/02/2011 - 15:59
Laatst aangepast op: ma, 21/02/2011 - 15:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.