-A +A

aanneming voor vaste prijs op basis van foute berekening door fout aannemer is bindend

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 18/03/2008
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2009/19
Pagina: 
1342
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Hof van beroep Gent 18 maart 2008, RABG, 2009/19, 1342
 
Een aannemer is verplicht de aannemingsovereenkomst uit te voeren zelfs wanneer deze overeenkomst gesteund is op basis van verkeerde opmetingen door fout van de aannemer, op straffe van ontbinding met schadevergoeding.
Een aannemingsovereenkomst werd tegen vaste prijs gesloten voor de bouw van een veranda en dit op basis van een offerte waarbij naderhand bleek dat de afmetingen opgenomen in deze offerte door de veranda-verkopen (vertegenwoordiger van de aannemer) niet correct waren opgemeten geweest door de vertegenwoordiger van de aannemer. De bouwheer kan niet verplicht worden een tweede offerte met juiste prijsberekening aan de hand van een correcte opmeting te aanvaarden. De aannemer (veranda-verkoper) is verplicht de overeenkomst uit te voeren tegen de initieel bepaalde vaste prijs uit te voeren. Doet de aannemer dit niet dan maakt hij zich schuldig aan een contractuele wanprestatie op grond waarvan de bouwheren de ontbinding ex artikel 1184 BW (met bijkomende schadevergoeding) kunnen vorderen.
Gelet op de bij de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde d.d. 10 november 2006, waarvan geen akte van betekening voorligt en waartegen tijdig en rechtsgeldig naar de vorm hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 5 februari 2007.
Het hof heeft in openbare terechtzitting van 11 maart 2008 partijen gehoord in hun middelen en conclusies.
 
Feiten en retroacten
Op 29 september 2003 wordt in Sint-Gillis-Waas een aannemingscontract gesloten waarbij D.S. BVBA (voortaan geduid als S.V.) er zich toe verbond voor de bouwheren D.C.-B. een veranda te bouwen, waarvan de afmetingen op het door beide partijen ondertekend document (stuk 1, dossier geïntimeerden) vermeld staan, voor de vaste prijs van 10.717,20 EUR, met als leveringstermijn 30 juni 2004 en betaling van een voorschot van 10%, weze 1.717,20 EUR.
De algemene verkoopsvoorwaarden van S.V., afgedrukt op de achterzijde van het document voorzien:
•             in artikel 2 een schadevergoeding ten belope van 30% bij vernietiging van de bestelling, en
•             in artikel 8 een forumkeuzebeding, zijnde de rechtbanken in Brussel.
 
Een bevestiging van het contract, voor zover nodig, blijkt uit het schrijven d.d. 2 oktober 2003 van S.V.
Naderhand bleek dat de vertegenwoordiger van S.V. de afmetingen niet correct had opgemeten, en na een nieuwe opmeting op 9 maart 2004 werd door S.V. een tweede prijsofferte opgemaakt met een meerprijs van 10.248,91 EUR, medegedeeld op 12 maart 2004.
Die tweede offerte werd door de bouwheren niet aanvaard.
Daarop liet S.V. bij schrijven d.d. 30 augustus 2004 weten dat de maten vermeld op het aannemingscontract enkel ten titel van inlichting zijn en niet bindend; S.V. dreigde met een prijsaanpassing van 10% indien de levering en plaatsing niet kan doorgaan voor 31 december 2004.
Bij schrijven d.d. 8 september 2004 van de door de bouwheren ingeschakelde Arca Rechtshulp wordt de handelwijze van S.V. aan de kaak gesteld.
Aan S.V. worden inbreuken verweten op artikel 32, 5. en artikel 32, 8. en artikel 88 (ontbreken van verzakingsbeding) WHPC en wordt medegedeeld dat de bouwheren de overeenkomst als ontbonden beschouwen, zelfs nietig met vraag tot terugbetaling van het betaalde voorschot.
S.V. repliceert in haar schrijven d.d. 13 september 2004
•             dat op het aannemingscontract de WHPC niet van toepassing is,
•             dat het contract dan ook geen verzakingsbeding diende te bevatten,
•             dat de opgegeven maten slechts indicatief waren,
•             • en besluit dat de door de bouwheren voorgestelde annulatie slechts kan aanvaard worden na betaling van een conventioneel voorziene schadevergoeding van 30% van de totale aankoopsom, weze 3.215,16 EUR. In zijn schrijven d.d. 30 november 2004 zet de raadsman van de bouwheren uiteen:
•             dat het in casu gaat om een aannemingscontract afgesloten tegen een vaste prijs (10.717,20 EUR) die de aannemer verplicht tot bouw van de veranda tegen de overeengekomen prijs,
•             dat de door S.V. ingeroepen algemene verkoopsvoorwaarden strijdig zijn met de WHPC,
•             en dat de weigering van S.V. om haar verbintenissen uit te voeren een wanprestatie inhoudt, op grond waarvan de bouwheren de toepassing van artikel 1184 BW, stilzwijgende ontbindende voorwaarde met herstel in de vroegere toestand, derhalve terugbetaling van het voorschot, inroepen.
 
Bij dagvaarding d.d. 29 december 2004 voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde vorderen D.C.-B. lastens S.V. te horen zeggen voor recht dat de overeenkomst d.d. 29 september 2003 wordt ontbonden, haar veroordeling tot terugbetaling van 1.717,20 EUR, meer de moratoire rente vanaf de ingebrekestelling d.d. 8 september 2004, haar veroordeling tot betaling van een schadevergoeding begroot op 171,20 EUR en tot de kosten van het geding.
In toepassing van artikel 624 Ger.W. wordt de vordering gebracht voor de eerste rechter waar de verbintenissen waarover het geschil loopt, zijn ontstaan en dienen uitgevoerd, te weten Sint-Gillis-Waas, terwijl het forumkeuzebeding, vervat in de algemene verkoopsvoorwaarden van verweerster, strijdig is met artikel 32, 20. WHPC. Dat onrechtmatig beding is derhalve verboden en absoluut nietig. Verweerster kan zich bijgevolg niet beroepen op dat beding om een verwijzing naar de rechtbank van Brussel te vorderen. Ten gronde is de vordering gesteund op de toepassing van artikel 1184 BW.
Verweerster roept in limine litis de exceptie in van de onbevoegdheid ratione loci van de geadieerde rechtbank en vraagt de verzending naar de Brusselse rechtbank. In toepassing van de eigen algemene verkoopsvoorwaarden zijn de rechtbanken in Brussel bevoegd, nu de WHPC niet toepasselijk is. Verweerster stelt inderdaad dat de WHPC niet van toepassing is, nu het in casu gaat om een aanneming van onroerend goed en geen dienst.
Volgens verweerster hebben eisers ten onrechte de overeenkomst verbroken en is conform haar algemene verkoopsvoorwaarden een forfaitaire schadevergoeding verschuldigd die wordt gevorderd bij middel van een tegeneis, geformuleerd in conclusie d.d. 3 maart 2005, met aftrek van het reeds betaalde voorschot.
Bij vonnis d.d. 10 november 2006 kent de eerste rechter de hoofdvordering toe en wijst de tegenvordering af.
•             De door verweerster op hoofdeis ingeroepen exceptie van onbevoegdheid ratione loci, gesteund op het in de algemene verkoopsvoorwaarden van verweerster geformuleerde forumkeuzebeding (art. 8) wordt afgewezen als ongegrond, nu de eerste rechter beslist dat in casu de WHPC met het daarin opgenomen beding onder artikel 32, 20. van toepassing is.
•             • De door hoofdeisers op grond van artikel 88 WHPC ingeroepen nietigheid van de afgesloten overeenkomst wordt afgewezen. Het is, aldus de eerste rechter, weliswaar juist dat de aannemingsovereenkomst werd afgesloten ten huize van de bouwheren doch zeer pragmatisch stelt hij daarbij dat die handelwijze noodzakelijk en onvermijdelijk is gezien de aard van het te leveren werk, om tot een correcte prijsberekening te komen en vervolgens tot het sluiten van een overeenkomst.
•             De door hoofdeisers gevorderde gerechtelijke ontbinding wordt gegrond bevonden nu verweerster op hoofdeis zich schuldig maakte aan contractuele wanprestatie door te weigeren de bouw van de veranda op zich te nemen overeenkomstig de tussen partijen afgesloten bindende overeenkomst, waarbij het ingeroepen artikel 1184 BW de mogelijkheid biedt de ontbinding te vorderen met schadevergoeding. De overeenkomst werd gesloten op 29 september 2003 tot opbouw van een veranda, kostprijs 10.717,20 EUR. De leveringstermijn was voorzien op 30 juni 2004; uitdrukkelijk was bepaald dat het ging om een vaste prijs, derhalve niet vatbaar voor wijziging en/of herziening tenzij dan in onderling overleg zoals ook voorzien en uitgewerkt in artikel 4. Een mogelijke foutieve of verkeerde opmeting is een zaak eigen aan de verweerster op hoofdeis, de vakman.
•             De bijkomende gevorderde schadevergoeding van 10% wordt redelijk en billijk bevonden.
•             In het licht van het voorgaande wordt de tegenvordering ongegrond bevonden.
 
S.V. kan zich niet verzoenen met het tussengekomen vonnis en in haar beroepschrift d.d. 5 februari 2007 vraagt zij de hervorming van het vonnis a quo en de toekenning van de oorspronkelijke tegeneis.
In de grieven tegen het tussengekomen vonnis kan het hof geen nieuwe elementen ontdekken, noch in rechte, noch in feite.
Appellante blijft voorhouden:
•             dat de WHPC niet van toepassing is op overeenkomsten met als voorwerp het plaatsen van veranda’s,
•             dat bijgevolg niet kan nagegaan worden of de kwestieuze overeenkomst de artikelen 31, 32 en 86 WHPC schendt,
•             dat geïntimeerden volledig onterecht de overeenkomst hebben verbroken, zodat haar oorspronkelijke tegenvordering – de forfaitaire schadevergoeding t.b.v. 30% – verschuldigd is,
 
 
• dat aan geïntimeerden de bijkomende schadevergoeding werd toegekend zonder enig bewijs van schade. Geïntimeerden herhalen hun vroegere standpunten:
•             de WHPC is wel degelijk toepasselijk op kwestieuze overeenkomst,
•             geïntimeerden stellen incidenteel beroep in – te zeggen voor recht dat de overeenkomst absoluut nietig is – nu, volgens hen, de eerste rechter ten onrechte de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst heeft afgewezen als ongegrond. De eerste rechter had de overeenkomst dienen nietig te verklaren op grond van artikel 88 WHPC – ontbreken van verzakingsbeding. Ten onrechte heeft de eerste rechter uit het voorwerp en de aard van de overeenkomst afgeleid dat het initiatief om ten huize te komen ondubbelzinnig en uitsluitend van geïntimeerden is uitgegaan,
•             ten gronde stellen geïntimeerden dat de aanneming werd afgesloten tegen vaste prijs, dat daarmee de aard en omvang van de werken waren vastgelegd en appellante derhalve gehouden bleef door die overeenkomst, en dat het risico van fouten in de opmeting ligt bij appellante, gelet op het bestaan van de aannemingsovereenkomst tegen vaste prijs en haar professionaliteit. Appellante staat in voor leemten in de plannen en bestekken betreffende noodzakelijke werken en werken die volgens de regels van goed vakmanschap moeten worden uitgevoerd.
 
 
Beoordeling door het hof
In onderhavig geschil stellen zich twee juridische vragen:
1.            Valt de kwestieuze overeenkomst onder toepassing van de WHPC? Het antwoord op die vraag is bepalend voor het antwoord op de vraag naar de gegrondheid van de door appellante gehandhaafde exceptie van territoriale bevoegdheid of m.a.w. artikel 8, forumkeuzebeding, in de algemene verkoopsvoorwaarden van appellante versus artikel 32, 20. WHPC met artikel 624 Ger.W. – en voor het antwoord op de vraag naar de mogelijke toepassing van artikel 88 WHPC.
2.            Zo de overeenkomst overeind blijft, ondanks het ontbreken van het in artikel 88 WHPC voorziene verzakingsbeding, aan wie moet de niet-uitvoering van de daaruit ontstane verbintenissen worden aangerekend of wie is verantwoordelijk voor de wanprestatie?
 
Ten deze heeft de overeenkomst betrekking op de realisatie van een door de klant gewenst concept van een veranda door fabricage, levering en plaatsing van bouwmaterialen. Het voorwerp van deze overeenkomst ressorteert wel degelijk onder de notie ‘diensten’ in de zin van artikel 1, 2. van de wet van 14 september 1995 – alle prestaties die een handelsdaad uitmaken of een ambachtsactiviteit bedoeld in de wet op het ambachtsregister. Aangezien elk in hoofdzaak materieel werk verricht ingevolgde huur van diensten, zodra het, zelfs op bijkomstige wijze, gepaard gaat met de levering van koopwaar een daad van koophandel uitmaakt (art. 2, 2de lid W.Kh.), is elke levering van een materieel werk op grond van een aannemingscontract voor zover dit – eventueel bijkomstig – vergezeld gaat met de levering van een goed, te beschouwen als een dienst in de zin van artikel 1, 2de lid WHPC. Hij die diensten in verband met onroerende goederen aanbiedt is ook als verkoper in de zin van artikel 1, 6de lid WHPC te beschouwen met name: elke handelaar of ambachtsman en elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, die producten of diensten te koop aanbieden of verkopen in het kader van een beroepsactiviteit of met het oog op de verwezenlijking van hun statutair doel. De plaatsing van een veranda (onroerend goed door bestemming) waarbij de levering van materialen inbegrepen is, is dan ook te beschouwen als de verkoop van een dienst (Luik 9 oktober 2003, TBH 2004, 1004; Rb. Hasselt 23 januari 2003, NjW 2003, 460, met noot van R. STEENNOT; Bergen 24 juni 1994, DCCR 1995, 362), zoals ook de plaatsing van een zwembad inclusief levering van tal van materialen aanzien kan worden als de verkoop van een dienst in de zin van WHPC. Waar voorheen nog discussie bestond – de enkele door appellante aangehaalde rechterlijke beslissingen getuigen daar nog van – met betrekking tot de vraag of contracten betreffende de levering en de oprichting van een veranda onder toepassing van de wet vielen, is thans de rechtsleer en rechtspraak in afdoende mate gevestigd in die zin dat dergelijke contracten een dienstverlening tot voorwerp hebben die onder de toepassing van de WHPC ressorteert (zie ook R. STEENNOT, “Kroniek Handelspraktijken (1999-2004)”, RW 2005-06, 521 en P. DE VROEDE en H. DE WULF, “Overzicht van rechtspraak. Algemeen handelsrecht en handelspraktijken (1998- 2002)”, TPR 2005, 161-162; Bergen 9 oktober 2000, AJT 2001-02, 81 met noot van L. BALLON; Gent 25 juni 2002, Jaarboek Handelspraktijken 2002, 407; Gent 28 april 2006, Jaarboek Handelspraktijken 2006, 281 en recent nog Gent 1 februari 2008, 2007/AR/314, onuitg.).
Met geïntimeerde dient derhalve geconcludeerd te worden dat de overeenkomst wel degelijk onder toepassing van de WHPC valt.
Derhalve is ook het, beding vervat in artikel 32, 20. WHPC van toepassing, temeer omdat voor de toepassing van afdeling 11 (Onrechtmatige bedingen) moet worden verstaan volgens artikel 32 § 2.1 onder producten: “niet enkel de lichamelijke roerende goederen maar ook de onroerende zaken, de rechten en de verplichtingen”.
Derhalve kon de eerste rechter zich terecht territoriaal bevoegd verklaren en de door huidige appellante ingeroepen exceptie van onbevoegdheid als ongegrond afwijzen.
Derhalve stelt zich de vraag omtrent de door geïntimeerden ingeroepen nietigheid van de afgesloten overeenkomst op grond van het in de overeenkomst ontbrekend verzakingsbeding, een beschermingsmechanisme zoals omschreven in artikel 88 WHPC voor verkopen aan de consument gesloten buiten de onderneming van de verkoper – ten huize van de consument, artikel 86 § 1 – met de in artikel 87 voorziene uitzonderling, zijnde de verkopen (van een dienst) waarvoor de consument het bezoek van de verkoper voorafgaandelijk en uitdrukkelijk gevraagd heeft, met de bedoeling te onderhandelen over de aankoop van dat product of van de dienst.
De rechter stelt vast dat de kwestieuze overeenkomst weliswaar werd gesloten ten huize van geïntimeerden maar voegt daar onmiddellijk aan toe dat dit het gevolg is van een praktische handelwijze, eigen aan het voorwerp en de aard van de overeenkomst.
Die pragmatische stellingname van de eerste rechter dient gevolgd, nu blijkt uit de eigen bewoordingen van geïntimeerden dat zij zelf, na een kennismaking met appellante op een avondmarkt, het thuisbezoek van appellante hebben gevraagd.
Van enige onverwachte overrompelende inval is in casu geen sprake.
Ten gronde heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat appellante zich heeft schuldig gemaakt aan contractuele wanprestatie door haar weigering de bouw van de veranda op zich te nemen overeenkomstig de tussen partijen afgesloten bindende overeenkomst d.d. 29 september 2002, afgesloten tegen vaste prijs zodat eenzijdige wijzigingen hieraan niet mogelijk zijn. Vast staat dat de aannemingsovereenkomst werd gesloten tegen een forfaitaire of vaste prijs. Eigen hieraan is dat de vergoeding vooraf en in abstracto wordt begroot en derhalve wordt gekenmerkt door een onafhankelijkheid ten opzichte van de werkelijk uitgevoerde prestaties. De prijs is onafhankelijk van de werkelijk gedane kosten of de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden. Bij de vaste aannemingsprijs ligt de vergoeding op het ogenblik van de totstandkoming van de aannemingsovereenkomst immers in al haar componenten vast. De vergoeding wordt met andere woorden vooraf, d.w.z. voor de uitvoering van de werken en de werkelijke inschatting van de concrete omvang en implicaties ervan, in haar totaliteit, d.w.z. voor de algehele omvang van het werk, en onveranderlijk vastgelegd. Door de prijsvastheid en de loskoppeling van de prijs ten aanzien van de uiteindelijke omvang van de verschuldigde prestaties draagt de aannemer immers het risico van de uitvoeringsmoeilijkheden en de mogelijk verkeerde inschatting van de omvang van de werken (W. GOOSSENS, Aanneming van werk: het gemeenrechtelijk dienstencontract, 2003, nrs. 618-619).
Het hof concludeert dan ook tot de algehele bevestiging van het vonnis a quo in al zijn beschikkingen.
Ter zitting van 10 maart 2008 werden partijen gehoord omtrent de vraag of de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat ten deze van toepassing is en omtrent de concrete toepassingen van de wet op de zaak.
Partijen antwoorden positief op de vraag of de wet toepasselijk is.
Partijen gaan akkoord met toepassing van de basistarieven.
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, doch wijst beide af als ongegrond;
Bevestigt dienvolgens het vonnis a quo in al zijn beschikkingen;
Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding, in graad van beroep, en veroordeelt appellante tot betaling aan geïntimeerden van het bedrag van 650 EUR.
 
NOOT
Steven MARYSSE, Een incorrecte prijsofferte: nalatigheid in hoofde van de aannemer versus de (te verwachten) goede trouw in hoofde van de bouwheer, RABG, 2009/19, 1349
Met ondermeer volgende verwijzingen:
• G. BAERT, Privaatrechtelijk bouwrecht: begrippen van het rechtssysteem, zakenrecht en contractenrecht, Deurne, Kluwer rechtswetenschappen, 1994, 570-575 en verwijzingen aldaar.
• B. TILLEMAN en A. VERBEKE, Bijzondere overeenkomsten in kort bestek, Antwerpen, Intersentia, 2006, 241 en V. VAN HOUTTE-VAN POPPEL, “Artikel 1793 BW” in X, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbladig, 1.
• H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, Brussel, Bruylant, 1962, 53.
• art. 1710 BW jo. 1711, 6de lid BW. art. 1156 BW.art. 1134 BW jo. 1135 BW en 1184 BW.
• I. SAMOY, “Vertegenwoordiging” in X, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbladig, 4 en de verwijzingen aldaar.
• G. BAERT, Aanneming van werk, Antwerpen, E.Story-Scientia, 2001, 142 en 302.
• L. CORNELIS, “De ontbinding: het treurige einde van een mooi verhaal?” in ORDE VAN ADVOCATEN (ed.), Sancties en nietigheden: vormingsprogramma 2002-2003, Brussel, Larcier, 2003, 233 – 234 en258-268
•A. VAN OEVELEN, “Kroniek van het verbintenissenrecht (1993-2004)”, RW 2004-05, 1659.
• keuzerecht: zie art. 1184, 2de lid BW. Zie o.a. Cass. 5 september 1980, RW 1980-81, 1323.
• W. VAN GERVEN, Verbintenissenrecht, Deel I, Leuven, Acco, 2006, 196-197.
• R. VANDEPUTTE, De overeenkomst: haar ontstaan, haar uitvoering en verdwijning, haar bewijs, Brussel, Larcier, 1977, 266-267.
• do ut des-beginsel: L. CORNELIS, “De ontbinding: het treurige einde van een mooi verhaal?” in ORDE VAN ADVOCATEN (ed.), Sancties en nietigheden: vormingsprogramma 2002-2003, Brussel, Larcier, 2003, 229.
• Cass. 22 maart 1985, Arr.Cass. 1984-85, 1011 en Cass. 24 april 1980, Arr.Cass. 1979-80, 1061.
• Cass. 24 april 1980, RW 1981-82, 549.
• Cass. 8 april 1976, RW 1976-77, 377 en Cass. 13 maart 1981, RW 1982-83, 1049.
• Cass. 9 februari 1990, RW 1990-91, 700.
• Cass. 6 december 2007, TBO 2008, 28; Cass. 6 juni 1996, Arr.Cass. 1996, 558 en Cass. 13 december 1985, RW 1986-87, 933.
Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 25/09/2010 - 12:48
Laatst aangepast op: za, 25/09/2010 - 12:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.