-A +A

Aanneming van diensten of huur van een goed met begeleidende diensten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 03/09/2010
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
565
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve


NV A.B. t/ NV Van De W., NV E. en NV S.T.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 mei 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Derde onderdeel

3. Aanneming is de overeenkomst waarbij een persoon zich ertoe verbindt tegen betaling van een prijs een bepaald intellectueel of stoffelijk werk te verrichten voor een ander door het stellen van materiële handelingen. De overeenkomst van aanneming die onderstelt dat de aannemer of zijn werkkracht onafhankelijk is bij de uitoefening van zijn werk, is niet onverenigbaar met samenwerking, algemene instructies of een controle door de opdrachtgever op het werk van de aannemer.

Een overeenkomst waarbij een goed met begeleidende werkkracht ter beschikking wordt gesteld, is een huurovereenkomst en geen overeenkomst van aanneming indien de diensten van de ter beschikking gestelde werkkracht zich beperken tot de begeleiding van de zaak waarover de huurder als gebruiker het meesterschap heeft.

4. De appelrechter stelt vast:

– dat de eerste tot bindendverklaring opgeroepen partij bij de rechtsvoorgangster van de tweede tot bindendverklaring opgeroepen partij onder meer een kraan van 300 ton bestelde tegen de vermelde tarieven en onder uitdrukkelijke verwijzing naar de algemene voorwaarden;

– dat deze algemene voorwaarden uitdrukkelijk melding maken van een onderaanneming;

– dat de rechtsvoorgangster van de tweede tot bindendverklaring opgeroepen partij op haar beurt op 9 juni 2000 de telefonische bestelling bij de verweerster bevestigde nopens de huur van een kraan van 300 ton op de werf van de eerste tot bindendverklaring opgeroepen partij op maandag 19 juni 2000;

– dat de factuur van de verweerster van 30 juni 2000 gericht aan de rechtsvoorgangster van de tweede tot bindendverklaring opgeroepen partij vermeldt dat de btw te voldoen is door de wederpartij, met toepassing van art. 20 van het KB nr. 1, wetsbepaling die van toepassing is wanneer het gaat om een werk in onroerende staat;

– dat de twee opeenvolgende overeenkomsten niet alleen betrekking hadden op een kraan van 300 ton maar ook op een kraanman, werknemer van de verweerster, die deze kraan moest bedienen.

5. De appelrechter oordeelt:

– dat de tot bindendverklaring opgeroepen partijen het eens zijn dat de tussen hen gesloten overeenkomst betreffende voormelde kraan en kraanman moet worden beschouwd als een overeenkomst van onderaanneming en dat zij op grond van de algemene voorwaarden van de eerste tot bindendverklaring opgeroepen partij hun overeenkomst zo uitdrukkelijk hadden benoemd;

– dat de tweede tot bindendverklaring opgeroepen partij en de verweerster het ook eens zijn dat de tussen hen gesloten overeenkomst betreffende voormelde kraan en kraanman moet worden beschouwd als een overeenkomst van onderaanneming;

– dat de verweerster terecht aanvoert dat, wanneer partijen in hun contractuele documenten de termen “inhuurbevestiging” en “rapport verhuring” gebruiken, het gaat om een huur van werken en diensten in de zin van art. 1779 BW en niet om een huur van goederen in de zin van art. 1713 BW;

– dat de kwalificatie van huur van werk en diensten trouwens blijkt uit de door partijen vrijwillig toegepaste fiscale behandeling die overeenstemt met de werkelijke inhoud van hun overeenkomst;

– dat dergelijke kranen slechts gemanoeuvreerd kunnen worden door gespecialiseerde operatoren die hiertoe de noodzakelijke ervaring hebben en die bij de werking van de kraan het nodige gezag blijven behouden op wie op de werf tussenkomt;

– dat in geval van huur van een kraan het genot ervan slechts een accessorium kan uitmaken van een aannemingsovereenkomst waarin de menselijke arbeid als dominerend moet worden aangemerkt;

– dat de levering van prestaties tegen een afgesproken tarief door de kraanman in de zin van het verrichten van een bepaald soort arbeid gedurende een bepaalde duur met een bepaald soort werktuig het essentiële kenmerk van de verbintenis was;

– dat de kraan onder de macht en het bestuur van de kraanman van de verweerster bleef, die deze gedurende de werkzaamheden bediende;

– dat er geen enkele aanduiding en noch minder bewijs is dat de eerste tot bindendverklaring opgeroepen partij optrad als gelegenheidswerkgever van de kraanman.

6. De appelrechter die op die gronden te kennen geeft dat de tussen de partijen gesloten overeenkomsten betreffende voormelde kraan en kraanman moeten worden beschouwd als overeenkomsten van onderaanneming en niet als de verhuring van een goed met het ter beschikking stellen van een werkkracht, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

... 

Noot: 

gepubliceerd onder dit arrest in het RW Bart Van Den Bergh, What’s in a name”: over de kwalificatie van overeenkomsten en het onderscheid tussen huur en aanneming

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 12/11/2011 - 12:02
Laatst aangepast op: za, 12/11/2011 - 12:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.