-A +A

Aanneming schilderwerken aansprakelijkheid en voorlichtingsplicht schilder voor afschilfering van de verf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 16/11/2009
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2010/10
Pagina: 
633
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
 
 
 Brussel 16 november 2009
Aanneming schilderwerken aansprakelijkheid en voorlichtingsplicht schilder voor afschilfering van de verf
 
Samenvatting en abstract:
 
De aannemer van schilderwerken is geen slaafse uitvoerder, hij moet zich om goed werk te kunnen afleveren, vooraf vergewissen van de toestand en de staat van de materialen waarop hij de schilderwerken zal uitvoeren en of het werk dat de bouwheer verlangt, volgens de regels van de schilderkunst en met het daarbij gewenste resultaat, kan uitgevoerd worden.

 

De aannemer heeft een voorlichtingsplicht. De aannemer van schilderwerken is een specialist in de materie. Van de aannemer schilderwerken mag verwacht worden dat hij een feilloos resultaat aflevert conform aan de regels van de schilderkunst. De aannemer van schilderwerken moet weten op welke oppervlakten er (wel) kan (en mag geschilderd worden) en op welke oppervlakten er niet kan (en mag) geschilderd worden.
 
Wanneer de aannemer van schilderwerken een werk aanvaardt, dan moet hij de bouwheer inlichten indien de ondergrond waarop hij de schilderwerken zal moeten uitvoeren, niet voldoet aan de normen die een feilloos resultaat mogelijk maken. Wanneer de aannemer van schilderwerken vaststelt dat de ondergrond, waarop hij zou moeten schilderen, niet beantwoordt aan de norm (zoals bv. wanneer de ondergrond niet droog is zodanig dat geen puik schilderwerk kan afgeleverd worden om reden dat de verf zal afbladderen, verpoederen en/of verkleuren) dan dient hij hiervan voorafgaand aan het aanvatten van de werken, de bouwheer op de hoogte te stellen (informatieplicht).
 
Het is pas wanneer de bouwheer, ondanks de informatie die hem door de aannemer is verstrekt, toch verlangt dat de werken worden uitgevoerd zonder bijkomende voorzorgen, dat de aannemer geen tekortkoming in de informatieplicht kan ten kwade geduid worden.
 
Integrale tekst arrest:
 
 
1. Voorgaande en feiten
1.1. Hoger beroep
Het hof put zijn rechtsmacht uit een verzoekschrift tot hoger beroep dat door J.M. ter griffie werd neergelegd op 4 juni 2007 en dat strekt tot de hervorming van een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 12 april 2007.
 
1.2. Bestreden vonnis
Het bestreden vonnis heeft de oorspronkelijke vordering die door N.V. ingesteld was bij dagvaarding van 2 maart 2004 en die ertoe strekte om J.M. en R.V. hoofdelijk en solidair te horen veroordelen tot het betalen van de som van 17.823,40 EUR te ver­hogen met interesten en kosten uit hoofde van uitgevoerde schilderwerken, onge­grond verklaard in de mate als gericht tegen G.V. en gegrond verklaard tot beloop van het bedrag van 15.105 EUR in zover als gericht tegen J.M. De tegenvordering ingesteld door J.M. werd ongegrond verklaard.
Bij vonnis van 8 april 2005 had de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, die oorspronkelijk was gevat, zich onbevoegd verklaard en had het geschil verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
 
1.3. Kort feitenrelaas
Op 20 februari 2003 leverde N.V. een prijsopgave af, voor het uitvoeren van binnen­schilderwerken in een gebouw gelegen te N. Voor het schilderen van alle bepleisterde muren en plafonds, opkuisen en bijwerken waar nodig, schilderen met een laag muurprimer en een laag Optimat werd een prijs vooropgesteld van 14.250 EUR. Als optie werd een meerprijs voorzien voor het volledig uitplamuren van alle bepleis­terde plafonds en muren (om een gladde oppervlakte te bekomen) voor de som van
5.400 EUR.
Blijkbaar werden de werken door N.V. uitgevoerd maar waren er opmerkingen aan­gaande het resultaat van de uitgevoerde werken. Op 13 mei 2003 kwam de leveran­cier van de verven (BOSS paints) ter plaatse en stelde vast dat opstijgend vocht zorgt voor zichtbare schade aan verf- en pleisterwerk: verkleuring, verpoedering, afblad­dering,... van de verf. Van de vaststelling werd een verslag opgesteld op 20 mei 2003. Als oorzaak van de schade werd de aanwezigheid van een zeer hoog vochtgehalte weerhouden. Het zou gaan om oude volle muren zonder grondwaterkering waarbij het niveau van een aantal vloeroppervlakken lager ligt dan het grondniveau buiten. Om het probleem op te lossen worden ingrijpende werken vooropgesteld die als volgt samengevat worden in het verslag (doch waarvoor ook alternatieve oplossin­gen werden gesuggereerd):
“de muren laten onderkappen om een grondwaterwering aan te brengen boven het grondniveau; de aangetaste pleisterlaag verwijderen en vervangen; voor het gedeelte onder de grondwaterwering dient men een watervaste cementering te voorzien indien we hier te maken hebben met stenen waarbij nitraten werden opgenomen (bv. van oude stallingen), dient men deze stenen te vervangen de buitenzijde behandelen om regendoorslag tegen te gaan”
Op 13 juni 2003 stelde N.V. een factuur op voor het uitvoeren van de werken con­form voornoemde prijsopgave voor de prijs van 14.250 EUR te vermeerderen met 6% BTW, in totaal 15.105 EUR.
Ook op 13 juni 2003 schreef N.V. aan J.M.: “Hierbij verklaar ik de beschadigde muren volledig ten mijne laste te herschilderen na de nodige aanpassingswerken te zijn uitgevoerd voorgesteld door de technische dienst van Boss Paints.”
Op 22 juli 2003 liet J.M. aan N.V. kennen dat hij niet akkoord kon gaan met de factuur. Hij schreef: “Ik dank u voor de reeds genomen initiatieven. Doch kan ik u alleen maar bijtreden in het feit dat op het moment van de schilderwerken de muren wel degelijk te vochtig waren. U bent, als goede huisvader, eraan gehouden mij hier­van op de hoogte te brengen. Daar dit spijtig genoeg niet is gebeurd, moet ik u verantwoordelijk stellen.”
Op 5 augustus 2003 repliceerde N.V. hierop: “Hierbij laat ik u weten dat wij voor dit geval niet verantwoordelijk kunnen gesteld worden omdat dit gaat over verbor­gen gebreken (zie technische rapport). Ik stel mij wel verantwoordelijk om de beschadigde muren te schilderen na de door u nodige aanpassingswerken te zijn uitgevoerd volgens het technische advies. Gelieve deze factuur te betalen volgens de algemene verkoopsvoorwaarden met aftrek van 10% als waarborg voor het later herschilderen van de beschadigde gedeelten.”
De inhoud van deze brief werd herhaald bij schrijven van 29 augustus 2003.
Op 7 oktober 2003 werd nogmaals door N.V. per aangetekend schrijven aangedron­gen op de betaling van de factuur.
Op 17 oktober 2003 antwoordde de raadsman van J.M.: “Het spreekt voor zich dat uw factuur van 13 juni 2003 ten bedrage van 15.105,00 EUR geprotesteerd is en blijft niet zal betaald worden zolang de problematiek niet is opgelost. Uitdrukkelijk voorbehoud wordt gemaakt voor het reeds geleden en nog te lijden mingenot.”
Op 24 november 2003 repliceerde de raadsman van N.V. in volgende bewoordin­gen:
“Mijn cliënte overhandigt mij uw schrijven d.d. 17 oktober 2003 en voor zover u een officieel karakter geeft aan uw briefwisseling zou ik u vragen dit schrijven als een officieel protest te willen beschouwen. Het is inderdaad zo dat klaarblijkelijk uw cliënten u toch niet voldoende hebben ingelicht nopens de ware toedracht van dit dossier. Mijn cliënte is en blijft de mening toegedaan dat zijn prestaties die door hem werden geleverd onbetwistbaar perfect zijn en conform de regels van de kunst en dat de eventuele gebreken, meer specifiek de problematiek inzake vocht uiteindelijk een oorzaak is intrinsiek aan het gebouw van uw cliënte, nl. een oude gerenoveerde boer­derij, waar mijn cliënte en plakwerken en schilderwerken heeft uitgevoerd, maar niet aansprakelijk kan gesteld worden voor vochtproblemen die nadien verschijnen en waarvan onbetwistbaar vaststaat dat de oorzaak wel degelijk te wijten is aan opstij­gend vocht in het gebouw. Uw cliënten zijn trouwens zeer goed op de hoogte dat mijn cliënt, los van alle andere betwistingen en onder voorbehoud van alle rechten bereid geweest is om hier een commerciële oplossing aan te geven waar diverse voor­stellen werden geformuleerd om uiteindelijk aan het probleem een oplossing te vin­den, wat mijn inziens doorslaggevend is en niets te zien heeft met het al dan niet goed uitvoeren van de werken van mijn cliënt waar vaststaat dat deze wel goed werden uitgevoerd. Uw cliënten hebben dit desbetreffend geweigerd. Inderdaad is het zo dat mijn cliënt bereid was om de muren te laten herschilderen, doch na de nodige aan­passingswerken die zouden zijn uitgevoerd voorgesteld door de technische dienst. Mag ik u dan ook vragen in die zin standpunt te laten geworden. Het is trouwens onverantwoord dat uw cliënten het geheel bedrag van 15.105 EUR inhouden daar waar een betaling van een substantiële onbetwistbare provisie zich opdringt. Mag ik u vragen mij per kerende uw standpunt te laten geworden.”
1.4. De vorderingen voor de eerste rechter
N.V. vorderde de betaling van de factuur vermeerderd met een verhogingsbeding en verwijlinteresten overeenkomstig de algemene factuurvoorwaarden.
De vordering was gericht zowel tegen J.M. als tegen G.V. om reden dat beide perso­nen gedomicilieerd waren op het adres alwaar de werken werden uitgevoerd.
Bij wijze van tegeneis vorderde J.M. een schadevergoeding gelijk aan het gevorderde factuurbedrag.
 
1.5. De vorderingen voor het hof
G.V. werd door de eerste rechter buiten zaak gesteld. Betrokkene werd in het beroepsverzoekschrift aangemerkt als op te roepen partij om reden dat volgens J.M., het geschil onsplitsbaar zou zijn (zie hierna). J.M. vordert dat de initiële vordering onontvankelijk zou verklaard worden minstens dat ze ongegrond zou verklaard worden. Voor zoveel als nodig wordt de tegeneis hernomen ertoe strekkende N.V. te horen veroordelen tot het betalen van “een schadevergoeding gelijk aan de door hem gevorderde bedragen en in die hypothese hoofd- en tegeneis te compenseren”. In uiterst ondergeschikte orde vraagt J.M. dat een deskundige zou worden aange­steld met een opdracht die in de conclusie wordt omschreven.
G.V. concludeert niet en verschijnt niet.
 
N.V. vordert de bevestiging van het eerste vonnis.
 
2. Bespreking
2.1. Ten aanzien van V.
Er wordt tegen V. niets gevorderd in graad van hoger beroep.
In tegenstelling tot wat J.M. voorhoudt, is het geding geen onsplitsbaar geschil in de zin van artikel 1053, 2de lid Ger.W.
Voor de toepassing van artikel 1053 Ger.W. is een geschil enkel onsplitsbaar wan­neer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding zou geven, materieel onmogelijk zou zijn (art. 31 Ger.W.). Een geding dat er toe strekt een veroordeling tot het betalen van geldsommen te bekomen is geen onsplitsbaar geschil. V. werd dan ook totaal ten onrechte in het geding betrokken in graad van hoger beroep.
 
2.2. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering
J.M. laat gelden dat de vordering zoals zij door N.V. werd ingeleid niet ontvankelijk is om reden dat artikel 14 in fine van de wet van 16 januari 2003 bepaalt: “Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een acti­viteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onder­neming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming even­eens onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvan­kelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.”
Op grond van de stukken van de rechtspleging waarop het hof vermag acht te slaan, werd de niet ontvankelijkheid door J.M. ingeroepen in de “tweede besluiten” neer­gelegd voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 15 november 2006. De exceptie werd niet ingeroepen in de eerste besluiten die ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van Dendermonde werden neergelegd op 14 februari 2005. Er dient niet onderzocht te worden of N.V. al dan niet was ingeschreven in de hoeda­nigheid waarvoor hij vordert nu de niet-ontvankelijkheid gedekt is wanneer zij niet voor elke andere exceptie of verweermiddel is ingeroepen. In de eerste conclusie hebben J.M. en V. geconcludeerd omtrent de territoriale bevoegdheid van de recht­bank en verder over de grond van de zaak (doch niet over de onontvankelijkheid). De exceptie is dan ook gedekt. De oorspronkelijke vordering is ontvankelijk.
 
2.3. De verjaring
N.V. verweert zich op het middel van verjaring. Dit middel wordt voor het hof niet gehandhaafd. Hoe dan ook, het gaat te dezen om een aannemingsovereenkomst waarop de eenjarige verjaring van de wet van 1 mei 1913 niet van toepassing is.
 
2.4. Gegrondheid van de vordering – Fout
2.4.1.
Ten onrechte beroept J.M. zich op artikel 1792 BW. Een afbladdering van schilder­werken is niet van aard de stevigheid van een bouwwerk aan te tasten. Het maakt geen gebrek uit dat van aard is de aansprakelijkheid van de aannemer op grond van voornoemd artikel in gedrang te brengen.
2.4.2.
Uit de stukken die N.V. zelf bijbrengt (de brieven van 13 juni 2003 en 5 augustus 2003, de bevestigingen van 29 augustus en 7 oktober 2003 en het verslag van BOSS PAINTS van 20 mei 2003) en die niet worden ontkracht door de stukken die J.M. bijbrengt (de brieven van J.M. of diens raadsman van 22 juli en 17 oktober 2003) is bewezen dat de door N.V. uitgevoerde schilderwerken op sommige muren – reeds vlug na de uitvoering van de werken – verkleuring, verpoedering en afbladdering vertoonden.
De partijen betwisten de diagnose van BOSS PAINTS niet, volgens dewelke de oor­zaak van het slechte resultaat van de schilderwerken te wijten is aan een zeer hoog vochtgehalte in de muren hetwelk veroorzaakt is doordat het gaat om oude volle muren zonder grondwaterkering en waarbij het niveau van een aantal vloeropper­vlakken lager ligt dan het grondniveau buiten (stuk 10 uit het dossier van geïnti­meerde).
2.4.3.
De aannemer van schilderwerken is geen slaafse uitvoerder, hij moet zich om goed werk te kunnen afleveren, vooraf vergewissen van de toestand en de staat van de materialen waarop hij de schilderwerken zal uitvoeren en of het werk dat de bouw­heer verlangt, volgens de regels van de schilderkunst en met het daarbij gewenste resultaat, kan uitgevoerd worden.
Terecht laat J.M. gelden dat de aannemer een voorlichtingsplicht heeft. De aannemer van schilderwerken is een specialist in de materie. Van de aannemer schilderwerken mag verwacht worden dat hij een feilloos resultaat aflevert conform aan de regels van de schilderkunst. De aannemer van schilderwerken moet weten op welke opper­vlakten er (wel) kan (en mag geschilderd worden) en op welke oppervlakten er niet kan (en mag) geschilderd worden.
Wanneer de aannemer van schilderwerken een werk aanvaardt, dan moet hij de bouwheer inlichten indien de ondergrond waarop hij de schilderwerken zal moeten uitvoeren, niet voldoet aan de normen die een feilloos resultaat mogelijk maken. Wanneer de aannemer van schilderwerken vaststelt dat de ondergrond, waarop hij zou moeten schilderen, niet beantwoordt aan de norm (zoals te dezen de ondergrond niet droog is zodanig dat geen puik schilderwerk kan afgeleverd worden om reden dat de verf zal afbladderen, verpoederen en/of verkleuren) dan dient hij hiervan voorafgaand aan het aanvatten van de werken, de bouwheer op de hoogte te stellen (informatieplicht). Het is pas wanneer de bouwheer, ondanks de informatie die hem door de aannemer is verstrekt, toch verlangt dat de werken worden uitgevoerd zon­der bijkomende voorzorgen, dat de aannemer geen tekortkoming in de informatie­plicht kan ten kwade geduid worden. N.V. (bewijst niet maar) houdt (zelfs) niet voor dat hij J.M. geïnformeerd heeft omtrent de risico’s indien hij zou schilderen op niet droge ondergrond. Te dezen is N.V. aan de voorlichtingsplicht tekort geschoten.
2.4.4.
De stelling als zouden de muren droog geweest zijn op het moment van de aanvang van de schilderwerken, wordt expliciet tegengesproken door het verslag van BOSS PAINTS dat door N.V. wordt bijgebracht en waarvan hij de bevindingen absoluut niet betwist en naar verluid van hetwelk de muren een zeer hoog vochtgehalte bevat­ten en er zeer ingrijpende werken nodig zijn om hieraan te verhelpen. De vermeldin­gen in dit technisch verslag (dat werd opgemaakt na een plaatsbezoek van 13 mei 2003 daar waar de werken ten vroegste begin maart 2003 kunnen zijn uitgevoerd) laten toe aan te nemen (vermoeden) dat het onmogelijk is dat de muren pas na het uitvoeren van de schilderwerken nat zouden geworden zijn. Voornoemd technisch verslag wijst er op dat de muren reeds vochtig waren minstens op het moment dat de schilderwerken werden uitgevoerd. N.V. maakt niet plausibel dat en hoe “oude volle muren zonder grondwaterwering” en waarvan “het niveau van een aantal vloeroppervlakken (...) lager (ligt) dan het grondniveau buiten” plotseling en ineens vochtig zouden geworden zijn.
 
2.5. Gegrondheid van de vordering – Schade
2.5.1.
J.M. heeft nooit de nodige werken laten uitvoeren om de muren die beschadigd waren droog te maken en de oorzaak van de vochtopslorping door deze muren, ongedaan te maken.
In die omstandigheden kon N.V. zijn aanbod dat ertoe strekte om op zijn kosten tot het herschilderen over te gaan, niet realiseren.
Uit de prijsopgave blijkt dat de werken die N.V. heeft uitgevoerd betrekking hadden op het schilderen (2 lagen) van alle gepleisterde muren en plafonds, na opkuisen en bijwerken waar nodig.
Het probleem is beperkt tot de schilderwerken op sommige muren.
De grieven van J.M. hebben dus slechts betrekking op een gedeelte van de door N.V. uitgevoerde werken en niet op de totaliteit ervan.
2.5.2.
Op 5 augustus 2003 stelde N.V. voor om “de beschadigde muren” (dus een gedeelte van alle muren) te herschilderen en om een waarborg van 10% in te houden voor het “later herschilderen van de beschadigde muren”.
De inhoud van deze brief werd herhaald op 29 augustus 2003 en op 7 oktober 2003. Er kwam vanwege J.M. geen reactie als zou het aandeel van de beschadigde muren (waarvoor een herschilderen was aangeboden) meer bedragen dan 10% van de tota­liteit van de werken. Op 17 oktober 2003 schreef de raadsman van J.M. trouwens dat de betaling van de factuur werd opgeschort “zolang de problematiek niet is opgelost”. Het gaat hier dus om het inhouden van de betaling omwille van een pro­blematiek niet om een totaal afkeuren of weigeren van al de uitgevoerde schilderwer­ken.
Bij gebrek aan nadere elementen (het behoort aan J.M. om te bewijzen welk gedeelte van de werken ondeugdelijk zou zijn uitgevoerd) en nu de pro rata van 10% nooit concreet betwist werd (ondanks het feit dat zowel J.M. als zijn raadsman schriftelijk blijk hebben gegeven van hun grieven) dient het aandeel van de werken, waarvoor er een betwisting bestaat omtrent de deugdelijke uitvoering, beperkt te worden tot 10% van de totaliteit van de uitgevoerde werken.
2.5.3.
In tegenstelling tot hetgeen J.M. voorhoudt is het protest van facturen in een bouw­geschil waarbij de aannemer een aannemingsovereenkomst uitvoert, niet van aard om de bouwheer te ontlasten van de verbintenis tot het betalen van de opgevorderde aannemingssom. De aannemer van de schilderwerken heeft de werken uitgevoerd (dit is niet betwist), een deel van de werken vertoont een gebrek (dit is al evenmin betwist), het behoort aan de bouwheer die de verbintenis tot het betalen van de overeengekomen aannemingssom betwist om te bewijzen welke werken (of welke proportie ervan) niet deugdelijk zijn uitgevoerd. De factuur geldt te dezen niet als titel van de overeenkomst (de overeenkomst wordt bewezen door de prijsopgave waarvan niet betwist werd dat de bouwheer hiermede zijn instemming heeft betuigd), – wanneer de overeenkomst bewezen wordt door een geschrift – heeft de factuur enkel een fiscale draagwijdte.
2.5.4.
De discussie betreft aldus een bedrag van 1.510,50 EUR (BTW inbegrepen en onder voorbehoud van verhogingsbedingen). Dit bedrag vertegenwoordigt dan ook alhier de schade die het gevolg is van de wanprestatie door N.V.
2.5.5.
Bij gebrek aan contractuele bedingen in de prijsopgave, maken de bedingen (“alge­mene verkoopsvoorwaarden”) die ná de contractsluiting, eenzijdig door N.V. aan de contractbedingen worden toegevoegd, geen deel uit van de overeenkomst tussen par­tijen, derwijze dat het gevorderde verhogingsbeding en de gevorderde conventionele interesten, niet verschuldigd zijn.
De verwijlintresten zijn in principe verschuldigd op het verschuldigd blijvende bedrag van 13.594,50 EUR (=15.105 EUR – 1.510,50 EUR) vanaf 5 augustus 2003 (eerste ingebrekestelling per aangetekend schrijven – zie stuk 5 uit het dossier van geïntimeerde). Het hof stelt vast dat N.V. geen incidenteel hoger beroep instelt zodat het hof gehouden is het beschikkingsbeginsel van partijen te eerbiedigen en het hof de begindatum van de verwijlinteresten, niet kan aanpassen.
2.5.6.
Er is geen aanleiding om thans, na meer dan 6 jaar, nog een gerechtelijk deskundige aan te stellen.
Schilderwerken zijn sowieso onderhevig aan vetusteit. De toestand na al die tijd is dienvolgens niet meer relevant voor de wijze van uitvoering der werken. Zoals hier­voor gesteld is de impact door andere elementen van de dossiers voldoende aange­toond.
 
3. Beslissing en kosten
Het hoger beroep in de mate als gericht tegen N.V., is deels gegrond. Het past om
J.M. evenwel tot 3/5 van de kosten voor hemzelf en voor N.V. van beide aanleggen te veroordelen.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;
Stelt V. buiten zaak;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond,
Hervormt het bestreden vonnis in deze zin dat het bedrag van 15.105 EUR waartoe
J.M. veroordeeld werd, herleid wordt tot de som van 13.594,50 EUR en dat J.M. tot 3/5 en N. V. tot 2/5 van de kosten worden veroordeeld, wat het hoger beroep betreft in hun geheel begroot:
                         in hoofde van M. op 1.286 EUR (186 rolrecht + 1.100 rechtsplegingsvergoeding),
                         in hoofde van V. op 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding en
                         in hoofde van V. op NIHIL.
 
Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 03/07/2010 - 09:17
Laatst aangepast op: za, 03/07/2010 - 09:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.