-A +A

Aandelen in een huwgemeenschap, lidmaatschapsrechten versus vermogensrechten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 02/04/2007
A.R.: 
A.R. nr. 2006/AR/326

Zolang er binnen het huwelijk waarin er sprake is van een of andere soort van gemeenschap, aandelen zijn waaromtrent er betwisting is nopens het al dan niet eigen karakter/ al dan niet gemeenschappelijk karakter van de vermogenswaarde ervan, moet er een scheiding gemaakt worden tussen het lidmaatschapsrecht respectievelijk het vermogensrecht ervan.

Van die splitsing is art. 1401, 5 B.W. een duidelijk exponent :

«Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging :

( ... )

5. de lidmaatschapsrechten verbonden aan gemeenschappelijke aandelen in vennootschappen waarin alle aandelen op naam zijn, indien die toebedeeld zijn aan of ingeschreven zijn op naam van één echtgenoot alleen».

Om op een ontvankelijke wijze de vordering tot uittreding te kunnen formuleren, volstaat het over de lidmaatschapsrechten te beschikken van de aandelen waaromtrent de uittreding wordt gevorderd (cfr B. WAUTERS, Aandelen en echtscheiding, 2000, nr. 62, blz. en nrs. 71 e.v., blz. 67 e.v.).

De lidmaatschapsrechten zijn eigen en in dit lidmaatschapsrecht is ook het recht begrepen om uittreding te vorderen (cfr B. WAUTERS, a.w., nr. 7 5, blz. 69 e.v.; zie ook M. P. Pannier, noot onder Voorz. Kooph. Kortrijk, 5 oktober 1998, Tijds. Not., 1999, 665 e.v.). Er is dienomtrent kritiek (zie G. BAETEMAN, J. GERLO, W. PINTENS e.a., «Overzicht van rechtspraak - Huwelijksvermogensrecht 1996-2 002 », TPR., 2 003, blz. 1661-1662, nr. 148).

De benadering die het hof weerhoudt, is evenwel de enig werkbare binnen de goede werking van de vennootschap ( overigens een rechtspersoon met een eigen belang dat niet noodzakelijk dat is van de vennoten, noch samen noch afzonderlijk) én die te verzoenen valt met de belangen van de echtgenoten als dusdanig.

Zoniet zou er sprake kunnen zijn van het de facto onmogelijk maken van het recht tot uittreding te vorderen, van zodra er sprake is van een splitsing zou zijn van lidmaatschapsrecht en vermogensrecht van een aandeel.

Een «evenwicht» tussen vennootschapsrecht en huwelijksvermogensrecht wordt uiteindelijk gevonden in het besluit dat het vermogensrecht dat ten gevolge van de uittredingsprocedure wordt verworven, niet als definitief persoonlijk verworven door de eiser(es) kan worden aangezien, doch dat er onverkort sprake blijft van mogelijke verrekeningen tussen de persoonlijke vermogens en het gemeenschappelijk vermogen onderling.

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2008/85
Pagina: 
15
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(D. t. b.v.b.a. T.)

Feitelijke voorafgaanden, vorderingen en procedurele gegevens

LA. Met dagvaarding betekend op 6 juni 2005 ten aanzien van de heer D. en de b.v.b.a. T., vordert mevr. R. dat de heer D. veroordeeld zou worden tot gedwongen overname van de honderd aandelen die zij voorhoudt te hebben in de b.v.b.a. T. en dit tegen een prijs vast te stellen door een deskundige.

B. Voor de goede orde zij het feitenrelaas zoals gegeven door de Voorzitter alhier expliciet hernomen.

Er worden enkele bijkomende vaststellingen of aanmerkingen door het hof bijgevoegd.

Alsdusdanig blijkt overigens dit feitenrelaas naar de essentie toe, door geen der partijen te worden betwist.

Feiten

Partijen zijn gehuwd te Izegem op 2 3 januari 1993.

Op 10 januari 1995 werd de b.v.b.a. T. opgericht met een kapitaal van 7 50 000 BEF, volstort ten belope van 250 000 BEF vertegenwoordigd door 2 5 0 aandelen van 3 000 BEF, waarvan 248 aandelen in het bezit van verweerder [ de heer D.J, 1 aandeel in het bezit van eiseres [mevr. R.] en 1 aandeel in het bezit van de moeder van verweerder [mevr. S.J.

Verweerder werd statutair zaakvoerder. Het doel van de vennootschap was het voeren van een publiciteitsonderneming.

Op 31 maart 1998 kwam eiseres door overdracht van aandelen zoals opgenomen in het aandelenregister, in het bezit van 100 aandelen.

Het hof merkt hierbij op dat er nopens de draagwijdte van de «overdracht» van aandelen een grondige discussie wordt gevoerd tussen de partijen.

Alleszins moet genoteerd worden dat uit de door de beide partijen voorgelegde kopie van de relevante bladzijden van het aandeelhoudersregister blijkt dat, telkens met de handtekening van de heer D. én die van mevr. R.

- op datum van 31 maart 1998 wordt genoteerd op de bladzijde die betrekking heeft op dhr. D.: «31.03.98 Overdracht» van «98» aandelen, zodat er nog «150» op naam van dhr. D. overblijven;

- op datum van 31 maart 1998 wordt genoteerd op de bladzijde die betrekking heeft op mevr. R.: «31.03.98 Overname» van « 98 » aandelen, zodat er « 100 » op naam van mevr. R. komen te staan;

- op datum van 15 december 1997 is er in het aandeelhoudersregister een overdacht genoteerd geworden van het enige aandeel op naam van de moeder van dhr. D. (mevr. S.) naar mevr. R. toe.

Verweerder betwist dat eiseres deze aandelen bezit.

Op 30 juni 1999 kocht de b.v.b.a. T. een woning te Heusden, Wellingstraat nr. 3.

Volgens eiseres was het de bedoeling om van deze woning na verbouwing de gezinswoning te maken.

Eind 2003 ontstonden echtelijke moeilijkheden.

Op 15 december 2003 werd door de broer en de zuster van verweerder een vennootschap opgericht, b.v.b.a. M., met zetel te Melle.

Vanaf 15 juni 2004 werd de maatschappelijke zetel van de b.v.b.a. M. verplaatst naar de Wellingstraat 3 te Heusden.

Verweerder werd benoemd tot zaakvoerder en het maatschappelijk doel van deze vennootschap was gelijklopend met het doel van b.v.b.a. T.

Volgens eiseres gingen de resultaten van de b.v.b.a. T. omlaag sedert de oprichting van de b.v.b.a. M. terwijl de b.v.b.a. M. in het boekjaar 2004 een winst realiseerde voor belasting van 161 236,95 EUR.

Eiseres is van oordeel dat het feit dat de hoofdaandeelhouder van b.v.b.a. T. tevens zaakvoerder is van een concurrerende vennootschap en het feit dat de omzet die eerder gerealiseerd werd binnen de b.v.b.a. T. thans wordt gerealiseerd binnen de concurrerende vennootschap, voldoende grond is om verweerder te verplichten de aandelen van eiseres over te nemen.

Verweerder stelt dat tengevolge van de echtscheidingsmoeilijkheden de werkingsmogelijkheden binnen de b.v.b.a. T. onmogelijk waren geworden zodat hij naar ene andere bron van inkomsten diende uit te wijken, uiteraard binnen zijn specifieke mogelijkheden, de reclamesector.

Het hof voegt toe aan wat voorafgaat, dat de heer D. en mevr. R. gehuwd waren zonder huwelijkscontract, bijgevolg onder het wettelijk stelsel, en dat zij hun huwelijkscontract lopende het huwelijk niet hebben gewijzigd.

Met vonnis van 12 oktober 2004 is de echtscheiding tussen dhr. D. en mevr. R. uitgesproken. De echtscheiding is alsdan ook overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij vraagstelling ter pleitzitting heeft het hof vastgesteld dat geen van beide partijen een aanvang heeft doen nemen met de procedure van de vereffening en verdeling van de tussen hen bestaan hebbende gemeenschap.

Mocht dit wél het geval zijn geweest, de partijen hadden misschien deze procedure niet hebben moeten voeren dan wel hebben kunnen laten vallen.

II. De voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent

- zegt voor recht dat dhr. D. gehouden is de 100 aandelen van mevr. R. in de b.v.b.a. T. over te nemen en, alvorens de overdacht van de aandelen te bevelen;

- stelt als deskundige aan, de heer C. tot bepaling van de waarde van de aandelen, met als peildatum 14 december 2003;

- zegt voor recht dat mevr. R. als meest gerede partij de staat van kosten en ereloon van de deskundige zal voorschieten.

Als centrale overweging van de voorzitter citeert het hof: « Overeenkomstig art. 1401, 5°, B.W. zijn eigen, ongeacht het tijdstip van verkrijging de lidmaatschapsrechten verbonden aan gemeenschappelijke aandelen in vennootschappen waarin de aandelen op naam zijn, indien die toebedeeld zijn aan of ingeschreven zijn op naam van één echtgenoot alleen.

De vermogensrechten van deze aandelen behoren tot de huwgemeenschap (zie : «Le divorce entre actionnaires », E. POTTIER

De vordering tot gedwongen overname van de aandelen - die een uitoefening is van de lidmaatschapsrechten van de lidmaatschap sre ch ten van de aandelen - is ontvankelijk».

De peildatum van 14 december 2 003 wordt door de voorzitter weerhouden daar deze de dag is vóór de oprichtingsdatum van de b.v.b.a. M.

III.A.a. Dhr. D. en de b.v.b.a. T. tekenen hoger beroep aan. Zij vorderen de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van mevr. R. als onontvankelijk, minstens als ongegrond.

Ondergeschikt vragen zij dat de peildatum voor de waardering van de desbetreffende aandelen zou worden vastgesteld « op datum van werkelijke begroting».

b. Met besluiten neergelegd voor dhr. D. op 5 juli 2006 (en niet voor de b.v.b.a. T.) vordert dhr. D. «ondergeschikt en bij tegeneis, voor zover zou worden geoordeeld dat de overdracht op 15 december 1997 van 98 aandelen van de heer D. aan mevr. R. geen schenking maar een verkoop zou zijn :

Je appellant vordert de nietigverklaring van de beweerde verkoop ingevolge schending van de bepalingen van art. 1 S 9 S B. W » (in het dispositief is sprake van 15 december 1997; dit is een vergissing; er zal bedoeld zijn: 31 maart 1998-15 december 199 5 is de datum van overdacht van het ene aandeel door mevr. S. aan mevr. R.).

In de motivering van de kwestieuze besluiten wijst dhr. D. er ook op, dat ingeval er sprake zou zijn van schenking van de 98 aandelen, hij deze schenking herroepen heeft bij aangetekend schrijven van 4 juli 2006.

B. Mevr. R., de geïntimeerde, vraagt de afwijzing van het hoger beroep vanwege de b.v.b.a. T. als onontvankelijk en de afwijzing van het hoger beroep vanwege dhr. D. als ongegrond.

Beoordeling I.A. [ ... ].

B. De geïntimeerde betwist wél de ontvankelijkheid van het hoger beroep vanwege de b.v.b.a. T., wegens gebrek aan belang.

Art. 340 W.Venn. dat het heeft over het recht voor iedere vennoot om om gegronde redenen in rechte te vorderen dat zijn aandelen worden overgenomen door de vennoten op wie deze gegronde redenen betrekking hebben, verwijst onder meer naar art. 335 WVenn. als zijnde eveneens van toepassing in dergelijke procedure.

Art. 335 W.Venn. bepaalt onder meer m.b.t. de inleiding van de procedure, dat de vennootschap eveneens moet worden gedagvaard om te verschijnen.

De kwestieuze vennootschap moet betrokken zijn en blijven in de procedure tot uittreding, ook in graad van hoger beroep.

De vennootschap is geen partij als dusdamg.

Evenwel, waar zij ook in hoger beroep betrokken moet blijven, had zij een voldoende belang om zich te voegen bij het hoger beroep van dhr. D., echter niet om dezelfde vorderingen te formuleren als dhr. D.

Hieruit volgt dat het hoger beroep «op zich» vanwege de b.v.b.a. T. weliswaar ontvankelijk is, doch niet de vorderingen die de b.v.b.a. T. samen met dhr. D. heeft geformuleerd.

II.A. De vennootschap is opgericht in de loop van het huwelijk tussen dhr. D. en mevr. R.

Zij waren gehuwd zonder huwelijkscontract; dit is ook zo onveranderd gebleven tijdens het huwelijk.

Het huwelijk is ontbonden.

De procedure van vereffening en verdeling van de gemeenschap die heeft bestaan, is niet aangevat, laat staan beëindigd.

Er zij verwezen naar wat hierboven onder I.B. «Feitelijke voorafgaanden, vorderingen en procedurele gegevens» is vermeld.

Op huidig ogenblik staan in het aandeelhoudersregister van de b.v.b.a. T. vermeld :

- dhr. D. met 150 aandelen op zijn naam;

- mevr. R. met 100 aandelen op haar naam.

B. Art. 8 van de statuten van de b.v.b.a. bepaalt dat er geen bijzonder procedure nodig is voor de overdracht of overgang van aandelen door de ene aan de andere vennoot.

Waar dhr. D., aan wie de geïntimeerde de overname van haar aandelen vordert, vennoot is, is er naar toepassing van de statuten toe, geen enkel bezwaar of moeilijkheid.

III.A. De feitelijke en meteen juridische context van de betwistingen duiden aan dat huwelijksvermogensrecht en vennootschapsrecht niet zomaar en vlot met mekaar te verzoenen zijn, laat staan mekaar zouden versterken.

Een en ander wordt daarenboven nog « bemoeilijkt» ingeval van het bestaan van een gemeenschap van goederen dan wel het bestaan van een « gewezen» gemeenschap van goederen die nog niet definitief verdeeld en vereffend is.

B. Zolang er binnen het huwelijk waarin er sprake is van een of andere soort van gemeenschap, aandelen zijn waaromtrent er betwisting is nopens het al dan niet eigen karakter/ al dan niet gemeenschappelijk karakter van de vermogenswaarde ervan, moet er een scheiding gemaakt worden tussen het lidmaatschapsrecht respectievelijk het vermogensrecht ervan.

Van die splitsing is art. 1401, 5 B.W. een duidelijk exponent :

«Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging :

( ... )

5. de lidmaatschapsrechten verbonden aan gemeenschappelijke aandelen in vennootschappen waarin alle aandelen op naam zijn, indien die toebedeeld zijn aan of ingeschreven zijn op naam van één echtgenoot alleen».

C.a. Dhr. D. betwist dat de aandelen waarvan mevr. R. de overname vordert, minstens voor 98 die volgens de vermeldingen in het aandeelhoudersregister zijn overgedragen op 31 maart 1998 van hem naar zijn toenmalige echtgenote, gemeenschappelijk zouden zijn.

Hij houdt voor dat zij ingeschreven en nadien volstort zijn geworden door zijn eigen persoonlijke penningen, zodat ze hem ook persoonlijk zijn blijven toebehoren.

b. Deze betwisting is als dusdanig niet aan de orde binnen het kader van de betwisting nopens de al dan niet toekenning van de vordering tot uittreding.

Immers, om op een ontvankelijke wijze de vordering tot uittreding te kunnen formuleren, volstaat het voor de eiser(es) over de lidmaatschapsrechten te beschikken van de aandelen waaromtrent de uittreding wordt gevorderd (cfr B. WAûTERS, Aandelen en echtscheiding, 2000, nr. 62, blz. en nrs. 71 e.v., blz. 67 e.v.).

De volledige 100 aandelen zijn op regelmatige wijze ingeschreven op naam van de geïntimeerde : 1 bij de oprichting van de vennootschap, 1 door overneming van het aandeel van haar toenmalige schoonmoeder en 98 door overneming van haar toenmalige echtgenoot.

Telkens zijn bij de inschrijvingen c.q. wijzigingen van inschrijven alle nodige handtekeningen van de betrokken vennoten gezet geworden.

Aldus beschikt de geïntimeerde over de lidmaatschapsrechten voor 100 aandelen.

De lidmaatschapsrechten zijn eigen en in dit lidmaatschapsrecht is ook het recht begrepen om uittreding te vorderen (cfr B. WAÛTERS, a.w., nr. 7 5, blz. 69 e.v.; zie ook M. P. Pannier, noot onder Voorz. Kooph. Kortrijk, 5 oktober 1998, Tijds. Not., 1999, 665 e.v.). Er is dienomtrent kritiek (zie G. BAETEMAN, J. GERLO, W. PrNTENS e.a., «Overzicht van rechtspraak - Huwelijksvermogensrecht 1996-2 002 », TPR., 2 003, blz. 1661-1662, nr. 148).

De benadering die het hof weerhoudt, is evenwel de enig werkbare binnen de goede werking van de vennootschap ( overigens een rechtspersoon met een eigen belang dat niet noodzakelijk dat is van de vennoten, noch samen noch afzonderlijk) én die te verzoenen valt met de belangen van de echtgenoten als dusdanig.

Zoniet zou er sprake kunnen zijn van het de facto onmogelijk maken van het recht tot uittreding te vorderen, van zodra er sprake is van een splitsing zou zijn van lidmaatschapsrecht en vermogensrecht van een aandeel.

Een «evenwicht» tussen vennootschapsrecht en huwelijksvermogensrecht wordt uiteindelijk gevonden in het besluit dat het vermogensrecht dat ten gevolge van de uittredingsprocedure wordt verworven, niet als definitief persoonlijk verworven door de eiser(es) kan worden aangezien, doch dat er onverkort sprake blijft van mogelijke verrekeningen tussen de persoonlijke vermogens en het gemeenschappelijk vermogen onderling.

c. Na definitief worden van de echtscheiding en bijgevolg na het ontbinden van de gemeenschap, blijft de opsplitsing van lidmaatschapsrecht vs. vermogensrecht onverminderd bestaan en dit tot de definitieve vereffening en verdeling van de gemeenschap (cfr B. WAÛTERS, a.w., nr. 560, blz. 438-439; zie ook]. DE VROE, «De aandelen op naam in het wettelijk huwelijksstelsel - Een nieuw eigen goed - Praktische kijk op het nieuw art. 1401, 5°, B.W.», R.W, 1987-1988, blz. 1353 e.v., meer bepaald nr. 3, blz. 13 5 3, tweede kolom onder b).

Indien bijgevolg, zoals in casu, er beslist wordt dat de vordering tot uittreding gegrond is én dhr. D. effectief voor de overname zal betaald hebben aan mevr. R., dan betekent een en ander geenszins een uitspraak nopens het gemeenschappelijke dan wel persoonlijke karakter van de aldus betaalde geldsommen.

Het kan heel goed zijn - doch de rechter die desbetreffend binnen het kader van de uittredingsprocedure te oordelen heeft, hoeft zich hiervan niets aan te trekken - dat een en ander aanleiding zal geven tot vergoedingsrekeningen allerhande bij de definitieve vereffening en verdeling tussen de gewezen echtgenoten.

D. Op 15 maart 1998 is er een overgang van 98 aandelen vastgelegd in het aandeelhoudersregister van dhr. D. naar mevr. R. toe (zie supra).

Waar er een splitsing is tussen lidmaatschapsrechten en vermogensrechten, treedt er door de wijziging van toebedeling tussen de echtgenoten geen vermogensverschuiving op (cfr. J. VAN BAEL, «De invoering van art. 1401, sub 5 B.W. en de b.v.b.a.», R.W, 1987-1988, blz. 566 e.v., meer bepaald nr. 6, blz. 568).

Omwille van het speciale karakter van het lidmaatschapsrecht van een aandeel, gezien tegenover het vermogensrecht ervan, is de wijziging van toebedeling of de aantekening van de aandelen in het aandeelhoudersregister geen (in voorkomend geval : in beginsel verboden) verkoop tussen echtgenoten noch (in voorkomend geval : herroepbare) schenking tussen echtgenoten (cfr J. VAN BAEL, a.w., blz. 5 68, nr. 6, tweede alinea; J. DE VROE, a.w., blz. 1354, nr. 6, voorlaatste alinea; beiden hebben het over de verkoop tussen echtgenoten).

Door het wijzigen van de inschrijving van de aandelen in het aandeelhoudersregister is er uitsluitend sprake van het wijzigen van de persoon die jegens de vennootschap respectievelijk de medevennoten als exclusief bestuurder van die aandelen zal optreden. De wijziging van het bestuurderschap over een aandeel, van de ene naar de echtgenoot, is geen schenking zodat de ad nutum herroepbaarheid ervan (zie art. 1096 B.W.) niet aan de orde kan zijn.

E. Rekening houdend met wat voorafgaat, met name het aannemen van de splitsing tussen het lidmaatschapsrecht en het vermogensrecht van de aandelen, zijn de uiteenzetting die dhr. D. verricht nopens het eigen karakter van de aandelen en de gevolgen hiervan respectievelijk het verweer vanwege de geïntimeerde, niet van doen.

IV:A. Uit stuk nr. 6 zoals neergelegd door de geïntimeerde (bewijs publicatie in de bijlag en bij het Belgisch Staatsblad van 31 december 2003), blijkt dat door blijkbaar broer en zus van dhr. D. op 15 december 2003, een b.v.b.a. M. is opgericht, waarvan de zetel eerst te 9090 Melle en dan met ingang van 15 juni 2004 naar Heusden is verplaatst.

Het doel van die nieuwe vennootschap is duidelijk concurrentieel bedoeld ten opzichte van de b.v.b.a. T. (met name activiteiten in de publiciteit-/ reclamesector).

Uit de oprichtingsakte blijkt eveneens dat dhr. D. alsdan als statutair zaakvoerder is aangesteld.

Hierdoor doet dhr. D. de b.v.b.a. T. concurrentie aan, wat voor mevr. R. die erin over 100 aandelen op haar naam beschikt, een gegronde reden uitmaakt om de uittreding te vorderen en dit ten aanzien van dhr. D. die er de ( enig) andere aandeelhouder van is ( toepassing art. 340 WVenn.).

B. Het is juist dat door de vrederechter aan de geïntimeerde op eenzijdig verzoekschrift op 29 november 2003 beschikking werd verleend tot virtuele blokkering van de spaarrekening van de b.v.b.a. T. (niet de zichtrekening ervan).

Die procedure is totaal te zien binnen het kader van de alsdan verregaande onenigheid tussen de echtgenoten en is daarenboven te zien binnen het kader van een louter bewarende bedoeling.

Die - uiteindelijk tijdelijke - blokkering van de spaarrekening van de b.v.b.a. T. binnen de uitsluitende context van de echtelijke moeilijkheden, kan bezwaarlijk als een aanvaardbare reden aangezien worden in hoofde van dhr. D. om het statutair zaakvoerderschap te aanvaarden in een nieuwe concurrerende vennootschap.

Overigens kan uit de motivering van het verzoek tot opheffing van deze blokkering (verzoek neergelegd ter griffie van het vredegerecht op 28 januari 2004) worden opgemaakt dat de b.v.b.a. T. c.q. dhr. D. pas op de hoogte zijn geworden van de blokkering van die spaarrekening van de b.v.b.a. T. ten vroegste vanaf 20 januari 2004.

Naar de chronologie van een en ander kàn de opneming van het statutair zaakvoerderschap van de b.v.b.a. M. door dhr. D. niet ingegeven zijn door de kwestieuze blokkering van de spaarrekening.

C. Er zij ook verwezen naar de «sprekende» resultatenrekening voor de b.v.b.a. T. per 31 december 2004, waaruit een omzet van «0,00» (sic) blijkt.

De resultatenrekening van de b.v.b.a. M. per 31 december 2004 vermeldt als omzet « 218 446,87 ».

Hiervoor kan er geen enkele redelijke uitleg voor zijn, tenzij dan dat de b.v.b.a. M. in alle opzichten en van in den beginne bedoeld was als concurrent voor de b.v.b.a. T.

De voor de geïntimeerde gegronde reden in hoofde van dhr. D. blijft dan ook onverkort en zelfs versterkt overeind.

D. Tevergeefs verwijst dhr. D. naar andere diverse elementen die evenwel te maken hebben met de alsdan gezinsmatige conflicten, evenwel zonder rechtstreeks verband met de b.v.b.a. T.

V. Waar de b.v.b.a. M. is opgericht op 15 december 2003 én dhr. D. alsdan ook statutair zaakvoerder is geworden van die (concurrerende) vennootschap, is er alle reden om de peildatum te plaatsen op 14 december 2003.

Na die de datum heeft dhr. D. meegewerkt aan het duidelijke opzet om de b.v.b.a. T. te beroven van welke inkomsten dan ook ontvankelijk doch ongegrond;

[ ... ]

Bevestigt de bestreden beschikking.
 

Noot: 

Indien de feiten die als gegronde redenen kunnen worden aangevoerd door de vennoot die in rechte vordert dat zijn aandelen worden overgenomen door de vennoten op wie deze gegronde redenen betrekking hebben, in de regel verband zullen houden met de vennootschap uit welke de aandeelhouder wenst te treden, is het niet uitgesloten dat ook feiten die geen verband houden met die vennootschap in aanmerking worden genomen.

Rechtbank van Koophandel Antwerpen, afdeling Turnhout, Kort geding – 30 mei 2014, RW 2015-2016, 674

samenvatting

Een gegronde reden tot gedwongen overdracht kan worden omschreven als de omstandigheid waardoor het verder handhaven van een persoon als aandeelhouder, gelet op zijn gedrag of persoonlijkheid, redelijkerwijze niet meer kan worden vereist van de andere aandeelhouder, omdat dit het voortbestaan van de vennootschap zo niet onmogelijk maakt, dan wel ernstig in gevaar brengt.

Uit het geheel van voorgelegde feiten en stukken blijkt dat er tussen beide vennoten een fundamenteel wantrouwen is, dat reeds geleid heeft tot verschillende procedures, waarin eerste verweerster standpunten heeft ingenomen en/of initiatieven heeft genomen, tegengesteld aan het vennootschapsbelang, waardoor zij haar eigen totale gebrek aan affectio societatis demonstreert.

Eerste verweerster heeft de hoofdvordering thans, bij conclusie neergelegd op 20 mei 2014, beantwoord door een tegenvordering tot uittreding uit tweede verweerster.

Hieruit kan in de eerste plaats de wens van eiser en eerste verweerster worden afgeleid dat de eerste de vennootschap verder ter harte zal nemen, terwijl de tweede hiervan wenst ontslagen te worden.

Om te slagen in haar tegenvordering, dient eerste verweerster echter aan te tonen dat zij door de gedragingen van eiser zodanig in haar rechten of belangen wordt geschaad, dat van haar in redelijkheid niet langer kan worden gevraagd dat zij vennoot blijft (art. 340 W.Venn.).

Eerste verweerster slaagt niet in deze bewijslast. Het beweerde zwartwerk of zwartverkoop door eiser wordt op geen enkele wijze aangetoond en evenmin de stelling dat activa van tweede verweerster door eerste verweerder worden verkocht onder hun waarde.

tekst vonnis:

K.G. t/ BVBA P. en BVBA S.C.

De vorderingen

De hoofdvordering strekt ertoe:

– overeenkomstig art. 338 W.Venn. eerste verweerster te horen veroordelen tot de gedwongen overdracht van al haar (93) aandelen in tweede verweerster aan eiser;

– overeenkomstig art. 338 W.Venn. en rekening houdend met de boekhoudkundige waardebepaling door de boekhouder van BVBA S.C., de waarde van de aandelen in handen van eerste verweerster te bepalen op 9.843,50 euro;

– overeenkomstig art. 336, tweede lid W.Venn. de schorsing te horen bevelen van de rechten verbonden aan de aandelen van eerste verweerster;

– de tegenvordering af te wijzen als ongegrond;

...

De tegenvordering strekt ertoe, na afwijzing van de hoofdvordering:

– overeenkomstig art. 340 W.Venn. eiser te horen veroordelen tot gedwongen overname van alle aandelen van eerste verweerster in tweede verweerster;

– een deskundige te horen aanstellen teneinde objectief de waarde van de aandelen van tweede verweerster in handen van eerste verweerster te bepalen;

...

De feiten

De BVBA S.C. werd opgericht op 5 mei 2009 door de heer K.G., eiser, en de BVBA P., eerste verweerster. Aanvankelijk bezat eiser 30 aandelen, eerste verweerster 156 aandelen. Als statutair zaakvoerder werden benoemd de heer K.G. en de heer B.P., zaakvoerder van de BVBA P.

Op 2 oktober 2009 heeft eerste verweerster 63 aandelen overgedragen aan eiser, waardoor zowel eiser als eerste verweerster 93 aandelen bezaten, zijnde elk 50% van de totaliteit van de aandelen.

Bij beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 12 oktober 2012 wordt de heer B.P. ontslagen als zaakvoerder van de BVBA S.C. en vervangen door de heer S.M.

Deze laatste wordt eveneens ontslagen als zaakvoerder bij beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 24 januari 2013.

Sedertdien is de heer K.G. enig zaakvoerder van de BVBA S.C.

Halfweg 2013 vinden overnamegesprekken plaats tussen eiser en eerste verweerster.

Bij brief van 9 september 2013 vraagt eerste verweerster de bijeenroeping van een bijzondere algemene vergadering met de vereffening van BVBA S.C. als enige agendapunt.

Bij dagvaarding van 25 november 2013 vordert eerste verweerster de gerechtelijke ontbinding van de BVBA S.C., wegens (i) daling van het eigen vermogen onder het minimum te volstorten kapitaal en (ii) ernstige onenigheid tussen de aandeelhouders. Deze vordering is hangende voor de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, afdeling Turnhout, gekend onder het AR nr. 13/02759 en staat vastgesteld voor pleidooien op 18 juni a.s.

Op 8 mei 2014 wordt huidige vordering ingeleid.

Bij conclusie neergelegd namens eerste verweerster op 20 mei 2014 wordt bij tegeneis de uitsluiting gevorderd overeenkomstig art. 340 W.Venn.

Beoordeling in rechte

...

1. De hoofdvordering van eiser wordt ingesteld op grond van art. 334 W.Venn. Volgens deze bepaling kan een vennoot die aandelen bezit die 30% vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande aandelen, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30% van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, om gegronde redenen in rechte vorderen dat een vennoot zijn aandelen aan hem overdraagt.

Eiser beschikt over 50% van de aandelen, zodat hij in de mogelijkheid is om de gedwongen overdracht te vorderen.

De vennootschap moet eveneens worden gedagvaard om te verschijnen (art. 335 W.Venn.), aan welke voorwaarde is voldaan.

2. De voorzitter dienst vervolgens te beoordelen of er sprake is van een gegronde reden die toewijsbaar is aan eerste verweerster als vennoot, ten laste van wie de gedwongen overdracht wordt gevorderd.

Een gegronde reden tot gedwongen overdracht kan worden omschreven als de omstandigheid waardoor het verder handhaven van een persoon als aandeelhouder, gelet op zijn gedrag of persoonlijkheid, redelijkerwijze niet meer kan worden vereist van de andere aandeelhouder, omdat dit het voortbestaan van de vennootschap zo niet onmogelijk maakt, dan wel ernstig in gevaar brengt.

Welke gegronde redenen worden door eiser aangevoerd?

Eiser meent dat er sprake is van een duurzame, diepgaande en onherroepelijke onenigheid tussen de aandeelhouders, waardoor elke samenwerking onmogelijk wordt, de normale werking van de vennootschap wordt lamgelegd en het maatschappelijk doel niet meer kan worden gerealiseerd.

Dat er sprake is van zo’n duurzame, diepgaande en onherroepelijke onenigheid tussen de aandeelhouders, wordt door eerste verweerster op zich niet betwist. Wel wordt betwist aan wie deze onenigheid kan worden toegeschreven.

Uit het geheel van voorgelegde feiten en stukken blijkt dat er tussen beide vennoten een fundamenteel wantrouwen is, dat reeds geleid heeft tot verschillende procedures, waarin eerste verweerster standpunten heeft ingenomen en/of initiatieven heeft genomen, tegengesteld aan het vennootschapsbelang, waardoor zij haar eigen totale gebrek aan affectio societatis demonstreert.

1o Zo heeft zij – minstens tijdelijk en niettegenstaande herhaald verzoek van tweede verweerster – verhinderd dat deze laatste kon beschikken over haar eigen vennootschapsgoederen. Een beschikking in kort geding was noodzakelijk opdat tweede verweerster opnieuw de beschikking kon krijgen over haar eigen materialen.

2o Het gebrek aan interesse in de werking van de vennootschap blijkt eveneens uit de voorgelegde stukken betreffende een mogelijke overdracht door eerste verweerster van haar aandelen in tweede verweerster aan eiser.

3o Wanneer deze blijkbaar niet tot enig resultaat leiden, gaat eerste verweerster op 25 november 2013 over tot het betekenen van de dagvaarding in gerechtelijke ontbinding, waaruit ontegensprekelijk blijkt dat zij niet meer geïnteresseerd is in het voortbestaan en het belang van de vennootschap en dat zij niet meer gebonden wil zijn door het vennootschapscontract. Dit blijkt trouwens uit de uitdrukkelijke motivering van eerste verweerster in de door haar uitgebrachte dagvaarding in ontbinding van tweede verweerster.

4o Deze intentie wordt ten slotte nogmaals bevestigd door de houding van eerste verweerster in huidige procedure: terwijl eerste verweerster op de zitting van 16 mei 2014 nog verzocht de behandeling van huidige procedure te verdagen tot na de behandeling van de vordering tot ontbinding, vordert zij in conclusie, neergelegd op 20 mei 2014 bij tegeneis de gedwongen overname van haar eigen aandelen.

De voorzitter is van oordeel dat de houding van eerste verweerster, zoals hierboven geschetst, een gegronde reden vormt tot uitsluiting van eerste verweerster als vennoot van tweede verweerster (zie o.m. Brussel 29 juni 2006, TBH 2007, 905).

3. Eerste verweerster heeft de hoofdvordering thans, bij conclusie neergelegd op 20 mei 2014, beantwoord door een tegenvordering tot uittreding uit tweede verweerster.

Hieruit kan in de eerste plaats de wens van eiser en eerste verweerster worden afgeleid dat de eerste de vennootschap verder ter harte zal nemen, terwijl de tweede hiervan wenst ontslagen te worden.

Om te slagen in haar tegenvordering, dient eerste verweerster echter aan te tonen dat zij door de gedragingen van eiser zodanig in haar rechten of belangen wordt geschaad, dat van haar in redelijkheid niet langer kan worden gevraagd dat zij vennoot blijft (art. 340 W.Venn.).

Eerste verweerster slaagt niet in deze bewijslast. Het beweerde zwartwerk of zwartverkoop door eiser wordt op geen enkele wijze aangetoond en evenmin de stelling dat activa van tweede verweerster door eerste verweerder worden verkocht onder hun waarde.

Dat zij geen of onvoldoende inzage heeft in de boekhouding van tweede verweerster, wordt niet aangetoond, integendeel. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat inzage uitdrukkelijk werd aangeboden, maar dat tot op heden van dit recht geen gebruik werd gemaakt door eerste verweerster.

De opmerking van eerste verweerster dat zij er niet van op de hoogte is wie de (nieuwe) boekhouder van tweede verweerster is, wordt eveneens tegengesproken door de voorgelegde stukken, meer bepaald door de voorgelegde correspondentie tussen eerste verweerster en de heer H.

Ten onrechte meent eerste verweerster eveneens dat eiser misbruik maakt van een vermeende meerderheidspositie. Allereerst past het hier in herinnering te brengen dat beide vennoten elk eigenaar zijn van 50% van de aandelen, zodat geen van beiden zich in een meerderheidspositie bevindt.

Dat eiser eveneens de enige zaakvoerder is, met uitsluiting van enige tussenkomst van eerste verweerster of haar zaakvoerder, is het gevolg van twee beslissingen van bijzondere algemene vergaderingen van respectievelijk 12 oktober 2012 en 24 januari 2013. Uit geen enkel stuk blijkt dat eerste verweerster enige actie heeft ondernomen tegen deze beslissingen, waarvan zij – zonder zich te bekommeren om enige bewijslast – beweert dat deze op onregelmatige wijze werden genomen. Dat eiser sedertdien als enig zaakvoerder het beleid van tweede verweerster op zich heeft genomen, is een logisch gevolg van de genomen beslissingen, waaruit geen enkele onregelmatigheid blijkt in de persoon van eiser, zeker geen misbruik van meerderheidspositie.

Dat eiser ten slotte niet is ingegaan op het verzoek van eerste verweerster om een bijzondere algemene vergadering bijeen te roepen, met als enige agendapunt de ontbinding van tweede verweerster, wordt niet betwist door eiser.

Het blijkt echter eveneens uit de voorgelegde stukken dat eiser en eerste verweerster na dit verzoek nog met elkaar hebben gecorrespondeerd met het oog op een eventuele minnelijke overname van de aandelen. Het niet ingaan op dit verzoek is op zich onvoldoende om te worden beschouwd als gegronde reden ter verantwoording van de thans gevorderde uittreding.

Op grond van bovenstaande overwegingen wordt de tegenvordering tot uittreding afgewezen als ongegrond.

4. Partijen voeren vervolgens betwisting over de peildatum voor de waardering van de over te dragen aandelen.

Tweede verweerster liet een waardebepaling uitvoeren door haar boekhouder op datum van 31 maart 2014. Hiervan werd een verslag opgesteld op 22 april 2014.

Eiser vordert dat overdracht wordt bevolen tegen de door de boekhouder vastgestelde waarde.

Eerste verweerster voert aan deze eenzijdige waardebepaling niet te kunnen aanvaarden en vraagt de aanstelling van een deskundige teneinde de waarde van de aandelen te bepalen op het ogenblik dat eiser de feitelijke leiding van de vennootschap heeft overgenomen.

In principe dient de datum waarop de waarde van de aandelen wordt bepaald, te worden vastgesteld op de datum waarop de rechter de overdracht ervan beveelt (zie o.m. Cass. 9 december 2010, TBH 2012, 22, noot A. Coibion, “La détermination de la valeur des actions faisant l’objet d’une procédure en exclusion: épilogue d’une longue controverse”).

Hieruit volgt dat, in casu, de waarde van de vennootschap dient te worden bepaald op basis van een jaarrekening of een tussentijdse staat van een datum die de datum waarop de rechter uitspraak heeft gedaan over de overdracht van de eigendom zo dicht mogelijk benadert (zie o.m. Brussel 8 mei 2008, TBH 2012, 30).

De op verzoek van tweede verweerster uitgevoerde waardering die uitgaat van de voorlopige cijfers per 31 maart 2014 kon in die zin als basis worden genomen.

De voorzitter stelt vast dat eerste verweerster niet aangeeft in welk opzicht de eenzijdig vastgestelde boekwaarde niet tot een correcte en aanvaardbare prijs zou leiden. Zij werpt enkel het eenzijdig karakter van de waardering op.

Volgens deze voorlopige cijfers, waarop de waardering is gebaseerd, heeft in het laatste boekjaar een decimering van het eigen vermogen plaatsgevonden.

De voorzitter vindt het inderdaad raadzaam dat deze cijfers en de hieruit voortvloeiende waardering zouden worden bekeken door een aan te stellen gerechtsdeskundige.

Gelet op de toekenning van de hoofdvordering enerzijds, de afwijzing van de tegenvordering anderzijds, gelet op het aanbod van eiser enerzijds, gelet op de proceshouding van eerste verweerster anderzijds, wordt de overdracht van de aandelen reeds bevolen tegen betaling van het bedrag van de eenzijdige waardebepaling, zij het voorlopig, want daarnaast wordt een deskundigenonderzoek bevolen met het oog op de definitieve waardering.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 26/07/2016 - 10:37
Laatst aangepast op: di, 26/07/2016 - 10:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.