-A +A

rechtsplegingsvergoeding in strafzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

wettelijke basis: de wet van 21 april 2007.

Verwijzingen in het wetboek van strafvordering: de artikelen 128, 162bis, 194, 211 en 369

 

 

De rechtsplegingsvergoeding geldt  in strafzaken voor alle strafgerechten met uitzondering van het Hof van Cassatie aangezien de artikelen 316 tot en met de 442 van het Wetboek van strafvordering niet werden gewijzigd.

art. 1022 laatste lid van het gerechtelijk wetboek stelt: "Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij".

De hele discussie die destijds gevoerd werd met betrekking tot de verhaalbaar  van de erelonen van de advocaat, waarbij deze erelonen een vergoedbaar schade-element uitmaakten volgens het Hof van Cassatie, wordt hierdoor achterhaald. Volgens bepaalde rechtsleer zou deze Cassatierechtspraak evenwel nog kunnen toegepast worden op uitgaven van een advocaat die buiten het geding werden gemaakt (Kris Beirnaert,  erelonen en kosten strafpleiters verhaalbaar via een rechtsplegingsvergoeding? In juristenkrant13 februari 2008 pagina 12).

De rechtsplegingsvergoeding toekomende aan de burgerlijke partij:

Wanneer de burgerlijke partij geheel of ten dele in het gelijk wordt gesteld dan dient de dader veroordeeld te worden tot de rechtsplegingsvergoeding. Niettegenstaande de wet niet bepaalt op welk bedrag deze rechtsplegingsvergoeding dient berekend, mag er vanuit gegaan worden dat de rechtsplegingsvergoeding alsdan begroot wordt op basis van het toegekende bedrag aan de burgerlijke partij en niet op basis van de initiële vordering (die gebeurlijk ten dele werd afgewezen of vermindert) zie K. Beirnaert, op. cit. p. 13.

Ook het hof van assisen veroordeelt de beschuldigde die in het ongelijk wordt gesteld ten aanzien van de burgerlijke partij tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De rechtsplegingsvergoeding toekomende aan de vrijgesproken dader

Wanneer de dader rechtstreeks gedagvaard werd door de burgerlijke partij en op deze vordering van de burgerlijke partij wordt vrijgesproken maakt hij aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de burgerlijke partij.

Wanneer de burgerlijke partij de strafvordering op gang heeft gebracht door een burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter en er volgt een beschikking tot buitenvervolgingstelling, maakt de dader aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de burgerlijke partij.

Indien de burgerlijke partijstelling zich gewoon toevoegt aan een lopende onderzoek, zal een veroordeling tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding niet mogelijk zijn, gezien de burgerlijke partijen het onderzoek alsdan niet zelf heeft op gang gebracht.

Indien de strafvordering wordt opgestart doordat men zich burgerlijke partij stelde in handen van de onderzoeksrechter en de raadkamer (of de Kamer van inbeschuldigingstelling) beslist om de zaak voor een rechtbank te verwijzen, zal de burgerlijke partij evenmin kunnen veroordeeld worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding indien ze door die rechtbank in het ongelijk wordt gesteld. Alhoewel in dat geval de burgerlijke partij aan de oorsprong ligt van de procedure, is het niet zij, maar een rechtbank die beslist over het voortzetten ervan.

Gelet op de bijzondere aard van het hof van assisen en de manier waarop het kan worden gevat, is evenmin voorzien dat men de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld bij dit Hof kan veroordelen tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding

Wanneer een dader wordt vrijgesproken (of buiten vervolging gesteld) in afwezigheid van een burgerlijke partij kan hij geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. Het parket of de staat kunnen nooit veroordeeld worden tot een rechtsplegingsvergoeding.

Indien de dader kan aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding bij vrijspraak of bij buitenvervolgingstelling wordt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding berekend op basis van het bedrag van de vordering van de burgerlijke partij. Indien de burgerlijke partij haar vordering nog niet heeft begroot op het ogenblik van de buitenvervolgingstelling of de vrijspraak,wordt door de rechtsleer voorgesteld om het bedrag te berekenen op basis van de rechtsplegingsvergoeding die toegekend wordt voor "niet in geld waardeerbare vorderingen" zie K. Beirnaert, op. cit. p. 13.

Minimumbedrag, maximumbedrag of basisbedrag

De complexiteit van de zaak speelt in strafzaken voor de burgerlijke partij geen rol wanneer zij zich louter beperkt heeft op strafrechtelijk gebied verklaring in haar conclusie: "Dat de feiten ten genoegen van rechte bewezen zijn door het strafbundel en uitgevoerde onderzoek". de complexiteit zou voor de burgerlijke partij wel een rol kunnen spelen wanneer de schade begroting complex is en de discussies dienaangaande uitvoerig en uitgesponnen plaatsvonden, al dan niet na meerdere expertises.

Het geringe vermogen van de dader of de burgerlijke partij (zo deze zou veroordeeld worden tot de rechtsplegingsvergoeding) zouden een rol kunnen spelen om eventueel het minimumbedrag toe te kennen.

rechtspraak:

• • Cass. 23 december 2008 : De rechtsplegingsvergoeding bepaald bij artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, is verschuldigd, ook al is de rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij aan de beklaagde betekend vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet Zie I.Samoy en V. Sagaert, De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten, R.W., 2007-2008, 674 (nrs. 88 e.v.).

• Cass. 17 november 2010, RABG 2011/14, 972, met noot FFilip Van Volsem, Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de strafrechter: de rechter mag bij opgeblazen vorderingen het bedrag bepalen in functie van het toegekende in plaats van het gevorderde.  Opgeblazen of overeven vorderingen kunnen niet als bais dienen ter bereking van de RPV:

samenvatting

Niettegenstaande wat in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding is bepaald, kan de rechter de rechtsplegingsvergoeding berekenen op basis van het toegekende veeleer dan op basis van het gevorderde bedrag, als laatstgenoemd bedrag volgt ofwel uit een klaarblijkelijke overwaardering die de normaal bedachtzame en zorgvuldige justitiabele niet zou hebben begaan, ofwel uit een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op artificiële wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot de hogere schijf.

Tekst van het arrest

Nr. P.10.0863.F
K. A.,

tegen
D. J..

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 14 april 2010.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Afdelingsvoorzitter ridder de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering
Eerste middel
In zoverre het middel een onderzoek van de feiten van de zaak vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
Voor het overige hebben de appelrechters zich niet ertoe beperkt te wijzen op één of verschillende ruzies tussen twee personen over een welbepaald onderwerp. Het arrest vermeldt immers dat de eiser het vertrek van zijn huurder eiste en dat hij, om hem te doen verhuizen, zich agressief, gewelddadig en dreigend heeft opgesteld tijdens de herhaalde twistgesprekken met betrokkene.
Belaging wordt door artikel 442bis Strafwetboek gestraft en kan bestaan in herhaalde agressiviteit, die blijkt uit gedragingen waarvan de dader weet of moet weten dat zij de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer kunnen aantasten en, bijgevolg, diens rust ernstig kunnen verstoren, zoals het arrest vaststelt.
Door de voormelde wetsbepaling toepasselijk te verklaren op de feiten, zoals zij door hen zijn omschreven, schenden de appelrechters bijgevolg die wetsbepaling niet.
Het middel kan niet worden aangenomen.
(...)
Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering

Derde middel
De eiser werd veroordeeld om de verweerder de bij artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek bepaalde rechtsplegingsvergoedingen te betalen, die het hof van beroep vaststelt op grond van de bedragen die de verweerder in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gevorderd.

Het middel voert aan dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, de artikelen 6.1 EVRM en 13 Grondwet schendt, in zoverre eerstgenoemd artikel het aan de burgerlijke partij overlaat om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen, aangezien die vergoeding per schijf wordt berekend, afhankelijk van de grootte van het gevorderde bedrag.
Het in artikel 13 Grondwet gewaarborgde recht impliceert alleen dat een ieder volgens objectief vastgestelde bevoegdheids- en procedureregels moet worden berecht en dat niemand voor een rechtscollege kan worden gedagvaard dat niet bij wet is bepaald. Die grondwettelijke bepaling vereist niet dat de rechtsplegingsvergoeding wordt berekend op basis van het door de rechter toegekende bedrag.

Niettegenstaande wat in het voormelde koninklijk besluit is bepaald kan de rechter de rechtsplegingsvergoeding berekenen op basis van het toegekende veeleer dan op basis van het gevorderde bedrag, als laatstgenoemd bedrag volgt ofwel uit een klaarblijkelijke overwaardering die de normaal bedachtzame en zorgvuldige justitiabele niet zou hebben begaan, ofwel uit een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op artificiële wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot de hogere schijf.
De straf op rechtsmisbruik beschermt degene die de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is, tegen een veroordeling die alleen ingegeven is door de vordering van de schuldeiser.

Het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 miskent bijgevolg niet het recht op een eerlijke behandeling van de zaak.
Het middel faalt naar recht.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel

 

Commentaar: 

Rechtsleer

CLIJMANS, N., ‘Artikel 128 lid 2 Sv. getoetst aan de artikelen 10 en 11 Gw’, RABG 2009, afl. 17, 1209-121. Deze noot werd via een link ook gepubliceerd op de website van http://www.clijmansadvocaten.be/

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: za, 01/11/2014 - 15:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.