-A +A

Rechtsplegingsvergoeding – Verschillende in het gelijk gestelde partijen berekeningswijze

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer verschillende partijen recht hebben op een rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij, moet de rechter, overeenkomstig art. 1022, vijfde lid Ger.W., het hoogste bedrag bepalen waarop ieder van de in het gelijk gestelde partijen aanspraak kan maken en het hoogste bedrag uit de aldus opgemaakte lijst met twee vermenigvuldigen. Onverminderd de eventuele toepassing van art. 1022, derde lid Ger.W., moet de rechter vervolgens het product van die vermenigvuldiging onder de in het gelijk gestelde partijen verdelen. Zijn verschillende partijen in het ongelijk gesteld, dan moet die berekening worden herhaald ten aanzien van ieder van hen.
AR nr. P.11.0886.F

W.C. en NV E. t/ P. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Namen van 15 maart 2011.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

B. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen tegen de eerste twee verweerders

...

Derde middel

Het middel voert de schending aan van art. 1022 Ger.W.

Naar luid van het vijfde lid van dat artikel bedraagt, wanneer verschillende partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Daaruit volgt dat de rechter, om dat maximum vast te stellen, het hoogste bedrag moet bepalen dat ieder van de schuldeisers naar recht kan eisen en het hoogste bedrag uit de aldus opgemaakte lijst met twee moet vermenigvuldigen. Onverminderd de eventuele toepassing van art. 1022, derde lid Ger.W., dient hij vervolgens het product van die vermenigvuldiging tussen de schuldeisers te verdelen. Wanneer verschillende partijen in het ongelijk zijn gesteld, moet die berekening worden herhaald ten aanzien van ieder van hen.

Het vonnis kent één rechtsplegingsvergoeding toe aan beide burgerlijke partijen, zonder ze onder hen te verdelen, op grond van het feit dat zij door één enkele raadsman worden verdedigd en in dezelfde zin hebben geconcludeerd.

De appelrechters schenden aldus de aangevoerde wetsbepaling.

Het middel is gegrond.
 

 

 

Cassatie 9 november 2011, RW 2012-2013, 985

AR nr. P.11.0886.F

W.C. en NV E. t/ P. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Namen van 15 maart 2011.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

B. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen tegen de eerste twee verweerders

...

Derde middel

Het middel voert de schending aan van art. 1022 Ger.W.

Naar luid van het vijfde lid van dat artikel bedraagt, wanneer verschillende partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Daaruit volgt dat de rechter, om dat maximum vast te stellen, het hoogste bedrag moet bepalen dat ieder van de schuldeisers naar recht kan eisen en het hoogste bedrag uit de aldus opgemaakte lijst met twee moet vermenigvuldigen. Onverminderd de eventuele toepassing van art. 1022, derde lid Ger.W., dient hij vervolgens het product van die vermenigvuldiging tussen de schuldeisers te verdelen. Wanneer verschillende partijen in het ongelijk zijn gesteld, moet die berekening worden herhaald ten aanzien van ieder van hen.

Het vonnis kent één rechtsplegingsvergoeding toe aan beide burgerlijke partijen, zonder ze onder hen te verdelen, op grond van het feit dat zij door één enkele raadsman worden verdedigd en in dezelfde zin hebben geconcludeerd.

De appelrechters schenden aldus de aangevoerde wetsbepaling.

Het middel is gegrond.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 15/02/2013 - 15:54
Laatst aangepast op: di, 23/09/2014 - 23:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.