-A +A

rechtsplegingsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

rechtsleer: Verhaalbaarheid advocatenkosten Wet 21 april 2007, NJW 2007, 163, 434 en NJW 172, 886

voor de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding: klik hier

 

 

De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. (art. 1022 Ger. Wetboek).

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen en op speciaal gemotiveerde beslissing, kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning voorziene maximum- en minimumbedragen te overschrijden.

Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :

— de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

— de complexiteit van de zaak;

— de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

— het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgelegde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij

 

Rechtspraak die het maximumbedrag toekent

Vred. Overijse-Zaventem 21 mei 2008, RW 2008-2009, :

Eisende partijen vorderen een schadevergoeding a rato van 1.114,59 euro, vermeerderd met de verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet op 1.104,78 euro vanaf 1 oktober 2007, vermeerderd met de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding.

«Eisende partijen baseren zich hiervoor terecht op de EU-Verordening nr. 261/2004, tevens van toepassing op pakketreizen.

«In tegenstelling tot de bewering van verwerende partijen, blijkt dat eisende partijen correct het contract hebben nageleefd en contact hadden opgenomen in verband met de terugreis.

«Integendeel blijkt dat verwerende partijen zelf hun verplichtingen niet hebben nageleefd en nalatig zijn geweest. Zij zijn immers eisende partijen, de enige fly & drive-cliënten, vergeten, hoewel zij alle hotels maar al te best kenden waar zij verbleven en zij zelf hebben nagelaten bij de telefonische oproep mee te delen dat de terugvlucht niet verlaat maar integendeel zelfs meer dan vervroegd was. In feite houdt het een wanprestatie in. Verwerende partijen hebben halsstarrig geweigerd te antwoorden op de brieven van eisende partijen en weigeren elke commerciële regeling. Door hun eigen foutieve communicatie misleiden verwerende partijen de consument die op een dwaalspoor wordt gezet.

«C. België. blijkt contractpartij, maar wanneer zij wordt aangesproken, blijkt plots C. Nederland de lakens uit te delen. Hierdoor hebben eisende partijen zich verplicht gezien beide aan te spreken.

«De totaal klantonvriendelijke houding van C., wat het proceduren noodzakelijk heeft gemaakt, rechtvaardigt volledig de toekenning aan eisende partijen van een maximum rechtsplegingsvergoeding a rato van 1.000 euro».

 



Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing inzake op dat punt.

Wanneer meerdere partijen genieten van de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partijen, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij.

Sinds de wet van 22 december 2008 mag de rechter de partijen wijzen op de mogelijkheid om van het basisbedrag van de vergoeding af te wijken.  Aldus verleent de wet een informatieve rol aan de partijen om hen te wijzen op de rechten die de wet hen verleent wanneer zij onvoldoende op de hoogte zijn van de wetgeving.

• Rechtbank van Koophandel te Antwerpen ,23e Kamer – 13 maart 2009

Samenvatting: Wanneer er een kennelijk onredelijke houding bestaat in de vordering van de eiser die een misleidende dagvaarding laat betekenen, verantwoordt zulks een verhoogde rechtsplegingsvergoeding ten laste van de afgewezen eiser.

Tekst van het vonnis:

....

II. De vordering


De vordering van B.V. M.N. strekt tot de veroordeling van NV C.V. tot betaling van het bedrag van 2.495,55 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten op 2.400,20 euro en de kosten van het geding.

III. Beoordeling

NV C.V. ontkent dat tussen partijen een overeenkomst zou zijn tot stand gekomen. Zij beweert slechts telefonisch te hebben geïnformeerd naar de mogelijkheid tot het nemen van een optie op een kraan. Nu dit niet mogelijk bleek, beweert zij van elke bestelling te hebben afgezien.

Er is volstrekt geen sprake van een geheel van gewichtige, met elkaar overeenstemmende vermoedens, zoals B.V. M.N. het wil laten uitschijnen. Het enige wat objectief kan worden vastgesteld, is dat zij A.K. op pad heeft gestuurd, en dat deze laatste onverrichterzake is moeten terugkeren. Het is echter niet omdat op de leveringsbon van deze laatste «NV C.V.» staat aangegeven als opdrachtgever, dat deze informatie per definitie van NV C.V. zelf, niet bijvoorbeeld van B.V. M.N. afkomstig zou kunnen zijn. De naam van deze laatste staat trouwens ook op dezelfde bestelbon vermeld, in de andere kolom, onder de refertes van de opdracht.

Nergens brengt de B.V. M.N. dus het bewijs bij van het feit dat partijen een overeenkomst zouden hebben gesloten. De inhoud van het protest dat de NV C.V. op 21 februari 2008 heeft laten kennen, moet daarom volledig worden bijgevallen.

De vordering moet dan ook worden afgewezen als ongegrond.

...IV. De kosten van het geding

Voor het berekenen van de rechtsplegingsvergoeding dient volgens art. 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, het bedrag van de (hoofd)vordering te worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W.

De interesten vervallen op het moment van de rechtsingang, behoren hier in principe bij (zie: Cass. 26 juni 1961, Arr. Cass. 1980-81, 1275, Pas. 1981, I, 1252, R.W. 1981-82, 1869, noot J. Laenens en J.T. 1982, 277).

Volgens deze regels ligt de vordering van de B.V. M.N. vervat in de schijf tussen 750,01 en 2.500 euro. Dit geeft dus aanleiding tot een rechtsplegingsvergoeding tussen 200 en 1.000 euro, met een basisbedrag van 400 euro.

De NV C.V. vordert de verhoging van de rechtsplegingsvergoeding tot het maximumbedrag, gelet op de houding van de B.V. M.N. tussen de dagvaarding en de inleidingszitting.

Ter zake kan worden vastgesteld dat de dagvaarding vermeldt: «Aangezien de hierboven vermelde factuur niet werd geprotesteerd en er bovendien geen reactie volgde op de ingebrekestellingen van verzoekster, zodat dient te worden aangenomen dat geadresseerde de vordering niet en minstens niet ernstig betwist. Dat verzoekster dan ook conform art. 735 Ger. W. vonnis vordert ter inleidende zitting, aangezien deze zaak vatbaar is voor een procedure met korte debatten».

Uit wat voorafging is reeds gebleken dat de NV C.V. de facturatie herhaaldelijk heeft geprotesteerd. Deze vermeldingen in de dagvaarding zijn dus flagrant in strijd met de waarheid en dienen kennelijk slechts om de verwerende partij onder druk te zetten, de Rechtbank daarbij misleidend, en op de inleidingszitting een vonnis te verkrijgen dat zou zijn gewezen met miskenning van de argumentatie van de tegenpartij.

Dit is kennelijk niet de houding van een normaal zorgvuldige eisende partij, in dezelfde omstandigheden geplaatst.

De vordering tot verhoging van de rechtsplegingsvergoeding moet dan ook gegrond worden geacht.

...
  

De vraag of er een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding per autonome vordering dient toegekend werd beantwoord in een vonnis van de politierechtbank te Brugge op 17 februari 2008, RW 2007-2008, 1734 met noot.

zie ook politierechtbank te Brugge (° Kamer) 5 mei 2008: aangezien bij verschillende (tussen)vorderingen verschillende procesrisico‘s bestaan, leidt dit dit tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding per autonome vordering. lees deze rechtspraak onder de vorm van een samenvatting-noot met paswoord RW

Wanneer twee of meer zaken wegens samenhang worden gevoegd, zal de rechter twee of meer rechtsplegingvergoedingen toekennen, indien hij oordeelt dat de samengevoegde zaken afzonderlijke geschillen uitmaken.
Wanneer de rechter oordeelt dat de samengevoegde zaken geen afzonderlijke geschillen zijn, dan is slechts één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd. (Cass. 19/01/2012 AR F.10.0142.N)
 

Wat betreft de gedingkosten blijven de dagvaardingskosten ten laste van eiser

In verband met de rechtsplegingsvergoeding blijkt dat eiser en de vrijwillig tussenkomende partij aanspraak maken op twee rechtsplegingsvergoedingen van telkens 400 euro (voor eiser het basisbedrag op een door hem gestelde vordering van 2031,46 euro; voor de vrijwillig tussenkomende partij het basisbedrag op een tegen haar gestelde vordering van 1.133,30 euro), terwijl verweerster eveneens twee rechtsplegingsvergoedingen vordert: één van 400 euro als verweerster op hoofdeis (basisbedrag op 2.031,46 euro) en één, van eveneens 400 euro, als eiseres op tussenvordering (basisbedrag op 1.133,30 euro).

Aangezien eiser en de vrijwillig tussenkomende partij in het ongelijk worden gesteld, kunnen zij sowieso geen rechtsplegingsvergoeding verkrijgen. Het is immers alleen de in het gelijk gestelde partij aan wie krachtens art. 1022, eerste lid, Ger. W. een rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend.

Wel rijst de vraag of verweerster aanspraak kan maken op één of twee rechtsplegingsvergoedingen. Zij is immers zowel met betrekking tot de hoofdeis als met betrekking tot de tussenvordering te beschouwen als de «in het gelijk gestelde partij».

Men zou in dit verband allerlei standpunten kunnen innemen, zoals:

•– tel hoofd- en tegen/tussenvordering op en bepaal op grond van het aldus verkregen totaal de rechtsplegingsvergoeding (of concreet: 2.031,46 + 1.133,30 = 3.146,76 / de basisrechtsplegingsvergoeding daarop is 650 euro, en dat is het bedrag dat verweerster verkrijgt);

•– ga na wat de basisrechtsverplegingsvergoeding is op de hoofdeis en wat ze is op de tegen/tussenvordering en ken één enkele basisrechtsplegingsvergoeding toe, en wel de hoogste (of concreet: op de hoofdeis is het basisbedrag 400 euro; op de tussenvordering gaat het eveneens om 400 euro; verweerster krijgt het hoogste van de twee (in dit dossier zijn ze toevallig gelijk), dus 400 euro);

•– een tegeneis/tussenvordering geeft nooit recht op een bijkomende rechtsplegingsvergoeding. Er kan slechts één enkele rechtsplegingsvergoeding worden toegekend, waarvan het bedrag altijd moet worden bepaald op basis van de hoofdvordering.

Naar het oordeel van de Rechtbank mag men alleszins niet «optellen». Art. 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 legt vast dat de rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op grond van het bedrag van de vordering en schrijft voor dat «het bedrag van de vordering» wordt vastgesteld «overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek». Art. 620 Ger. W., dat handelt over het samentellen van hoofd- en tegeneis, is dus uitgesloten. Enkel «557 tot 562 en 618» kunnen/mogen worden toegepast.

Precies omdat optellen niet mag, komt het de Rechtbank voor dat men voor elke autonome vordering afzonderlijk de rechtsplegingsvergoeding moet bepalen die toekomt aan de «in het gelijk gestelde partij».

Dit vloeit voort uit de vaststelling dat de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten, zoals georganiseerd in de wet van 21 april 2007, haar grondslag niet vindt in het foutcriterium in de materieelrechtelijke verhouding tussen partijen, noch in het foutcriterium in de procesrechtelijke verhouding (I. Samoy en V. Sagaert, «De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat», R.W. 2007-08, p. 674, nr. 33). De vergoeding voor de kosten en erelonen van de advocaat die verweerster verkrijgt, is geen onderdeel van de schadevergoeding voor de oorspronkelijke fout van mevrouw I., verzekerde van de NV F. (de overtreding van het verkeersreglement) en zij is evenmin een schadevergoeding voor een eventuele tweede fout die verweerster op tussenvordering nadien heeft begaan toen zij weigerde spontaan de schade te vergoeden, waardoor zij verweerster dwong een vordering in te stellen.

De rechtsplegingsvergoeding vindt haar grondslag in het procesrisico en het procesbeleid, waarbij onder procesrisico moet worden verstaan het risico dat elke partij loopt haar eis of verweer afgewezen te zien, ongeacht de intrinsieke waarde van de eis of het verweer.

In dit dossier zijn er twee autonome vorderingen en er is een dubbel procesrisico: er is het risico dat de hoofdeis wordt toegekend of afgewezen en er is het risico dat de tussenvordering wordt toegekend of afgewezen. Dit dubbel risico heeft tot gevolg dat er in principe twee rechtsplegingsvergoedingen spelen. Aangezien verweerster twee keer met succes het risico heeft gelopen, kan zij naar het oordeel van de Rechtbank aanspraak maken op twee rechtsplegingsvergoedingen.

Deze stelling vindt minstens impliciet steun in de commentaar van I. Samoy en V. Sagaert bij de nieuwe wet (R.W. 2007-08, nr. 39), die schrijven: «Wat is het lot van de rechtsplegingsvergoeding indien beide partijen een (tegen)vordering hebben ingesteld die telkens ingewilligd wordt? De regels in verband met de omslag van de rechtsplegingsvergoeding zijn niet gewijzigd. De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidelijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in opgaande lijn... De compensatie zal slechts kunnen worden bepaald nadat is bepaald of aan elk van beide kanten het basisbedrag zal worden toegestaan, dan wel of hiervan afgeweken wordt. Deze omslagregel is facultatief en kan door de rechter ambtshalve worden toegepast».

Deze auteurs aanvaarden dus het principe dat er «aan elk van beide kanten» sprake is van een rechtsplegingsvergoeding, waarvan moet worden onderzocht of al dan niet het basisbedrag wordt toegekend. De rechter kan (maar moet niet) dan (eventueel ambtshalve) beslissen om de kosten om te slaan.

Als er in principe sprake is van twee rechtsplegingsvergoedingen die men eventueel moet omslaan als beide partijen (gedeeltelijk) gelijk krijgen en dus beide vorderingen (gedeeltelijk) worden ingewilligd, ziet de Rechtbank niet in waarom er ineens geen sprake meer zou zijn van twee rechtsplegingsvergoedingen in de situatie waarbij de ene vordering (bv. de hoofdeis) wordt ingewilligd en de andere vordering (bv. de tegeneis) wordt afgewezen.

Deze stelling wordt door andere auteurs niet bijgevallen. Volgens H. Boularbah («Demandes incidentes et répétibilité des frais et honoraires d‘avocat», www.procedurecivile.be), die verwijst naar A. Fettweis (Manuel de procédure civile, 1987, nr. 394), geeft een tegeneis geen aanleiding tot een tweede rechtsplegingsvergoeding. Nochtans lijkt zijn standpunt de Rechtbank toch een tegenstrijdigheid te bevatten. Enerzijds zegt hij zeer formeel dat een tegeneis geen recht geeft op een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding en dat er maar één enkele rechtsplegingsvergoeding speelt («en clair, une seule indemnité est due pour les demandes»). Maar anderzijds zegt hij in de volgende zin dat, als zowel de hoofdeis als de tegeneis ingewilligd worden, «le juge pourra compenser les deux indemnités» / de rechter de twee vergoedingen kan compenseren, wat niet noodzakelijk een neutrale operatie is, aangezien de rechter niet verplicht is om aan beide partijen het basisbedrag toe te kennen.

Het antwoord op de vraag of er bij hoofd- en tegeneis één rechtsplegingsvergoeding speelt, dan wel twee, kan toch niet verschillen naargelang men de ene en/of de andere eis inwilligt of afwijst?

Ook J.F. Van Drooghenbroeck («La loi du 21 avril 2007 sur la répétibilité des frais et honoraires d‘avocat», J.T. 2008, randnr. 22bis) probeert op deze vraag een antwoord te geven. Volgens hem wordt de stelling van Samoy en Sagaert dat de tegeneis aanleiding geeft tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding niet uitdrukkelijk door de nieuwe teksten tegengesproken, maar, verwijzend naar A. Fettweis, meent hij ze toch niet te kunnen bijvallen.

Men kan zich afvragen of een verwijzing naar het handboek van A. Fettweis voldoende rekening houdt met het feit dat aan het begrip rechtsplegingsvergoeding thans niet meer dezelfde invulling kan worden gegeven als onder vigeur van de oude wet. Toen was de rechtsplegingsvergoeding een vergoeding voor de «kosten» die invorderbaar waren «wegens het verrichten van materiële akten». Sinds de wet van 21 april 2007 is de rechtsplegingsvergoeding een «forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij».

Voor de goede orde en volledigheidshalve zij aangestipt dat het principe van de «twee rechtsplegingsvergoedingen» niet gepareerd zou kunnen worden door, verwijzend naar art. 1022, derde lid, Ger. W. te zeggen dat het «kennelijk onredelijk» zou zijn aan een partij die een dubbele hoedanigheid heeft (want terzelfder tijd verweerster is op hoofdeis en eiseres op tegen/tussenvordering) een dubbele rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Art. 1022, derde lid, Ger. W. laat immers niet toe aan een partij een rechtsplegingsvergoeding te ontzeggen wegens het «kennelijk onredelijk karakter van de situatie». Art. 1022, derde lid, Ger. W. laat enkel toe op grond van dat argument het basisbedrag te verminderen (ontzeggen is niet hetzelfde als verminderen).

Het principe van «twee rechtsplegingsvergoedingen» kan evenmin worden gepareerd door te verwijzen naar art. 1, tweede lid, van het K.B. van 26 oktober 2007, waarin wordt gezegd: «de bedragen worden vastgesteld per aanleg». Naar het oordeel van de Rechtbank wil dat alleen zeggen dat de bedragen worden bepaald bij de behandeling van een zaak in eerste aanleg en nog een keer bij de behandeling van die zaak in (eventuele) tweede aanleg/beroep. Dit heeft niets te maken met de vraag of bij hoofd- en tegeneis één enkele of twee rechtsplegingsvergoedingen spelen.

In verband met de bedragen als zodanig hebben de partijen geen opmerkingen geformuleerd en niet verwezen naar de vier in art. 1022, derde lid, Ger. W. bepaalde criteria, zodat de Rechtbank hierop niet hoeft in te gaan. Louter volledigheidshalve kan de Rechtbank nochtans opmerken dat zij in dit concreet dossier niet inziet waarom het «kennelijk» onredelijk zou zijn om twee keer het basisbedrag toe te kennen. Zij zou evenmin reden zien om van het basisbedrag af te wijken, omdat het dossier niet «complex» zou zijn. Wat complexiteit of moeilijkheidsgraad betreft, gaat het naar het oordeel van de Rechtbank om een «doorsnee»-dossier, waarbij de partijen naar aanleiding van een verkeersongeval discussiëren over de aansprakelijkheid.

Bijgevolg kan twee keer het basisbedrag worden toegekend.

...

Rechtsplegingsvergoeding en herleide vorderingen in de loop van het geding:  moet de rechtsplegingsvergoeding worden berekend op het (in de inleidende dagvaarding of laatste conclusie) gevorderde bedrag of op het door de rechter toegekende bedrag.

•• Kh. Hasselt (4e kamer) 5 februari 2008

«Tussen NV Im. en NV In.:

«Partijen zijn het erover eens dat de NV Im. in casu de in het gelijkgestelde partij is. De NV In. ging zelfs over tot betaling van de onder het oude regime van toepassing zijnde rechtsplegingsvergoedingen.

«Overeenkomstig art. 2, laatste lid, van het uitvoerend K.B. dient het bedrag van de vordering, op basis waarvan het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt vastgesteld, te worden bepaald volgens dezelfde regels die de bevoegdheid en de aanleg bepalen.

«Omdat de NV Im. haar vordering tijdens het geding heeft gewijzigd, zou in beginsel rekening moeten worden gehouden met het bedrag dat zij in haar laatste conclusie vordert (art. 618 Ger. W.). Dit leidt in casu evenwel tot een onbillijke situatie, omdat de vordering van de NV Im. vervat in de gedinginleidende dagvaarding wel degelijk grotendeels gegrond was en zij haar vordering enkel heeft herleid om rekening te houden met de na het voorlopig deskundigenverslag door de NV In. uitgevoerde betalingen.

«De rechtbank is van oordeel dat voor de bepaling van de rechtsplegingsvergoeding in geval van herleiding van eis ten gevolge van een gedane betaling na een deskundigenonderzoek, er dient te worden teruggegrepen naar de vordering vermeld in de gedinginleidende akte. Eenzelfde redenering kan worden gevolgd indien betaling gebeurt in uitvoering van een tussenvonnis. In dergelijke situaties het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepalen op basis van de herleide eis zou onbillijk zijn voor de in het gelijkgestelde partij en werkt voor partijen ontradend om correcte afrekeningen op te stellen».

Verder beslist de Rechtbank nog omtrent de vraag of de vordering die een partij instelt tot vrijwaring voor elk bedrag waartoe zij zou kunnen worden veroordeeld, een al dan niet in geld waardeerbare vordering is:

«De NV Im. vorderde de veroordeling van de NV Van G. en van de NV S.V. tot vrijwaring voor elke veroordeling die in deze zaak te haren laste zou worden uitgesproken.

«Betreft het hier een in geld waardeerbare vordering?

«De rechtbank is van oordeel van niet. Opdat met toepassing van art. 2, eerste lid, van het uitvoerend K.B. het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding op basis van het bedrag van de vordering kan worden vastgesteld, dient in de inleidende akte of een later stuk het bedrag van de geldelijke veroordeling bepaald of minstens bepaalbaar te zijn. Dit is niet het geval voor de door de NV Im. ingestelde vrijwaringsvordering.

«De basisvergoeding van art. 3 van het uitvoerend K.B. kan worden toegekend, zijnde 1.200 euro».
 

Totaal tegenstrijdig het hiernavermelde vonnis:

• Pol. Brugge (8e kamer) 22 januari 2008, RW 2008-2009, 36

«Eiser vordert een rechtsplegingsvergoeding van 1.100 euro, zijnde het basisbedrag dat toewijsbaar is op een vordering binnen de vork van 10.000,01 tot 20.000,00 euro.

«Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet worden bepaald op grond van de waarde van de vordering. De «waarde van de vordering» wordt bepaald volgens de regels van art. 557-562 en 618 Ger. W. Art. 618 Ger. W. is duidelijk: «Indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, wordt de aanleg bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd». Dezelfde regel moet worden toegepast in verband met de rechtsplegingsvergoeding.

«Dat er slechts een gedeelte van het gevorderd bedrag wordt toegekend, is op zich irrelevant voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding. Men moet voor het bepalen daarvan enkel en alleen uitgaan van het uiteindelijk gevorderd bedrag, niet van het toegekend bedrag (zie Cass. 10 oktober 2005, P & B 2006, 238).

«De theorie van verweerster dat «bij wederzijds gelijk en ongelijk de rechtsplegingsvergoeding gecompenseerd dient te worden», maakt een verwijzing uit naar art. 1017, laatste lid, Ger. W., dat bepaalt: «De kosten kunnen worden omgeslagen, hetzij wanneer de partijen onderscheidelijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld». Deze theorie impliceert dus dat er een hoofdeis is en een tegeneis en dat beide partijen in het ongelijk worden gesteld. Als er alleen een hoofdvordering is (die gedeeltelijk wordt toegekend), maar geen tegeneis, kan art. 1017, laatste lid, Ger. W. niet spelen.

«De Rechtbank moet dus nagaan welke de som is «die in de laatste conclusie wordt gevorderd». Volgens de laatste conclusie gaat het om 13.574,75 euro. Eiser trekt één provisie af van 1.239,47 euro, zoals toegekend in het vonnis van 11 december 2001 en betaald op 23 januari 2002. Aldus komt eiser aan 12.335,28 euro in hoofdsom, dus een bedrag binnen de vork van 10.000,01 tot 20.000,00 euro, wat recht zou geven op een basisbedrag van 1.100 euro.

«Hoe dan ook zit er in de berekeningswijze van eiser een fout, aangezien hij in de 13.574,75 euro (of na aftrek van één provisie 12.335,28 euro) waarvan hij vertrekt ook de expertisekosten zitten voor 831,88 euro. Art. 557 Ger. W. zegt nochtans dat onder het bedrag van de vordering moet worden verstaan de som die ... wordt geëist met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten. Expertisekosten worden in art. 1018, 4o, Ger. W. uitdrukkelijk gecatalogeerd als gerechtskosten.

«Veel concrete gevolgen heeft die fout niet, want als men die 831,88 euro aftrekt blijft nog altijd een vordering van 11.503,40 euro en zit men nog altijd in dezelfde vork die recht geeft op een basisrechtsplegingsvergoeding van 1.100 euro.

«Ter zitting van heden werd echter uitdrukkelijk bevestigd dat er drie keer 1.239,47 euro is betaald, één keer 3.000 euro en één keer 5.000 euro, zijnde in totaal 11.718,41 euro. Eiser heeft ter zitting van heden evenwel het standpunt ingenomen dat alleen de provisies die al betaald waren vooraleer hij zijn laatste conclusie redigeerde, in acht mogen worden genomen, wat concreet betekent dat men geen rekening zou mogen houden met de provisie van 5.000 euro die werd betaald op 8 januari 2008, duidelijk in het vooruitzicht van de zitting van heden.

«De bevestiging dat er 11.718,41 euro aan provisies werd betaald, zoals genotuleerd op het zittingsblad, staat naar het oordeel van de Rechtbank gelijk met een bevestiging in een laatste conclusie van een dergelijke betaling. Anders oordelen zou aan het adres van schuldeisers een aanmoediging zijn om in conclusies altijd te beweren dat er geen provisies zijn betaald en bij het opmaken van hun vordering nooit rekening te houden met provisies en aanspraak te maken op een hogere rechtsplegingsvergoeding.

«De Rechtbank ziet niet in op welke basis zij zou kunnen zeggen dat er wel rekening moet worden gehouden met de provisies die min of meer lang geleden werden betaald, maar niet met de provisie die een tweetal weken vóór de zitting werd betaald. Het gevolg hiervan is dat de verweerder (verzekeringsmaatschappij), die in extremis provisies uitbetaalt, waardoor het saldo dat de eisende partij nog vordert kleiner wordt, een kleine(re) rechtsplegingsvergoeding zal moeten betalen. Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet nu eenmaal worden bepaald op grond van de waarde van de vordering, zoals ze uiteindelijk wordt ingesteld.

«Dat zou voor de berekening van de rechtsplegingsvergoeding dus kunnen leiden tot: 13.574,75 euro (gevorderd) – 831,88 euro (te weren expertisekosten) – 11.718,41 euro (alle provisies) = 1.024,46 euro, wat recht geeft op een basisrechtsplegingsvergoeding van 400 euro. Het is niet nodig een gedetailleerde interestberekening te maken om tot die conclusie te komen».


De herleiding van de rechtsplegingsvergoeding op grond van het kennelijk onredelijk karakter, de relatieve eenvoud en het recht om proces te voeren

•• Pol. Brugge (4e kamer) 24 januari 2008, RW 2008-2009, 38

In de volgende redengeving maakt de Politierechtbank te Brugge gebruik van de in art. 1022, derde lid, Ger. W. bepaalde mogelijkheid om af te wijken van het bij K.B. van 26 oktober 2007 tot uitvoering van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalde basisbedrag aan rechtsplegingsvergoeding (1.200 euro) voor de in het gelijk gestelde partij bij een niet in geld waardeerbare vordering:

«In verband met de rechtsplegingsvergoeding blijkt dat geïntimeerde aanspraak maakt op het basisbedrag van 1.200 euro, dat blijkens het K.B. van 26 oktober 2007 van toepassing is op vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

«Naar het oordeel van de Rechtbank is de vordering van appellant «niet in geld waardeerbaar». Het betreft immers een hoger beroep tegen een administratieve beslissing waarbij hem een geldboete en een stadionverbod werd opgelegd. Geïntimeerde, die in het gelijk wordt gesteld, kan dus het basisbedrag van 1.200,00 euro vorderen.

«Ter zitting van 10 januari 2008 heeft appellant evenwel laten notuleren – uiteraard in subsidiaire orde – dat het toekennen van het basisbedrag een kennelijk onredelijke situatie zou doen ontstaan, en hij heeft verwezen naar het weinig complexe karakter van de zaak.

«Het komt de Rechtbank voor dat het kennelijk onredelijk zou zijn, en in ieder geval in dit dossier kennelijk onredelijk is, iemand die een administratieve sanctie aanvecht en in het ongelijk wordt gesteld, een rechtsplegingsvergoeding te doen betalen van liefst 1.200 euro. De facto houdt dit immers in dat men een zodanige drempel creëert dat niemand het nog zal aandurven hoger beroep in te leiden. Een basisrecht, nl. het recht om beroep aan te tekenen tegen een administratieve beslissing die een «straf» inhoudt in de zin van art. 6 E.V.R.M., mag niet op een kennelijk onredelijke manier worden beknot. Dat de bestreden beslissing te beschouwen is als een «straf» in de zin van art. 6 E.V.R.M. lijkt overigens verworven (F. Deruyck, «Het verband tussen Beccaria en Euro 2000 of het handhavingsstelsel in de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden», in Liber Amicorum Jozef Van Den Heuvel, p. 488, nr. 33; C. Idomon, noot onder Pol. Mechelen 28 juli 2000, R.W. 2001-02, 715).

«Bovendien is de thans te beoordelen zaak niet van een complexiteit die een dergelijke rechtsplegingsvergoeding zou kunnen verantwoorden. Het betreft een puur feitelijke appreciatie (zijn bepaalde feiten al of niet bewezen?) en een appreciatie van de opgelegde sanctie (wordt die sanctie bevestigd of verminderd?). Geïntimeerde, die beschikt over een geoliede machine, kan bezwaarlijk beweren dat dit voor haar een complexe zaak is.

«Dat alles neemt evenwel niet weg dat geïntimeerde betrokken werd in een procedure voor een burgerlijke rechtbank, wat voor haar wel degelijk kosten veroorzaakt. Toen appellant de procedure inleidde, bestond het begrip rechtsplegingsvergoeding, en appellant wist, kon weten, moest weten dat hij een procesrisico creëerde dat voor hem een extra-kost kon meebrengen indien hij in het ongelijk zou worden gesteld.

«Het komt dan ook raadzaam, redelijk en billijk voor de rechtsplegingsvergoeding die aan geïntimeerde toekomt te herleiden tot 30% van het basisbedrag, zijnde 360 euro, wat grosso modo overeenstemt met het bedrag dat van toepassing was op het ogenblik waarop appellant de procedure instelde en dat hij dus kende, minstens kon kennen, toen hij besloot de procedure in te leiden.

«Voor de goede orde zij aangestipt dat de Rechtbank in het nieuwe art. 1022 Ger. W. niet leest dat zij slechts kan kiezen tussen drie bedragen (basisbedrag, minimumbedrag of maximumbedrag). Er is sprake van een basisbedrag dat de rechter «kan verminderen... zonder (het) door de Koning bepaalde minimumbedrag te overschrijden». Naar het oordeel van de Rechtbank betekent dit dat de Rechtbank een bedrag kan toekennen dat lager is dan het basisbedrag (1.200 euro), maar hoger dan het minimumbedrag (75 euro)».

De ambtshalve vermindering van de RPV dor de rechter:

•• Vred. Kortrijk (2e kanton) 29 januari 2008, RW 2008-2009, 38

(...)

«Art. 1022 Ger. W., als gewijzigd door de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalt:

«De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

«Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

«Op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met:

– de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

– de complexiteit van de zaak;

– de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

– het kennelijk onredelijk karakter van de situatie».

«De wet van 21 april 2007 is krachtens het bepaalde in art. 14 van deze wet in werking getreden op 1 januari 2008. Dat art. 14 luidt als volgt: «Met uitzondering van dit artikel bepaalt de Koning de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van deze wet. De inwerkingtreding gebeurt uiterlijk op 1 januari 2008».

«Door een K.B. van 26 oktober 2007 werden de basis-, minimum- en maximumbedragen vastgesteld van de rechtsplegingsvergoeding als bedoeld in art. 1022 Ger. W. Voor in geld waardeerbare vorderingen werden de bedragen vastgesteld op grond van het bedrag van de vordering. Voor geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen werd een afzonderlijk basis-, minimum- en maximumbedrag vastgesteld. De bedragen werden evenwel niet vastgesteld op grond van de aard van de zaak, zoals nochtans voorgeschreven door art. 1022, tweede lid, Ger. W.

«Doordat de bedragen enkel werden vastgesteld op grond van de belangrijkheid van het geschil, inzonderheid op grond van de waardering van de vordering in geld, beantwoordt het K.B. van 26 oktober 2007 niet aan het voorschrift van art. 1022, tweede lid, Ger. W. Daaruit volgt dat de bedragen, die werden vastgesteld door het vermelde K.B., zo nodig door de rechter moeten worden aangepast op grond van de aard van de zaak.

«De criteria die zijn bepaald in art. 1022, derde lid, Ger. W., en die de rechter in overweging moet nemen wanneer één van de partijen erom verzoekt, zijn nuttige criteria waarmede de rechter eveneens rekening kan houden om te beslissen dat de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding, zoals die bedragen door het voormelde K.B. werden vastgesteld op grond van de belangrijkheid van het geschil, aangepast moeten worden op grond van de aard van de zaak. Wanneer de rechter besluit tot een aanpassing op grond van de aard van de zaak, geven de door het voormelde K.B. vastgestelde minimum- en maximumbedragen nuttige aanwijzingen voor het begroten, door de rechter, van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

«Uit het bovenstaande volgt dat de rechter rekening kan houden met de in art. 1022, derde lid, Ger. W. bepaalde criteria om, ook wanneer dat niet uitdrukkelijk werd gevraagd door de verliezende partij, het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding ambtshalve te verminderen tot het door het K.B. van 26 oktober 2007 vastgestelde minimumbedrag. Dat zal zich voornamelijk voordoen wanneer de verliezende partij niet wordt bijgestaan door een advocaat en daardoor onwetend is van zijn recht om te vragen dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt verminderd door de rechter».

RPV bij verstek : minimumbedrag: partij die verschijnt, erkent en enkel afbetalingsplan vraagt basisbedrag RPV: perfide:

• Vred. Aarschot 15 februari 2008, RW 2008-2009, 39:

«Uit de debatten is gebleken dat de eis gegrond is. Verweerder verschijnt ter zitting en betwist de vordering niet. Hij vraagt enkel dat hem toegestaan wordt zijn schuld af te lossen met maandelijkse afkortingen.

«Art. 6 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van de inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, bepaalt: «Wanneer de zaak wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek, en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding».

«Het is de rechter toegestaan de wettigheid en in voorkomend geval de grondwettigheid van een K.B. te toetsen.

«Wanneer bij K.B. wordt bepaald dat bij verstek het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding is, is dit gebaseerd op de veronderstelling dat de raadsman van de in het gelijk gestelde partij ter zitting slechts een erg beperkte prestatie moet verlenen.

«Deze overweging geldt ter zake ook, aangezien de verweerder de gegrondheid van de vordering niet betwist.

«Door een onderscheid in het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te maken dat louter gebaseerd is op het niet verschijnen ter zitting, heeft dit K.B. geen voldoende rechtmatige basis. Integendeel, de rechtzoekende die uit eerbied voor de rechtbank op de terechtzitting verschijnt, wordt gepenaliseerd doordat de kosten van de rechtsplegingsvergoeding merkelijk hoger liggen dan wanneer hij niet zou verschijnen. Daarentegen moet de rechter bij verstek de in het ongelijk gestelde partij, die zich misschien onverschillig opstelt, het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toekennen. Dit alles komt uiteraard het rechtsgevoelen van de rechtzoekende niet ten goede, omdat in soortgelijke zaken de ene partij tot een merkelijk hogere vergoeding wordt veroordeeld dan de andere partij. Hierdoor wordt de gelijkheid van de rechtzoekenden niet gerespecteerd, welk recht grondwettelijk beschermd is.

«Omdat de gelijkheid van de rechtzoekenden niet gewaarborgd wordt in dergelijke zaken, heeft op dit punt het K.B. geen wettelijke basis en kan ter zake het bedrag van de minimumvergoeding van de rechtsplegingsvergoeding worden toegekend».


Rechtsplegingsvergoeding en strafrecht

Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering

Wanneer de raadkamer overgaat tot buitenvervolgingstelling en indien het onderzoek werd ingeleid door de burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter, wordt de burgerlijke partij veroordeeld tot het aan de inverdenkinggestelde betalen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. (art. 128 wetboek van strafvordering).

Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis. (art. 162bis wetboek strafvorderding).


Het hof van assisen veroordeelt de beschuldigde die in het ongelijk wordt gesteld ten aanzien van de burgerlijke partij tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De nieuwe bepalingen mbt de rechtsplegingsvergoeding zijn van toepassing op de zaken die lopende zijn op het moment dat ze in werking treden.

De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van deze wet van 21 april 2007. De inwerkingtreding gebeurt uiterlijk op 1 januari 2008.

In het kader van de wet 2 augustus 2002 inzake betalingsachterstand handelstransacties zal de rechter op onaantastbare wijze oordelen over de kwestie of en in welke mate de kosten en erelonen van de advocaat verhaalbaar zijn op de verliezende partij. De rechter moeten hierbij rekening houden met viercriteria: de redelijkheid van de invorderingskosten's de relevantie van de invorderingskosten, de transparantie van de invorderingskosten,  en de verhouding van de invorderingskosten tot de schuld in kwestie.

De toekenning van de redelijke schadeloosstelling voor de relevante invorderingskosten ontstaan door de betalingsachterstand bij handelstransacties sluit evenwel de toekenning van de rechtsplegingsvergoeding uit.

rechtsplegingsvergoeding en procedures op eenzijdig verzoekschrift

• Burgerlijke Rechtbank te Brugge, Beslagkamer – 22 januari 2008, Rb. Brugge 22 januari 2008, RW 2008-2009, 121


In een beschikking op een eenzijdig verzoekschrift tot aanstelling van een notaris in het raam van een uitvoerend onroerend beslag kan, bij gebrek aan een verliezende geen verwijzing in de kosten en geen begroting ervan plaatsvinden.

...

1. Verzoekster heeft gevorderd haar kosten, waaronder de rechtsplegingsvergoeding, te begroten overeenkomstig de door haar gedane omstandige opgave.

2. Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, wat te dezen niet het geval is, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt (art. 1017 Ger. W.).

Deze kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald door art. 1022 (art. 1018, 6o, Ger. W.).

In het geval de partijen een omstandige opgave indienen van hun onderscheiden kosten, waaronder de door art. 1022 Ger. W. bepaalde rechtsplegingsvergoeding, worden de kosten in het vonnis vereffend. Worden de kosten niet of slechts gedeeltelijk in het vonnis vereffend, dan wordt de beslissing over kosten waarover niet werd gestatueerd, geacht te zijn aangehouden (art. 1021 Ger. W.).

3. Verzoekster vordert de begroting van de kosten, zoals bepaald in art. 1021 Ger. W. De vraag die evenwel in de eerste plaats rijst, is of in de te vellen beschikking, waarin recht wordt gedaan op het door verzoekster neergelegd eenzijdig verzoekschrift, er een verwijzing in de kosten kan worden opgenomen. Meer in het bijzonder dient te worden nagegaan of in het raam van huidige procedure alle daartoe gestelde wettelijke vereisten zijn voldaan.

3.1. Een verwijzing in de kosten dient slechts te gebeuren in een eindvonnis (art. 1017 Ger. W.).

Een vonnis is een eindvonnis in zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Niettegenstaande vastgesteld dient te worden dat het gezag van gewijsde van een beschikking uitgesproken op eenzijdig verzoek verschilt van het gezag van gewijsde van een «gewoon» eindvonnis, omdat de beschikking vatbaar is voor intrekking of wijziging (zie art. 1032 Ger. W.; B. Maes, Overzicht van het gerechtelijk privaatrecht, 1996, 173), kan niet ter discussie staan dat huidige beschikking een eindvonnis uitmaakt in de zin van art. 1017 en art. 19, eerste lid, Ger. W.

3.2. Alleen «de in het ongelijk gestelde partij» kan in de kosten worden verwezen. Wanneer, zoals te dezen, de vordering werd ingesteld op eenzijdig verzoek en deze vordering wordt ingewilligd, is of kan dan sprake zijn van een «in het ongelijk gestelde partij»? Naar het oordeel van deze Rechtbank is het antwoord ontkennend.

3.2.1. Er is pas sprake van «een partij» in de mate deze (rechts-)persoon daadwerkelijk is betrokken in het geding (vgl. F. Meersschaut, «Draaglast van de gedingkosten», Jura. Falc., 1986-87, 279-280 en D. Maes, «Artikel 1017 Ger. W.», in X, Gerechtelijk recht, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Deurne, Kluwer, losbl., nr. 8). De eenzijdige rechtspleging op verzoekschrift wordt er nu precies door gekenmerkt dat er geen of nog geen «geschil» voorhanden is tussen twee partijen en er dus (voorlopig) geen tegenstrever in de zaak hoeft te worden betrokken (zie B. Maes, o.c., 172). Dat de procedure in wezen tegen de debiteur van verzoekster is gericht, volstaat niet. De (rechts-)persoon dient niet alleen formele procespartij te zijn, bovendien moet er sprake zijn van een geding, m.a.w. moet er ten laste van deze (rechts-)persoon een vordering worden ingesteld (vergelijk Cass. 26 september 1974 R.W. 1974-75, 1125, waarin werd geoordeeld dat een partij niet (ten dele) in de kosten kan worden verwezen van een andere in de procedure betrokken partij, wanneer tussen hen geen geding bestond bij gebrek aan tegen elkaar genomen conclusies).

De debiteur van verzoekster is geen partij in huidige procedure in de hierboven uiteengezette zin. Bevestiging van een en ander wordt gevonden in art. 1031 en 1033 Ger. W., waarin wordt bepaald dat hoger beroep tegen een op eenzijdig verzoek gewezen beschikking slechts openstaat voor de verzoeker of een tussenkomende partij, zodat voor de debiteur, die geen verzoeker noch tussenkomend partij is, uitsluitend verzet openstaat (zie Cass. 2 maart 1972, Arr. Cass. 1972, 604).

3.2.2. Het volstaat niet louter partij te zijn, men moet bovendien in het ongelijk zijn gesteld, m.a.w. het proces hebben verloren, jegens een andere partij zijn veroordeeld.

De aanstelling van een notaris overeenkomstig art. 1580 Ger. W. houdt niet het ongelijk in van de debiteur, laat staan diens veroordeling. De procedure verloopt immers uitsluitend in het belang van verzoekster, die, teneinde de door haar aangevatte gedwongen tenuitvoerlegging te kunnen verderzetten, noodzakelijkerwijze om de aanstelling van een notaris dient te verzoeken. Aldus is de debiteur niet te beschouwen als «in het ongelijk gesteld».

Bij gebrek aan een in het ongelijk gestelde partij, kan er in huidige beschikking geen verwijzing zijn in de kosten overeenkomstig art. 1017 Ger. W.

4. Naar het oordeel van deze Rechtbank kunnen de kosten van verzoekster evenmin louter worden begroot.

In de eerste plaats is de begroting/vereffening van de kosten slechts (nuttig) aan de orde, in de mate er een in het ongelijk gestelde partij is. Dit is te dezen niet het geval.

Voorts en specifiek met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding, moet worden vastgesteld dat ingevolge art. 5 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen (B.S. 31 mei 2007, tweede editie) met ingang van 1 januari 2008 de inhoud van het begrip rechtsplegingsvergoeding fundamenteel is gewijzigd. Terwijl tot dan de rechtsplegingsvergoeding gold als een vergoeding voor het verrichten van bepaalde materiële akten (zie oud art. 1022 Ger. W.), is de rechtsplegingsvergoeding thans de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Bovendien, en anders dan voorheen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding aanpasbaar binnen de door het K.B. van 26 oktober 2007 bepaalde grenzen.

Deze aanpassing is in de eerste plaats mogelijk wanneer daarom door een van de partijen wordt verzocht, en er daartoe welbepaalde, door art. 1022 Ger. W. opgesomde omstandigheden voorhanden zijn.

Voorts moet het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden bepaald op het door het K.B. bepaalde minimum wanneer de in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand geniet, tenzij in geval van «een kennelijk onredelijke situatie».

Louter op grond van de voormelde, nieuwe inhoud van het begrip rechtsplegingsvergoeding, zou kunnen worden betoogd dat in voorliggende procedure dan misschien geen «in het ongelijk gestelde partij» bestaat (zie supra), maar dan toch op zijn minst wel een «in het gelijk gestelde partij»; namelijk verzoekster. Dan zou niets beletten dat de rechtsplegingsvergoeding, die principieel als kost vaststaat, wordt begroot in huidige beschikking.

Met de vroegere invulling van het begrip rechtsplegingsvergoeding, waarbij bovendien geen aanpassing van het toe te kennen bedrag mogelijk was, verzette zich niets tegen een dergelijke begroting.

Thans kan dit redelijkerwijze niet meer. Er is immers geen enkel debat omtrent het al dan niet voorhanden zijn van omstandigheden die het zouden mogelijk maken of verplichten het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding aan te passen. Bij gebrek aan een vordering van de verzoekende partij, zoals te dezen, zou deze Rechtbank aldus niet anders kunnen dan de rechtsplegingsvergoeding te begroten op het basisbedrag, zijnde 1.200 euro.

Een en ander zou tot het bijzonder pervers effect leiden dat de debiteur die meent dat er redenen voorhanden zijn om te besluiten tot een vermindering van het basisbedrag – gelet op de gedwongen tenuitvoerlegging op onroerend goed waarbinnen huidig verzoek kadert, is zulks verre van denkbeeldig – genoodzaakt zou zijn verzet in te stellen tegen huidige beschikking, om aldus een debat over het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding mogelijk te maken. Dit verzet is des te waarschijnlijker, gelet op het aanzienlijk verschil tussen het wettelijk bepaalde basisbedrag (1.200 euro) en het minimumbedrag (75 euro). Partijen zouden met andere woorden gedwongen worden tot een bijkomende procedure. Dit kan onmogelijk de bedoeling zijn.

zie in zelfde zin: Hof van Beroep te Brussel, 17e Kamer – 9 juni 2008, met noot NOOT – Geen rechtsplegingsvergoeding voor procedures op eenzijdig verzoekschrift?  RW 2008-2009, 872

"Het hof wordt geadieerd door een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op 9 mei 2008, gericht tegen een beschikking van de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, gewezen op eenzijdig verzoekschrift op 16 april 2008.

De eerste rechter heeft het verzoek tot aanstelling van een notaris overeenkomstig art. 1580 Ger. W. ingewilligd, maar heeft van de door appellante in zijn verzoekschrift opgesomde kosten, namelijk de kosten van de exploten van bevel en beslag, van hypothecaire overschrijving, van het kadasteruittreksel, de rechtsplegingsvergoeding en het rolrecht die appellante in totaal becijfert op 1.024,55 euro enkel het rolrecht begroot, onder meer overwegende dat:

– de rechtsplegingsvergoeding niet begroot kan worden bij gebrek aan mogelijkheid tot een debat op tegenspraak desbetreffende, aangezien de derde tegen wie de betreffende maatregel wordt gevorderd «niet de in de wet bepaalde mogelijkheid (heeft) om een vermindering van de rechtsplegingsvergoeding te vragen, noch om de beslagrechter kennis te geven van het feit dat hij tweedelijnsrechtsbijstand geniet en dus hoogstens de minimumvergoeding moet betalen»,

– de debiteur van appellante geen in het ongelijk gestelde partij is in de zin van art. 1017 Ger. W.,

motivering die het hof beaamt en tot de zijne maakt voor wat de vordering tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft.

Voor wat de aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding betreft, voert appellante in beroep aan dat tegenspraak mogelijk is, aangezien elke benadeelde partij, inzonderheid de beslagen debiteur, derdenverzet kan aantekenen en dat er derhalve ook een «in het ongelijk gestelde partij» in de zin van art. 1017 Ger. W. is.

Appellante verliest hierbij uit het oog dat dit derdenverzet slechts een mogelijkheid is en dat enkel zo een dergelijke procedure op derdenverzet wordt ingesteld, die te onderscheiden is van de initiële procedure op eenzijdig verzoekschrift, er van een «tegenpartij» in de procesrechtelijke zin sprake is.

Zolang de procedure haar eenzijdig karakter behoudt, is er slechts één enkele procespartij, namelijk de partij die het eenzijdig verzoekschrift neerlegt, en kan derhalve aan de verzoekende partij die in het gelijk wordt gesteld geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend bij gebreke van een tegenpartij die deze ten laste zou dienen te nemen.

Het is pas vanaf het ogenblik dat het debat een contradictoir karakter krijgt, bijvoorbeeld ingevolge een navolgend derdenverzet, dat er aanleiding is tot het vereffenen van de rechtsplegingsvergoeding.

De verwijzing naar de oude wetgeving ter zake – voor zover die het standpunt van appellante al zou ondersteunen – is niet pertinent, aangezien het discussiepunt moet worden opgelost op grond van de rechtsregels die thans van toepassing zijn.

Ten slotte is het niet toekennen van een rechtsplegingsvergoeding noch in strijd met de wet noch met art. 1 van het K.B. van 26 oktober 2007 die geen van beide in een limitatieve opsomming van gevallen waarin geen rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend voorzien.

Het voorschrift dat overeenkomstig art. 1027 Ger. W. het eenzijdig verzoekschrift in de regel moet worden ingediend door een advocaat, leidt evenmin tot een andere beslissing".

...
Overige rechtspraak:

•• Grondwettelijk Hof, 18 december 2008 RW 2008-2009, 127

Om de discriminatie onder procespartijen te vermijden, heeft de wetgever ervoor gekozen de verhaalbaarheid te verankeren in het procesrecht, door van de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire deelneming in de kosten en erelonen van de advocaat van de winnende partij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij te maken. Er zou hem niet kunnen worden verweten dat hij hierdoor alle procespartijen op identieke wijze heeft behandeld, waarbij het risico daarvan gelijkelijk onder de partijen wordt verdeeld, daar precies die gelijke behandeling werd geëist door de bij art. 6 van het E.V.R.M. gewaarborgde beginselen. Door overigens te bepalen dat de forfaitaire bedragen na raadpleging van de Orden van de balies zullen worden vastgesteld, heeft de wetgever ervoor gezorgd dat die bedragen zouden worden vastgesteld in verhouding tot de door de meeste advocaten gehanteerde erelonen, zodat de eventuele aantasting van het ongestoorde genot van de eigendom van de slachtoffers van een fout niet onevenredig zou kunnen worden geacht.

Het slachtoffer van roekeloze en tergende procedures bevindt zich, ten aanzien van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, niet in een andere situatie dan het slachtoffer van een fout waarvoor de dader ervan aansprakelijk is. Het kan de vergoeding verkrijgen van alle elementen van zijn schade, waarbij alleen het deel daarvan dat overeenstemt met de kosten en erelonen van zijn advocaat, op forfaitaire wijze ten laste moet worden genomen.

De verschillen die bestaan tussen de advocaten en de technisch raadgevers ten aanzien van hun plaats in het proces en de aard van hun optreden, rechtvaardigen dat de wetgever de specifieke regeling die hij heeft aangenomen voor de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten niet heeft uitgebreid tot alle andere raadgevers die eventueel in een gerechtelijke procedure kunnen optreden.

De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid en de erelonen van een advocaat schendt art. 10 en 11 van de Grondwet niet doordat zij een verschil in behandeling invoert tussen de rechtzoekenden op wie zij van toepassing is en de rechtzoekenden op wie de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties van toepassing is.

De regeling van de forfaitaire bedragen die ten laste kunnen worden gelegd van een in het ongelijk gestelde partij, is verantwoord door de zorg van de wetgever om de toegang tot de rechter niet te belemmeren. Ten aanzien van dat doel is het eveneens verantwoord te voorzien in een begrenzing van de rechtsplegingsvergoedingen die een rechtzoekende verschuldigd is en die te beperken tot het dubbele van de maximumvergoeding wanneer hij zich bevindt tegenover verschillende partijen die in het gelijk zijn gesteld.

De logica zelf van de forfaitaire regeling van de advocatenkosten houdt in dat bij de vaststelling van de vergoeding geen rekening kan worden gehouden met alle specifieke kenmerken van elke procedure. Niettemin beschikt de rechter over de mogelijkheid om, op verzoek van de partijen, de rechtsplegingsvergoeding te verminderen of te verhogen, met name om rekening te houden met de complexiteit van de zaak. Met toepassing van dat criterium is het dus mogelijk om met het werkvolume als gevolg van de complexiteit van de zaak rekening te houden teneinde de vergoeding te verhogen of, in het tegenovergestelde geval, die door de eenvoud van de zaak te verminderen. Hieruit volgt dat deze regeling geen onevenredig verschil in behandeling teweegbrengt.

De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid en de erelonen van een advocaat schendt het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet doordat ze van toepassing is op rechtzoekenden die een beroep doen op de diensten van een advocaat maar niet op rechtzoekenden die worden bijgestaan en vertegenwoordigd door een vakbondsafgevaardigde.

De wet van 21 april 2007 houdt geen discriminatie in doordat ze de verhaalbaarheid van de advocatenkosten in strafzaken beperkt tot de verhouding tussen de beklaagde en de burgerlijke partij, terwijl geen enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is aan de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde of aan de vrijgesproken beklaagde, wanneer de strafvordering op gang wordt gebracht door het openbaar ministerie of door een onderzoeksgerecht. Wegens de opdracht die aan het openbaar ministerie is toegewezen, vermocht de wetgever ervan uit te gaan dat een regeling volgens welke een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zou zijn telkens als de vordering van het openbaar ministerie zonder gevolg blijft, niet tot de laatstgenoemde diende te worden uitgebreid.

Het staat in beginsel aan de wetgever de inwerkingtreding van een nieuwe wet te regelen en te beslissen of er overgangsmaatregelen moeten worden genomen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever ter zake snel wilde optreden om een einde te maken aan de onzekerheden die zijn ontstaan na de rechtspraak van het Hof van Cassatie. In die context is de onmiddellijke toepassing van de wet van 21 april 2007 een pertinente maatregel om, ten aanzien van alle rechtzoekenden, een einde te maken aan de ontwikkeling van een uiteenlopende rechtspraak die derhalve ongelijkheden inhield ten aanzien van het beginsel van de verhaalbaarheid en de bedragen die konden worden toegewezen. Ermee rekening houdend dat de wetgever de verhaalbaarheid heeft omlijnd en dat de rechter op verzoek van de partijen de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen, met name wanneer hij van oordeel is dat de situatie «kennelijk onredelijk» is, heeft de onmiddellijke toepassing van de in het geding zijnde wetgeving geen onevenredige gevolgen voor de partijen die op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan bij gerechtelijke procedures betrokken zijn.


 

wet: uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

TITEL IV. _ Uitgaven en kosten.

 Art. 1017. <W 24-6-1970, art. 15> Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

(Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen (579, 6°,) 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen. <W 2006-12-27/30, art. 128, 082; Inwerkingtreding : 01-04-2007>

Met sociaal verzekerden worden bedoeld : de sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde.) <W 2006-12-13/35, art. 129, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.
(Vierde lid opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 23, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>

In een onderzoeksvonnis wordt de beslissing inzake kosten steeds aangehouden.

Art. 1018. De kosten omvatten :
1° (de diverse, griffie- en registratierechten, alsook de zegelrechten die voor de afschaffing van het Wetboek der zegelrechten zijn betaald); <W 2006-12-19/33, art. 67, 083 ; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten;
3° de prijs van de uitgifte van het vonnis;
4° de uitgaven betreffende alle onderzoeksmaatregelen, onder meer het getuigen- en deskundigengeld;
5° de reis- en verblijfkosten van de magistraten, de griffiers en van de partijen, wanneer hun reis door de rechter bevolen is, en de kosten van de akten, wanneer deze uitsluitend met het oog op het geding opgemaakt zijn;
6° (de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022;) <W 2007-04-21/85, art. 5, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
7° (het ereloon, de emolumenten en de kosten van de bemiddelaar die aangewezen is overeenkomstig artikel 1734.) <W 2005-02-21/36, art. 7, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
(De bedragen die als basis dienen voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde kosten worden omgerekend in (euro) de dag dat het vonnis of het arrest dat in de kosten verwijst, wordt uitgesproken.) <W 1991-07-12/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 19-08-1991> <KB 2000-07-20/58, art. 3, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 1019. De registratierechten die gerekend worden tot de kosten, omvatten : het algemeen vast recht, de specifieke vaste rechten en de rechten verschuldigd op de vonnissen die veroordeling, vereffening of toewijzing van sommen of roerende waarden inhouden.

Art. 1020. De verwijzing in de kosten wordt van rechtswege verdeeld per hoofd, tenzij het vonnis anders beschikt.
Zij wordt hoofdelijk uitgesproken, indien de voornaamste veroordeling zelf hoofdelijkheid medebrengt.

Art. 1021. <W 04-07-1972, enig art.> Partijen kunnen een omstandige opgave indienen van hun onderscheiden kosten, met inbegrip van de (rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald) in artikel 1022. In dat geval worden de kosten in het vonnis vereffend. <W 2007-04-21/85, art. 6, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>

Werden de kosten in het vonnis niet of slechts gedeeltelijk vereffend, dan wordt de beslissing over de kosten, waarover niet werd gestatueerd, geacht te zijn aangehouden. In dat geval geschiedt de vereffening, op de vordering van de meest gerede partij, door de rechter die de uitspraak heeft gedaan, voor zover zijn beslissing niet werd bestreden; de rechtspleging wordt hervat en voortgezet overeenkomstig artikel 750 en volgende.

Art. 1022.<W 2007-04-21/85, art. 7, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13> De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

(Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing) ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : <W 2008-12-22/39, art. 2, 101; Inwerkingtreding : 22-01-2009>

- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;
- de complexiteit van de zaak;
- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken.

Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij.

Art. 1023. Ieder beding tot verhoging van de schuldvordering ingeval deze in rechte zou worden geëist, wordt als niet geschreven beschouwd.

Art. 1024. De kosten van tenuitvoerlegging komen ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.


Koninklijk besluit tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat

Art. 1

De basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek worden vastgesteld in dit besluit.

De bedragen worden vastgesteld per aanleg.

Geen vergoeding is verschuldigd wegens handelingen verricht voor een gerecht waaraan de zaak bij beslissing van de arrondissementsrechtbank is onttrokken.

Zo ook is geen vergoeding verschuldigd indien de verweerder of de gedaagde in hoger beroep vóór de inschrijving van de zaak op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten.

Ingeval de verweerder, of de gedaagde in hoger beroep, na de inschrijving op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten, is het bedrag van de vergoeding gelijk aan één kwart van de basisvergoeding, zonder hoger te kunnen zijn dan 1000 euro.

Art. 2

Met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in artikel 4 van dit besluit wordt de rechtsplegingsvergoeding voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen, vastgesteld als volgt:

[...] zie www.elfri.be/node/124

Voor de toepassing van dit artikel wordt het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

Wanneer het geschil betrekking heeft op de titel van een uitkering tot onderhoud, wordt in afwijking van artikel 561 van hetzelfde Wetboek het bedrag van de vordering berekend, ter bepaling van de rechtsplegingsvergoeding, op basis van het bedrag van de annuïteit of van twaalf maandelijkse termijnen.

[...] zie www.elfri.be/node/124

Art. 3
Voor de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1200 €, het minimum bedrag 75 € en het maximum bedrag 10.000 €.

In afwijking van de artikelen 2 en 3 worden de basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor rechtspleging bedoeld in artikelen 579 en 1017 , tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vastgesteld als volgt:

[...] zie www.elfri.be/node/124

Art. 5

Voor de overeenkomstig artikel 1340 van het Gerechtelijk Wetboek ingediende vorderingen zijn de in artikel 2 bedoelde minimumvergoedingen van toepassing voor de fase van de procedure omschreven in de artikelen 1340 tot 1343, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 6

Wanneer de zaak wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek, en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding.

Art. 7

Geen rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend voor rechtsplegingen die rechtsbijstand beogen.
Voor het overige doet het gegeven dat rechtsbijstand wordt verleend geenszins afbreuk aan de toekenning van de in de vorige artikelen bedoelde vergoedingen.

Art. 8

De basis-, minimum- en maximum bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat overeenstemt met 105,78 punten (basis 2004); telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, worden de sommen bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 van dit besluit met 10 procent vermeerderd of verminderd.

Art. 9

Het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek wordt opgeheven.

Art. 10

Treden in werking op 1 januari 2008:
– De artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat
– Dit besluit.

Art. 11
Onze minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Nog dit: 

J. Deene, De rechtsplegingsvergoeding in de procedures inzake intellectuele rechten: een sui generis-regime, RW 2010-2011, 946.

• Vredegerecht Roeselare 23 september 2010 RW 2010-2011, 1580

Art. 2, tweede lid, aanhef van het KB van 26 oktober 2007 verwijst naar onder meer art. 618, tweede lid, Ger.W., zodat ook voor de begroting van de rechtsplegingsvergoeding de som in aanmerking wordt genomen die in laatste conclusies wordt gevorderd. Deze betreft een in geld waardeerbare vordering.

De bedragen en eisen gesteld voorafgaandelijk aan het tussenvonnis (dat ook een gedeeltelijk eindvonnis betreft) komen voor de begroting van de rechtsplegingsvergoeding eveneens in aanmerking, precies in de mate dat daaromtrent beslechting tussenkwam, voor het alsdan bij laatste conclusies gevorderde. Enkel deze interpretatie van de bestaande wetgeving verschaft de mogelijkheid, dit reële procesrisico mee te verrekenen (I. Samoy en V. Sagaert, «De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat», RW 2007-08, p. 683, nr. 33.3).

Een louter mechanische toepassing van art. 618, tweede lid, Ger.W. zou er immers toe leiden dat een zwaar geschil dat in diverse fases gevonnist wordt, slechts vergoed zou worden aan de hand van een geringe rechtsplegingsvergoeding, cijfermatig toepasselijk voor de laatste en beperkte restpunten van het dossier. Op deze wijze zou het doel van de wet niet worden gerealiseerd, namelijk het vergemakkelijken van de toegang tot het gerecht en art. 6 EVRM.

De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook te worden berekend overeenkomstig het totaal van wat telkenmale bij laatste conclusies vóór tussenvonnis en eindvonnis gevorderd werd.

Rekening houdend met een voorhanden eis van (550 euro + 1.992 euro =) 2.542 euro, wordt de basisvergoeding bepaald op 650 euro (in plaats van slechts 400 euro voor de eis bij eindvonnis).

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: do, 25/09/2014 - 20:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.