-A +A

Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Van Dyck Sylvia
Uitgever: 
Ugent
Jaargang: 
2005-2006
Samenvatting

Een kritische analyse van de dominante rechtsdogmatische en jurisprudentiële benadering van het leerstuk van valsheid in geschriften

Deze bijdrage is een Proefschrift aangeboden tot het verkrijgen van de graad van Doctor in de Rechten door Silvia Van Dyck en werd onder deze titel ook uitgegeven bij Intersentia. De bijdrage valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften herdacht is gratis online te lezen via deze link.

Inhoudstafel tekst: 

VOORWOORD. v
DANKWOORD.ix
LIJST VAN AFKORTINGEN.xxi
INLEIDING. 1
1. Probleemstelling en relevantie van het onderzoek. 1
2. Opzet, afbakening en methode van het onderzoek en opbouw van het boek. . 11
DEEL I
DE RATIO LEGIS VAN VALSHEID IN GESCHRIFTEN ALS GRONDSLAG VOOR DE DELICTSSTRUCTUUR. . 21
Hoofdstuk 1
Introductie en problematisering van de huidige ratio legis van valsheid in geschriften. 23
Afdeling 1. De (moeizame) identificatie van de ratio legis. . 23
Afdeling 2. De problematische invulling van de ratio legis. . 29
Hoofdstuk 2
Historische reconstructie van valsheid in geschriften en de ratio legis.37
Afdeling 1. Het ontstaan en de ontwikkeling van ‘valsheid in geschriften’. 38
Afdeling 2. Het schijnbaar contradictoir schadelijk karakter van valsheid in geschriften. . 55
Hoofdstuk 3
De verfijning van de ratio legis van valsheid in geschriften. 59
Afdeling 1. Inleiding: de generieke en specifieke eigenschappen van valsheid in geschriften.60
Afdeling 2. Uitwerking: van een generieke naar een specifieke ratio legis. . 62
1. De bescherming van het openbaar vertrouwen en de maatschappelijk noodzakelijke functie van geschriften. . 63
2. De invulling van de maatschappelijk noodzakelijke bewijsfunctie van geschriften in het leerstuk van valsheid in geschriften.67
Afdeling 3. Tot besluit: de verhouding tussen de generieke en de specifieke ratio legis in de delictsomschrijving van valsheid in geschriften.75
Hoofdstuk 4.
De verkenning van de delictsstructuur van valsheid in geschriften.79
DEEL II
DE VOORSTELLING VAN HET LEERSTUK VAN VALSHEID IN GESCHRIFTEN IN HET STRAFWETBOEK.83
Hoofdstuk 1
Inleiding.85
Hoofdstuk 2
Een verkenning van het wettelijk terrein. 89
Hoofdstuk 3
Een kritische evaluatie van de wettelijke voorstelling van zaken. . 93
Afdeling 1. Inleiding.93
Afdeling 2. De interne onderverdelingen op basis van strafmaat, hoedanigheid van de dader en aard van het geschrift.95
1. Inleiding. 95
2. Onderscheid tussen criminele valsheden (art. 194-197 Sw.) en correctionele valsheden (art. 198-212 Sw.).98
2.1. Onderscheidingsdoel en -criterium. . 98
2.2. Gevolgen van het onderscheid: bespreking van de correctionele valsheden. 101
2.2.1. Afdeling II inzake ‘valsheid in reispassen, machtigingen om wapens te dragen, arbeidsboekjes, reisorders en getuigschriften’ (art. 198 -210 Sw.).102
2.2.2. Afdeling IIbis inzake ‘valsheid in informatica’ (art. 210bis Sw.). 107
2.2.3. Afdeling III inzake ‘valsheid in telegrammen’ (art. 211-
212 Sw.). 113
2.3. Evaluatie van het onderscheid tussen criminele en correctionele
valsheden. 114
3. Onderscheid tussen valsheid door openbare officieren en ambtenaren in de uitoefening van hun hoedanigheid (art. 194–195 Sw.) en valsheid door andere personen (art. 196 Sw.).120
3.1. Onderscheidingsdoel en -criteria. . 120
3.2. Gevolgen van het onderscheid: bespreking van de valsheden ex art. 194 en 195 Sw.128
3.2.1. Authentieke en openbare geschriften. 128
3.2.2. Vermeldingen met authentiek of openbaar karakter. 140
3.2.3. Valsheid door een openbare officier of ambtenaar qualitate qua. 146
3.3. Evaluatie van het onderscheid tussen valsheid door openbare officieren en ambtenaren qualitate qua en valsheid door andere
personen. 153
4. Onderscheid tussen authentieke en openbare, handels- of bank- en private geschriften (art. 196 Sw.). 156
4.1. Onderscheidingsdoel en -criterium.156
4.2. Bespreking van de authentieke en openbare geschriften, handelsen
bankgeschriften en private geschriften (art. 196 Sw.). . 158
4.2.1. Authentieke en openbare geschriften. 159
4.2.2. Handels- of bankgeschriften.164
4.2.3. Private geschriften. . 168
4.3. Evaluatie van de onderverdeling in authentieke en openbare, handels- of bank- en private geschriften.170
Afdeling 3. De afzonderlijke strafbaarstelling van gebruik. 171
Afdeling 4. Het afgezonderde subjectief delictsbestanddeel.174
Hoofdstuk 4
Tot besluit: een eerste proeve van een nieuwe wettelijke voorstelling van het leerstuk van valsheid in geschriften. 179
DEEL III
HET MISDRIJF VALSHEID IN GESCHRIFTEN. . 183
Hoofdstuk 1
Inleiding. . 185
Afdeling 1. Over deel III. 185
Afdeling 2. Over valsheid in geschriften. 186
1. Een terminologische discussie: ‘valsheid in geschriften’ of ‘valsheid in geschrifte’.186
2. Een eerste omschrijving van valsheid in geschriften. 190
3. Een noodzakelijk addendum: valsheid in geschriften en valsheid in informatica. 194
Hoofdstuk 2
Een strafrechtelijk beschermd geschrift.199
Afdeling 1. Inleiding. . 199
Afdeling 2. Een geschrift. 204
1. De notie ‘geschrift’. 204
2. Toepassing op enkele klassieke ‘moeilijke gevallen’. 216
3. Geschriften en informaticagegevens. . 225
4. Besluit. . 232
Afdeling 3. De uitdrukking van een gedachte. . 235
1. Geschrift en gedachte. . 235
2. Toepassing op enkele moeilijke gevallen. 241
Afdeling 4. Een juridische draagwijdte. . 246
1. Situering, verantwoording en invulling. . 246
2. Toepassing volgens de aard van het geschrift. 259
3. Een rechtsvergelijkend perspectief.269
4. Tot besluit: naar een wettelijke integratie van de vereiste van ‘juridische draagwijdte’.277
Afdeling 5. Het ‘opdringen aan het openbaar vertrouwen’.280
1. Situering, invulling en verantwoording. . 280
2. De maatschappelijke bewijswaarde en het ‘controlecriterium’. 293
3. Toepassing volgens de aard van het geschrift. 302
4. Tot besluit: naar een wettelijke integratie van de vereiste van ‘maatschappelijke bewijswaarde’. . 326
Afdeling 6. Samenvattend besluit: de wettelijke integratie van het ‘strafrechtelijk beschermd geschrift’. 330
Hoofdstuk 3
Een waarheidsvermomming. 337
Afdeling 1. Inleiding. . 337
Afdeling 2. De invulling en rol van het constitutief bestanddeel van de waarheidsvermomming. . 343
1. Inleiding.343
2. (On)waarheid in het strafrecht.344
3. Van onwaarheid naar strafbare valsheid. . 350
Afdeling 3. Vormen van waarheidsvermomming. . 353
1. Materiële en intellectuele valsheid.354
2. De wettelijke valsheidsmodaliteiten. . 363
2.1. Inleidende beschouwingen. . 363
2.2. Bespreking van de wettelijke valsheidsmodaliteiten. . 367
2.2.1. Valsheid door valse handtekeningen en vervalsing van handtekeningen (art. 194, lid 2 en 3 in fine en art. 196,
lid 2 en 3 in fine Sw.).368
2.2.2. Valsheid door namaking en vervalsing van geschriften (art. 194, lid 3 en art. 196, lid 3 en lid 5 Sw.). 375
2.2.3. Valsheid door onderschuiving van personen (art. 194,
lid 4 Sw.). 379
2.2.4. Valsheid door het valselijk opmaken van overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen (art. 195 in globo en art. 196, lid 4 Sw.). 381
2.2.5. Valsheid door het (na het opmaken) valselijk invoegen of toevoegen van overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen (art. 194, lid 5 en art. 196, lid 4 in fine en lid 5 Sw.). . 388
2.3. Besluit.391
3. Enkele bijzondere verschijningsvormen van waarheidsvermomming. 392
3.1. Waarheidsvermomming door omissie: verzwijgen in een geschrift. . 393
3.2. Waarheidsvermomming door simulatie: veinzen in een geschrift. . 398
3.2.1. Inleiding. 398
3.2.2. Simulatie als strafbare waarheidsvermomming en het burgerrechtelijke fiat van simulatie.404
a) De burgerrechtelijke analyse van simulatie. . 404
b) Het belang van de burgerrechtelijke analyse voor de strafrechtelijke simulatie. . 407
c) Besluit. . 412
3.2.3. Simulatie als strafbare waarheidsvermomming en het fiscaalrechtelijke perspectief op simulatie. 415
a) De fiscaalrechtelijke situering en analyse van simulatie als belastingontduiking.415
b) De fiscaalrechtelijke invulling en kwalificatie van simulatie.419
c) Besluit: het belang van de fiscaalrechtelijke analyse van simulatie voor de strafrechtelijke valsheid in
geschriften. . 425
3.2.4. Besluit: simulatie als valsheid in geschriften. . 427
Afdeling 4. Samenvattend besluit: de waarheidsvermomming: ‘(rien que) l’essence même’. . 429
Hoofdstuk 4
De schuldvorm.435
Afdeling 1. Inleiding. . 435
Afdeling 2. Situering en theoretische omkadering van de voor valsheid in geschriften vereiste schuldvorm. 436
1. Korte situering vanuit historisch en rechtsvergelijkend perspectief.436
2. Theoretische omkadering. 443
Afdeling 3. Analyse en evaluatie van het vereiste bijzonder opzet. 450
1. Een algemeen opzet als noodzakelijke voorwaarde. . 450
2. Het oogmerk om te schaden en het bedrieglijk opzet.453
2.1. Het oogmerk om te schaden.456
2.2. Het bedrieglijk opzet.458
3. Het bijzonder opzet en valsheid door openbare officieren en ambtenaren qualitate qua. . 472
Afdeling 4. Tot besluit: evaluatie van het bijzonder opzet. 481
Hoofdstuk 5
Een mogelijk nadeel. . 487
Afdeling 1. Inleiding. . 487
Afdeling 2. Situering van de vereiste van het mogelijk nadeel vanuit historisch perspectief. 488
Afdeling 3. Aard, vaststelling en invulling van de vereiste van het mogelijk
nadeel volgens de huidige opvattingen. 492
1. Aard van de vereiste van het mogelijk nadeel.492
2. Vaststelling van het vereiste mogelijk nadeel. 498
3. Invulling van het ‘mogelijk nadeel’.505
Afdeling 4. Alternatieve visie op het ‘mogelijk nadeel’. 514
1. De analyse en evaluatie van het ‘mogelijk nadeel’ vanuit theoretisch perspectief. . 515
2. De verhouding van het bestanddeel van ‘mogelijk nadeel’ tot de andere constitutieve bestanddelen.520
2.1. De ‘denkoefening’ van het mogelijk nadeel en de materiële gevaarlijkheid van de gedraging. 521
2.2. De ‘denkoefening’ van het mogelijk nadeel en de voorstelling van een mogelijk gebruik.525
2.3. Samenvattend besluit en toetsing aan een bijzonder probleem. . 527
3. Een korte vergelijking met de ontwikkeling van de vereiste van mogelijk nadeel in Frankrijk en Nederland. . 530
Afdeling 5. Algemeen besluit: over hoe het ‘mogelijk nadeel’ tegelijk cruciaal en overbodig kan zijn in een coherente delictsomschrijving van valsheid in geschriften.535
DEEL IV
HET MISDRIJF VAN GEBRUIK VAN EEN VALS GESCHRIFT. 539
Hoofdstuk 1
Inleiding. . 541
Hoofdstuk 2
De constitutieve bestanddelen van het gebruik van een vals geschrift. . 545
Afdeling 1. De materiële mogelijkheidsvoorwaarden. . 545
Afdeling 2. Het moreel element. 551
1. Inleiding.551
2. Invulling van het bijzonder opzet. 555
3. Afsluitende bedenking. 559
Afdeling 3. Het gebruik. . 562
1. Definitie van ‘gebruik’: aanvang van het gebruik.563
2. De duur van het gebruik: einde van het gebruik?.573
2.1. Genese van gebruik als een voortdurend misdrijf en de ‘duur-formule’ van het Hof van Cassatie. . 574
2.2. Toetsing van de ‘duur-formule’: wanneer eindigt het gebruik?. . 581
2.2.1. Beëindiging van het gebruik door de wil van de dader. . 582
2.2.2. Beëindiging van het gebruik door externe omstandigheden. 585
a) Het bereiken van het beoogde doel. . 586
b) Het einde van het verwachte nuttig gevolg. . 591
c) Het onderling relatief gewicht van de criteria inzake de beëindiging van het gebruik door externe omstandigheden.596
3. De onverdedigbare kwalificatie van gebruik als een voortdurend misdrijf. . 599
Afdeling 4. Besluit inzake het gebruiksmisdrijf. 605
Hoofdstuk 3
Valsheid in geschriften en gebruik van een vals geschrift: twee onderscheiden misdrijven.609
Afdeling 1. De ‘historische’ relatie tussen valsheid en gebruik. 612
Afdeling 2. Drie problemen inzake het gebruik in relatie tot valsheid.615
1. Het gebruik door de dader van de valsheid. . 616
1.1. Inleiding. . 616
1.2. Een voortdurend misdrijf?. . 620
1.3. Een collectief misdrijf.629
1.4. Besluit: gebruik als de voltooiing van valsheid (genuanceerd).637
2. De aansprakelijkheid van de dader van de valsheid voor het gebruik door een derde.639
2.1. De aard en voorwaarden van de toerekening van derdegebruik aan de vervalser. 640
2.2. De toetsing van de toerekeningsformule aan de voorwaarden tot toerekening ex art. 197 juncto 213 Sw. 645
3. De strafmaat op het misdrijf van gebruik van een vals geschrift.650
Afdeling 3. Besluit: de relatie tussen valsheid en gebruik vanuit de genuanceerde voltooiingsvisie.656
Hoofdstuk 4
Besluit: de evidentie voorbij. 659
DEEL V
ALGEMEEN BESLUIT.663
1. Inleiding.665
2. De afbakening van valsheid in geschriften en van gebruik van
valse geschriften.667
2.1. De basisprincipes bij afbakening.667
2.2. De afbakening van valsheid in geschriften. 670
2.3. De afbakening van gebruik van valse geschriften. . 676
3. De wettelijke voorstelling van valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften.680
3.1. Evaluatie van de huidige wettelijke voorstelling. . 680
3.2. Proeve tot een nieuwe voorstelling. 684
4. Uitleiding.686
GERAADPLEEGDE BRONNEN.689
1. Register van rechtspraak. . 689
1.1. Arbitragehof. 689
1.2. Hof van Cassatie. 689
1.3. Hoven van beroep.701
1.4. Rechtbanken van eerste aanleg. 704
2. Bibliografie. 706
2.1. Belgische rechtsliteratuur.706
2.1.1. Boeken. . 706
2.1.2. Bijdragen in verzamelwerken, artikelen en noten.708
2.2. Franse rechtsliteratuur. . 718
2.2.1. Boeken. . 718
2.2.2. Bijdragen in verzamelwerken, artikelen en noten.720
2.3. Nederlandse rechtsliteratuur.720
2.3.1. Boeken. . 720
2.3.2. Bijdragen in verzamelwerken, artikelen en noten.721
2.4. Italiaanse rechtsliteratuur.722
2.4.1. Boeken. . 722
2.4.2. Bijdragen in verzamelwerken, artikelen en noten.723
2.5. Filosofische, historische en andere bronnen.723
2.5.1. Filosofische bronnen.723
2.5.2. Historische bronnen.723
2.5.3. Varia. 724
3. Geraadpleegde websites.724
TREFWOORDENREGISTER. . 727
 

Bespreking van dit werk door de uitgever:

 

Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften zijn twee van de meest opgemerkte en omstreden misdrijven in het Belgische strafrecht. Omdat zij vaak betrekking hebben op onrechtmatigheden in andere sectoren (fiscaal recht, boekhoudrecht, vennootschapsrecht, familierecht, arbeidsrecht, administratief recht, ...), ziet ook de niet-penalist zich regelmatig geconfronteerd met de materie.
Maar wanneer levert een geschreven onwaarheid een strafbare valsheid in geschriften op? Opmerkelijk genoeg krijgt deze vraag, zoals zovele andere in het valsheidsleerstuk, geen afdoend antwoord in de wet. Ook de omvangrijke rechtspraak en rechtsleer bieden veelal slechts gefragmenteerde en incoherente oplossingen.
In dit boek worden de misdrijven van valsheid en gebruik van valse geschriften grondig herdacht. Dat resulteert niet alleen in noodzakelijke suggesties de lege ferenda, maar biedt de rechtspraktizijn vooral een overzichtelijke en vrijwel exhaustieve stand van zaken van het leerstuk, met tal van oplossingen voor concrete problemen uit de rechtspraktijk. Dit boek is dan ook een onmisbaar naslagwerk voor eenieder die met deze complexe materie in aanraking komt.

 

 

Silvia Van Dyck promoveerde in 2006 tot doctor in de rechten aan de K.U.Leuven en is de voorbije jaren uitgegroeid tot één van de autoriteiten op dit vlak. Zij is advocaat aan de Balie van Brussel bij advocatenkantoor Laga. Ook is ze vrijwillig medewerker aan het Instituut voor Strafrecht van de K.U.Leuven.

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: ma, 03/01/2011 - 15:35
Laatst aangepast op: wo, 09/11/2016 - 16:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.