-A +A

Taak van de rechter bij verstek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
S Mosselmans
Tijdschrift: 
RW
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
3
Samenvatting

Het is de centrale bedoeling van «Potpourri I» van 19 oktober 2015, bij wijze van stap in de «hink-stap-sprong» van onze minister van Justitie, de proceseconomie op te schroeven en rechtsmiddelen te beperken. Het is zeer de vraag hoe het nieuwe art. 806 Ger.W. over de taak van de rechter bij verstek daarin past.

In deze besproken bijdrage wordt verdedigd dat de wetgever met deze bepaling eensdeels op het stuk van procedure de traditionele taak van de rechter bij verstek handhaaft en anderdeels op het stuk van beoordeling ten gronde een zogeheten verfijnde minimalistische strekking aanhangt.

Inhoudstafel tekst: 

 I. Verstek

Verstek is de procedure waarbij een van de partijen, hoewel regelmatig opgeroepen, niet ter inleiding of op een latere zitting waarop de zaak is verdaagd of vastgesteld niet verschijnt (art. 802 Ger.W.)., terwijl de niet-verschijnende partij geen conclusie heeft genomen (art. 804 Ger.W.).

Verstek kan niet genomen worden op een rechtsdag, die overeenkomstig art. 747 Ger.W. In dat geval kan immers de meest gerede partij een vonnis vorderen, dat hoe dan ook op tegenspraak is gewezen (art. 747, § 2, zesde lid Ger.W.).

II. Weg met het oude art. 806 Ger.W.

III. Overgangsrecht

IV. Leve het nieuwe art. 806 Ger.W.?

V. Traditionele taak van de rechter bij verstek

A. Controle van de oproeping

B. Rechtsmacht en bevoegdheid

C. Toelaatbaarheidsvereisten

D. Verder onderzoek van de zaak

1° Maximalistische strekking

2° Minimalistische strekking

VI. Actuele keuze van de wetgever

VII. Dura lex sed lex?

VIII. Koelen zonder blazen

IX. Parallel tussen de taak van de rechter bij verstek en in geval van tegenspraak 163

A. Openbare orde als evolutief concept

B. Wat de rechter «moet»

C. Wat de rechter «mag»

1° Voorwaarden voor het ambtshalve aanvullen van redenen

2° Respect voor procedureakkoorden

3° Respect voor de partijautonomie

a) Extra soepelheid in familierechtelijke geschillen

b) Extra soepelheid in dringende gevallen

c) Extra soepelheid in kort geding of bij een andere gebeurlijk dringende procedure met het oog op een maatregel alvorens verder recht te spreken of wanneer voorlopige maatregelen worden gevraagd,

d) Wettelijke afwijkingen

4° Eerbiediging van het recht van verdediging

D. Mildering of afwijzing van een kennelijk ongegronde vordering in geval verstek

Besluit

Bronverwijzingen

• G. de Leval, J. Van Compernolle en F. Georges, «La loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile en portant des dispositions diverses en matière de justice», JT 2015, 785 e.v.;
• D. Scheers en P. Thiriar, Potpourri I – Gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 153 p.
• J. Boon, «Alleenzetelende rechters: niet zaligmakend voor efficiëntere justitie», Juristenkrant 2015, nr. 308, p. 10;
• B. Luyten, «Pleidooi voor een collegiale rechtspraak», RW 2014-15, 1637-1638. Zie voorts voor een treffende illustratie: Gent 28 mei 2015, NJW 2015, 599, met goedkeurende noot C. Van Severen.
• Gent 6 februari 2014, NJW 2015, 272, noot C. Van Severen
• C. Declerck, «Kroniek familiaal vermogensrecht 2014-15: Secundair huwelijksvermogensstelsel» in W. Pintens en C. Declerck (eds.), Patrimonium 2015, Brugge, die Keure, 2015, p. 24, nr. 35.
•F. Lejeune, «Simplification de la procédure par défaut et métamorphose de l’appel, pour quelle éfficacité?» in J. Englebert en X. Taton (eds.), Le procès civil efficace – Première analyse de la loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile (dite «loi pot-pourri 1»), Limal, Anthemis, 2015, 107 e.v.;
• B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), Hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, p. 104-114, nrs. 4-15;
• J.-F. van Drooghenbroeck, «Le défaut – Réajustement de la protection du justiciable défaillant» in H. Boularbah en J.-F. van Drooghenbroeck (eds.), Pot-Pourri I et autres actualités de droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2016, 175 e.v.
• 16 J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 380, nr. 906;
• A. Smets, «Verstek en tegenspraak in de Wet van 3 augustus 1992» in P. Taelman en M. Storme (eds.), Tien jaar toepassing van de Wet van 3 augustus 1992 en haar reparatiewetgeving, Brugge, die Keure, 2004, p. 57-58, nr. 2. Zie bv. ook: Cass. 9 februari 2007, RW 2008-09, 1047.
• S. Sobrie «Art. 729 Ger.W.» in Comm.Ger. 2013, p. 4, nr. 3. Zie bv. Vred. Roeselare 11 oktober 2005, RW 2006-07, 1253;
• Rb. Gent 2 oktober 2007, TGR-TWVR 2008, 213, noot;
•Rb. Gent 7 oktober 2008, RW 2008-09, 884.
• Arbrb. Charleroi 9 januari 1995, JLMB 1995, 552.
• E. Krings, «Art. 802 Ger.W.» in Comm.Ger. 1995, p. 1, nr. 1.
• Arbh. Bergen 14 januari 1980, TSR 1980, 119.
• R. De Corte en J. Laenens, «De verstekprocedure en de taak van de rechter bij verstek», TPR 1980, p. 467, nr. 43.
• B. Maes, E. Brewaeys, P. Vanlersberghe, N. Clijmans en S. Van Schel, Gerechtelijk privaatrecht – Na de hervormingen van 2013-2014, Brugge, die Keure, 2014, 261.
• K. Wagner, Burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2014, p. 161, nr. 155 en p. 937-939, nr. 1099.
• Rb. Aarlen 1 april 1994, TBBR 1994, 523.
• GwH 1 maart 2006, JT 2006, 269, noot H. Boularbah.
• GwH 21 december 2004, RW 2005-06, 140.
• Rb. Aarlen 1 april 1994, TBBR 1994, 523.
• Cass. 15 december 1995, RW 1996-97, 234;
• Cass. 21 mei 2010 RABG 2010, 1172, noot N. Clijmans.
• Cass. 9 februari 2007, RW 2008-09, 1047.
• Cass. 17 december 1998, RW 1999-2000, 48.
• Cass. 19 september 2008, RW 2010-11, 932.
• Cass. 17 februari 1978, Arr.Cass. 1978, 721;
• Cass. 15 januari 1990, RW 1990-91, 494;
• Cass. 5 november 1993, Arr.Cass. 1993, 929;
• Cass. 15 december 1995, RW 1996-97, 234, noot.
• Cass. 10 januari 1986, RW 1986-87, 105.
• E. Krings, «Art. 806 Ger.W.» in Comm.Ger. 1995, p. 7-8, nr. 8).
• Beslagr. Gent 7 oktober 1990, TGR 1990, 22.
• E. Brewaeys, «De raadsels van art. 806 Ger.W.» (noot onder GwH 19 maart 2008), RABG 2008, 661-665;
• E. Krings, «Art. 806 Ger.W., in Comm.Ger. 1995, p. 2-3, nr. 2. Zie ook: GwH 19 maart 2008, RABG 2008, 657, noot E. Brewaeys.
• A. Smets, o.c., in P. Taelman en M. Storme (eds.), Tien jaar toepassing van de Wet van 3 augustus 1992 en haar reparatiewetgeving, p. 83, nr. 31.
• J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, o.c., p. 388-390, nrs. 930-931;
•S. Rutten, «Verstek en verzet in burgerlijke zaken herbekeken» in A. Van Oevelen, J. Rozie en S. Rutten (eds.), Verstek en verzet in burgerlijke zaken, nationaal en Europees, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 11, nr. 16;
• A. Smets, o.c., in P. Taelman en M. Storme (eds.), Tien jaar toepassing van de Wet van 3 augustus 1992 en haar reparatiewetgeving, p. 80-81, nr. 30, voetnoot 121.
• Beslagr. Brussel 15 mei 2008, JT 2008, 514;
•Beslagr. Gent 5 maart 2013, RW 2015-16, 712.
• Decroës, «Suppression de la péremption du jugement par défaut» in H. Boularbah en J.-F. van Drooghenbroeck (eds.), Pot-Pourri I et autres actualités de droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2016, 171-172, nr. 3.
• P. Taelman en K. Broeckx, o.c., in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), Hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, p. 106, nr. 5, voetnoot 23.
• Antwerpen 8 mei 1984, RW 1985-86, 1491.
• Cass. 13 september 1993, RW 1993-94, 751.
• E. Krings, «Art. 806 Ger.W.» in Comm.Ger. 1995, p. 3-5, nr. 5.
• E. Dirix en K. Broeckx, Beslag, in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 171-172, nr. 239;
• J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, o.c., p. 389-390, nr. 931. Een en ander was hoe dan ook omstreden (P. Moureau, «Faut-il convoquer la partie condamnée par défaut à l’audience de revitalisation d’un jugement réputé non avenu?», T.Vred. 2007, 83-85;
• Cass. 13 september 1993, RW 1993-94, 751;
• Beslagr. Gent 9 oktober 1990, TGR 1991, 22;
• Arbrb. Charleroi 11 januari 1996, JLMB 1998, 80. Zie ook: E. Krings
• Cass. 22 februari 1991, Arr.Cass. 1990-91, 685. Vgl. Beslagr. Brugge 2 december 1997, RW 1997-98, 752, noot;
• J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, o.c., p. 390-391, nr. 933;
• J. Laenens, «Moet een contradictoir geacht vonnis binnen een jaar na uitspraak betekend worden?» (noot onder Beslagr. Brussel 23 januari 1987), TBBR 1988, 127.
• J. Laenens en K. Broeckx, «Het gerechtelijk recht in een stroomversnelling», RW 1992-93, p. 926, nr. 187. Zie ook: Parl.St. Kamer 1990-91, nr. 1198/1, commissiestuk nr. 32.
• Cass. 31 mei 2012, RW 2012-13, 462, noot T. Delwiche;
• C. De Boe, «Le droit transitoire» in J.-F. van Drooghenbroeck (ed.), Le Code judiciaire en pot-pourri: promesses, réalités et perspectives, Brussel, Larcier, 2016, p. 379 e.v., nrs. 68 e.v.
• D. Scheers en P. Thiriar, «De toepassing van art. 806 Ger.W. in de tijd», RW 2015-16, 762.
• B. Allemeersch en S. Voet, «De wet Potpourri I – Wijzigingen van het burgerlijk procesrecht», RW 2015-16, p. 1533, nr. 35;
• G. Closset-Marchal, Code judiciaire: droit commun de la procédure et droit transitoire – Commentaire des articles 2 et 3 C.J., Brussel, Larcier, 2011, nr. 133).
• Cass. 22 november 1984, Arr.Cass. 1984-85, 413;
• Cass. 29 april 1993, RW 1993-94, 371. Zie ook: Luik 22 februari 1991, JLMB 1993, 238, noot G. Closset-Marchal.
• Vgl. G. Closset-Marchal, «Le procès civil après la loi du 19 octobre 2015», TBBR 2016, p. 78-79, nr. 23.
• Cass., 10 februari 1972, Arr.Cass. 1972, 536,
• Cass. 22 november 1984, Arr.Cass. 1984-85, 413;
• Cass. 29 april 1993, RW 1993-94, 371. Zie ook: G. Closset-Marchal, o.c., nr. 182.
• P. Taelman, «Een andere lezing van de werking in de tijd van art. 806 Ger.W.», RW 2015-16, 1274-1275, • Zie bv. Kh. Dendermonde 16 juni 2011, RW 2012-13, 1547.
• Cass. 14 juni 2010, P&B 2011, 19;
• Cass. 1 juni 2012, RW 2013-14, 171;
• Cass. 15 juni 2012, RW 2013-14, 171, noot B. Van den Bergh;
• Cass. 7 november 2014, RW 2014-15, 739, noot B. Van den Bergh).
• D. Scheers, «Woonplaatswijziging tijdens de procedure» (noot onder Luik 16 november 1998), TBBR 2000, 675-679.
• Antwerpen 7 april 2003, P&B 2003, 267;
• Rb. Brussel 3 maart 1992, JLMB 1992, 1387.
• S. Rutten en F. Dupon, «Overzicht van rechtspraak (2001-2013). De bevoegdheid», TPR 2014, p. 1902, nr. 34.
• Rb. Verviers 27 november 1995, TBBR 1996, 240;
• Rb. Mechelen 29 januari 1997, RW 1998-99, 308;
• Rb. Gent 2 juni 2009, RW 2010-11, 291.
• J. Laenens, «Overzicht van rechtspraak (1993-2000): De bevoegdheid», TPR 2002, p. 1518, nr. 36;
• A. Smets, o.c., in P. Taelman en M. Storme (eds.), Tien jaar toepassing van de Wet van 3 augustus 1992 en haar reparatiewetgeving, p. 72-73, nr. 23.
• J. Laenens, De bevoegdheidsovereenkomsten naar Belgisch recht, Antwerpen, Kluwer, 1981, p. 217-218, nr. 729;
• J. Laenens, «De vrederechter in de kou», T.Vred. 1993, p. 178-179, nr. 19.
• P. Senaeve en A. Bekkers, De wet betreffende de familie- en jeugdrechtbank – Commentaar, gesystematiseerde uittreksels uit de voorbereidende werken en gecoördineerde wetteksten, Mechelen, Kluwer, 2014, 31.
• K. Devolder, «De invoering van een familie- en jeugdrechtbank – Commentaar bij de Wet van 30 juni 2013», T.Fam. 2014, p. 135-136, nr. 26, die blijkbaar geen nuance maakt binnen het volgens haar zonder meer dwingende art. 629bis Ger.W.
• Vred. Zottegem-Herzele 15 oktober 2009, T.Vred. 2011, 427, noot A. Smets;
• Vred. Luik 24 januari 2011, T.Vred. 2012, 635;
• Vred. Landen-Zoutleeuw 6 april 2011, T.Vred. 2013, 167;
• Vred. Sprimont 20 september 2012, T.Vred. 2014, 526.
• Cass. 13 juni 1985, RW 1986-87, 192;
• A. Fettweis, «Absens si bonam causam habuit, vincet» (noot onder Cass. 13 juni 1985), Ann.dr.Liège 1986, 122-127.
• J. Laenens, «Overzicht van rechtspraak (1979-1992): De bevoegdheid», TPR 1993, p. 1502-1503, nr. 33;
• A. Smets, o.c., in P. Taelman en M. Storme (eds.), Tien jaar toepassing van de Wet van 3 augustus 1992 en haar reparatiewetgeving, p. 74-75, nr. 24;
• P. Thiriar, «Verstek van de verwerende partij en territoriale bevoegdheid» (noot onder Rb. Mechelen 12 februari 2007), P&B 2008, 59-60;
• J.-F. van Drooghenbroeck, «Absens indefendus est» in J. Linsmeau en M. Storme (eds.), De respectieve rol van rechter en partijen in het burgerlijke geding, Brussel, Bruylant, 1999, p. 246, nr. 128;
• J.-F. van Drooghenbroeck, «Les pouvoirs du juge statuant en l’absence du défendeur ou «les contradictions du défaut»», Ann.dr.Louvain 1995, 429.
• Rb. Brugge 21 mei 2007, P&B 2008, 160.
• Zie o.m. Cass. 8 september 1978, RW 1978-79, 960, noot J. Laenens;
• Cass. 19 december 1985, RW 1986-87, 279, noot;
• Cass. 19 februari 1987, Arr.Cass. 1986-87, 808;
• Cass. 21 oktober 1996, RW 1997-98, 654;
• Cass. 13 juni 2003, Arr.Cass. 2003, 1380.
• P. Van Orshoven, «De bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in burgerlijke zaken – stand van zaken en actuele ontwikkelingen» in P. Van Orshoven (ed.), Themiscahier gerechtelijk recht 2002-03, Brugge, die Keure, 2003, p. 33-34, nr. 54.
• Cass. 18 oktober 2012, JT 2013, 62,
• Cass. 17 februari 1995, RW 1995-96, 237;
• Cass. 22 februari 2007, JT 2007, 482, noot J.-F. van Drooghenbroeck;
• Beslagr. Gent 18 mei 2004, TGR-TWVR 2004, 117;
• Rb. Gent 2 oktober 2007, TGR-TWVR 2008, 213;
• Rb. Gent 7 oktober 2008, RW 2008-09, 884.
• A. Smets, Het recht op tegenspraak in civiele geschillen, Brugge, die Keure, 2009, p. 477-491, nrs. 656-667;
• Cass. 7 december 1972, Arr.Cass. 1973, 339;
• Cass. 16 januari 1976, RW 1975-76, 1961;
• Cass. 12 september 1980, RW 1980-81, 1517, noot B. Maes;
• Cass. 13 juni 1985, RW 1986-87, 192;
• Cass. 14 november 2006, Arr.Cass. 2006, 2299.
• A. Kohl, «Pouvoirs et devoirs du juge statuant par défaut. Application des principes au respect des règles de compétence territoriale», JT 1972, 329-332;
• Rb. Aarlen 14 maart 1997, TBBR 1997, 448.
• Rb. Brussel 18 oktober 1989, JLMB 1990, 103. •
• Cass. 30 april 1936, Pas. 1936, I, 228. Zie ook: Cass. 24 september 1953, Pas. 1954, I, 38;
• Cass. 22 december 1955, RCJB 1956, 158;
• Cass. 28 juni 1962, RCJB 1963, 242, noot A. Fettweis.
• Cass. 7 december 1972, Arr.Cass. 1973, 339;
• Cass. 16 januari 1976, Arr.Cass. 1976, 577;
• Cass. 21 mei 1981, RW 1982-83, 2243, noot P. Lemmens;
• Cass. 17 november 1989, RW 1989-90, 1221.
• Cass. 14 november 2006, Arr.Cass. 2006, 2299.
• Cass. 15 januari 2016, AR nr. C.14.0566.F.
• H. Boularbah, «Le défaut et l’opposition devant les jurisdictions du travail», JTT 1999, p. 429, nr. 22.
• P. Van Orshoven en B. Lambrecht, «Het recht van verdediging bij de inleiding van de zaak» in M. Storme en B. Maes (eds.), Moet het recht van verdediging worden afgeschaft? – Les perversions du droit de la défense, Brussel, Bruylant, 2000, 9 e.v.
• B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 125-126, nr. 7.
• Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54 1219/005, p. 1 en volgende
• Cass. 27 mei 1971, RW 1971-72, 424.
• B. De Smet, J. Lathouwers en K. Rimanque, «Art. 6.1 EVRM» in J. Vande Lanotte en Y. Haeck (eds.), Handboek EVRM, II, Artikelsgewijze commentaar, I, Antwerpen, Intersentia, 2004, p. 452 e.v., nrs. 140 e.v.
• Gent 24 december 2015, NJW 2016, 450, noot L. Deschuyteneer.
• Cass. 14 januari 2005, RW 2005-06, 304, noot M. Storme.
•. Cass. 15 januari 2016, AR nr. C.14.0566.F.
• I. Couwenberg, «Erkenning, exequatur en executie van vonnissen» in B. Allemeersch en T. Kruger (eds.), Handboek Europees burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 170-171, nr. 50.
• F. Lejeune, «Simplification de la procédure par défaut et métamorphose de l’appel, pour quelle éfficacité?» in J. Englebert en X. Taton (eds.), Le procès civil efficace – Première analyse de la loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile (dite «loi pot-pourri 1»), Limal, Anthemis, 2015, p. 120-123, nrs. 23-29.
• B. Allemeersch en S. Voet, o.c., RW 2015-16, p. 1533-1534, nr. 36;
• P. Taelman en K. Broeckx, o.c., in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), Hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, Brugge, die Keure, p. 111, nr. 10. Anders: J.-F. van Drooghenbroeck, o.c., in H. Boularbah en J.-F. van Drooghenbroeck (eds.), Pot-Pourri I et autres actualités de droit judiciaire, p. 205, nr. 34.
• P. Taelman en K. Broeckx, o.c., in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), Hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, p. 112-113, nrs. 13-14. Zie ook: L. Frankignoul, «L’instruction en le jugement par défaut», in Fac. Dr. Liège (ed.), Droit judiciaire – Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, p. 431-434, nrs. 3199-3200;
• B. Allemeersch en S. Voet, o.c., RW 2015-16, p. 1533-1534, nr. 36. Vgl. Cass. 9 december 1948, Arr.Cass. 1948, 615;
• Cass. 14 januari 1954, Arr.Cass. 1954, 329;
• Cass. 15 maart 1968, RW 1967-68, 2000;
• Cass. 10 november 1978, RW 1979-80, 1479, noot A. Van Oevelen.
• F. Peeraer, «De verhouding tussen de openbare orde en dwingend recht sensu stricto in het Belgische verbintenissenrecht», TPR 2013, 2705 e.v.
• Cass. 17 april 1970, Arr.Cass. 1970, 754;
• Cass. 6 december 2002, RABG 2003, 645, noot J. Baeck, RW 2003-04, 703, noot A. Goegebuer, waarbij het Hof van Cassatie weliswaar laat verstaan dat art. 1231 BW van dwingend recht is;
• Cass. 22 oktober 2004, RABG 2005, 647, noot J. Baeck, RW 2005-06, 460, noot D. Mertens. Zie bv. ook en vgl. aangaande de toets van een zogeheten opzegbeding met art. 6 en art. 1131 BW: Gent 19 november 2014, NJW 2016, 225, kritische noot P. Brulez.
• A. Van Oevelen, S. Rutten en F. Dupon, «Ambtshalve inroepbaarheid van Europees consumentenrecht, materieelrechtelijk en procesrechtelijk beschouwd» in G. Straetmans en M. Rozie (eds.), Doorwerking van het Europese recht in de nationale rechterlijke praktijk, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 119-121, nr. 25.
• HvJ 27 juni 2000, TBH 2000 (weergave T. De Meese), 669;
• HvJ 21 november 2002, RW 2004-05 (weergave G. Straetmans), 276;
• HvJ 26 oktober 2006, SEW 2006, 477;
• HvJ 4 oktober 2007, SEW 2007, 464;
• HvJ 4 juni 2009, SEW 2009, 453, noot M. Verhoeven;
• HvJ 6 oktober 2009, TBH 2010 (weergave K. Cox), 291;
• HvJ 9 november 2010, SEW 2011, 31;
• HvJ 4 juni 2015, JDE 2015, nr. 221, 307;
• P. Taelman en K. Broeckx, o.c., in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), Hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, p. 113-114, nr. 15;
• J.-F. van Drooghenbroeck, o.c., in H. Boularbah en J.-F. van Drooghenbroeck (eds.), Pot-Pourri I et autres actualités de droit judiciaire, p. 221-222, nrs. 64-65.
• Gent 4 januari 2012, NJW 2012, 70, noot R. Steennot.
• Cass. 22 oktober 2004, RW 2005-06, 460, noot D. Mertens;
• Cass. 26 mei 2005, RW 2007-08, 609;
• C. Delforge, «Clauses abusives, office du juge et renonciation», JLMB 2008, 93;
• P. Wéry, «Les clauses abusives relatives à l’inexécution des obligations contractuelles dans les lois de protection des consommateurs du 14 juillet 1991 et du 2 août 2002», JT 2003, 2007.
• Cass. 5 september 2014, RW 2014-15, 668.
• Cass. 22 december 1938, Pas. 1938, I, 405.
• Cass. 22 december 2006, RW 2006-07, 1439, noot A. Van Oevelen;
• Cass. 5 september 2013, RW 2014-15, 1224.
• Cass. 14 april 2005, Arr.Cass. 2005, 868;
• Cass. 16 maart 2006, P&B 2006, 224;
• Cass. 6 december 2007, RW 2009-10, 1125;
• Cass. 12 oktober 2006, Arr.Cass. 2006, 1988;
• Cass. 20 april 2009, RW 2009-10, 876;
• Cass. 28 september 2009, Arr.Cass. 2009, 2125;
• Cass. 24 december 2009, Pas. 2009, 3248;
• Cass. 1 februari 2010, P&B 2010, 108;
• Cass. 31 januari 2011, Pas. 2011, 356;
• Cass. 31 oktober 2013, JT 2014, 372;
• Cass. 23 januari 2014, Arr.Cass. 2014, 226;
• Cass. 10 februari 2014, P&B 2014, 64;
• Cass. 5 december 2014, RABG 2015, 397;
• Cass. 22 januari 2015, P&B 2015, 105;
• Cass. 30 maart 2015, JLMB 2015, 1714;
• Cass. 17 april 2015, Arr.Cass. 2015, 1020;
• Cass. 8 mei 2015, Arr.Cass. 2015, 1188.
• Cass. 23 september 2013, RW 2015-16, 940, noot B. Van den Bergh.
• B. Allemeersch, I. Samoy en W. Vandenbussche, «Overzicht van rechtspraak (2000-2013): het burgerlijk bewijsrecht», TPR 2015, p. 637-639, nr. 33.
• Cass. 4 maart 2013, RW 2013-14, 1579, waarbij het Hof van Cassatie een algemeen rechtsbeginsel erkent.
• A. Meeùs, «La notion de loi impérative et son incidence sur la procédure en cassation et sur l’office du juge», RCJB 1986, 498.
• Cass. 25 februari 2010, RW 2010-11, 446;
• Cass. 12 januari 2007, NJW 2007, 845, noot G. Jocqué.
• Cass. 9 januari 1995, RW 1995-96, 455.
• L. Simont en P. Foriers, «Office du juge et moyen nouveau dans la jurisprudence récente» in B. Dauwe e.a. (eds.), Liber amicorum Ludovic De Gryse, Gent, Larcier, 2012, 411-418.
• Cass. 8 september 2008, RW 2010-11, 702;
• Cass. 23 mei 2011, RABG 2011, 1208, noot S. Berneman.
• Cass. 8 februari 2016, RABG 2016, 722, noot P. Vanlersberghe.
• Cass. 14 december 2012, RW 2013-14, 1577.
• Cass.14 januari 2008 (JTT 2008, 242),
• B. Van den Bergh, «Het subsidiaire karakter van de verrijking zonder oorzaak bekeken vanuit procesrechtelijke bril: de contouren verfijnd?» (noot onder Cass. 5 september 2013), RW 2015-16, p. 946, nr. 10.
• B. De Gryse, «De wijsheid van de rechter» in B. Dauwe e.a. (eds.), Liber amicorum Ludovic De Gryse, Gent, Larcier, 2012, p. 486, nr. 5.
• Cass. 24 maart 2006, Arr.Cass. 2006, 704.
• Cass. 16 februari 2007, JT 2008, 173, noot J.-F. van Drooghenbroeck;
• Cass. 30 september 2010, Pas. 2010, 2454;
• Cass. 30 januari 2014, T.Not. 2014, 754. Zie bv. nog: Cass. 15 februari 2008, RW 2010-11, 285;
• Cass. 1 februari 2010, P&B 2010, 108;
• Cass. 12 oktober 2012, RABG 2012, 307;
• Cass. 25 maart 2013, RW 2013-14, 1028;
• Cass. 5 december 2014, RABG 2015, 397;
• Cass. 2 maart 2015, Arr.Cass. 2015, 553,
• Cass. 28 mei 2009, Arr.Cass. 2009, 1465;
• Cass. 28 mei 2009, Arr.Cass. 2009, 1485;
• Cass. 28 september 2012, RW 2012-13, 895.
• J. Van Doninck, «Ambtshalve aanvulling van rechtsgronden: een tour d’horizon» in M. Piers, H. Storme en J. Verhellen (eds.), Liber amicorum Johan Erauw, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 230, nr. 3.
• Cass. 6 december 2007, RW 2009-10, 1125;
• Cass. 24 december 2009, Pas. 2009, 3248.
• Cass. 9 mei 2008, RW 2008-09, 1765, noot S. Mosselmans.
• Cass. 1 maart 1999, P&B 1999, 329.
• J.-F. van Drooghenbroeck, Cassation et juridiction – Jura dicit curia, Brussel, Bruylant, 2004, p. 386-388, nr. 425.
•193 Cass. 14 februari 2011, RW 2012-13, 303;
• Cass. 28 september 2012, RW 2012-13, 895;
• B. Allemeersch, o.c., p. 303-304, nr. 187.
• Cass. 8 februari 2001, TBBR 2002, 446, noot G. Closset-Marchal;
• Cass. 9 mei 2003, RW 2006-07, 510.
• Cass. 2 april 2010, P&B 2010, 216;
• Cass. 6 maart 2013, Pas. 2013, 534.
• J.-F. van Drooghenbroeck, Cassation et juridiction – Jura dicit curia, Brussel, Bruylant, 2004, p. 225-226, nr. 221.
• P. Van Orshoven, «Het verschil tussen «vragen» en «inroepen» – Over het beschikkingsbeginsel of de macht van de rechter in fiscalibus», TFR 2004, p. 162, nr. 4.
• P. Taelman en K. Broeckx, o.c., in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), Hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, p. 141-143, nr. 48.
• Cass. 4 januari 2013, T.Fam. 2014, 50, noot T. Vercruysse.
• Cass. 16 maart 2004, RW 2007-08, 83
• S. Mosselmans, «De persoonlijke verschijning der echtgenoten in het kader van de procedure «dringende voorlopige maatregelen», EJ 1997, p. 103-104, nrs. 14-15.
• A. Smets, «Het beginsel van de autonomie van de procespartijen en de actieve rechter: een dubbeltje op zijn kant» (noot onder Brussel 16 februari 2007), P&B 2008, p. 129-130, nrs. 4-7;
• P. Thion, «Kwalificatie van oorzaak en voorwerp van de vordering», NJW 2003, p. 733-734, nr. 24.
•. Cass. 28 april 1994, AJT 1994-95, 267, noot P. Hofströssler.
•. Brussel 16 februari 2007, P&B 2008, 124, met terecht kritische noot A. Smets.
• P. Taelman, «Het kort geding – Ontwikkeling van de urgentievoorwaarde en het vereiste bij voorraad uitspraak te doen in de jaren 90 alsook enkele procedureaspecten», P&B 1997, 213-214.
• S. Beernaert, «Algemene principes van het civiele kort geding», RW 2001-02, p. 1346-1347, nr. 22;
• P. Van Orshoven, «Stand van zaken en recente ontwikkelingen op het stuk van korte gedingen en ander snelrecht» in P. Van Orshoven (ed.), Themiscahier gerechtelijk recht 2010-11, Brugge, die Keure, 2010-11, p. 130-132, nr. 32.
• Cass. 11 september 2008, Pas. 2008, 1902;
• Cass. 20 april 2011, Pas. 2011, 1061.
• Cass. 24 maart 2006, Arr.Cass. 2006, 704.
• Cass. 15 februari 2008, RW 2010-11, 285;
• Cass. 1 februari 2010, P&B 2010, 108;
• Cass. 29 september 2011, RCJB 2013, 201, noot J. van Drooghenbroeck;
• Cass. 12 oktober 2012, RABG 2012, 307;
• Cass. 25 maart 2013, RW 2013-14, 1028;
• Cass. 5 december 2014, RABG 2015, 397;
• Cass. 2 maart 2015, Arr.Cass. 2015, 553.
• Cass. 16 februari 2007, JT 2008, 173, noot J.-F. van Drooghenbroeck;
• Cass. 30 september 2010, Pas. 2010, 2454;
• Cass. 30 januari 2014, T.Not. 2014, 754.
• J.-F. van Drooghenbroeck, «Procès équitable – Faire l’économie de la contradiction?» (noot onder Cass. 29 september 2011), RCJB 2013, 248.
• Cass. 12 mei 2006, Arr.Cass. 2006, 1083;
• Cass. 13 maart 2013, RW 2014-15, 1187.
• Cass. 22 maart 2012, JLMB 2013, 1296, noot J.-F. van Drooghenbroeck.
• Cass. 4 maart 2011 AR nr. C.10.0381.N.
• Cass. 26 februari 2010, RABG 2010, 702, noot B. Maes;
• Cass. 12 maart 2007, Arr.Cass. 2007, 581.
• Cass. 28 september 2009, Arr.Cass. 2009, 2125.
• Cass. 18 december 2006, Arr.Cass. 2006, 2688;
• Cass. 21 september 2009, Arr.Cass. 2009, 2074.
• Cass. 7 december 2006, RW 2007-08, 1672.
• Cass. 16 maart 2009, Arr.Cass. 2009, 816.
• Cass. 14 september 2001, Arr.Cass. 2001, 1142.
• Cass. 14 november 2006, Arr.Cass. 2006, 2299.
• Cass. 4 januari 1993, Arr.Cass. 1993, 1;
• Cass. 15 februari 1993, Arr.Cass. 1993, 185
• B. Deconinck en P. Taelman, «Rechtsmiddelen moeten efficiënter!», TPR 2012, p. 33, nr. 7;
• J.-F. van Drooghenbroeck, «Conclusions – Contre mauvaise fortune», JT 2015, p. 155, nr. 3.
• M. Dewart, G. de Leval en F. Georges, «Optimalisation institutionnelle et fonctionnelle de l’appel» in P. Taelman (ed.), Het hoger beroep opnieuw bekeken – repenser l’appel, Brugge, die Keure, 2012, 198-200;
• J. Van Compernolle en G. de Leval, «Lappel du jugement en matière d’indivisibilité et l’équité de la procédure», JT 2014, 295-296.
• Vred. Kapellen 25 februari 2015, T.Vred. 2016, 18.
• Cass. 29 januari 2016, AR nr. C.14.006.F;
• Cass. 15 mei 2015, RAGB 2015, 1212, noot M. Baetens-Spetschinsky.
• S. Mosselmans, «Verstekrechterblokje», RW 2015-16, 1522.

Rechtspraak

De inwilligingsplicht van de rechter bij verstek strijdig met art. 6.1 EVRM

Hof van Beroep te Antwerpen 22 december 2015, RW 2016-2017, 1065

Samenvatting
De verplichting tot inwilliging van de eis bij verstek is in strijd met het recht op een eerlijk proces, aldus strijdig met art. 6.1 EVRM. Om die reden dient artikel 806 Ger. Wetboek buiten werking gesteld.

Tekst arrest
V.E. t/ VA. Ch.

Antecedenten

Partijen hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van Jul. (...) en Ja. (....).

Bij vonnis van de Familierechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 9 september 2015, gewezen bij verstek van de h. VA., werd in essentie beslist als volgt: (i) exclusief ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen aan de moeder; (ii) hoofdverblijf en inschrijving op het adres van de moeder; (iii) kinderbijslag, sociale en fiscale voordelen komen toe aan de moeder; (iv) de vader betaalt een onderhoudsbijdrage van 100 euro per maand en per kind vanaf 1 mei 2015; (v) een ontvangstmachtiging.

Vorderingen in beroep

Tegen dit vonnis tekende mevr. V.E. hoger beroep aan (...). Zij vordert in essentie: (i) een onderhoudsbijdrage van 250 euro per maand en per kind; (ii) een forfaitaire bijdrage in de buitengewone kosten van 150 euro per maand en per kind.

...

Beoordeling

1. Op de zitting van 15 december 2015 is de heer VA., hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen, noch iemand voor hem. Verstek werd gevorderd en werd verleend.

2. Ingevolge art. 806 Ger.W. (zoals gewijzigd bij de wet van 19 januari 2015 en van toepassing sedert 1 november 2015) willigt de rechter in het verstekvonnis de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.

Ingevolge art. 6.1 EVRM, dat directe werking heeft in de interne rechtsorde, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Deze bepaling impliceert evident dat deze rechterlijke instantie in alle omstandigheden haar beslissing moet kunnen baseren op haar eigen vrije oordeel over de feiten en de rechtsgronden. Een verdrag met directe werking, zoals het EVRM, heeft in de interne Belgische rechtsorde voorrang op de wetten van het Belgische parlement, zelfs wanneer deze wetten dateren van na de wet die het verdrag heeft goedgekeurd (zie o.m. Cass. 27 mei 1971, RW 1971-72, 424).

Bijgevolg dient de toepassing van art. 806 Ger.W., dat kennelijk in strijd is met de voormelde internationaalrechtelijke beginselen, terzijde te worden geschoven.

3. Beide ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen en daarbij dient rekening te worden gehouden met o.m. de leeftijd en de daaraan verbonden specifieke behoeften van die kinderen, die in principe recht hebben op dezelfde levensstandaard die zij gehad zouden hebben indien er geen scheiding van hun ouders was geweest.

Met middelen worden onder andere bedoeld alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten van de ouders, alsook alle voordelen en andere middelen die de levensstandaard van deze kinderen waarborgen. Bij de beoordeling moet worden uitgegaan van de netto-inkomsten van partijen, d.w.z. na aftrek van de fiscale en sociale lasten.

4. Vader is handelaar in auto’s en heeft een ongekend inkomen. Zijn verdienvermogen kan worden geraamd op zo’n 1.200 euro netto per maand.

Moeder is zelfstandige en zij heeft een schoenenwinkel. Zij verdient gemiddeld zo’n 1.200 euro netto per maand.

Kinderen van de leeftijd zoals te dezen kosten in Vlaanderen minstens zo’n 800 euro per maand, zodat na aftrek van de kinderbijslag, die aan moeder toekomt en die volgens haar verklaring 476 euro bedraagt, nog ongeveer 330 euro tussen de ouders te verdelen is. Deze verdeling gebeurt aan de hand van twee criteria: het werkelijke verblijf van de minderjarigen en de inkomsten en mogelijkheden van de ouders.

Rekening houdend met de financiële behoeften van de kinderen, de wederzijdse mogelijkheden van de ouders, de verblijfsregeling van de kinderen waardoor moeder volledig alleen instaat voor alle kosten en de mogelijkheid tot gedeeltelijke fiscale recuperatie, kan de onderhoudsbijdrage door de vader te betalen, buiten en bovenop de kinderbijslag, worden bepaald op 150 euro per maand en per kind, bijzondere kosten inbegrepen.

...

NOOT in het RW onder dit arrest: Caroline Daniels, Het burgerlijk verstek en het recht op een eerlijk proces

Art 806 Gerechtelijk wetboek en de kennelijk ongegronde vordering

• Hof van Cassatie, 13 december 2016, RW 2016-2017, 1090

samenvatting:

Van openbare orde is datgene wat de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raakt of wat in het privaatrecht de juridische grondslagen bepaalt waarop de economische of morele orde van de maatschappij berust.

6. In de context van art. 806 Ger.W. is het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdig met de openbare orde.

Tekst arrest

AR nr. P.16.0421.N

P.D. t/ A.A.J.L.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 12 februari 2016.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van art. 806 Ger.W.: het bestreden vonnis wijst de burgerlijke rechtsvordering van de eiser af als ongegrond, zonder vast te stellen dat ze strijdig is met de openbare orde; dat is nochtans vereist door art. 806 Ger.W. dat op grond van art. 2 Ger.W. van toepassing is indien de rechter zich uitspreekt over de burgerlijke rechtsvordering; deze bepaling, zoals gewijzigd door art. 20 van de wet van 19 oktober 2015 “houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie” en in werking getreden op 1 november 2015, is bij gebrek aan specifieke overgangsbepalingen van toepassing op dit geding; eisers hoger beroep werd immers ingeleid op de terechtzitting van 15 januari 2016 en de verweerder heeft op deze terechtzitting verstek gelaten.

2. Art. 806 Ger.W. bepaalt: “In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.”

3. Uit deze bepaling volgt dat de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij moet inwilligen, tenzij een grond van openbare orde zich daartegen verzet.

4. Uit de wetgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever het aan de rechter heeft overgelaten om het begrip openbare orde nader in te vullen.

5. Van openbare orde is datgene wat de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raakt of wat in het privaatrecht de juridische grondslagen bepaalt waarop de economische of morele orde van de maatschappij berust.

6. In de context van art. 806 Ger.W. is het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdig met de openbare orde.

7. De rechter bij verstek die de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij niet inwilligt, moet vaststellen dat het inwilligen ervan strijdig is met de openbare orde.

8. Het bestreden vonnis wijst eisers vordering af, zonder vast te stellen dat ze strijdig is met de openbare orde.

Het middel is gegrond.

Noot onder dit arrest in het RW: Sven Mosselmans, Piet Taelman en Karen Broeckx, Geen blinde inwilligingsverplichting voor de rechter bij verstek, RW 2016-2017, 1090.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: ma, 29/08/2016 - 17:51
Laatst aangepast op: ma, 05/06/2017 - 10:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.