-A +A

Procesmisbruik door de verdediging in de strafprocedure: een contradictio in terminis?

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Huysmans J.
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
802
Samenvatting

Er leeft bij en aantal burgers en magistraten een ongenoegen over de wijze van verdediging in strafzaken door (sommige. Aldus is een debat ontstaan over het vermeend «misbruik» dat de verdediging zou maken van haar procedurele rechten.

In de potpourriwetgeving werd zelfs aan deze verzuchtingen in zekere mate gehoor gegeven waardoor de procedurele rechten van verdediging werden ingeperkt.

Op het eerste zicht lijkt procedureel misbruik van een bestaand recht bij de verdediging in strafzaken een contradictio in terminis is. Immers de rechten van verdediging staan haaks op procedureel misbruik in strafzaken en uitgebreide procedurele rechten van de verdediging de kunnen de kwaliteit van de strafprocedure bevorderen en soms zelfs kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding.

In deze bijdrage wordt onderzocht in hoeverre een theorie van «procesmisbruik» in de Belgische strafprocedure zou kunnen worden ontwikkeld om als «hinderlijk» gepercipieerd procesgedrag van de verdediging tegen te gaan.
 

Inhoudstafel tekst: 

Inleiding
1. Probleemstelling
2. Doelstelling van het onderzoek en overzicht
3. Overzicht van het onderzoek
I. De verdachte en zijn advocaat
4. Probleemstelling –
5. Principe van eenheid van verdediging
- De raadsman van een procespartij beschikt in beginsel over dezelfde procedurele rechten als de procespartij zelf.
- Proceshandelingen van de raadsman zijn principieel toerekenbaar aan de procespartij.
6. De verdachte als «dominus lites» –
7. Gevolgen voor concept «procesmisbruik» verdediging
II. Classificatie «hinderlijk» procesgedrag van de verdediging
8. Drie types van «hinderlijk» procesgedrag – In de veelheid van het procesgedrag
• 1° maakt foutief gebruik van procedurele rechten door de verdediging procesmisbruik uit?
• 2° maakt oneigenlijk gebruik van procedurele rechten door de verdediging procesmisbruik uit?
• 3° maakt schadelijk gebruik van procedurele rechten door de verdediging procesmisbruik uit? Het antwoord op deze drie vragen hoeft bovendien ook niet telkens hetzelfde («ja» of «neen») te zijn.
9. 1° «Foutief» procesgedrag
10. 2° «Oneigenlijk» procesgedrag
11. 3° «Schadelijk procesgedrag .
12. Welk(e) type(s) maken procesmisbruik uit?
III. Reacties op hinderlijk procesgedrag
13. Drie reacties –
- (zeer) restrictieve interpretatie te geven aan bepaalde procedurele rechten van de verdediging - - de incentive van de verdediging weg nemen om de strafprocedure te vertragen met een «hinderlijke» uitoefening van haar procedurele rechten
- werkelijke sancties ingevoerd voor bepaalde als «misbruik» gepercipieerde handelingen van de verdediging (3°).
14. 1° Restrictieve interpretatie –
15. 2° Neutralisatie van de impact op de strafprocedure
16. 3° Neutralisering van de impact op de termijnen. En sanctie ter beteugeling van procesmisbruik –
- sanctie ter beteugeling van procesmisbruik als afzonderlijk misdrijf
- de sanctie binnen de strafprocedure zelf met een procedurele geldboete
- Veroordeling tot schadevergoeding wegens procesmisbruik
17. Persoonlijke sanctie ten laste van de advocaat
18. Welke reactie verdient de voorkeur?
Conclusie

Bronnen

• D. Draulans, «De mythe van de strafpleiter», Knack 10 april 2002
• M. Eeckhaut, ««We komen in Italiaanse toestanden terecht» Interview met prof. Brice De Ruyver», De Standaard 8 september 2014, 4
• J. Segers, «Onze Opinie», Het Laatste Nieuws 9 september 2014, 2
• T. Lanoye, «Procedures voor gestoorden», De Standaard 19 december 2015, 41.
• D. De Coninck en Y. De Smet, ««Echt schandalig, die maffiabende en hun advocaten»», De Morgen 13 september 2014, 26, waarin verschillende van die opinies kritisch worden besproken.
• Gent 31 januari 2011, onuitgegeven, vermeld door F. Schuermans, «Het vooronderzoek in strafzaken: één van de vele dringende werven van justitie» in F. Deruyck en M. Rozie (eds.), Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Brugge, die Keure, 2011, (787) 789-790
• Corr. Luik (afdeling Huy) 25 april 2014, JT 2014, 460.
• GwH 11 juni 2015, nr. 83/2015, NJW 2016, 18, noot J. Huysmans, T.Strafr. 2015, 201, noot P. Helsen, overweging B.8.4.).
• (Cass. 8 juni 2011, P.11.0181.F, Pas. 2011, 1635
• T.Strafr. 2012, 320, noot
• Cass. 30 april 2014, P.13.1869.F, JLMB 2014, 1364, noot M. Beernaert, RDP 2014, 834, noot F. Lugentz RGCF 2014, 128, noot M. Van Brustem en E. Van Brustem
• Cass. 29 april 2015, P.15.0002.F, Arr.Cass. 2015, 1105).
5 GwH 11 juni 2015, nr. 83/2015, NJW 2016, 8, noot J. Huysmans, T.Strafr. 2015, 201, noot P. Helsen. Zie hierover uitgebreid: voetnoot 71.
• Parl.St. Kamer 2008-09, DOC 52 0034/004, Rapport van de parlementaire onderzoekscommissie naar grote fiscale fraude, en Toelichting bij het wetsontwerp, Parl.St. Kamer 2011-12, DOC 53 2430/001, 6-7).
• Zie: Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54 1418/001, 72-73,
• I. Wattier, «L’usage abusif d’un dossier répressif» in M.-A. Beernaert, H. Bosly e.a., Les infractions. Volume 5: Les infractions contre l’ordre public, Brussel, Larcier, 2013, 739-750.
• J. Huysmans, Legitieme verdediging, Antwerpen, Intersentia, ter perse.
• F. Verbruggen, «De omissie van de commissie: het Wetboek van strafprocesrecht in de parlementaire coma» in L. Ballon, H. Cousy, W. Devroe, K. Geens, J. Stuyck, B. Tilleman en P. Van Orshoven (eds.), Liber amicorum Frans Vanistendael, Herentals, Knops Publishing, 2007, 495-502.
• Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2015-16, DOC 54 1418/001, 104-105.
• T. Decaigny, Tegenspraak in het vooronderzoek, Antwerpen, Intersentia, 2013, 53-92.
• J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 212.
• Stevens, «Strafverdediging. Wettelijk en deontologisch statuut van de strafpleiter» in Vlaamse Conferentie bij de Balie van Antwerpen (ed.), Geboeid door strafrecht. De advocaat in de strafrechtspleging, Gent, Larcier, 2011, (153) 156.
• B. Tilleman, Lastgeving in APR Gent, Story-Scientia, 1997, 24-25
• R. Verstraeten, A. Bailleux, J. Huysmans en S. De Hert, «Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure met voorafgaande erkenning van schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen» in F. Verbruggen (ed.), Themis Straf- en strafprocesrecht 2015-16, Brugge, die Keure, 2016, (123) 133.
• Cass. 12 augustus 1985, AR 4424, Arr.Cass. 1984-85, 1416, RW 1985-86, 1738, noot A. Vandeplas
• Cass. 22 december 1999, P.99.0154.F, Arr.Cass. 1999, 1659
• Cass. 12 november 2008, P.08.0723.F, Pas. 2008, 2541
• Corr. Kortrijk 30 oktober 1992, JT 1993, 343
• J. Stevens, Advocatuur. Regels & Deontologie, Mechelen, Wolters Kluwer, 2014, 607. In tegenstelling tot wat een deel van de rechtsleer aanvankelijk aangaf (zie bv.: A. Kohl, «Le code judiciaire, droit commun de la procédure», Ann.Dr.Lg. 1975, (401) 434),
• Cass. 9 februari 1978, Arr.Cass. 1977-78, 688
• Cass. 9 januari 2007, P.06.1175.N, Arr.Cass. 2007, 43, JDSC 2009, 139, noot M. Ernotte, RPS 2008, 76, noot A. Decroes, P&B 2007, 349, noot D. Lindemans, TRV 2008, 667, noot C. Clottens
• Cass. 12 november 2008, P.08.0723.F, Pas. 2008, 2451.
• EHRM 19 december 1989, Kamasinski t/ Oostenrijk, nr. 9783/82.
• EHRM 9 juni 1998, Twalib t/ Griekenland, nr. 42/1997/826/1032.
• B. De Smet, Nietigheden in het strafproces, Antwerpen, Intersentia, 2011, 68.
• Cass. 22 oktober 2014, P.14.1390.F., Arr.Cass. 2014, 2329
• Cass. 24 januari 1974, Arr.Cass. 1974, 576.
29 Zie uitgebreider over deze procedure: C. Malherbe, «L’avocat désavoué» in Liber amicorum Georges-Albert Dal: l’avocat, Brussel, Larcier, 2013, 597-630
• S. Sobrie, «Ontkentenis van proceshandeling: enkele aandachtspunten», RW 2011-12, 1389-1393.
30 Cass. 11 februari 1986, AR 8815, Arr.Cass. 1985-86, 804
• Cass. 19 januari 2000, P.99.0503.F, Arr.Cass. 2000, 138
• Cass. 15 december 2004, P.04.1590.F, Arr.Cass. 2004, 2049
• Cass. 16 maart 2016, P.15.1662.F
• J. Stevens, o.c., 609.
• EHRM 21 april 1998, Daud t/ Portugal, nr. 22600/93, § 38
•  EHRM 27 april 2006, Sannino t/ Italië, nr. 30961/03, § 49
• EHRM 28 november 2013, Dvorski t/ Kroatië, nr. 25703/11, § 90.
• Cass. 22 september 2015, P.14.0990.N.
• EHRM 20 januari 2009, Guvec t/ Turkije, nr. 70337/01, § 131.
• EHRM 10 oktober 2002, Czekalla t/ Portugal, nr. 38830/97, § 60
• EHRM 1 april 2010, Pavlenko t/ Rusland, nr. 42371/02, § 99.
• EHRM 19 juni 2014, Shekhov t/ Rusland, nr. 12440/04, § 42
• EHRM 7 oktober 2008, Bogumil t/ Portugal, nr. 35228/03, § 49).
• T. Prakken en T. Spronken, «Inleiding» in T. Prakken en T. Spronken (eds.), Verdediging, Deventer, Kluwer, 2009, (1) 13.
35 J. Stevens, o.c., 1147. Vgl. ook in Nederland: T. Spronken, Verdediging, Den Haag, Sdu Uitgevers, 2001, 293-294.
• Knigge, «Misbruik uitgesloten?», RM Themis 2000, (1) 2.
• T. Prakken, Beginselen van een goede verdediging, Deventer, Gouda-Quint, 1999, 24
• M.-A. Beernaert, H. Bosly en D. Vandermeersch, Droit de la procédure pénale, Brugge, die Keure, 2014, 860-866
• R. Verstraeten, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, 716-728.
• Cass. 2 oktober 2001, P.01.0844.N, Arr.Cass. 2001, 1623
• Cass. 14 juni 2005, P.05.0610.N, Arr.Cass. 2005, 1330
• Cass. 11 maart 2008, P.07.1717.N, Pas. 2008, 659.
• S. Verbraeken, «De weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen» in D. De Wolf, F. Van Volsem e.a., Voorlopige hechtenis: commentaar, Heule, Inni Publishers, 2014, (217) 224-225.
• Cass. 27 juni 1995, P.95.0761.N, Arr.Cass. 1995, 684
• Cass. 22 februari 2006, P.06.0270.F, Arr.Cass. 2006, 427.
• Cass. 27 juni 2007, P.07.0904.F, Arr.Cass. 2007, 1489.
• J. de Codt, «De la nécessité de rendre au pourvoi en cassation en matière pénale le caractère extraordinaire qu’il a perdu» in F. Deruyck, E. Goethals, L. Huybrechts, J.-F. Leclercq, J. Rozie, M. Rozie, P. Traest en R. Verstraeten, Amicus curiae. Liber amicorum Marc De Swaef, Antwerpen, Intersentia, 2013, (73) 76-77
• P. Duinslaeger, «Enkele bedenkingen omtrent Justitie», RW 2014-15, (362) 380
• D. Vandermeersch, «Cassation en matière pénale: plaidoyer pour des moyens de cassation affûtés et pertinents», JT 2013, (17) 21.
• R. Verstraeten, D. Van Daele, A. Bailleux en J. Huysmans, De burgerlijke partijstelling: analyse en toekomstperspectief, Antwerpen, Intersentia, 2012, 202-205.
• KI Antwerpen 27 november 1998, onuitg., vermeld door B. De Gryse, «De inzage in het strafdossier: een jaar rechtspraak», P&B 2000, (6) 14.
• M. Maus en S. De Meulenaer, Everest handboek fiscaal strafrecht, Brugge, die Keure, 2010, 253-254).
• M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 598
• S. Vandromme, «Recente ontwikkelingen in het strafprocesrecht» in Orde van advocaten Kortrijk (ed.), Recente ontwikkelingen in het strafrecht, Gent, Larcier, 2008, 57-58).
• Cass. 30 oktober 2013, P.13.1337.F, Arr.Cass. 2013, 2275
• P. Duinslaeger, conclusie voor Cass. 14 mei 2013, P.12.1417.N, § 16
• T. De Meester, «In de marge van de Wet van 31 mei 2005: de regeling der rechtspleging eindelijk geregeld?», NC 2006, (18) 23 en 25-26
• J. Huysmans, «Het einde van de termijn van minimaal 15 dagen waarbinnen bijkomend onderzoek kan worden gevraagd» (noot onder Cass. 14 mei 2013), T.Strafr. 2013, 391-392
• G. Schoorens, noot onder KI Brussel 21 december 2006, T.Strafr. 2006, 351.
• R. Verstraeten en J. Huysmans, «Ruimte voor een theorie van rechtsmisbruik in het strafprocesrecht?» in F. Deruyck, E. Goethals, L. Huybrechts, J.-F. Leclercq, J. Rozie, M. Rozie, P. Traest en R. Verstraeten, Amicus curiae. Liber amicorum Marc De Swaef, Antwerpen, Intersentia, 2013, (509) 518-520.
• F. Kuty, Principes généraux du droit pénal belge. Tome 1: La loi pénale, Brussel, Larcier, 2009, 69-70
• P. Traest, «Rechts(on)zekerheid in materieel en formeel strafrecht en strafrechtelijk legaliteitsbeginsel», RW 1993-94, (1190) 1203-1206).
• EHRM 22 juni 2000, Coëme e.a. t/ België, nr. 32492/96, 32547/96, 32548/96, 33209/96 en 33210/96, § 102
• EHRM 25 oktober 2010, Richert t/ Polen, nr. 54809/07, § 43).
• EHRM 2 juni 2005, Claes e.a. t/ België, nr. 46825/99, 47132/99, 47502/99, 49010/99, 49104/99, 49195/99 en 49716/99, § 34
• GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013, JDJ 2013, 39, noot M. Sasse, NJW 2013, 251, noot J. Huysmans, RW 2012-13, 1534, noot, overweging B.5.2-B.5.7.
• Cass. 21 oktober 2014, P.14.0367.N. Arr.Cass. 2014, 2305).
• I. Wattier, «L’usage abusif d’un dossier répressif» in M.-A. Beernaert, H. Bosly e.a., Les infractions. Volume 5: Les infractions contre l’ordre public, Brussel, Larcier, 2013, 739-750.
• M. Franchimont, «Over de wet van 12 maart 1998. Antecedenten, filosofie, evolutie. Grenzen aan een hervorming» in Centrum voor Beroepsvervolmaking in de Rechten (CBR) (ed.), Het vernieuwde strafproces. Een eerste commentaar bij de wet van 12 maart 1998, Antwerpen, Maklu, 1998, (15) 23.
• Arbitragehof 1 december 1994, nr. 82/94, RW 1994-95, noot R. Declercq, RDP 1995, 276, noot D. Renders,
• Arbitragehof 9 januari 2002, nr. 5/2002,
• KI Antwerpen 3 januari 2006, T.Strafr. 2006, 143, Limb. Rechtsl. 2006, 128, noot L. Delbrouck T.Strafr. 2006, 143, noot J. Van Gaever:
• D. Vandermeersch en O. Klees, «La réforme «Franchimont». Commentaire de la loi du 12 mars 1998 relative à l’amélioration de la procédure pénale au stade de l’information et de l’instruction», JT 1998, (417) 437
• F. Schuermans, «Het strafrechtelijk kort geding na de wet Franchimont» in Centrum voor Beroepsvervolmaking in de Rechten (ed.), Het vernieuwde strafprocesrecht. Een eerste commentaar bij de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de rechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, Antwerpen, Maklu, 1998, (115) 143-144.
• Cass. 26 september 2007, P.07.0487.F, Arr.Cass. 2007, 1774
• Cass. 23 november 2010, P.10.1643.N, , Pas. 2010, 3011 T.Strafr. 2011, 198, noot G. Schoorens.
• Cass. 11 maart 2008, P.07.1717.N, NC 2012, 164.
• Cass. 26 september 2007, P.07.0487.F, Arr.Cass. 2007, 1774
• KI Luik 10 mei 2004, RDP 2005, 119).
• Cass. 13 oktober 2004, P.04.1120.F, Arr.Cass. 2004, 1588.
• KI Gent 24 november 2009, T.Strafr. 2010, 292, noot T. De Meester).
66 Cass. 8 juni 2011, P.11.0181.F, Pas. 2011, 1635, T.Strafr. 2012, 320, noot
• Cass. 30 april 2014, P.13.1869.F, JLMB 2014, 1364, noot M. Beernaert, RDP 2014, 834, noot F. Lugentz, RGCF 2014, 128, noot M. Van Brustem en E. Van Brustem
• Cass. 29 april 2015, P.15.0002.F, Arr.Cass. 2015, 1105.
• J. Verbist, «De hervorming van de cassatieprocedure in strafzaken», RW 2013-14, (1604) 1612-1613.
• Cass. 18 juni 2013, P.13.0892.N, Pas. 2013, 1396
• Cass. 17 oktober 2006, P.06.0829.N-P.06.0860.N, Arr.Cass. 2006, 2020
• Cass. 26 september 2007, P.07.0487.F, Arr.Cass. 2007, 1774
• Cass. 11 mei 2011, P.11.0168.F, Pas. 2011, 1325
• Cass. 14 mei 2013, P.12.1417.N, Pas. 2013, 1091, T.Strafr. 2013, 389, noot J. Huysmans.
• B. De Smet, «Aanpassing van de schorsingsgrond van de verjaring van de strafvordering», RW 2012-13, 1396-1399
• R. Verstraeten en H. Demedts, «Recente ontwikkelingen: de nieuwe strafprocesrechtelijke regels van de wetten houdende «diverse bepalingen betreffende justitie» en de evolutie inzake Salduz, Antigoon en de motiveringsplicht» in F. Verbruggen, B. Spriet en R. Verstraeten, Themis straf- en strafprocesrecht 2012-13, Brugge, die Keure, 2013, (155) 169-179).
• GwH 11 juni 2015, nr. 83/2015, NJW 2016, 8, noot J. Huysmans T.Strafr. 2015, 201, noot P. Helsen
• P. Helsen, «Bijkomend onderzoek en verjaring: wat schort er aan de schorsing?» (noot onder GwH 11 juni 2015), T.Strafr. 2015, 208-211
• J. Huysmans, ««Misbruik» van bijkomend onderzoek» (noot onder GwH 2015), NJW 2016, 22-23).
• T. Scheir, «De politie van de terechtzitting: «contempt of court» naar Belgisch recht», RW 2009-10, 346-358.
• B. Vanlerberghe en S. Rutten, «Artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek en de onduidelijkheid inzake het (ver)nieuw(d)e toepassingsgebied van de nietigheidsleer herbekeken» in P. Van Orshoven en B. Maes, De proceswetten van 2007 ... revisited, Brugge, die Keure, 2009, 93-109 en verdere verwijzingen aldaar.
• P. Taelman en B. Deconinck, «Qui pro quo omtrent de nietigheden en de sancties» in P. Taelman en P. Van Orshoven, De wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand doorgelicht, Brugge, die Keure, 2008, (119) 151-152.
• Cass. 12 december 2001, P.01.1587.F, Arr.Cass. 2001, 2176
• Cass. 18 december 2002, P.02.1571.F, Arr.Cass. 2002, 2790
• Cass. 26 oktober 2004, P.04.1329.N, Arr.Cass. 2004, 1698.
• R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 1049.
• Lorent, «Frais de justice» in Droit pénal et procédure pénale, 5
• R. Verstraeten, o.c., 1153).
• B. De Smet, Verstek en verzet in strafzaken in CABG, Gent, Larcier, 2014, 61-62.
• Cass. 4 september 2001, P.01.0542.N, Arr.Cass. 2001, 1380 RW 2004-05, 740, noot L. Arnou
• Cass. 2 december 2003, P.03.1120.N, Arr.Cass. 2003, 2213).
• De Coster, «Wraking en verschoning – Art. 840 Ger.W.» in Comm.Ger., 2-3.
• H. Boularbah, «Dessaissement, récusation en impartialité du juge: évolutions récentes en matière civile» in P&B 1999, (287) 294
• R. Declercq, «Wraking» in Comm.Strafr., 17
• A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit de Liège, 1987, 431.
• K. Wagner, Sancties in het burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2007, 548-551.
• EHRM 21 maart 2002, Nikula t/ Finland, nr. 31611/96.
• EHRM 21 maart 2002, Nikula t/ Finland, nr. 31611/96, § 46 en § 49.
• EHRM 11 februari 2010, Alfantakis t/ Griekenland, nr. 49330/07, § 27
• EHRM 15 december 2011, Mor t/ Frankrijk, nr. 28198/09, §§ 42-44
• EHRM 27 januari 2015, Kinces t/ Hongarije, nr. 66232/10, § 32.
• EHRM 21 maart 2002, Nikula t/ Finland, nr. 31611/96, §§ 50-52
• EHRM (Grote Kamer) 25 april 2015, Morice t/ Frankrijk, nr. 29369/10, § 137.
• EHRM 28 oktober 2003, Steur t/ Nederland, nr. 39657/98, § 39:
• EHRM 13 december 2007, Foglia t/ Zwitserland, nr. 35865/04, § 95).
• EHRM 27 januari 2015, Kinces t/ Hongarije, nr. 66232/10, §§ 39-40:
• ECRM 14 januari 1998, Mahler t/ Duitsland, nr. 29045/95
• A. De Nauw en F. Kuty, Manuel de droit pénal spécial, Waterloo, Wolters Kluwer, 2014, 584-586
• I. Delbrouck, «Aanranding van de eer of goede naam van personen» in Postal Memoralis. Lexicon strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten, A 15/50-51.
• EHRM 20 januari 2011, Rytchenko t/ Rusland, nr. 22266/04, §§ 29 en 49
• EHRM 27 oktober 2015, Konstantin Stefanov t/ Bulgarije, nr. 35399/05, §§ 59-70).
• EHRM 17 juli 2008, Schmidt t/ Oostenrijk, nr. 513/05, § 42
• EHRM 27 januari 2015, Kincses t/ Hongarije, nr. 66232/10, § 42).
• EHRM 23 maart 1994, Ravnsborg t/ Zweden, nr. 14220/88, § 34
• EHRM 14 november 2000, T. t/ Oostenrijk, nr. 27783/95, § 61
• EHRM 7 juni 2005, Chmelir t/ Tsjechië, nr. 64935/01, § 65.
EHRM 21 maart 2002, Nikula t/ Finland, nr. 31611/96, § 53.
• EHRM (Grote Kamer) 25 april 2015, Morice t/ Frankrijk, nr. 29369/10, § 176.
• J. Huysmans, «The role of formal principles in legal reasoning» in J. De Bruyne, M. de Potter de ten Broeck en I. Van Hiel (eds.), Policy within and through law, Antwerpen, Maklu, 2015, 237-259.

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Nog dit: 
Zie ook in TPR 1989
1595 Te goeder trouw procederen (klik hier)
Hammerstein A.
Aangemaakt op: do, 16/02/2017 - 12:55
Laatst aangepast op: do, 16/02/2017 - 12:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.