-A +A

Procederen qualitate qua in het burgerlijk geding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Sobrie S.
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
163
Samenvatting

Optreden qualitate qua betekent het optreden als procespartij in de hoedaigheid van een ander, het weze aldus een procesvertegenwoordiging.

Deze bijdrage onderzoekt deze figuur

Inhoudstafel tekst: 

I. Procederen qualitate qua: e pluribus unum?

II. Grondslag en geoorloofdheid

III. Voorwaarden

A. Vertegenwoordigingsbevoegdheid

B. Identiteitsvermelding

IV. Gevolgen

V. Einde van het mandaat

VI. Besluit

 

Bronverwijzing

• Cass. 11 maart 2014, NJW 2014, 750, noot S. Guiliams;

• Cass. 14 februari 2002, Arr.Cass. 2002, 446.

•«Beheersvennootschappen en hun bevoegdheden ten aanzien van niet-aangesloten leden» (noot onder Cass. 16 januari 2009), RW 2009-10, p. 714, nr. 6;

• F. De Visscher en B. Michaux, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant, 2000, p. 513, nr. 646;

• Brussel 22 mei 1996, AM 1997, 178, noot A. Strowel;

• Cass. 26 april 2001, Arr.Cass. 2001, 726;

• Antwerpen 17 november 2004, IRDI 2005, 47, noot E. Laevens.

• Cass. 26 april 2001, Arr.Cass. 2001, 726.

• Cass. 10 april 2008, Pas. 2008, 868.

• S. Stijns en E. Verjans, «Variaties op het begrip «derde» in het contractenrecht» in A. De Boeck, S. Stijns en R. Van Ransbeeck (eds.), Positie van de derde in het privaat vermogensrecht, Brugge, die Keure, 2012, p. 49, nr. 32;

• P. Wéry, Droit des obligations, I, Brussel, Larcier, 2010, p. 807, nr. 844. Vgl. evenwel: P. Delnoy, «Pour une vision nouvelle de l’action oblique», Ann.fac.dr.Lg. 1969, 442;

• M. Planiol en G. Ripert, Traité pratique de droit civil français, VII, Parijs, LGDJ, 1954, p. 251-252, nr. 922.

• H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, Brussel, Bruylant, 1967, 220.

• Rb. Luik 24 april 2015, JT 2015, 529;

• Voorz. Rb. Namen 15 februari 1991, Amén. 1991, 109;

• Voorz. Rb. Brussel 15 juni 1984, RW 1984-85, 470;

• Rb. Leuven 13 april 1979, T.Aann. 1980, 97.

• M.E. Storme en E. Terryn, «Belgium» in The Annals of the American Academy of Political and Social Science 2009, afl. 622, 97

• H. Boularbah, A. Berthe en B. Biemar, «Le contrat de mandat et la procédure civile: questions choisies» in B. Kohl (ed.), Le mandat dans la pratique, Brussel, Larcier, 2014, 100-101, voetnoot 10;

• F. Danis, E. Falla en F. Lefèvre, «Introduction aux principes de la Loi relative à l’action en réparation collective et premiers commentaires critiques», TBH 2014, 583. H. Boularbah, «Le cadre et les conditions de l’action en réparation collective» in J. Englebert en J.-L. Fagnart (eds.), L’action en réparation collective, Luik, Anthemis, 2015, p. 12, nr. 4 en p. 32, nr. 46. Vgl. E. De Baere, A.-S. Maertens en K. Willems, «Belgische class action. Tien pijnpunten», NJW 2015, p. 529, nr. 22.

• C. Van Reepinghen bij het ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek, Parl.St. Senaat 1963-64, nr. 60, p. 26.

•J. Stevens, Regels en gebruiken van de advocatuur te Antwerpen, Antwerpen, Kluwer, 1990, 302-306;

• M. Mahieu en J. Baudrez, De Belgische advocatuur, Kuurne, Leieland, 1980, 620-629;

• zie ook het reglement van 28 juni 1990 betreffende betrekkingen tussen zaakwaarnemers en advocaten, vervangen door het reglement van 14 maart 2007 betreffende het mandaat dat de advocaat niet rechtstreeks van zijn cliënt ontvangt (huidig art. III.1.1.1 Codex Deontologie voor Advocaten).

14 M.E. Storme, «Procesrechtelijke knelpunten bij de geldendmaking van rechten uit aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechter, in het bijzonder belang, hoedanigheid en rechtsopvolging» in M.L. Storme (ed.), Recht halen uit aansprakelijkheid, Gent, Mys & Breesch, 1993, p. 216, nr. 23.

• G. de Leval (ed.), Droit judiciaire. Tome 2: Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, 99;

• H. Boularbah, A. Berthe en B. Biemar, «Le contrat de mandat et la procédure civile: questions choisies» in B. Kohl (ed.), Le mandat dans la pratique, Brussel, Larcier, 2014, 101-102 en 106-107;

• A. Berthe, «De la signature de la requête contradictoire: mandat «pre litem» versus «ad litem»» (noot onder Cass. 21 oktober 2010), JT 2011, 280;

• T. Delvaux, «Représentation et comparution des sociétés devant les juridictions de l’ordre judiciaire», Act.dr. 2002, p. 478, nr. 43. Zie voorts: S. Sobrie, o.c., 80-82 en 111-113.

• P. Bossard, «L’action en justice d’un tiers contre une copropriété», JT 1988, p. 17, nr. 4;

• P. Demeur en F. Passelecq, «La maxime «Nul ne plaide par procureur» et le deroi d’ester en justice pour les intérêts d’autrui», RPS 1924, 206.

• Antwerpen 24 maart 1993, RW 1994-95, 257, noot.

• P. Demeur en F. Passelecq, «La maxime «Nul ne plaide par procureur» et le deroi d’ester en justice pour les intérêts d’autrui», RPS 1924, 205.

• C.A. Groenendijk, Bundeling van belangen bij de burgerlijke rechter, Zwolle, Tjeenk Willink, 1981, 112;

• C.W. Star Busmann, Hoofdstukken van burgerlijke rechtsvordering, Haarlem, De Erven F. Bohn, 1972, p. 108, nr. 139.

• Cass. 13 april 1889, Pas. 1889, I, 179. Vgl. voor Nederland: HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307.

• Gent 11 mei 1999, T.Strafr. 2000, 125, waartegen de voorziening tot cassatie werd verworpen door Cass. 22 mei 2001, Arr.Cass. 2001, 972, conclusie advocaat-generaal J. Du Jardin. K. Van Impe, «De burgerlijke rechtsvordering door het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding in naam van slachtoffers van mensenhandel: van de parlementaire wens tot gerechtelijke werkelijkheid» (noot onder Gent 11 mei 1999), T.Strafr. 2000, 128-134, i.h.b. nrs. 27-28.

• F. Swennen, «Burgerlijke partijstelling door een lasthebber» (noot onder Cass. 26 maart 2002), RW 2002-03, p. 380, nr. 4. H.-D. Bosly en D. Vandermeersch beantwoorden de vraag bevestigend: Droit de la procédure pénale, Brugge, die Keure, 2010, 240. contra: A. De Nauw, Tussenkomst van derden voor de strafrechter in APR, Gent, Story-Scientia, 1985, p. 7, nr. 9.

• Cass. 26 juni 1984, Arr.Cass. 1983-84, 1397

• Cass. 26 maart 2002, RW 2002-03, 379, noot F. Swennen;

• Cass. 5 oktober 1903, Pas. 1904, I, 19;

• Pol. Hasselt 12 april 1991, Limb.Rechtsl. 1991, 109;

• Gent 30 oktober 1998, T.Strafr. 2001, 143

22 Zie daarover o.m.: F. Swennen, o.c., RW 2002-03, 379-383;

• R. Verstraeten, D. Van Daele, A. Bailleux en J. Huysmans, De burgerlijke partijstelling: analyse en toekomstperspectief, Antwerpen, Intersentia, 2012, 296-298.

• M. Denef en J. Theunis, «Optreden in rechte van een vzw» in M. Denef (ed.), De vzw, Brugge, die Keure, 2015, p. 377, nr. 96;

• P. Taelman en S. Van Hecke, «Optreden in rechte van V.Z.W.’s» in 1921-1996. 75 Jaar Belgisch V.Z.W. recht, Gent, Mys & Breesch, 1996, p. 44, nr. 13;

• J. Baert en G. Debersaques, Raad van State, afdeling administratie. Ontvankelijkheid in Administratieve rechtsbibliotheek, Brugge, die Keure, 1996, p. 185-188, nr. 188, met talrijke verwijzingen naar rechtspraak van de Raad van State.

•J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, Antwerpen, Biblo, 2014, p. 303-305, nrs. 400 en 402. J. Vananroye, Morele wezens en wetsontduikende monniken, Antwerpen, Intersentia, 2012, 27.

• P. Loudinot, Étude sur la maxime «nul, en France, ne plaide par procureur ...», Parijs, Giard & Brière, 1912, 83).

• I. Samoy, Middellijke vertegenwoordiging, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 42, nr. 49.

• D. Cholet, «Assistance et représentation en justice», Rép.Pr.Civ. Dalloz 2012, losbl., nr. 30.

• B. Cattoir, Burgerlijk bewijsrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, p. 126-129;

• B. Samyn, Privaatrechtelijk bewijs. Een diepgaand en praktisch overzicht, Gent, Story, 2012, 133-143;

• B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 348-349, nr. 33;

• D. Mougenot, La preuve in Droit des obligations, Brussel, Larcier, 2002, p. 99-100, nr. 31.

• J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, p. 324, nr. 426;

• H. Boularbah, A. Berthe en B. Biemar, o.c., in B. Kohl (ed.), Le mandat dans la pratique, p. 105, nr. 11;

• K. Broeckx, «Vertegenwoordiging in rechte en naamlening in het geding», RW 1994-95, p. 249, nr. 12;

• H. Solus en R. Perrot, Droit judiciaire privé, III, Parijs, Sirey, 1991, p. 32, nr. 33.

• Cass. 4 oktober 2000, Arr.Cass. 2000, 1496 («Overwegende dat het recht om in rechte op te treden, in de regel, een persoonlijk recht is»);

• Cass. 31 mei 2012, RABG 2012, p. 1259, nr. 15.

• Rb. Brugge 29 oktober 1999, RW 2000-01, 27.

• Rb. Brussel 12 december 2000, T.App. 2001/3, 23.

• Rb. Hasselt 4 oktober 1999, RW 2001-02, 1510;

• Bergen 6 januari 2014, JLMB 2014, 1341;

• Luik 26 januari 2012, JLMB 2014, 156.

• H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, V, Brussel, Bruylant, 1975, p. 395, nr. 394, met verwijzing naar Kh. Luik 18 februari 1930, JL 1930, 110

• Kh. Brussel 15 november 2007, JLMB 2008, 987 (verkorte weergave).

• Vred. Étalle 30 april 1997, JLMB 1997, 1267.

• Cass. 14 november 2012, P.11.1611.F, Arr.Cass. 2012, 2541;

• Cass. 4 oktober 2000, Arr.Cass. 2000, 1496.

• Cass. 5 april 1963, Pas. 1963, I, 856, noot W.G;

• S. Fredericq, «La représentation en justice de l’armement par le capitaine» (noot onder Cass. 5 april 1963), RCJB 1965, 417-422.

• Cass. 7 maart 2014, RW 2014-15, 1610.

• Rb. Tongeren 12 juni 1989, Limb.Rechtsl. 1989, 158;

• J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, p. 317, nr. 415;

• B. Tilleman, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, p. 263, nr. 530;

• P. Bossard, «L’action en justice d’un tiers contre une copropriété», JT 1988, p. 20, nr. 12;

• C. Paulus en R. Boes, Lastgeving in APR, Gent-Leuven, Story-Scientia, 1978, p. 44, nr. 78.

• F. Dorssemont, Rechtspositie en syndicale actievrijheid van representatieve werknemersorganisaties, Brugge, die Keure, 2002, p. 438, nr. 611.

• Cass. 15 april 2004, Arr.Cass. 2004, 643, TRV 2004, 686, noot J. Vananroye;

• P. Vanlersberghe, «Het optreden in rechte van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid» (noot onder Gent 6 november 2002), RABG 2003, p. 577-578, nr. 5;

• H. De Page, noot onder Corr. Brussel 16 januari 1929, DP 1929, II, 58;

• H. Solus en R. Perrot, o.c., p. 32, nr. 33.

• D. Cholet, «Assistance et représentation en justice», Rép.dr.civ. Dalloz 2012, losbl., nr. 34;

• P. Julien en N. Fricéro, «Représentation en justice» in J.-Cl. Procédure Civile, Fasc. 106, 1999, losbl., nr. 16;

• H. Solus en R. Perrot, o.c., p. 31, nr. 33.

• H. De Page, noot onder Corr. Brussel 16 januari 1929, DP 1929, II, 57.

• Cass.civ. 29 januari 1850, DP 1850, I, 123.

• Cass. 5 oktober 1903, Pas. 1904, I, 19.

• D.-B. Floor, Tijdelijke handelsvennootschappen, Gent, Larcier, 2007, 26;

• Vananroye, «De vorderingsbevoegdheid van de vertegenwoordigers van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid» (noot onder Voorz. Rb. Brussel 13 november 1997), RW 1997-98, p. 990, nr. 2;

• P. Taelman, «Het optreden in rechte van (privaatrechtelijke) entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en rechtspersonen voor de judiciële rechtscolleges» in W. van Eeckhoutte (ed.), Rechtspersonenrecht, Gent, Mys & Breesch, 1999, p. 42, nr. 6.

• Cass. 18 december 1980, Arr.Cass. 1980-81, 446;

• Cass. 17 november 1976, RW 1976-77, 1517;

• Cass. 29 mei 1974, Arr.Cass. 1974, 1072;

• Cass. 18 september 1964, RW 1965-66, 1103.

• Arbh. Brussel 18 september 2014, JTT 2015, 184,

• S. Stijns en P. Callens, «Over tijdelijke vennootschappen en (schijn-)vertegenwoordiging» (noot onder Kh. Kortrijk 19 januari 1988), TRV 1989, 68-76.

• Cass. 17 februari 1995, Pas. 1995, I, 188;

• Cass. 1 oktober 1987, Arr.Cass. 1987-88, 143;

• Cass. 2 oktober 1987, Arr.Cass. 1987-88, 144;

• Cass. 9 februari 1987, Arr.Cass. 1986-87, 762;

• K. Broeckx, «Nul ne plaide par procureur in het civiele procesrecht» in C. Engels en P. Lecocq (eds.), Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters 2011, Brugge, die Keure, 2011, p. 217, nr. 22;

• G. de Leval, Éléments de procédure civile, Brussel, Larcier, 2005, p. 27, nr. 11;

• P. Van Orshoven, «Niet-ontvankelijkheid, nietigheid, verval en andere wolfijzers en schietgeweren van het burgerlijk procesrecht» in P. Van Orshoven (ed.), Themis 2000-2001: Gerechtelijk privaatrecht, Brugge, die Keure, 2000, 33;

• A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Université de Liège, 1987, p. 49, nr. 37.

• Cass. 17 februari 1995, Pas. 1995, I, 188;

• Cass. 11 november 1869, Pas. 1870, I, 3. Cass. 18 oktober 2012, Arr.Cass. 2012, 2213, dat weliswaar over het belangvereiste gaat, maar er valt niet in te zien waarom er voor het vereiste van proceshoedanigheid een andere oplossing zou gelden.

• P. Taelman, Het gezag van het rechterlijk gewijsde: een begrippenstudie, Diegem, Kluwer, 2001, p. 13, nr. 21.

• K. Wiersma, Het rechtsmiddel verzet van derden, Leiden, Universitaire Pers, 1952, 51,

• J. Vananroye, «Proceshandelingen qualitate qua, de bevoegdheid van de advocaat (art. 440, al. 2 Ger.W.) en de vertegenwoordiging van een rechtspersoon» (noot onder Cass. 17 april 1997), TRV 1998, 519-520.

• P. Depuydt, «Art. 848 Ger.W.» in Comm.Ger. 2005, Mechelen, Kluwer, losbl., nr. 9, i.h.b. voetnoot 4.

• Cass. 13 september 1991, Arr.Cass. 1991-92, 50;

• Luik 26 januari 2012, JLMB 2014, 156;

• Vred. Oudenaarde 19 april 1999, TRV 1999, 343, noot J. Vananroye;

• Vred. St.-Truiden 27 maart 1997, AJT 1998-99, 167, noot S. Snaet;

• Vred. Wervik 20 april 1999, T.Vred. 2001, 154;

• B. Allemeersch en S. Ryelandt, «Régime des fins de non-recevoir tirées du défaut d’intérêt ou de qualité» in H. Boularbah en J.-F. Van Drooghenbroeck (eds.), Les défenses en droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2010, 175;

• P. Vanlersberghe, «Art. 17 Ger.W.» in Comm.Ger. 2002, Mechelen, Kluwer, losbl., nr. 47;

• M.E. Storme, «Procesrechtelijke knelpunten bij de geldendmaking van rechten uit aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechter, in het bijzonder belang, hoedanigheid en rechtsopvolging» in M.L. Storme (ed.), Recht halen uit aansprakelijkheid, Gent, Mys & Breesch, 1993, p. 221, nr. 28.

• J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, p. 319, nr. 417;

• K. Wagner, Sancties in het burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2007, 113;

• G. Block, Les fins de non-recevoir en procédure civile, Brussel, Bruylant, 2002, p. 378, nr. 194;

• H. Boularbah, «La double dimension de la qualité, condition de l’action et condition de la demande en justice», TBBR 1997, p. 88, nr. 84;

• M.E. Storme, «De bescherming van de wederpartij en van het dwingend recht bij middellijke vertegenwoordiging, meer bepaald naamlening, in het burgerlijk procesrecht, en de betwistbare verwoording daarvan in de cassatiearresten van 25 november 1993», P&B 1994, p. 60, nr. 9;

• R. De Corte, «Hoe autonoom is het procesrecht? Studie van enkele raakvlakken tussen materieel recht en gerechtelijk recht» in M.L. Storme (ed.), Procesrecht vandaag, Antwerpen, Kluwer, 1980, p. 23-24, nr. 47. Zie ook meer algemeen: J. van Compernolle en G. de Leval, «Pour une conception finaliste et fonctionnelle du formalisme procédural dans le procès civil», JT 2012, 509-513;

• R. De Corte, J. Laenens, P. Taelman en K. Broeckx, «Van vormdoel naar normdoel in het gerechtelijk privaatrecht» in De norm achter de regel. Hommage aan Marcel Storme, Deurne, Kluwer, 1995, p. 69, nr. 43. Vgl. ook in Nederland: HR 4 mei 1956, NJ 1956, 304;

• HR 28 januari 1949, NJ 1949, nr. 424;

• HR 16 juni 1939, NJ 1939, 1043;

• Cass.civ. 4 november 2009, nr. 07-17618;

• Cass.civ. 7 november 1984, D. Jurisprudence 1986, 10, noot H. Souleau.

• EHRM 4 december 1995, nr. 23805/94, Bellet/Frankrijk

• F. Dorssemont, «De rechtspositie van de representatieve werknemersorganisaties» in M. Rigaux en W. van Eeckhoutte (eds.), Actuele problemen van het arbeidsrecht 5, Gent, Mys & Breesch, 1997, p. 297, nr. 566.

• Cass. 28 september 1984, Arr.Cass. 1984-85, 165, noot G.D.H.

• G. de Leval (ed.), Droit judiciare. Tome 2: Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, 101.

• P.A. Foriers en R. Jafferali, «Le mandat (1991 à 2004)» in F. Glansdorff (ed.), Actualités de quelques contrats spéciaux, Brussel, Bruylant, 2005, p. 90, nr. 25;

• T. Delvaux, «Représentation et comparution des sociétés devant les juridictions de l’ordre judiciaire», Act.dr. 2002, p. 474-475, nr. 38.

• Luik 21 december 2006, Rev.not.b. 2007, 235.

• Beslagr. Marche-en-Famenne 24 augustus 2006, JLMB 2007, 854 (samenvatting);

• Kh. Antwerpen 27 juni 1984, RHA 1986, 156;

• Rb. Antwerpen 17 februari 1972, RHA 1972, 228 (samenvatting).

• Cass. 30 mei 1968, Arr.Cass. 1968, 1197;

• Vred. Wolvertem 20 juni 1996, T.Vred. 1996, 386;

• Vred. Brussel 9 oktober 1980, T.Vred. 1981, 5.

• Hof Amsterdam 21 juni 1951, NJ 1952, nr. 102, aangehaald in W. Van Gerven, Bewindsbevoegdheid, Brussel, Bruylant, 1962, 296-297.

• Rb. Brugge 2 juli 1934, RPS 1936, 93

• Luik 28 november 1985, JL 1986, 95;

• B. Allemeersch en M. Piers, «De invoering in België van een class action naar Amerikaans model» in G. Closset-Marchal en J. van Compernolle (eds.), Naar een «class action» in het Belgisch recht?, Brugge, die Keure, 2008, p. 33, nr. 38.

• Brussel 25 maart 1987, RW 1987-88, 716, noot;

• M.E. Storme, «De goede trouw in het geding? De invloed van de goede trouw in het privaat proces- en bewijsrecht», TPR 1990, p. 355, nr. 1.

• P. Loudinot, Étude sur la maxime «nul, en France, ne plaide par procureur...», Parijs, Giard & Brière, 1912, 86.

• Kh. Brussel 10 september 1992, JT 1992, 719, noot.

• Cass. 20 juni 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1365, RW 1989-90, 1425, noot A. Van Oevelen, TRV 1989, 540, noot P. Callens en S. Stijns.

• Antwerpen 10 oktober 2001, TBH 2003, 680. 75 Brussel 8 februari 1972, RHA 1972, 320;

• S. Fredericq, «La représentation en justice de l’armement par le capitaine» (noot onder Cass. 5 april 1963), RCJB 1965, p. 408, nr. 1;

• W.G., noot onder Cass. 5 april 1963, Pas. 1963, I, 856. E. Van Hooydonck, Vijfde blauwboek over de herziening van het Belgisch scheepvaartrecht. Proeve van Belgisch scheepvaartwetboek, 2012, te raadplegen op http://www.zeerecht.be/Documenten/COMAR%20Blauwboek%205.pdf, 86-88.

• P. Julien en N. Fricéro, «Représentation en justice», J.-Cl. Procédure Civile, Fasc. 106, 1999, losbl., nr. 46.

76 Vred. Sint-Kwintens-Lennik 8 november 1999, T.Vred. 2000, 255.

• Cass. 29 oktober 2015, C.13.0374.N, www.cass.be;

• Cass. 23 februari 2012, RW 2012-13, 1106;

• Cass. 28 september 2007, Arr.Cass. 2007, 1798;

• Cass. 11 februari 2005, Arr.Cass. 2005, 356;

• Cass. 2 april 2004, Arr.Cass. 2004, 597;

• Cass. 26 februari 2004, Arr.Cass. 2004, 334).

• C. Dieryck, Zeeverzekering en averijvordering, Gent, Larcier, 2005, 178, nr. 254, heeft het over een «gevestigd gebruik».

• H. Ulrichts, «De rechtsbijstandverzekeraar en een «terugbetalingrecht» in de verhouding verzekerde bij aansprakelijkheid van een derde?», T.Verz. 2014, 457.

• Cass. 26 januari 2001, Arr.Cass. 2001, 170;

• Cass. 8 oktober 1999, Arr.Cass. 1999, 1234;

• Cass. 25 november 1993 (AR 9618), R.Cass. 1994, 64, noot K. Broeckx;

• Cass. 25 november 1993 (AR 9617), Arr.Cass. 1993, 986;

• Cass. 28 september 1984, Arr.Cass. 1984-85, 165, noot G.D.H.;

• Cass. 21 oktober 1948, RHA 1949, 5, noot J. Van Doosselaere;

• Cass. 6 mei 1915, Pas. 1915, I, 285. Vgl. voor Nederland: HR 26 februari 2010, NJ 2011, 474;

• HR 26 november 2004, NJ 2005, nr. 41;

• HR 28 oktober 1988, NJ 1989, nr. 83;

• HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 254;

• Cass.Req. 27 juni 1911, S. 1913, 557.

• M. Planiol, Traité élémentaire de droit civil, II, Parijs, LGDJ, 1926, p. 756, nr. 2269.

• G. de Leval, Éléments de procédure civile, p. 27, nr. 11;

• M.E. Storme, «Rechtsopvolging onder bijzondere titel tijdens het burgerlijk geding in België en Nederland», RW 1993-94, 174;

• K. Broeckx, «De principiële geldigheid van naamleningsovereenkomsten in het procesrecht» (noot onder Cass. 25 november 1993), R.Cass. 1994, 63-64.

• H. Solus en R. Perrot, o.c., p. 37, nr. 38;

• R. Gassin, La qualité pour agir en justice, Draguignan, Olivier-Joulian et nouvelle réunies, 1955, p. 82, nr. 97;

• M. Planiol en G. Ripert, Traité pratique de droit civil français, XI, Parijs, LGDJ, 1954, p. 957, nr. 1505;

• E. Glasson, A. Tissier en R. Morel, Traité théorique et pratique d’organisation judiciaire, de compétence et de procédure civile, I, Parijs, Sirey, 1925, p. 561, nr. 220;

• P. Loudinot, Étude sur la maxime «nul, en France, ne plaide par procureur ...», Parijs, Giard & Brière, 1912, 68-69. Vgl. Brussel 27 april 1992, JLMB 1993, 410, noot A. Kohl.

• Dieryck, Zeeverzekering en averijvordering, Gent, Larcier, 2005, p. 176, nr. 252.

• Antwerpen 4 januari 1984, RW 1986-87, 2860,

• J.T. Suijdendorp en L.K. De Haan, «De Hoge Raad op de verkeerde weg», AV&S 2010, 254-255,

• HR 3 mei 1991, NJ 1992, nr. 229;

• P. Colle en S. Zegers, «De terugvorderbaarheid van de erelonen van advocaten en verzekeringen», T.Verz. 2006, p. 47, nr. 21

• J. Miguet, Immutabilité et évolution du litige in Bibliothèque de droit privé, Parijs, LGDJ, 1977, p. 97-99, nr. 86;

• M. Dagot, La simulation en droit privé in Bibliothèque de droit privé, Parijs, LGDJ, 1965, p. 267, nr. 271;

• A. Besson, noot onder Trib.Civ. Charolles 7 maart 1952, D. 1953, 16.

• W.C.L. Van Der Grinten, Vertegenwoordiging en rechtspersoon. De Vertegenwoordiging in Mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht, Zwolle, Tjeenk Willink, 1990, p. 90, nr. 102.

• G. de Leval, Éléments de procédure civile, p. 27, nr. 11;

• M. Planiol en G. Ripert, o.c., XI, p. 957, nr. 1505.

• S. Guinchard, F. Ferrand en C. Chainais, Procédure civile. Droit interne et droit de l’Union européenne, Parijs, Dalloz, 2014, p. 243, nr. 269;

• W.D.H. Asser, «Partij-vertegenwoordigers in het civiele proces» in S.C.J.J. Kortmann, N.E.D. Faber en J.A.M. Strens-Meulemeester (eds.), Vertegenwoordiging en tussenpersonen, Deventer, Tjeenk Willink, 1999, 498;

• J. van Compernolle en G. Closset-Marchal, «Examen de jurisprudence (1985 à 1996). Droit judiciaire privé», RCJB 1997, p. 519, nr. 37;

• H. Boularbah, A. Berthe en B. Biemar, ibid. en W.D.H. Asser, o.c., in S.C.J.J. Kortmann, N.E.D. Faber en J.A.M. Strens-Meulemeester (eds.), Vertegenwoordiging en tussenpersonen, 498.

• K. Baert en B. Deconinck, «Rechtsopvolging in het nieuwe België. Spookrijders in het procesrecht» in M.L. Storme en A. Beirlaen (eds.), Procederen in nieuw België en komend Europa, Antwerpen, Kluwer, 1991, p. 399, nr. 17;

• Cass. 24 januari 1974, Pas. 1974, I, 547:

• I. Samoy, Middellijke vertegenwoordiging, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 697, nr. 1110).

• A. Fettweis en B. Deconinck, «Praktische problemen met betrekking tot partijen, partijen qualitate qua en gerechtsmandatarissen», P&B 2013, 175;

• I. Vanstapel, «Wie is «partij» en wie is «derde» in een contract en in een contractgroep? Actuele knelpunten en perspectieven» in I. Samoy (ed.), Derden in het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 1-58;

• E. Dirix, Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Antwerpen, Maklu, 1984, 21 e.v.

• N. Dissaux, La qualification d’intermédiaire dans les relations contractuelles, Parijs, LGDJ, 2007, 662 p.

• P.J. Witteman, «Over het begrip: partij» in Rechtsgeleerde opstellen van de hand van oud-leerlingen aangeboden aan prof. Mr. Paul Scholten ter gelegenheid van zijn 25-jarig hoogleraarschap, Haarlem, De Erven F. Bohn, 1932, 409 e.v.

• J. Duclos, L’opposabilité (essai d’une théorie générale), Parijs, LGDJ, 1984, p. 25, nr. 3.

• J. Halkema, De procespartij in het burgerlijk geding, Leiden, IJdo, 1936, 63-64.

• R. De Corte en J. Laenens, «De verstekprocedure en de taak van de rechter bij verstek», TPR 1980, p. 455-456, nr. 16.

• Cass. 24 oktober 1983, Arr.Cass. 1983-84, 210

• J. Laenens, «Het optreden in rechte van een gemeenschap van medeëigenaars in een appartementsgebouw», RW 1991-92, p. 291, nr. 35.

• HR 14 mei 1965, NJ 1965, 361;

• Luik 16 november 1987, JLMB 1988, 419;

• Luik 5 december 1986, JL 1987, 801.

• Luik 11 december 1974, JL 1974-75, 177

• Brussel 29 april 1993, TRV 1993, 419

• P. Van Ommeslaghe, Traité de droit civil belge. Tome II: Les obligations, Brussel, Bruylant, 2013, p. 2199, nr. 1527.

• Vred. Zomergem 7 oktober 2005, T.Not. 2009, 622,

• T.Vred. 2010, 106, noot A. Smets.

• Cass. 17 november 2014, AR C.13.0210.F, Arr.Cass. 2014, 2624,

• Cass. 26 oktober 1995, Arr.Cass. 1995, 915. Cass. 24 oktober 1983, Arr.Cass. 1983-84, 210;

• Luik 3 februari 1992, JLMB 1992, 633;

• Luik 18 oktober 1993, JLMB 1994, 1322.

• Antwerpen 4 oktober 1989, De Verz. 1991, 741, noot S. Wagner.

• Cass. 31 mei 2012, RABG 2012, 1252, conclusie advocaat-generaal C. Vandewal;

• B. Van Den Bergh, «Over hoe een procespartij plots derde wordt: de impact van kwalitatieve rechten op de procesverhouding» (noot onder Antwerpen 16 oktober 2013), TBBR 2015, 209-212).

•Verslag C. Van Reepinghen bij het ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek, Parl.St. Senaat 1963-64, nr. 60, p. 200-201.

• Cass. 4 april 1935, Pas. 1935, I, 214;

• Cass. 11 mei 1989, Arr.Cass. 1988-89, 1057).

• Gent 4 oktober 1994, RW 1995-96, 435;

• Rb. Leuven 8 januari 1988, RW 1987-88, 1547;

• Rb. Hasselt 29 juni 1981, Limb.Rechtsl. 1982, 13;

• Arbh. Bergen 20 juni 1975, JT 1975, 551. contra: Arbrb. Namen 28 juni 1971, Pas. 1971, III, 78.

• Cass. 5 februari 1985, Pas. 1985, I, 666.

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/10/2016 - 15:15
Laatst aangepast op: ma, 10/10/2016 - 15:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.