-A +A

Personen met een beperking en het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Van Nieuwenhove
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1403
Samenvatting

Rede uitgesproken door de substituut-generaal op de plechtige openingszitting van het Arbeidshof te Gent op 6 september 2016

Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap werd op Vlaams, Belgisch en Europees niveau goedgekeurd.

Het verdrag heeft tot doel ervoor te zorgen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid het volledige genot hebben van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden.

Het verdrag hanteert daarbij een moderne definitie van het begrip handicap en verduidelijkt op verschillende levensdomeinen hoe aan dit non-discriminatiebeginsel en het autonomiebeginsel inhoud moet worden gegeven.

Hoewel niet alle bepalingen directe werking hebben, mag worden aangenomen dat zij door de hoven en rechtbanken gebruikt zullen worden bij de interpretatie van de nationale en internationale wetgeving.
 

 
I. Inleiding
 
De aanleiding om het tijdens deze plechtige zitting onder meer te hebben over het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, is de bevoegdheid die aan de arbeidshoven krachtens art. 607 Ger.W. is toegekend om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de beslissingen in eerste aanleg van de arbeidsrechtbanken, die onder andere oordelen over de aanspraken op verschillende domeinen van personen met een handicap.
 
Ik herinner u eraan dat de arbeidsrechtbanken bevoegd zijn om kennis te nemen van de geschillen inzake de rechten ten aanzien van de klassieke tegemoetkomingen aan personen met een handicap 1 .

Ik bedoel daarmee de inkomensvervangende tegemoetkoming, de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden zoals bedoeld in art. 2 van de wet van 27 februari 1987 «betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap». Wat deze bevoegdheid van de arbeidsgerechten betreft, was er vóór de eeuwwisseling discussie.

Sedert de wet van 19 april 1999 «tot wijziging van artikel 582, 1

o van het Gerechtelijk Wetboek» is het evenwel duidelijk dat de bevoegdheid van de arbeidsgerechten verder gaat dan een eerder beperkte bevoegdheid te beoordelen of de administratieve beslissing die over de aanspraak op een tegemoetkoming genomen was, al dan niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften tot stand gekomen was.
 
Het standpunt dat het Hof van Cassatie vóór de wetswijziging van 19 april 1999 leek te onderschrijven, had tot gevolg dat de persoon met een handicap zijn vordering niet kon uitbreiden tot discussiepunten die buiten de ministeriële beslissing vielen 2 . Het Hof van Cassatie baseerde zich toen op een letterlijke lezing van het oude art. 582, 1o Ger.W., gecombineerd met art. 19, tweede lid van de wet van 27 februari 1987 «betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap».
 
Sedert de wetswijziging van 19 april 1999 is het duidelijk dat de bevoegdheid van de arbeidsgerechten inzake deze tegemoetkomingen dezelfde is als in andere geschillen voor de arbeidsgerechten.
 
Niemand had toen kunnen voorspellen dat deze wijziging nog ter sprake zou komen in een arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 maart 2014 3 . Het ging om de volgende feiten.
 
Een persoon met een handicap had op de leeftijd van 63 en 64 jaar aanvragen ingediend voor een tegemoetkoming bedoeld in de wet van 27 februari 1987 en kon, omdat zij nog niet ten minste 65 jaar oud was, niet in aanmerking komen voor hulp aan bejaarden 4 . Vastgesteld werd dat zij pas na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar aan de voorwaarden voor deze laatste tegemoetkoming voldeed.
 
Met toepassing van art. 807 Ger.W., zijnde de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden de rechtsvordering uit te breiden of te wijzigen, verzocht zij vervolgens voor het arbeidshof een andere tegemoetkoming, ditmaal voor hulp aan bejaarden, welke rechtsvordering ontvankelijk werd verklaard.
 
Weliswaar vereist elke toekenning van een tegemoetkoming wel een aanvraag, maar krachtens art. 8, § 1, derde lid van de wet van 27 februari 1987 geldt een aanvraag om een integratietegemoetkoming of een inkomensvervangende tegemoetkoming automatisch als een aanvraag voor een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, tenminste als de persoon op het ogenblik van de indiening reeds 65 jaar is.
 
Het arbeidshof had aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld over een mogelijke discriminatie tussen die personen en de personen, die tijdens de procedure 65 jaar werden en op wie art. 8 niet van toepassing is.
 
Omdat het arbeidshof geoordeeld had dat de gewijzigde rechtsvordering ontvankelijk was en de prejudiciële vraag dus eigenlijk niet dienstig was voor de oplossing voor het geschil voor de verwijzende rechter, behoefde de prejudiciële vraag geen antwoord en dat kwam er dan ook niet. Art. 26, § 2, derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt nu eenmaal dat rechtscolleges geen prejudiciële vragen moeten stellen wanneer het antwoord niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.
 
Ten gevolge van de Programmawet van 24 december 2002 werden de arbeidsgerechten ook bevoegd om te oordelen over de betwistingen inzake medische onderzoeken die worden uitgevoerd met het oog op de toekenning van sociale en fiscale voordelen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn afgeleid van een sociaal recht of van de sociale bijstand. In de eerste plaats denken we dan aan de geschillen m.b.t. de parkeerkaarten voor personen met een handicap.
 
Maar het gaat evenzeer over het voordeel van de gratis kaart voor de begeleider van de persoon met een handicap bij de NMBS, welk voordeel ter sprake kwam in een arrest van het Arbeidshof te Luik van 8 juni 2009 5 .
 
Daarnaast is er nog de bevoegdheid om kennis te nemen van de geschillen betreffende de toekenning van bijstand tot sociale integratie, thans in Vlaanderen toevertrouwd aan het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, zoals opgericht door het decreet van 7 mei 2004, en in het Gerechtelijk Wetboek ingevoerd door art. 33, § 1 van dit decreet.
 
II. Totstandkoming en inwerkingtreding in België van dit VN-verdrag
 
Vanuit de vaststelling dat naar schatting van de Wereldgezondheidsorganisatie wereldwijd zo’n 650 miljoen personen met een handicap leven, hoeft het niet te verbazen dat ook binnen de Verenigde Naties belangstelling bestond voor dit onderwerp.
 
Tijdens de Wereldconferentie over de strijd tegen racisme, raciale discriminatie, xenofobie en gerelateerde intolerantie, die in september 2001 plaatsvond in het Zuid-Afrikaanse Durban, vroeg Mexico de opstelling van een verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De goedkeuring door de Algemene Vergadering van de VN op 19 december 2001 van resolutie 56/168 was het sein voor het ad-hoccomité om zijn werkzaamheden aan te vatten, waarbij ook niet-gouvernementele organisaties werden betrokken.
 
Reeds op 25 augustus 2006 nam het ad-hoccomité een ontwerp van verdrag aan, samen met een ontwerp van facultatief protocol. Het volledige rapport van het comité werd op 6 december 2006 aan de Algemene Vergadering voorgelegd, die het verdrag en het protocol op 13 december 2006 goedkeurde.
 
Daarmee was dit verdrag het eerste mensenrechtenverdrag van de 21e eeuw. Het verdrag trad in werking op 3 mei 2008, dertig dagen nadat Ecuador als twintigste staat zijn akte van bekrachtiging had neergelegd 6 . Bijzonder is dat het verdrag mee is geschreven door mensen met een handicap en de verenigingen die hun belangen verdedigen en dat het verdrag op zeer korte tijd tot stand kwam.
 
Het verdrag werd dus op 13 december 2006 in de Algemene vergadering van de Verenigde Naties aangenomen en door België en zijn bevoegde deelstaten op 30 maart 2007 ondertekend 7 . Op Belgisch niveau is er de wet van 13 mei 2009 «houdende instemming met dit verdrag» 8 en op Vlaams niveau is er het decreet van 8 mei 2009 «houdende instemming met dit verdrag» 9 .
 
In beide wetgevende akten werd ook het Facultatief Protocol bij het verdrag aangenomen. Dit betekent dat op beide niveaus de additionele bevoegdheden van het Comité voor de rechten van personen met een handicap worden erkend.
 
Het Comité voor de rechten van personen met een handicap is bij aanneming van het Facultatief Protocol onder meer bevoegd om individuele of collectieve klachten over de toepassing van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap te ontvangen en deze klachten te onderzoeken 10 .
 
De manier waarop dit comité wordt samengesteld en onder meer zijn werkingsmiddelen, zijn beschreven in art. 34 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
 
In art. 33 van het VN-verdrag is er sprake van de aanduiding van een onafhankelijk orgaan om de uitvoering van het verdrag te bevorderen, te beschermen en te monitoren. Op grond van art. 40, § 2, 11o van het decreet van 10 juli 2008 «houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid» werd het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme aangewezen 11 .
 
Dit centrum kwam tot stand op grond van het Samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen. Het Centrum heeft als opdracht de bevordering van de gelijkheid van kansen en het omgaan met de diversiteit in onze samenleving en het bestrijden van elke vorm van discriminatie, onderscheid, uitsluiting, beperking, uitbuiting of voorkeur op grond van onder meer handicap. Het heeft ook uitdrukkelijk de opdracht de taken te vervullen bepaald in art. 33, § 2, van het Verdrag van de Verenigde Naties van 13 december 2006 inzake de rechten van de personen met een handicap. Naast het nationale toezicht heeft het voornoemde VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap niet alleen een facultatieve opdracht in het kader van klachtenbehandeling, maar speelt het ook een rol in de bij art. 35 bedoelde statelijke rapportage over de toepassing van het verdrag. Naar aanleiding van elk rapport kan het comité namelijk suggesties en algemene aanbevelingen doen 12 .
 
Niet alleen in België werd het verdrag goedgekeurd. Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap werd ook namens de Europese Gemeenschap, nu de Europese Unie, goedgekeurd door een beslissing van de Raad van Ministers van 26 november 2009 13 .
 
De doorwerking van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap kwam reeds ter sprake in een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 maart 2014 14 . Door de goedkeuring door de Raad van Ministers maken de bepalingen van dit verdrag sedert de inwerkingtreding ervan deel uit van de rechtsorde van de Unie 15 .
 
Weliswaar heeft het VN-verdrag volgens het Hof van Justitie geen rechtstreekse werking, maar dit belet niet dat alle besluiten van de Europese Unie die verwijzen naar aangelegenheden waarop het verdrag van toepassing is, zoals dat het geval is voor de richtlijn 2007/78/EG van de Raad van 27 november 2000 «tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep» 16 , zoveel mogelijk in overeenstemming met dit verdrag worden uitgelegd.
 
III. Doel
 
Het verdrag heeft, volgens de bepalingen van zijn eerste artikel, tot doel ervoor te zorgen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid het volledige genot hebben van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden. Het verdrag creëert eigenlijk geen nieuwe rechten, omdat de rechten van personen met een handicap al vastgelegd zijn in algemene mensenrechtenverdragen.
 
Het verdrag preciseert een aantal rechten en het verbod op discriminatie in een aantal documenten 17 . Precies in de Preambule bij het Verdrag wordt eraan herinnerd dat in het Handvest van de Verenigde Naties gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensheid erkend worden als grondvesten van vrijheid, gerechtigheid en vrede. Tevens wordt in de Preambule herinnerd aan de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de aanspraak die iedereen heeft op deze mensenrechten, zonder enig onderscheid van welke aard ook.
 
In het begin van de Preambule wordt dus bevestigd dat de rechten en het discriminatieverbod reeds terug te vinden zijn in andere internationale rechtsbronnen, maar dat het noodzakelijk geacht werd dat aan personen met een handicap gewaarborgd zou worden dat zij deze mensenrechten ten volle en zonder discriminatie zouden kunnen uitoefenen.
 
Naast dit principe van gelijkheid wordt ook de bevordering van het respect voor de waardigheid van alle personen met een handicap in art. 1 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap als doelstelling geformuleerd.
 
IV. Definitie van persoon met een handicap
 
In het artikel met de doelstellingen vinden we ook een soort definitie van «personen met een handicap» terug: personen met een handicap zijn onder meer personen met langdurige lichamelijke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen waarbij deze beperkingen, in wisselwerking met diverse drempels, hun deelneming aan het maatschappelijk leven op voet van gelijkheid met anderen, kunnen bemoeilijken, kunnen beletten. Het gaat dus niet echt om een gesloten definitie van personen met een handicap.
 
De omschrijving bevat zowel elementen uit het traditionele medische model als het modernere sociale model om handicaps te benaderen. Terwijl het medische model de individuele (functie)beperking van de persoon met een handicap centraal stelt, legt het sociale model de nadruk op de wisselwerking, de interactie tussen de beperking en de drempels die de samenleving opwerpt voor personen met een beperking.
 
In het Vlaams decreet van 7 mei 2004 «tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap», wordt in art. 2 een handicap omschreven als elk langdurig en belangrijk participatieprobleem van een persoon dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren.
 
Deze definitie lijkt dus te beantwoorden aan de moderne omschrijving in het verdrag. Het decreet bevat wel, wat zijn praktisch personeel toepassingsgebied betreft, in art. 20 een beperking op het vlak van leeftijd: men mag de leeftijd van 65 jaar op het ogenblik van de aanvraag nog niet bereikt hebben. Voordien was deze voorwaarde opgenomen in art. 2 van het decreet van 27 juni 1990 waarbij de rechtsvoorganger van het Vlaams Agentschap was opgericht. In twee arresten van het Grondwettelijk Hof 18 , namelijk van 14 februari 2001 19 en van 18 april 2001 20 , antwoordde het Hof dat deze voorwaarde van tijdige aanvraag niet discriminerend was, waarbij verwezen werd naar het recht op toegang van alle bejaarden tot de diensten en de voorzieningen uit de bejaardenzorg.
 
Het Vlaams decreet van 7 mei 2004 vereist ook dat de persoon met een handicap werkelijk in België verblijft. Hij moet bovendien het bewijs voorleggen van een ononderbroken verblijf van vijf jaar dan wel een niet aaneengesloten verblijf van tien jaar in België. Voor niet-ontvoogde minderjarigen, verlengd minderjarigen en onbekwaamverklaarden moet de voorwaarde van voorafgaand verblijf vervuld zijn in de persoon van hun wettelijke vertegenwoordiger 21 . Van deze verblijfsvoorwaarde kan worden afgeweken.
 
Dit gebeurde door het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 «houdende vrijstelling voor bepaalde categorieën gehandicapte personen van de vervulling van verblijfsduurvoorwaarden om de bijstand te genieten van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap». Voorbeelden daarvan zijn Belgen, de personen die vallen onder de toepassing van Verordening (EG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 van de Raad van Europese Gemeenschappen «betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen alsmede op gezinsleden die zich binnen de Europese Gemeenschap verplaatsen» 22 en staatlozen. Onder bepaalde voorwaarden kan de leidend ambtenaar van het agentschap vrijstelling verlenen aan kinderen die geen wettelijk verblijf in België kunnen aantonen 23 .
 
Dit vereist onder meer dat hun gesteldheid en de omstandigheden van hun ouders of van de personen die voor hen zorgen zo behartigenswaardig zijn dat zij de bijstand volgens het decreet van 7 mei 2004 vereisen. Deze beslissing van de leidend ambtenaar is een discretionaire beslissing, zodat de rechter alleen kan ingrijpen wanneer de beslissing kennelijk onredelijk of onwettig is, omdat anders het algemene rechtsbeginsel van de scheiding der machten geschonden zou worden. Oordelen dat er sprake is van een behartigenswaardige situatie omdat de medische verzorging in België beter is dan in het thuisland zou het uitgangspunt, dat personen zonder vijf jaar vast verblijf geen aanspraken tegen het Agentschap kunnen formuleren, geheel tenietdoen en uithollen, besliste uw hof in een arrest van 18 januari 2012 24 .
 
Wat de inkomensvervangende tegemoetkoming betreft, verwijst art. 2 van de wet van 27 februari 1987 «betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap» naar een lichamelijke of psychische toestand die het verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen, waarbij de beschutte tewerkstelling geen onderdeel uitmaakt van de algemene arbeidsmarkt.
 
Verwijzen naar een gezonde persoon wijst duidelijk op het traditionele, medische model om handicaps te benaderen. Bij de twee andere tegemoetkomingen, de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, is er sprake van een gebrek aan zelfredzaamheid. Uit art. 5 van het KB van 6 juli 1987 «betreffende de inkomensvervangende en de integratietegemoetkoming» en art. 3 van het KB van 5 maart 1990 «betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden» blijkt dat het gebrek aan zelfredzaamheid betrekking heeft op de volgende domeinen: verplaatsingsmogelijkheden, mogelijkheden om zijn voedsel te nuttigen of te bereiden, mogelijkheid om voor zijn persoonlijke hygiëne in te staan en zich te kleden, mogelijkheid om zijn woning te onderhouden en huishoudelijk werk te verrichten, mogelijkheid om te leven zonder toezicht, zich bewust te zijn van gevaar en gevaar te kunnen vermijden en de mogelijkheid tot communicatie en sociaal contact.
 
Deze levensdomeinen hebben dan meer te maken met de beperkingen van de personen met een handicap en de drempels van de samenleving die hen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving, en hebben dus meer te maken met de open definitie van art. 1 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
 
Zoals de wetgeving met betrekking tot het Vlaams Agentschap bevat ook de wet van 27 februari 1987 «betreffende de tegemoetkoming voor personen met een handicap» de voorwaarde van het werkelijk verblijf in België, meer bepaald in art. 4. Daarnaast is er de vereiste dat men Belg is of onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, of, onder bepaalde voorwaarden, Marokkaan, Algerijn, Tunesiër, erkend staatloze of erkend vluchteling, tenzij het gaat om een persoon die tot zijn 21 jaar verhoogde kinderbijslag heeft genoten. Aan de Koning werd de bevoegdheid gegeven het toepassingsgebied uit te breiden tot andere categorieën van personen, en dat gebeurde met het KB van 17 juli 2006. Deze uitbreiding had betrekking, onder bepaalde voorwaarden, op de onderdanen van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland en hun gezinsleden.
 
Oorspronkelijk was er geen sprake van personen die als vreemdeling ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, welke wijziging pas ingevoerd werd bij KB van 9 februari 2009, en dit met terugwerkende kracht vanaf 12 december 2007. In een arrest van 12 december 2007 25 had het Grondwettelijk Hof namelijk een prejudiciële vraag van de Arbeidsrechtbank te Luik in die zin geïnterpreteerd dat zij enkel betrekking had op art. 4 van de wet van 27 februari 1987 in zoverre die bepaling de tegemoetkomingen niet toekende aan vreemdelingen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven ten gevolge van een machtiging tot vestiging. Het Grondwettelijk Hof verwees naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 30 september 2003 in de zaak Koua Poirrez tegen Frankrijk om te oordelen dat er geen sterke overwegingen bestaan die het mogelijk maakten deze vreemdelingen van het voordeel van de tegemoetkomingen uit te sluiten en oordeelde daarom dat er een schending van de Grondwet was.
 
Voor de personen die ingeschreven zijn in het vreemdelingenregister, oordeelde het Grondwettelijk Hof herhaaldelijk dat er geen schending van de Grondwet was omdat de band van personen die in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven minder sterk is dan bij vreemdelingen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven en omdat geen afbreuk werd gedaan aan het recht op menselijke waardigheid van deze categorie van vreemdelingen, aangezien de betrokken vreemdelingen aanspraak kunnen maken op het voordeel van maatschappelijke dienstverlening waarbij met hun handicap rekening wordt gehouden 26 . In een arrest van 16 juni 2014 27 sloot het Hof van Cassatie zich uitdrukkelijk aan bij deze doctrine.
 
V. Begripsomschrijvingen
 
De begripsomschrijvingen die we in art. 2 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap terugvinden, hebben betrekking op communicatie, taal, discriminatie op grond van handicap, redelijke aanpassingen en universeel ontwerp. Het verdrag beschrijft dat de weigering van een redelijke aanpassing ook discriminatie is, en dat redelijke aanpassingen de noodzakelijke en passende wijzigingen zijn, en aanpassingen zijn die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen kunnen genieten of uitoefenen. In art. 19 van het decreet van 10 juli 2008 «houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid» en in art. 4, 12o van de wet van 10 mei 2007 «ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie» komt, wanneer er sprake is van redelijke aanpassingen, ook het concept «onevenredige belasting» terug. Ook in art. 5 van de richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 «tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep wat redelijke aanpassingen betreft ten behoeve van personen met een handicap», is er sprake van maatregelen die geen «onevenredige belasting» voor de werkgever mogen uitmaken.
 
VI. Grondbeginselen
 
De grondbeginselen of algemene beginselen van art. 3 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap hebben tot doel de uitlegging en de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen te vergemakkelijken. Zij zijn afkomstig uit verschillende internationale juridische instrumenten inzake de rechten van de mens en uit de VN-standaardregels betreffende de gelijke behandeling van personen met een handicap 28 . Deze grondbeginselen zijn: respect voor de inherente waardigheid, persoonlijke autonomie, met inbegrip van de vrijheid zelf keuzes te maken, en de onafhankelijkheid van personen, het grondbeginsel van non-discriminatie, het grondbeginsel van volledige en daadwerkelijke participatie en opname in de samenleving, het respect voor verschillen en de aanvaarding dat personen met een handicap deel uitmaken van de mensheid en menselijke diversiteit, het grondbeginsel van de gelijke kansen, toegankelijkheid, de gelijkheid van man en vrouw en het respect voor de zich ontwikkelende capaciteiten van kinderen met een handicap en eerbiediging van het recht van kinderen met een handicap op het behoud van hun eigen identiteit. Dat de opstellers van het verdrag veel belang hechten aan het recht van personen met een handicap op bescherming tegen discriminatie, blijkt uit de opneming van de begripsomschrijving van discriminatie in art. 2 en uit de beslissing het in een afzonderlijk art. 5 te behandelen 29 .
 
Naast het autonomiebeginsel loopt het gelijkheidsbeginsel als een rode draad door het VN-verdrag inzake de rechten voor personen met een handicap 30 , zoals in art. 5, maar dat is eigenlijk een herhaling van het internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, meer bepaald art. 26. In deze verdragsbepaling gaat het over gelijkheid en non-discriminatie voor de wet. De bepaling stipuleert letterlijk dat de wet discriminatie van welke aard ook verbiedt en eenieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status, garandeert, dus zonder expliciete verwijzing naar handicap. Het belang van het anti-discriminatiebeginsel blijkt dus uit het feit dat het begrip discriminatie op grond van handicap omschreven is in art. 2. Daar wordt deze discriminatie omschreven als elk onderscheid dat of elke uitsluiting of beperking op grond van een handicap die tot doel of het gevolg heeft dat de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid met andere van de mensenrechten en fundamentele vrijheden in het politieke, economische, sociale, culturele of burgerlijke leven, of op andere gebieden aangetast of onmogelijk gemaakt wordt. Het omvat alle vormen van discriminatie, met inbegrip van de weigering van redelijke aanpassingen.
 
Art. 4 is bijzonder belangrijk, omdat dit artikel tot doel heeft de aard en de reikwijdte te bepalen van de internationale verbintenissen en de verplichtingen die de verdragsluitende partijen op het tijdstip van de bekrachtiging van het verdrag aangaan en op nationaal niveau dienen uit te voeren onder een soort van toezicht van een internationaal comité bedoeld in art. 34, zijnde het Comité voor de rechten van personen met een handicap 31 . Binnen het kader van het anti-discriminatiebeginsel verbinden de staten zich onder meer tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar, van de ontwikkeling en van de beschikbaarheid en het gebruik van nieuwe technologieën, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën, mobiliteitshulpmiddelen, instrumenten en ondersteunende technologieën, die geschikt zijn voor personen met een handicap, waarbij betaalde technologieën prioriteit dienen te krijgen.
 
In dat kader kan worden verwezen naar het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. Dit agentschap subsidieert niet alleen de diensten en voorzieningen die ondersteuning verlenen aan personen met een handicap bij middel van begeleiding of opvang, het neemt ook beslissingen over tegemoetkomingen voor hulpmiddelen of aanpassingen aan de woning of de auto van personen met een handicap. Voor de toekenning van deze tegemoetkomingen is er het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 «tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap». Art. 1 daarvan verwijst naar een refertelijst betreffende de verschillende hulpmiddelen en aanpassingen en tegelijkertijd naar de mogelijkheid om buiten de bepalingen en bedragen van de refertelijst bijstand te verlenen. Krachtens artt. 18 en 19 van hetzelfde besluit kan er tussenkomst zijn voor hulpmiddelen die niet in de refertelijst zijn opgenomen of voor een hoger bedrag dan de waarde van die hulpmiddelen in de refertelijst.
 
Deze bepaling gaf aanleiding tot rechtspraak. In dat laatste geval beslist de Bijzondere Bijstandscommissie bedoeld in art. 31 wanneer de refertewaarde niet volstaat, gelet op de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte van de persoon 32 .
 
Het bestaan en de werking van deze Bijzondere Bijstandscommissie hebben enkele consequenties. Wanneer het VAPH de aanvraag om een tussenkomst te krijgen die hoger is dan het refertebedrag, niet toestuurt aan deze Bijzondere Bijstandscommissie, wordt de negatieve beslissing vernietigd 33 maar wegens het discretionair karakter van de beslissingen van de Bijzondere Bijstandscommissie en omdat er dus slechts een marginale rechterlijke toetsing is, moet het geschil terug naar deze commissie verwezen worden (ibidem). Het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, oordeelde dat wegens de discretionaire bevoegdheid van de Bijzondere Bijstandscommissie, een beslissing enkel vernietigd kan worden wanneer ze kennelijk onredelijk is of onwettig tot stand is gekomen 34 . Het Hof van Cassatie oordeelde niet anders wanneer het besliste dat een rechtbank binnen het kader van een marginale toetsing en op grond van een analyse van het concrete dossier kan oordelen dat een beslissing incoherent en kennelijk onredelijk is en de beslissing op grond van deze vaststelling kan vernietigen 35 .
 
Evenzeer kan een beslissing van de Bijzondere Bijstandscommissie wegens afwezigheid van motivering vernietigd worden 36 , in welk specifiek geval het arbeidshof wel oordeelde dat de tussenkomst buiten de refertelijst ten onrechte geweigerd was, maar zonder te oordelen over de hoegrootheid van het bedrag van de tussenkomst. Daarvoor werd de zaak terug naar de Bijzondere Bijstandscommissie verwezen.
 
Niet alleen bij de totstandkoming van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap was er een grote betrokkenheid van de organisaties die hen vertegenwoordigen, art. 4 bevat ook de verplichting bij de ontwikkeling en de implementatie van het beleid met betrekking tot personen met een handicap nauw overleg te hebben met personen met een handicap via hun representatieve organisaties. In het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap zijn de gebruikers krachtens art. 26 van het oprichtingsdecreet van 7 mei 2004 vertegenwoordigd in het raadgevend comité.
 
VII. Vrouwen en kinderen
 
Bij de totstandkoming van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met handicap werd bijzondere aandacht besteed aan de positie van vrouwen en kinderen met een handicap. In de Preambule wordt erkend dat voor vrouwen en meisjes met een handicap het risico slachtoffer te worden van geweld, verwonding of misbruik, verwaarlozing, mishandeling of uitbuiting groter is. Daarom werden twee aparte artikelen in het verdrag aan deze twee groepen gewijd, namelijk artt. 6 en 7. In dat verband moeten de staten maatregelen nemen om hen op voet van gelijkheid het volledige genot van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden te garanderen. Gelezen in samenhang met art. 17 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat gaat over de eerbiediging van de lichamelijke en geestelijke integriteit, denk ik dan in de eerste plaats aan de in het Belgisch strafrecht opgenomen strafverzwaring bij aanranding van de eerbaarheid of verkrachting, gepleegd op een persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of aan de dader bekend was 37 .
 
VIII. Bewustwording
 
Art. 8 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is bijzonder in die zin dat het de staten oproept om over te gaan tot onmiddellijke, doeltreffende en passende maatregelen om in de gehele maatschappij een grotere bewustwording te creëren ten aanzien van personen met een handicap, inclusief een positieve beeldvorming over personen met een handicap. De bedoeling is de eerbiediging van de rechten en de waardigheid van personen met een handicap te stimuleren en op alle terreinen van het leven stereotypen, vooroordelen alsook schadelijke praktijken ten opzichte van hen te bestrijden. Voorgestelde maatregelen omvatten effectieve bewustwordingscampagnes om de erkenning van de vaardigheden, verdiensten en talenten van personen met een handicap en hun bijdragen op de werkplek en de arbeidsmarkt te bevorderen. Het comité voor de rechten van personen met een handicap stelde in zijn eindoverwegingen betreffende het initieel verslag van België, aangenomen op 1 oktober 2014, in randnr. 19 vast dat in de media personen met een handicap al te vaak worden voorgesteld als personen met een tekortkoming, en niet genoeg als personen die ten volle deelnemen aan de samenleving.
 
IX. Toegankelijkheid
 
De toegankelijkheid bedoeld in art. 9 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap betreft zowel de fysieke omgeving, vervoer als informatie en communicatie.
 
Precies in een zaak over fysieke toegankelijkheid oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een arrest van 22 maart 2016 inzake Guberina tegen Kroatië 38 dat non-discriminatiebepalingen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gelezen moeten worden in het licht van de relevante bepalingen van het VN-verdrag.
 
X. Handelingsbekwaamheid en toegang tot de rechter
 
Art. 12 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap draagt als hoofding «Gelijkheid voor de wet». Personen met een handicap moeten overal als persoon erkend worden, wat impliceert dat zij in alle aspecten van het leven op voet van gelijkheid handelingsbekwaam geacht moeten worden. Dit art. 12 is zonder meer een sleutelartikel in het verdrag. In dit verdrag wordt een aanzet gegeven aan de verdragsluitende partijen om af te stappen van het klassieke systeem van vertegenwoordiging van de persoon met een handicap en een beleid te ontwikkelen dat gebaseerd is op ondersteuningsmaatregelen.
 
Dit veronderstelt dat een persoon bijgestaan wordt in, maar zelf verantwoordelijk is voor de daden die hij stelt. De verdragsluitende partijen worden ook verondersteld om aan personen met een handicap toegang te verschaffen tot de ondersteuning die zij nodig hebben bij de uitoefening van hun handelingsbekwaamheid. Daarbij moeten de staten volgens het verdrag zorgen voor passende en doeltreffende waarborgen om misbruik te voorkomen. Deze waarborgen moeten uitgaan van de eigen wensen en voorkeuren van personen met een handicap en oog hebben voor conflicterende belangen of onbehoorlijke beïnvloeding.
 
In België is gepoogd aan deze principes gestalte te geven door de wet van 17 maart 2013 «tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid», waarbij een bijstandsregime het uitgangspunt is en slechts wanneer de bijstand niet volstaat, een vertegenwoordigingsregime kan worden overwogen 39 .
 
In zijn eindoverwegingen die het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap op zijn zitting van 1 oktober 2014 aannam, nam het comité kennis van deze wet, maar maakte het zich zorgen over het feit dat deze nieuwe wet bleef uitgaan van een regime van indeplaatsstelling bij het nemen van beslissingen en niet overgaat tot een recht op een beslissing met bijstand. Een verdere analyse van deze Belgische wetgeving gaat evenwel de draagwijdte van deze openingsrede te buiten.
 
Art. 13 van het verdrag verplicht de verdragsluitende partijen ervoor te zorgen dat personen met een handicap toegang krijgen tot de rechter. Daarom moeten de partijen een aangepaste opleiding geven aan de betrokken ambtenaren. Het is tekenend voor het verdrag dat bijzondere aandacht besteed wordt aan het statuut van personen met een handicap die in een gerechtelijke procedure verwikkeld zijn. Er mogen geen hindernissen bestaan voor effectieve deelname van een persoon met een handicap aan een gerechtelijke procedure.
 
XI. Andere rechten en beschermingen
 
Het onderschrijven van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap veronderstelt dat de personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen kunnen beschikken over een inherent recht op leven (art. 10 40 ). De staten moeten het nodige doen om de bescherming en de veiligheid van personen met een handicap in risicovolle situaties zoals gewapende conflicten, humanitaire noodsituaties en natuurrampen, te waarborgen (art. 11). Van de staten wordt ook verwacht dat zij alle doeltreffende maatregelen nemen om te voorkomen dat personen met een handicap onderworpen worden aan folteringen of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. In het bijzonder zal niemand zonder zijn of haar vrijwillige toestemming worden onderworpen aan medische of wetenschappelijke experimenten (art. 15).
 
Art. 16 gaat specifiek over de vrijwaring tegen uitbuiting, geweld en misbruik. Naast de klassieke passende maatregelen nemen de staten ook de verplichting op zich om te zorgen voor programma’s die gericht zijn op het voorkomen van deze risico’s, met inbegrip van het verschaffen van informatie en scholing over het herkennen en melden van uitbuiting, geweld en misbruik en het monitoren van de programma’s en faciliteiten die voor personen met een handicap bestemd zijn. Naast voorkoming en monitoring nemen de staten ook alle passende maatregelen voor het herstel van de slachtoffers en opdat de gevallen van uitbuiting, geweld en misbruik van personen met een handicap worden onderzocht en strafrechtelijk worden vervolgd.
 
Elke persoon met een handicap heeft op voet van gelijkheid met anderen recht op eerbiediging van zijn lichamelijke en geestelijke integriteit (art. 17). Dezelfde gelijkheid wordt hen gewaarborgd op het vlak van de vrijheid van verplaatsing en nationaliteit, waarbij zij vrij hun woonplaats kunnen kiezen. Deze gelijkberechtiging omvat de verwerving en het behoud van de nationaliteit en het verlaten en terugkeren naar het eigen land (art. 18).
 
Art. 19 gaat uit van het recht van personen met een handicap om in een normale omgeving te leven, zelfstandig te wonen en op voet van gelijkheid deel uit te maken van de samenleving. Art. 20 gaat over persoonlijke mobiliteit, waarbij de staten de verplichting op zich nemen om de persoonlijke mobiliteit van de personen met een handicap met de grootst mogelijke mate van zelfstandigheid te waarborgen, terwijl art. 21 het heeft over de vrijheid van mening en meningsuiting en de toegang tot informatie, waarbij private instellingen en de massamedia door de staten moeten worden aangemoedigd om hun informatie en diensten toegankelijk te maken voor personen met een handicap.
 
Artt. 22 en 23 handelen over de eerbiediging van privacy en van de woning en het gezinsleven, waaronder de mogelijkheid om in het huwelijk te treden en de waarborg dat kinderen niet tegen hun wil of die van hun ouders van hen worden gescheiden, tenzij onder rechterlijke toetsing en in het belang van het kind.
 
Het recht op onderwijs wordt erkend in art. 24, waarbij personen met een handicap niet worden uitgesloten van het algemene onderwijssysteem en redelijke aanpassingen worden verschaft naargelang de behoeften van de persoon. In Vlaanderen werd dit gerealiseerd door het M-decreet of het decreet van 21 maart 2014 «betreffende de maatregel voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften». Voor leerlingen met beperkingen is inclusief onderwijs met inschrijving in een gewone school de eerste optie. De leerling volgt een gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum. Buitengewoon onderwijs blijft mogelijk.
 
De staten die partij zijn bij het verdrag nemen alle passende maatregelen om personen met een handicap de toegang te waarborgen tot diensten van gezondheidszorg, met hetzelfde aanbod, dezelfde kwaliteit en volgens dezelfde normen voor gratis of betaalde gezondheidszorg als voor anderen (art. 25).
 
Het domein van werk en werkgelegenheid, opgenomen in art. 27 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, gaat uit van niet-discriminatie op het vlak van de open arbeidsmarkt, waarbij de staten de verwezenlijking van het werk zullen waarborgen door onder meer de werkgelegenheid voor personen met een handicap in de private sector te bevorderen door middel van passend beleid en passende maatregelen, waaronder voorkeursbeleid en aanmoedigingspremies.
 
In Vlaanderen is er wat dat betreft het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 «betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap». Om sowieso in aanmerking te komen voor één of meer bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen, die bedoeld zijn om de persoon beter te integreren op de arbeidsmarkt, moet de persoon een indicatie van een arbeidshandicap hebben (art. 4). Personen met een indicatie van een arbeidshandicap zijn onder meer de personen met een handicap die erkend zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap en de personen die op basis van hun handicap in aanmerking komen voor een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming (art. 3).
 
Het recht op tewerkstellingsondersteunende maatregelen wordt door de VDAB onder meer bepaald aan de hand van een door zijn raad van bestuur vastgestelde lijst van aandoeningen of het resultaat van het onderzoek dat door een gespecialiseerde arbeidsonderzoeksdienst is verricht. Bijkomende kosten of aanpassingskosten van arbeidsgereedschap en arbeidskledij en van de aanpassing van de arbeidspost kunnen, onder bepaalde voorwaarden, als de aard en de ernst van de arbeidshandicap dat rechtvaardigen, door de VDAB worden gedragen. Een van die voorwaarden is dat de noodzaak, de gebruiksfrequentie, de werkzaamheid en de doelmatigheid van het vermelde arbeidsgereedschap of de vermelde arbeidskledij in functie zijn van de arbeidshandicap, en in verhouding staan tot het bedrag van de gevraagde ondersteuning (art. 7). Ook voor zelfstandigen bestaat de mogelijkheid tot tegemoetkoming in de aanpassingskosten van de arbeidspost (artt. 12-14). Andere tewerkstellingsondersteunende maatregelen hebben betrekking op verplaatsings- en verblijfskosten (artt. 17-23) en op de tussenkomst van gebarentaal, oraal- en schrijftolken (artt. 24-27). Als aanmoedigingspremie is er de Vlaamse Ondersteuningspremie of VOP. Dit is een tegemoetkoming aan een werkgever die een persoon met een arbeidshandicap aanwerft of heeft aangeworven, of aan een zelfstandige met een arbeidshandicap. Zij dient ter compensatie van de kosten van de inschakeling in het beroepsleven, de kosten van ondersteuning en van verminderde productiviteit.
 
Art. 28 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap handelt over de aanspraken van personen met een handicap en hun gezin op een behoorlijke levensstandaard en sociale bescherming. In zijn eerste lid worden deze rechten als volgt omschreven: «De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op een behoorlijke levensstandaard voor henzelf en voor hun gezinnen, met inbegrip van voldoende voeding, kleding en huisvesting en op de voortdurende verbetering van hun levensomstandigheden, en nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dit recht zonder discriminatie op grond van handicap te beschermen en te bevorderen.» De passende maatregelen hierbij zijn onder meer de toegang tot passende en betaalbare diensten, instrumenten en andere vormen van ondersteuning voor aan de handicap relateerde behoeften en overheidshulp voor aan de handicap gerelateerde kosten. Deze relatie tussen de kosten en de handicap vinden we ook terug in art. 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 «tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap», waarin uitdrukkelijk opgenomen is dat de kosten moeten voortvloeien uit de handicap en dat het moet gaan om bijkomende uitgaven ten opzichte van de uitgaven die een valide persoon in dezelfde omstandigheden moet doen.
 
XII. Impact
 
Tot slot de vraag: zijn al deze bepalingen ter bescherming van de rechten van personen met een handicap nu reeds van kracht, hebben ze rechtstreekse werking? Aangenomen wordt dat staten de verplichtingen die ze op zich hebben genomen door het ondertekenen van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, geleidelijk mogen uitvoeren. Dit geldt evenwel niet voor de non-discriminatiebepalingen die rechtstreekse werking hebben. Zoals reeds vermeld, oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 22 maart 2016 inzake Guberina tegen Kroatië dat de non-discriminatiebepalingen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gelezen moeten worden in het licht van de relevante bepalingen van het VN-verdrag. Ook ons eigen Grondwettelijk Hof oordeelde op 17 maart 2016 41 dat wanneer het ondervraagd wordt over een schending van artt. 10 en 11 Gw., de non-discriminatiebepalingen, gelezen in samenhang met een internationaal verdrag, en in casu ging het om het VN-verdrag, het Hof niet behoeft te oordelen of dat verdrag een rechtstreekse werking in de interne rechtsorde heeft. Het Grondwettelijk Hof moet enkel nagaan of de wetgever niet op discriminerende wijze de internationale verbintenissen van België (en zijn deelstaten) heeft miskend. Ook de klassieke hoven en rechtbanken moeten dit nagaan. Wordt dus vervolgd ...
 
1 Art. 582, 1o Ger.W.
 
2 Rechtspraak vermeld bij W. Van Nieuwenhove, «Bevoegdheid van de arbeidsgerechten inzake tegemoetkomingen aan mindervaliden», RW 1999-2000, 1196.
 
3 Arrest nr. 39/2014.
 
4 Art. 2, § 3, van de wet van 27 februari 1987.
 
5 Soc.Kron. 2010, 442.
 
6 Memorie Vlaams decreet 8 mei 2009, p. 19, website www.un.org/disabilities.
 
7 Memorie van toelichting bij het verder genoemde Vlaams decreet (nr. 2144 2008-09) – nr. 1, p. 17.
 
8 BS 22 juli 2009.
 
9 BS 3 augustus 2009.
 
10 Art. 1 van het protocol.
 
11 Voor Vlaanderen gebeurde dit bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014.
 
12 Verwijzing naar art. 36 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
 
13 Met nr. 2010/48/EG.
 
14 Zaak C-363/12, JTT 2014, 213, noot Ph. Gosseries.
 
15 Overweging 73.
 
16 Overwegingen 90 en 91.
 
17 Memorie Vlaams decreet, p. 4.
 
18 Op dat ogenblik «Arbitragehof» geheten.
 
19 Arrest nr. 18/2001.
 
20 Arrest nr. 51/2001.
 
21 Art. 21: Arbh. Gent, afd. Brugge, 2010/AR/60, 10 januari 2011, Soc.Kron. 2012, 308, noot.
 
22 Zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 en vervangen door Verordening (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004.
 
23 Verwijzing naar art. 3 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
 
24 Arbh. Gent, afd. Gent, 18 januari 2012, Soc.Kron. 2012, 309.
 
25 Arrest nr. 153/2007.
 
26 GwH. 11 januari 2012, arrest nr. 3/2012; GwH 9 augustus 2012, arrest nr. 108/2012: GwH 4 oktober 2012, arrest nr. 114/2012.
 
27 Arr.Cass. 2014, 1556.
 
28 Memorie p. 7, een wettelijk gezien niet bindend verdrag uit 1994 (bron: presentatie over het verdrag door VN-zelf).
 
29 Memorie p. 8.
 
30 Memorie p. 47.
 
31 Memorie p. 7.
 
32 Ondertussen werd dit laatste beschreven in art. 19.
 
33 Arbh. Brussel 7 mei 2012, JTT 2012, 433.
 
34 Arbh. Gent, afd. Brugge, 11 februari 2008, Soc.Kron. 2010, 435.
 
35 Cass. 30 mei 2011, Arr.Cass. 2011, 1403.
 
36 Arbh. Brussel 21 december 2009, JTT 2010, 149.
 
37 Art. 376 derde lid Sw.
 
38 L. Lavrysen, «EVRM schakelt versnelling hoger in bescherming rechten van personen met een handicap», De Juristenkrant 20 april 2016, 3.
 
39 T. Wuyts, «Een nieuw wettelijk kader voor wilsonbekwamen», De Juristenkrant, 13 maart 2013.
 
40 Deze en volgende artikelen verwijzen naar het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
 

 

41 Arrest 42/2016.
Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: vr, 12/05/2017 - 12:59
Laatst aangepast op: vr, 12/05/2017 - 12:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.