-A +A

Over de noodzaak tot rechterlijk activisme in het jeugdrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Vroman Frederic
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
483
Samenvatting

Rede uitgesproken door de substituut-procureur-generaal op de plechtige openingszitting van het Hof van Beroep te Gent op 1 september 2017.

In het gerechtelijk jaar 2016-2017 was er heel wat te doen over activistische en wereldvreemde rechters. Wat rechterlijk activisme is, hangt af van de idee die men heeft over de taak van de rechter. Vandaag de dag gaan we ervan uit dat de rechter ook op andere gronden dan alleen de wet moet kunnen oordelen. De auteur probeert met enkele voorbeelden aan te tonen dat de noodzaak tot rechterlijk activisme van jeugdmagistraten zijn oorsprong vindt in de slecht opgestelde wetgeving.

Rede uitgesproken door de substituut-procureur-generaal op de plechtige openingszitting van het Hof van Beroep te Gent op 1 september 2017.

I. Inleiding

Tijdens het voorbije gerechtelijk jaar is er heel wat te doen geweest over beweerdelijk activistische rechters die wereldvreemd werden genoemd of omgekeerd over beweerdelijk wereldvreemde rechters die activistisch zouden zijn geweest. Denk maar aan de uitspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over een Syrisch gezin dat asiel in België wilde aanvragen vanuit het buitenland en aan een Franstalige jeugdrechter die door een burgemeester wereldvreemdheid werd verweten omdat de jeugdrechter de ogen gesloten zou hebben voor het radicaliseringsproces waarin de jongere zich zou bevinden. In de media werden er discussies gevoerd door politici, zelfverklaarde specialisten en echte specialisten, juristen van allerlei slag en zelfs door magistraten, waarmee ik natuurlijk niet bedoel dat de magistraten niet onder de categorie juristen zouden thuishoren. Er werden ook enkele studiedagen over dit thema georganiseerd. De opening van het gerechtelijk jaar 2017-2018 lijkt dan ook een goede gelegenheid om enkele bedenkingen te formuleren over het zogenaamd rechterlijk activisme en de wereldvreemdheid van de magistraten die daar steevast aan wordt gekoppeld. Ik zal dit thema benaderen vanuit het jeugdrecht. Ik zal proberen aan te tonen dat de noodzaak tot rechterlijk activisme van magistraten, zeker van de jeugdmagistraten, zijn oorsprong vindt in de slecht opgestelde wetgeving.

Maar first things first. Wat zijn eigenlijk activistische rechters? Men bedoelt evident niet actieve rechters, hoewel men toch enige activiteit aan de dag moet hebben gelegd om het etiket activistisch opgespeld te kunnen krijgen. Rechterlijk activisme is een vertaling van de Engelse term judicial activism. Deze term werd en wordt gebruikt om de houding van het Amerikaanse Supreme Court ten aanzien van de Amerikaanse politieke instellingen als het Congres en de President te omschrijven. 1 In de Oxford Companion to the Supreme Court of the United States wordt judicial activism als volgt omschreven: «the charge that judges are going beyond their appropriate powers and engaging in making law and not merely interpreting it. Against this position is placed the ideal of judicial restraint, which counsels judges to resist the temptation to influence public policy through their decisions and decrees.» 2 Het activisme van de rechters van het Supreme Court wordt vaak gelinkt aan hun politiek etiket, Democraat of Republikein, en aan de hoop van degenen die hen voordragen en benoemen dat er bepaalde vaste rechtspraak over politiek geladen onderwerpen, zoals abortus of het homohuwelijk, in de ene of de andere zin wordt gewijzigd.

Het begrip «rechterlijk activisme» is ondertussen ook in Europa gemeengoed geworden. In de Nederlandse rechtsleer bijvoorbeeld is de term zeer goed ingeburgerd. Dit komt wellicht doordat daar een heus Montesquieu Instituut bestaat. 3 In de Belgische rechtsleer wordt iets spaarzamer gebruikgemaakt van de term en benadert men de problematiek vanuit de bespreking van het principe van de scheiding der machten. 4 Rechterlijk activisme heeft betrekking op de autonomie die de rechter zich toekent ten opzichte van het politiek gezag: hij is activistischer naargelang hij zich minder gelegen laat liggen aan standpunten en houdingen ingenomen door andere staatsorganen. Wat rechterlijk activisme is, hangt af van de idee die men heeft over de taak van de rechter. 5 De inhoud van het begrip is dus per definitie evolutief. Vandaag de dag gaan we ervan uit dat rechtsvorming nodig is om grondrechten te kunnen verwezenlijken. De rechter moet dan ook op andere gronden dan alleen de wet kunnen oordelen. Dat geldt zeker ten aanzien van de bescherming van zwakkeren en minderheden in onze maatschappij. Hun belangen zijn niet altijd beschermd door de meerderheidsbesluitvorming. Rechtsbescherming en rechtsvorming zijn in deze optiek dan ook niet van elkaar te onderscheiden. 6

Over het algemeen geldt volgens mij trouwens dat hoe hoger het rechtscollege, des te activistischer het is. Dit is evident geen verwijt maar een vaststelling en een logisch gevolg van wat de grondwetgever en de wetgever zelf wil. Zo heeft het Hof van Cassatie de taak te controleren of de rechters de wet, de algemene rechtsbeginselen en de hogere verdragen correct hebben toegepast en het Grondwettelijk Hof gaat na of de wet in overeenstemming is met de Grondwet en de supranationale rechtsnormen zoals vastgelegd in bijvoorbeeld het EVRM, het Handvest van de Europese Unie en het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. Dit geldt nog meer voor de supranationale rechtscolleges, zoals het EHRM en het Hof van Justitie, die op basis van soms vage algemene beginselen opgenomen in hun oprichtende verdragen daadwerkelijk pseudo-wetgeving gaan ontwikkelen die de nationale wetgevers verplicht om wetten te gaan veranderen. 7 Rechterlijk activisme wordt het meest zichtbaar wanneer onze hoogste rechtscolleges hun vaststaande rechtspraak gaan wijzigen. Ik zal een voorbeeld geven dat geschikt is voor deze plechtige gelegenheid waarbij straks de advocaten-stagiairs de eed zullen afleggen.

Ik denk aan het arrest-Salduz van 27 november 2008 van het EHRM. 8 Vóór dit arrest was er unanimiteit in de Belgische rechtspraak dat het recht op een eerlijk proces niet geschonden werd doordat de gearresteerde verdachte bij zijn eerste verhoor bij de politiediensten geen beroep kon doen op de bijstand van een advocaat 9 . Wat vaak wordt vergeten, is dat ook het EHRM zelf eerst deze mening was toegedaan. In het arrest van 26 april 2007 besliste de tweede afdeling van het EHRM in dezelfde Salduz-zaak eerst dat het recht op een eerlijk proces niet was geschonden. 10 De geschiedenis leert ons dat de Grote Kamer van het EHRM duidelijk een andere mening was toegedaan. De wetgever diende uiteindelijk in te grijpen. De Salduz-wet trad in werking op 1 januari 2012. 11 De wet moest dan opnieuw worden aangepast onder invloed van de verder evoluerende rechtspraak van het EHRM en van wetgevende initiatieven vanuit de Europese Unie. De wet van 21 november 2016 betreffende bepaalde rechten van personen die worden verhoord, trad in werking op 21 november 2016. 12 Dankzij het EHRM worden sindsdien vele advocaten-stagiairs, ook bij nacht en ontij, opgeroepen om verdachten bij te staan bij hun verhoor.

Wanneer de woorden «activistische en wereldvreemde rechter(s)» door de media of politici worden gebruikt, is dit echter meestal niet om hun goedkeuring uit te drukken dat de geviseerde rechter zijn taak als vormgever van het recht naar behoren heeft vervuld. Het tegendeel is waar. Men gebruikt deze woorden om de beslissing van de rechter in vraag te stellen. Men is van oordeel dat de rechter zich op de stoel van de wetgever heeft geplaatst en zijn persoonlijke visie heeft toegepast in plaats van die van de wetgever of dat de visie van de rechter niet aansluit op die van de samenleving. Vaak wordt dan ook nog de angst uitgedrukt voor een gouvernement des juges.

Zijn er dan geen activistische rechters of wereldvreemde rechters? Die zullen er ongetwijfeld zijn, maar de ervaring is dat het maar zelden voorkomt dat een rechter doelbewust daadwerkelijk de grenzen van zijn wettelijke mogelijkheden om de wet te interpreteren aan de hand van de Grondwet en de supranationale verdragen overschrijdt. Zelfs in de gevallen waarin dit zou gebeuren, zijn er nog steeds het hof van beroep en het Hof van Cassatie om indien nodig, al dan niet op vordering van het openbaar ministerie, te remediëren aan dit activisme. Zoals onze minister van Justitie het treffend uitdrukte in het journaal naar aanleiding van de mediarel in de zaak van het Syrische gezin dat asiel aanvroeg in België, heeft een rechter in een concrete zaak altijd gelijk tot een hogere rechter hem ongelijk geeft.

II. Toepassingen uit het jeugdrecht

Ik zal nu enkele voorbeelden trachten te geven waaruit volgens mij blijkt dat het rechterlijk activisme van jeugdmagistraten vooral is ingegeven door de gebrekkige kwaliteit van de wetgeving.

Dat er ook nog zo iets als minderjarigen bestaan, wordt namelijk door de wetgever in zijn hervormingsdrift van de laatste jaren soms over het hoofd gezien. Dit heeft alles te maken met een keuze die de wetgever heeft gemaakt bij het tot stand komen van de Jeugdbeschermingswet in 1965. Art. 62 van de Jeugdbeschermingswet is de boosdoener. Volgens dit artikel zijn de wetsbepalingen betreffende de vervolgingen in correctionele zaken van toepassing op minderjarigen die vervolgd worden voor een als misdrijf omschreven feit wanneer de Jeugdbeschermingswet geen bijzondere procedureregels bepaalt. Men moet dus kijken naar het Wetboek van Strafvordering. Op basis van art. 63bis iuncto art. 62 Jeugdbeschermingswet geldt dit ook voor de minderjarigen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke procedure op basis van het decreet integrale jeugdhulp 13 (de zogenaamde vos-situaties). De wetgever verantwoordde in 1963 zijn keuze voor deze verwijzingsregel als volgt: «Het ware ongetwijfeld wenselijk dat voor de jeugdrechtbanken een speciale rechtspleging kon worden bewerkt. Dit zou echter ontzaglijk veel werk vergen en zou grotendeels neerkomen op het overnemen van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van het Wetboek van Strafvordering. Daarom beperkt het ontwerp zich ertoe in de hiervoren becommentarieerde bepalingen te vermelden welke met inachtneming van de bijzondere aard van het jeugdrecht onontbeerlijk zijn. Voor het overige verwijst het artikel naar de bepalingen inzake burgerlijke rechtsvordering of strafvordering, al naar de aard van de zaken waarvan de jeugdrechtbank eventueel kennis heeft te nemen. 14 »

In de rechtspraak en in de rechtsleer heeft men hieruit afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever was om ook de latere wijzigingen aan het Wetboek van Strafvordering bij analogie toepasselijk te maken op de procedure voor de jeugdgerechten in de gevallen waarin de Jeugdbeschermingswet geen eigen regels bepaalt en voor zover dit niet indruist tegen de algemene beginselen die het jeugdbeschermingsrecht beheersen. 15 Deze bedoeling wordt echter door de huidige wetgever regelmatig vergeten of op zijn minst heeft het er toch alle schijn van dat de wetgever de consequenties van zijn eerder uitgedrukte bedoeling vergeet. Dit leidt noodzakelijk tot een meer activistische opstelling van de jeugdmagistraten.

De zogenaamde Potpourri-wetten zijn daar een goed voorbeeld van. In de eerste Potpourri-wet veralgemeende de wetgever de alleenrechtsprekende rechter. 16 In strafzaken is er in eerste aanleg alleen nog een verplichte collegiale kamer voor misdaden waarop een straf staat van meer dan twintig jaar opsluiting en voor de kamer die kennisneemt van de beroepen tegen vonnissen van de politierechtbank. 17 In alle andere gevallen dient de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te beslissen om een zaak toe te wijzen aan een kamer met drie rechters. 18 In hoger beroep in strafzaken wordt de zaak altijd behandeld door drie raadsheren, behalve wanneer het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de burgerlijke vordering. 19 Een belangrijke verwezenlijking van de jeugdwetten van 2006 werd hiermee ongedaan gemaakt. 20 Sinds 1965 konden minderjarigen die niet meer vatbaar waren voor verbetering op basis van de maatregelen opgesomd in de Jeugdbeschermingswet, uit handen worden gegeven. Zij werden dan berecht door de gewone strafgerechten, zoals de correctionele rechtbank en het hof van assisen, en werden ook als volwassenen gestraft.

In 2006 werd hier na intens overleg tussen de federale regering en de Gemeenschappen toch wel een grote verandering aangebracht. 21 Minderjarigen die uit handen worden gegeven voor wanbedrijven en correctionaliseerbare misdaden, worden niet meer berecht door de gewone strafgerechten, maar door een bijzondere kamer van de jeugdrechtbank. De wet op de familie- en jeugdrechtbank veranderde de benaming van deze kamer naar de kamer van uithandengeving. 22 Deze kamer is bijzonder, omdat ze als deel van de jeugdrechtbank niet het jeugdrecht toepast, maar het gewone strafrecht en de gewone strafprocedure. Deze kamer was ook nog om een tweede reden bijzonder. Zij was de enige kamer van de jeugdrechtbank die collegiaal zitting hield en bovendien moest zij, om geldig te kunnen zitting houden, samengesteld zijn uit één correctionele rechter en twee rechters die de gespecialiseerde opleiding voor toekomstige jeugdmagistraten hadden gevolgd. Op het niveau van het hof van beroep werd voor de jeugdkamer die kennisneemt van de hoger beroepen tegen de vonnissen van de kamer van uithandengeving een soortgelijke samenstelling bepaald. 23 De bedoeling van de wetgever was dat de jeugdmagistraten zouden worden opgeleid in de toepassing van het gemeen strafrecht, terwijl de correctionele rechters een specifieke opleiding in de behandeling van jeugdzaken zouden krijgen. 24 U zult zich misschien zelfs herinneren dat er een kaderuitbreiding van de rechtbanken werd bepaald. Ieder ressort kreeg er twee toegevoegde rechters bij om de extra werklast op te vangen. Art. 40.1 van het Internationaal Verdrag betreffende de Rechten van het Kind (hierna: «I.V.R.K.») verplicht België om in de regelgeving rekening te houden met het specifieke karakter van de leeftijd van de minderjarige. In het derde periodiek rapport over de toepassing van het internationaal verdrag inzake de rechten van het kind verdedigde België dat door de oprichting van de kamer van uithandengeving deze verplichting beter werd nagekomen. 25

De Potpourri I-wet schafte de collegiale en bijzondere samenstelling van de kamer van uithandengeving af. 26 In hoger beroep werd de bijzondere samenstelling behouden. In de volledige parlementaire voorbereiding, die nochtans groot genoeg is, vindt men geen enkel woord terug waarom dit noodzakelijk is en nog minder waarom de nieuwe regeling meer in lijn zou zijn met art. 40.1 van het I.V.R.K. Het college van procureurs-generaal vroeg op 4 december 2015 aan de minister van Justitie om dit door de wetgever te laten herstellen. Tot op vandaag heeft de wetgever nagelaten deze vraag te honoreren. Dit bracht de procureurs-generaal ertoe om de procureurs des Konings de instructie te geven om op basis van het nieuwe art. 92 § 1/1 Ger.W. de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te vorderen dat in alle gevallen de kamer van uithandengeving dezelfde collegiale en bijzondere samenstelling zou krijgen zoals vóór de Potpourri I-wet. Alle voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg hebben tot nu toe steeds gevolg gegeven aan deze wat activistische tussenkomst van de procureurs-generaal. De magistraten staan wat deze problematiek betreft echter niet alleen in hun activisme. De regering van de Franse Gemeenschap heeft zich hierbij aangesloten. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat een nieuw jeugdrecht voor de Franse Gemeenschap wil invoeren, kan men het volgende lezen: «Le Gouvernement veillera à attirer l’attention de l’autorité fédérale sur la nécessité de continuer à récourir à des chambres spécifiques du tribunal de la jeunesse, voire à une composition spécifique de la cour d’assises.» 27

U zou wellicht denken dat de wetgever zich niet tweemaal zou stoten aan dezelfde steen. Maar neen, de Potpourri II-wet bevat nogmaals twee soortgelijke vergissingen. Gelet op de hardnekkigheid waarmee de wetgever het eerder vermelde art. 62 van de Jeugdbeschermingswet vergeet, zou men zelfs kunnen denken dat het niet om een vergetelheid gaat, maar om een bewuste keuze. De Potpourri II-wet, die dateert van 5 februari 2016, veralgemeende de correctionaliseerbaarheid van de misdaden, verlengde de termijn om hoger beroep in strafzaken aan te tekenen (dertig dagen in plaats van vijftien dagen) en koppelde hieraan een verplicht grievenverzoekschrift waarin op straffe van verval van het hoger beroep nauwkeurig moet worden aangeduid waarom men het niet eens is met de eerste rechter. 28

Allereerst wat de veralgemening van de correctionaliseerbaarheid betreft. Ik sprak u al over de kamer van uithandengeving die kennisneemt van de wanbedrijven en de correctionaliseerbare misdaden gepleegd door uit handen gegeven jongeren. Art. 57bis Jeugdbeschermingswet heeft het echter ook over de niet-correctionaliseerbare misdaden. Volgens dit artikel neemt het hof van assisen kennis van dergelijke misdaden gepleegd door uit handen gegeven minderjarigen. Ook in dit geval moet het hof van assisen samengesteld zijn uit minstens twee magistraten die de gespecialiseerde opleiding voor toekomstige jeugdmagistraten hebben gevolgd. 29 Door de Potpourri II-wet zijn alle misdaden correctionaliseerbaar. Voor minderjarigen die uit handen worden gegeven, betekent dit wanneer men art. 57bis Jeugdbeschermingswet letterlijk leest, dat er nooit een verwijzing mogelijk zal zijn naar het hof van assisen. Er is één uitzondering. Deze uitzondering op basis van de toepassing van art. 57bis, § 5 Jeugdbeschermingswet gaat over de weinig waarschijnlijke hypothese waarbij een minderjarige nieuwe feiten pleegt nadat hij definitief werd veroordeeld door de kamer van uithandengeving voor de feiten die aanleiding gaven tot die uithandengeving. Voor deze nieuwe feiten is de minderjarige onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter. Dit is dan naar gelang het geval de politierechtbank, de correctionele rechtbank, de kamer van uithandengeving of het hof van assisen. 30 Uit geen enkel stuk uit de parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid dat de wetgever zich van deze consequentie bewust was. De collega’s van het parket-generaal te Antwerpen, Yves Liégeois en Bart De Smet, schreven in het Tijdschrift voor Strafrecht dat een dergelijke letterlijke interpretatie van art. 57bis Jeugdbeschermingswet een schending zou inhouden van art. 150 Gw., dat de bevoegdheid van het hof van assisen omschrijft. 31 De vraag rijst dan ook of er op zeker ogenblik geen rechters zullen nodig zijn wanneer een minderjarige seriemoordenaar of massamoordenaar, al dan niet een terrorist, zou moeten worden berecht, om op activistische wijze een nieuwe interpretatie te geven aan art. 57bis Jeugdbeschermingswet om zo toch een behandeling van de zaak voor het hof van assisen mogelijk te maken. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat een nieuw jeugdrecht voor de Franse Gemeenschap wil invoeren, kan men trouwens opnieuw lezen dat de regering van de Franse Gemeenschap zich bij deze kritiek heeft aangesloten. 32

De Potpourri II-wet bepaalde, zoals reeds gezegd, ook nieuwe regels voor het hoger beroep. 33 Volgens art. 58 Jeugdbeschermingswet zijn de beslissingen van de jeugdrechter vatbaar voor hoger beroep binnen de wettelijke termijnen. De Jeugdbeschermingswet zelf bepaalt maar in drie gevallen een beroepstermijn. Dit gaat telkenmale over plaatsing in gesloten instellingen in de voorlopige fase van het proces. De Jeugdbeschermingswet bevat geen specifieke bepalingen voor de vorm waarin hoger beroep moet worden aangetekend. Op basis van art. 62 Jeugdbeschermingswet gelden de regels van het Wetboek van Strafvordering. De verlenging van de beroepstermijnen door de Potpourri II-wet is ontegensprekelijk ook van toepassing in jeugdzaken. Er is hier geen enkele vorm van activisme mogelijk.

Wat betreft het nieuwe grievenverzoekschrift dat op straffe van verval van het hoger beroep de grieven nauwkeurig moet aanduiden, is de situatie anders. U vindt deze regeling terug in art. 204 Sv. Er zijn drie interpretaties mogelijk.

De eerste interpretatie is dat, ongeacht de procesfase waarin men zich in de procedure bevindt, de nieuwe regels onverkort van kracht zijn, gelet op het u ondertussen bekende art. 62 Jeugdbeschermingswet. U weet ongetwijfeld dat er in een jeugdproces drie fases te onderscheiden zijn, nl.:

1. De voorlopige fase waarbij minderjarigen op vordering van het jeugdparket voorlopige maatregelen opgelegd krijgen door middel van beschikkingen. Dit is een beetje te vergelijken met de voorlopige hechtenis voor meerderjarigen.

2. Dan is er de fase ten gronde. Hier worden maatregelen ten gronde opgelegd bij vonnis na dagvaarding door het openbaar ministerie. Dit is te vergelijken met de taak van de correctionele rechtbank.

3. Ten slotte is er de herzieningsfase, waarbij de jeugdrechter de eerder opgelegde maatregelen bij vonnis kan vervangen door andere maatregelen. De jeugdrechter kan dit doen naargelang van het geval bij beschikking of bij vonnis. Deze fase bestaat niet voor meerderjarigen.

Een tweede interpretatie is dat art. 204 Sv. nooit van toepassing is in jeugdzaken. Men zou kunnen verdedigen dat het gebruik van een grievenverzoekschrift lijkt in te druisen tegen de algemene beginselen die het jeugdbeschermingsrecht beheersen en dit wegens de minderjarigheid zelf (handelingsonbekwaamheid). Minderjarigen hebben immers bijna per definitie geen voldoende scholing gehad om hun rechten en hun plichten te kennen. Bovendien wijst de terminologie die wordt gebruikt in het model grievenformulier hoger beroep zoals vastgelegd in het KB van 18 februari 2016, erop dat het niet de bedoeling was dat het grievenformulier hoger beroep van toepassing zou zijn op jeugdzaken. 34

De derde interpretatie is dat het grievenverzoekschrift niet van toepassing is op hoger beroep ingesteld tegen beschikkingen genomen in de voorlopige fase en in de herzieningsfase, maar wel tegen vonnissen in de fase ten gronde en in de herzieningsfase. Wat geregeld wordt in art. 204 Sv., heeft voor meerderjarigen uitsluitend betrekking op de vonnissen ten gronde. Voor alle andere fasen gelden voor de meerderjarigen andere bepalingen (zoals de wet betreffende de voorlopige hechtenis). Het is dus niet logisch dat wat geschreven is voor vonnisgerechten, van toepassing zou zijn op rechtscolleges die niet zetelen als vonnisgerecht. Het gebruik van een grievenverzoekschrift in de voorlopige fase lijkt ook in te druisen tegen de algemene beginselen die het jeugdbeschermingsrecht beheersen. 35 Het gebruik van een grievenverzoekschrift in de voorlopige fase heeft trouwens geen meerwaarde. In de voorlopige fase worden alleen voorlopige maatregelen opgelegd. Er wordt geen uitspraak gedaan over het bewezen karakter van de feiten, over de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, over de burgerlijke vordering, enz. Het hoger beroep in de voorlopige fase heeft per definitie een duidelijk omlijnd voorwerp, nl. de partij die hoger beroep aantekent, gaat niet akkoord met de opgelegde maatregel of met bepaalde aspecten van de opgelegde maatregel. Wat de vonnissen ten gronde betreft, spreekt de jeugdrechtbank zich wel uit over het bewezen karakter van de feiten, de burgerlijke vordering, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, de gerechtskosten, enz. Daar is er wel degelijk een meerwaarde voor een grievenverzoekschrift. Deze interpretatie wordt door het college van procureurs-generaal gevolgd. 36 Dit is ook de meest logische interpretatie, die rekening houdt met zowel de bedoeling van de wetgever met het grievenverzoekschrift als met de eigenheid van de voorlopige fase in een jeugdzaak. Tot op heden wordt de activistische stellingname van het college van procureurs-generaal gevolgd door de jeugdkamer van ieder hof van beroep.

Ten slotte zou ik u nog een voorbeeld willen geven van een arrest van de jeugdkamer van uw hof van beroep waarin een zekere vorm van rechterlijk activisme zou kunnen worden gezien. 37 Deze jeugdkamer werd in een arrest van 3 december 2014 geconfronteerd met volgende situatie. Een minderjarige verblijft sinds 2008 in een instelling, genaamd «Chanteclair», te Carlsbourg in Wallonië. De ouders van deze minderjarige kampen met problemen op diverse levensgebieden. Er is sprake van onder meer een ernstig alcoholprobleem, periodes van dakloosheid en intrafamiliaal geweld. Oorspronkelijk woonden de ouders van de minderjarige in het gerechtelijk arrondissement Namen. Op basis van het decreet van 4 maart 1991 «relatif à l’aide à la jeunesse» van de Franse Gemeenschap werd de minderjarige door de jeugdrechter te Namen geplaatst in de instelling Chanteclair. 38

De ouders van de minderjarige verhuizen echter in mei 2014 naar De Haan. Dit heeft een belangrijke invloed op de gerechtelijke hulpverlening. Zoals u weet, is er een bijzonder regime inzake de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank. Volgens art. 44 Jeugdbeschermingswet wordt de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank bepaald door de verblijfplaats van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in geval van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, door de verblijfplaats van de persoon bij wie de jongere gewoonlijk verblijft. Er bestaan daar enkele uitzonderingen op, maar het zou mij te ver leiden om daar verder op in te gaan. Art. 44 Jeugdbeschermingswet bepaalt ook dat de verandering van verblijfplaats met zich meebrengt dat de zaak aan de jeugdrechtbank onttrokken wordt en verwezen wordt naar de jeugdrechtbank van de nieuwe verblijfplaats. Ook daar zijn er opnieuw afwijkingen op mogelijk, waarop ik vandaag niet nader zal ingaan.

Ik kom nu terug op het geval waarover de jeugdkamer van dit hof van beroep zich moest buigen. Door de verhuis van de ouders van de minderjarige naar De Haan wordt de Jeugdrechtbank te Brugge bevoegd. De Gemeenschappen kunnen hun bevoegdheden op basis van art. 128 Gw. slechts uitoefenen in hun eigen taalgebied en in beginsel kan er geen beroep worden gedaan op voorzieningen die zijn gevestigd buiten het territoriale bevoegdheidsgebied van de desbetreffende Gemeenschap. 39 De verhuis van de ouders van de minderjarige impliceerde dan ook het einde van de plaatsing van de minderjarige in de instelling in Wallonië. Deze oplossing leek echter aan niemands wensen te voldoen en is zeker niet in het belang van de minderjarige die dreigde volledig weggerukt te worden uit zijn leefmilieu. De jeugdkamer van dit hof van beroep vond in art. 8 EVRM een grond om deze onrechtvaardige situatie recht te zetten. Volgens art. 8 EVRM heeft eenieder recht op respect voor zijn privé- en gezinsleven. Volgens de jeugdkamer van dit hof van beroep impliceert dit recht dat de overheden verplicht zijn om oplossingen te vinden die zo weinig mogelijk belastend zijn voor het gezinsleven en houdt dit ook in dat de minderjarige moet kunnen worden geplaatst in een instelling waarin hij in zijn eigen taal kan worden begeleid. Een voorziening die afhangt van een bepaalde Gemeenschap moet volgens het jeugdhof een maatregel kunnen uitvoeren die op grond van de wetgeving van een andere Gemeenschap is genomen.

Dit activistische arrest had niet activistisch moeten zijn. Ik verklaar mij nader. In het decreet integrale jeugdhulp is immers een bepaling te vinden die de Vlaamse Regering de machtiging geeft om overeenkomsten te sluiten met voorzieningen die buiten de Vlaamse Gemeenschap gevestigd zijn, zodat jongeren in voorzieningen in een ander landsgedeelte geplaatst kunnen worden. 40 Dergelijke overeenkomsten bestaan tot op vandaag niet officieel. Er zouden echter wel afspraken bestaan tussen het agentschap Jongerenwelzijn en de administratie Aide à la jeunesse van de Franse Gemeenschap in het kader van een ontwerp tot samenwerkingsakkoord die plaatsingen in een andere Gemeenschap mogelijk maken. 41 Dit kan dan weer verbazing wekken, aangezien het de Vlaamse Regering is die volgens de wet overeenkomsten dient te sluiten en niet de administraties van de Gemeenschappen. Misschien bestaan er dus ook activistische ambtenaren.

III. Besluit

Om te besluiten is het nuttig om nog even naar de toekomst te kijken. Het jeugdrecht is in volle evolutie. De Gemeenschappen van ons land zijn bezig met de uitvoering van de zesde Staatshervorming. Tegen eind 2018 valt het te verwachten dat er zowel in Vlaanderen als in de Franse Gemeenschap een nieuw jeugddelinquentierecht zal zijn. Tezelfdertijd is de federale overheid van plan om een nieuw Strafwetboek en een nieuw Wetboek van Strafprocesrecht tot stand te brengen. De Potpourri-wetten hebben bewezen dat het erg waarschijnlijk is dat zonder nauw overleg tussen de gedefedereerde overheden en de federale overheid art. 62 Jeugdbeschermingswet opnieuw over het hoofd zal worden gezien met allerlei procedurele moeilijkheden tot gevolg.

De Unie van Nederlandstalige Jeugdmagistraten wees en wijst op het gevaar dat door de communautarisering van het materieel jeugdrecht de rechtsstelsels van de diverse Gemeenschappen van ons land sterk uit elkaar kunnen groeien. Dit kan ernstige problemen van verenigbaarheid tussen de rechtsstelsels doen ontstaan voor de delinquente minderjarigen die er het voorwerp van uitmaken.

Deze problemen zullen zich het sterkst laten voelen bij de zwaksten onder de minderjarigen, nl. de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (hierna: «NBMV»). Er zullen onrechtvaardige situaties ontstaan indien het jeugdrecht van Vlaanderen, Brussel, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap fundamenteel een andere weg zou opgaan. Indien bijvoorbeeld de leeftijdsgrens en de voorwaarden voor uithandengeving zouden verschillen in de diverse wetgevingen, kan dit voor een NBMV leiden tot absurde situaties waarbij het afhankelijk is van de woonplaats van de voogd die hij krijgt toegewezen van de dienst Voogdij van de FOD Justitie of hij al dan niet kan worden uit handen gegeven. De woonplaats van de voogd bepaalt welke jeugdrechtbank bevoegd is en of het nu het Vlaamse of het Waalse jeugdrecht is dat moet worden toegepast. Om dit concreter te maken, kan u zich bijvoorbeeld de situatie voor de geest halen waarbij een minderjarige Syriëstrijder na zijn terugkeer in België een terroristische aanslag pleegt. Krijgt hij een voogd die in Vlaanderen woont, dan zou bijvoorbeeld uithandengeving mogelijk zijn, maar wanneer hij een voogd krijgt die in Wallonië woont, zou dit niet mogelijk zijn. Hetzelfde kan zich voordoen bij de leeftijdsgrenzen die gelden voor plaatsing in gesloten gemeenschapsinstellingen, enz.

Criminaliteit stopt niet aan de grenzen van Vlaanderen. Dit geldt evident ook voor de jeugdcriminaliteit. Indien bijvoorbeeld Vlaanderen zou kiezen voor een jeugdsanctierecht en de Franse Gemeenschap voor een jeugdbeschermingsrecht, zal dit leiden tot de eerder geschetste onrechtvaardigheden, maar mogelijk ook tot straffeloosheid. Art. 44 Jeugdbeschermingswet bepaalt, zoals ik u al heb gezegd, dat er een doorverwijzing moet komen van de zaak bij verandering van de «gewone» verblijfplaats van de minderjarige. Indien deze verblijfplaats bijvoorbeeld gelegen is in Wallonië en de maatregel die werd opgelegd door de Vlaamse jeugdrechtbank niet bestaat in de regelgeving van de Franse Gemeenschap, zal deze maatregel dus geen uitvoering meer kunnen krijgen, gelet op de territoriale bevoegdheid van de Gemeenschappen en zal de verandering van verblijfplaats de facto leiden tot straffeloosheid. Willen de diverse wetgevers van het land niet dat rechters activistisch zijn, dan zal er een gedetailleerd samenwerkingsakkoord tussen de diverse Gemeenschappen moeten tot stand komen waarin bepaald wordt hoe een maatregel die beslist werd in de ene Gemeenschap kan worden uitgevoerd in een andere Gemeenschap, wie de kosten daarvoor draagt, hoe de rapportering van de uitvoering van de maatregelen dient te gebeuren, enz. 42 Maar misschien ben ik nu ook reeds te activistisch geweest.

En rest er mij slechts u te danken voor uw volgehouden aandacht.

1 F.C.L.M. Jacobs en C.W. Mars, Rechtsvinding en de grondslagen van het recht, Asse, Koninklijke Van Gorcum, 2003, 128-130.

2 G. Mcdowell, The Oxford Companion to the Supreme Court of the United States, Oxford University Press, 2005, 525.

3 Zie: www.montesquieu-instituut.nl.

4 Bv. M. Storme, «Betekenis en statuut van de rechterlijke macht als staatsmacht», TPR 1996, 1358; A. Alen, L.J. Wintgens, De Trias Politica ruimer bekeken, Brussel, Larcier, 2000.

5 L. Verhey, «De rechter en politieke partijen: ruimte voor rechterlijk activisme?» in C.M. Zoethout, J.H. Reestman en A.J. Nieuwenhuis (eds.), Rechterlijk activisme – Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.A. Peters, Ars Aequi Libri, 2011, 231.

6 J.A. Peters en S. Daniels, «De rol van de rechter bij leven en dood» in A.C. Hendriks, J.H. Hubben, J. Legemaate, B. Sluijters (eds.), Grondrechten in de gezondheidszorg: Liber Amicorum voor prof. mr. J.K.M. Gevers, Bohn Stafleu van Loghum Houten, 2010, 207-208.

7 T. Koopmans, «Rechterlijk activisme in Europeesrechtelijk perspectief» in P. Dijk, De relatie tussen wetgever en rechter in een tijd van rechterlijk activisme, Amsterdam, Koninklijke Nederlandse Akademie van wetenschappen, 1989, 31 e.v.

8 EHRM (Grote Kamer) 27 november 2008, nr. 36391/02, Salduz t/ Turkije.

9 Zie hierover: J. Van Gaever, «Evaluatie van de evolutie van de Salduz-rechtspraak», T.Strafr. 2010, 235-236.

10 EHRM (tweede afdeling) 26 april 2007, nr. 36391/02, Salduz t/ Turkije.

11 Wet van 13 augustus 2011 «tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan», BS 5 september 2011.

12 Wet van 21 november 2016 «betreffende bepaalde rechten van personen die worden verhoord», BS 24 november 2016.

13 Decreet van 12 juli 2013, BS 13 september 2013.

14 Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de jeugdbescherming, Parl.St. Kamer 1962-63, nr. 637/1, p. 31.

15 J. Smets, Jeugdbeschermingsrecht in APR, Antwerpen, Kluwer, 1996, p. 478, nrs. 1278-1279.

16 Wet van 19 oktober 2015 «houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie», BS 22 oktober 2015, p. 65.084. Zie hierover bv.: B. Allemeersch en S. Voet, «De wet «Potpourri I» – Wijzigingen van het burgerlijke procesrecht», RW 2015-16, 1523-1525; S. Rutten en B. Vanlerberghe, «De alleenzetelende rechter en de beperking van het optreden van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken» in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, Brugge, die Keure, 2016, 19.

17 Art. 92, § 1 Ger.W.

18 Art. 92 § 1/1 Ger.W.

19 Art. 109bis, § 1 Ger.W.

20 Wet van 13 juni 2006 «tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd», BS 19 juli 2006; Wet van 15 mei 2006 «tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie», BS 2 juni 2006.

21 Parl.St. Kamer 2005-06, nr. 1467/18, p. 3.

22 Art. 102 van de wet van 30 juli 2013 «betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank», BS 27 september 2013. De wetgever vergat echter in art. 57bis Jeugdbeschermingswet de terminologie aan te passen.

23 Art. 101 Ger.W.

24 Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1312/7, p. 63.

25 Het derde periodiek rapport van België betreffende het internationaal verdrag inzake de rechten van het kind, www.ncrk.be/sites/1168.fedimbo.belgium.be/files/explorer/trosieme_et_qua..., p. 159-160.

26 Art. 56 van de in voetnoot 16 vermelde wet van 19 oktober 2015.

27 Projet de décret portant le code de la prévention, de l’aide à la jeunesse et de la protection de la jeunesse, Parl.St. Fr. Parl. 2016-17, nr. 467/1, p. 67.

28 Wet van 5 februari 2016 «tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie», BS 19 februari 2016.

29 Zie art. 119, § 2 Ger.W.

30 Gent 13 januari 2016, nr. C-86/2016, onuitgegeven.

31 Y. Liégeois en B. De Smet, «Verdwijnt het hof van assisen voor minderjarigen?», T. Straf. 2016, 388-393.

32 Projet de décret portant le code de la prévention, de l’aide à la jeunesse et de la protection de la jeunesse, Parl.St. Fr. Parl. 2016-17, nr. 467/1, p. 67.

33 Zie COL 8/2016 – Gevolgen van de wet van 5 februari 2016 «tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie op de procedures voor de jeugdrechtbank», www.om-mp.be.

34 KB van 18 februari 2016 tot uitvoering van art. 204, derde lid van het Wetboek van strafvordering, BS 19 februari 2016.

35 J. Smets, o.c., in APR, 478; Luik, Jeugdkamer, 16 december 1980, JL, 1981, 296; Brussel, Jeugdkamer, 28 februari 1989, RDP 1989, 762.

36 COL 8/2016 – Gevolgen van de wet van 5 februari 2016 «tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie op de procedures voor de jeugdrechtbank», www.om-mp.be.

37 Gent 3 december 2014, TJK 2015, 160-172, noot J. Put en A-.S. Versweyvelt.

38 Decreet van 4 maart 1991 relatif à l’aide à la jeunesse, BS 12 juni 1991.

39 Zie hierover: J. Smets, o.c., in APR, 92-108; Arbitragehof 11 december 1996, nr. 72/96. Volgens Versweyvelt en Put zou het evenwel mogelijk zijn dat een wijziging van de verblijfplaats, effectief een wijziging van de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank tot gevolg heeft, maar dat de nieuw bevoegde jeugdrechtbank de wetgeving van een andere gemeenschap zou moeten toepassen (J. Put en A-.S. Versweyvelt, «De territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank: aanknopingspunt, onttrekking en doorverwijzing», TJK 2015, 171).

40 Art. 4 decreet integrale jeugdhulp.

41 Zie: www.wvg.vlaanderen.be/jongerenwelzijn/professionelen/assets/​docs/jeugdhulpaanbieders/itp/bijlage-H2-bevoegdheid-ITP-buiten-vlaanderen.pdf.

42 J. Smets formuleerde deze oproep voor minderjarigen in verontrustende situaties reeds in 1996 (J. Smets, o.c., in APR, 107-108).

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: zo, 26/11/2017 - 11:35
Laatst aangepast op: zo, 26/11/2017 - 11:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.