-A +A

Organisatieaansprakelijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
De Geyter Sarah
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012
ISBN nummer: 
9789400003187
Samenvatting

Zijn Vennootschappen aansprakelijk voor onrechtmatige daden begaan binnen de vennootschap?
Wat zijn de gevolgen voor de bestuurders?

Inhoudstafel tekst: 

Woord vooraf . v
Dankwoord .ix
Algemene inleiding .1
DEEL I. ORGANISATIEAANSPRAKE LIJKHEID TOEGEPAST OP PRIVAAT RECHTELIJKE VENNOOT SCHAPPEN MET RECHTSPERSOONLIJKHEID. AUTONOME TOEREKENING VAN
ONRECHTMATIGE DADEN .5
Hoofdstuk 1
Afbakening van het eerste deel .7
Afdeling1. Inleiding .7
Afdeling 2. Begripsbepaling .8
Inleiding. 8
§ 1. Opdrachthouders . 9
A. Lasthebber .9
B. Bestuurder .10
C. Aangestelde . 18
D. Werknemer . 19
E. Uitvoeringsagent .19
§ 2. Toerekening en aansprakelijkheid . 20
§ 3. Samenloop, co-existentie en het leerstuk van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent . 22
A. Samenloop .22
B. Co-existentie .25
C. Het leerstuk van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent .26
Hoofdstuk 2.
De toerekening van onrechtmatige daden van bestuurders vergeleken met die van andere opdrachthouders . 37
Inleiding.37 Afdeling 1. De toerekening van onrecht matige daden van de lasthebber aan de lastgever . 37
§ 1 De klassieke opvatting. Onrechtmatige daden van de lasthebber zijn de lastgever niet toerekenbaar . 37
§ 2 Recente opvatting. Onrechtmatige daden “inherent” aan het mandaat en de leer van het schijnmandaat .39
A. Onrechtmatige daden “inherent” aan het mandaat .39
1. De visie van De Page: precontractuele fouten leiden tot contractuele aansprakelijkheid .39
2. Het cassatiearrest van 21 september 1987 .40
B. De leer van het schijnmandaat .44
1. Hulpmiddel voor de toerekening van onbevoegd verrichte rechtshandelingen . 44
2. De toerekening van onrechtmatige daden gepleegd in uitvoering van de schijnbare opdracht .49
C. Blijvende punten van onduidelijkheid .50
1. Rechtsgrond voor de toerekening .50
2. Rechtsgevolgen op het vlak van aansprakelijkheid .50
Afdeling 2. De toerekening van onrecht matige daden van het bestuursorgaan aan de vennootschap . 51
§ 1. Onrechtmatige daad van het orgaan in de uitoefening van de bevoegdheid .51
A. Rechtstreekse toerekening aan de rechtspersoon .51
B. Voorwaarde: het orgaan begaat de onrechtmatige daad in de uitoefening van zijn bevoegdheid .55
C. Gevolgen op het vlak van de aansprakelijkheid van het orgaan en de vennootschap .58
1. Verhouding vennootschap-benadeelde . 58
2. Verhouding orgaan-vennootschap .58
3. Verhouding orgaan-benadeelde .59
§ 2. Onrechtmatige daad van het orgaan handelend binnen de grenzen van wat voor iedere redelijke en voorzichtige persoon zijn bevoegdheidis . 61
A. Het criterium van de redelijke en voorzichtige persoon .61
B. Mogelijke rechtsgrond . 62
Afdeling 3. De aansprakelijkheid van de vennootschap-aansteller voor de onrecht matige daden van haar aangestelde . 64
Inleiding.64 § 1. Onrechtstreekse toerekening op grond van artikel 1384, derdelid BW . 64
A. Principe . 64
B. Voorwaarden .65
1. Band van ondergeschiktheid . 65
2. Onrechtmatige daad of kwalitatieve aansprakelijkheid van de aangestelde .66
3. Schade aan een derde .67
4. Schadetoebrengende handeling van de aangestelde verricht in de bediening waarvoor hij is aangesteld . 67
§ 2. Gevolgen op het vlak van de aansprakelijkheid van de aangestelde en de aansteller .71
A. Verhouding aansteller-benadeelde .71
B. Verhouding aangestelde-aansteller .71
C. Verhouding aangestelde-benadeelde . 73
Afdeling 4. Synthese en probleemstelling .74
§ 1 Verschillende toerekeningsmechanismen, verschillende aansprakelijk heden .74
§ 2 Beperkingen van de gebruikte toerekenings mechanismen . 76
§ 3 Onderzoeksvragen .78
A. Rechtstreekse of onrechtstreekse toerekening van onrechtmatige daden aan de vennootschap? . 78
1. Eerste hypothese. Toerekening aan de vennootschap van onrechtmatige daden gepleegd door een identificeerbare natuurlijke persoon .78
2. Tweede hypothese. Toerekening aan de vennootschap van onrechtmatige daden zonder dat een natuurlijke persoon
kan worden geïdentificeerd als feitelijke dader . 78
B. De invloed van het toerekeningsmechanisme op de aansprakelijkheid van de bestuurder . 79
Hoofdstuk 3.
Toerekening aan de vennootschap van onrechtmatige daden van een identificeerbare natuurlijke persoon. Twee mogelijke rechtsgevolgen
nader toegelicht: in solidum-aansprakelijkheid en regres . 81
Inleiding.81
Afdeling 1. De externe rechtsverhouding. In solidum-aansprakelijkheid
tegenover de benadeelde .82
§ 1. Algemene principes . 82
A. In solidum-aansprakelijkheid. Definitie en voorwaarden . 82
B. Grondslag .84
1. Klassieke opvatting. De equivalentietheorie .84
2. Recente opvatting. Bijzondere waarborg voor de benadeelde.85
C. Rechtsgrond .87
1. Samenloop van contractuele fouten . 87
2. Samenloop van extracontractuele fouten .87
3. Samenloop van contractuele en extracontractuele fouten .88
§ 2. Toepassing van de principes op de rechts verhouding tussen de vennootschap en haar bestuursorgaan en de benadeelde .88
Afdeling 2. De interne rechtsverhouding. Regres van de vennootschap op de opdracht houders .90
§ 1. Algemene principes . 90
A. Regres. Definitie .90
B. Rechtsgrond .90
1. Wettelijke subrogatie .91
2. Aquiliaanse aansprakelijkheid .93
3. Verrijking zonder oorzaak .96
4. Geen zaakwaarneming .96
5. Geen verhaal als hoofdelijke schuldenaar .97
6. Geen zelfstandig regresrecht . 97
7. Samenvatting .97
C. Verdeling van de schuld tussen de schuldenaren in solidum onderling (contributio) .98
1. Elke schuldenaar draagt zijn deel .98
2. Integraal regres .100
§ 2. Toepassing van de principes op de rechts verhouding tussen de vennootschap en haar bestuurders .101
Afdeling 3. Besluit .103
Hoofdstuk 4.
Rechtstreekse of onrechtstreekse toerekening van onrechtmatige daden
aan de vennootschap? .105
Inleiding. 105
Afdeling 1. Rechtstreekse toerekening op grond van de orgaantheorie en het absorptiebeginsel . 106
§ 1. De absorptietheorie naar Frans recht .106
A. Rechtstreekse toerekening van bestuursfouten aan de vennootschap . 106
B. Geen toerekening aan de vennootschap van persoonlijke fouten van de bestuurder die geen verband houden met zijn taken. 107
C. Gevolgen op het vlak van de aansprakelijkheid van het bestuursorgaan en de vennootschap .112
1. Verhouding vennootschap-benadeelde .112
2. Verhouding bestuursorgaan-vennootschap .112
3. Verhouding bestuursorgaan-benadeelde .113
D. Kritiek op de absorptietheorie en voorgestelde alternatieven .114
§ 2. Afwijzing van een absorptietheorie naar Belgisch recht .116
A. Voorstanders van een absorptietheorie naar Belgisch recht . 116
B. Kritiek . 119
Afdeling 2. Onrechtstreekse toerekening op grond van een algemeen beginsel van aansprakelijkheid voor andermans onrechtmatige daad (art. 1384, eerste lid BW) of een ruime interpretatie van de aansprakelijkheid van de aansteller (art. 1384, derde lid BW) .124
Inleiding.124
§ 1. Een algemeen beginsel van quasidelictuele aansprakelijkheid voor
andermans onrechtmatige daad? . 124
A. Het Franse voorbeeld. Het Blieck-arrest van 29 maart 1991 . 125
B. Het arrest van het Hof van Cassatie van 19 juni 1997 .126
C. Argumenten voor de invoering van een algemeen beginsel van extracontrac tuele aansprakelijkheid voor andermans onrechtmatige daad .127
D. Evaluatie .129
§ 2. De neoklassieke theorie van Delvoie. Onrechtstreekse toerekening van onrecht matige daden van bestuurders aan de vennoot schap op grond van artikel 1384, derde lid BW .131
A. De neoklassieke theorie samengevat .131
B. Evaluatie .132
Afdeling 3. Het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk. Een ruime rechtstreekse toe rekening in functie van de materiële rechtsregel .134
Inleiding.134
§ 1. Van alter ego-doctrine naar Meridian-rule . 136
A. Alter ego-doctrine: rechtstreekse toerekening van onrechtmatige daden van personen met een directing mind and will .136
B. Het Meridian-arrest: rechtstreekse toerekening in functie van de materiële rechtsregel .140
C. Rechtsgevolgen op het vlak van aansprakelijkheid .145
1. Persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurder tegenover de benadeelde is vrij uitzonderlijk .145
2. Regres van de vennootschap op de bestuurder is eveneens uitzonderlijk .147
§ 2. Kunnen de alter ego-doctrine en de Meridian-zaak navolging krijgen in het Belgische recht? .147 Afdeling 4. Rechtstreekse toerekening op grond van het criterium van de verkeers opvattingen . 148
Inleiding.148
§ 1. De verkeersopvattingen naar Nederlands recht . 148
A. Van orgaantheorie naar verkeersopvattingen . 148
B. Invulling van het begrip “verkeersopvattingen” .154
1. Algemeen .154
2. Toepassing op rechtspersonen .157
C. Rechtsgevolgen van toerekening volgens verkeersopvattingen . 159
1. Verhouding vennootschap-benadeelde .159
2. Verhouding bestuurders-vennootschap .159
3. Verhouding bestuurders-benadeelde .160
§ 2. Pleidooi voor de invoering van een criterium van de verkeersopvatingen naar Belgisch recht . 162
A. De verkeersopvattingen volgens Vananroye . 162
1. Rechtstreekse toerekening op grond van een autonoom toerekenings criterium .162
2. Rechtsgevolgen .164
B. De verkeersopvattingen volgens De Wulf .166
1. Toerekening met omkering van de bewijslast . 166
2. Rechtsgevolgen .169
§ 3. Evaluatie . 173
Hoofdstuk 5.
Voorstel van een criterium van verkeersopvattingen naar Belgisch recht . 175
Afdeling 1. Het criterium van de verkeersopvattingen als overkoepelend begrip. 175
§ 1 Definitie . 175
§ 2 Toerekenbare onrechtmatige daden .176
§ 3 Verenigbaarheid met de orgaantheorie en de aanstellersaansprakelijkheid op grond van artikel 1384, derde lid BW .176
Afdeling 2. Rechtstreekse toerekening op grond van de verkeersopvattingen.178
Afdeling 3. Rechtstreekse toerekening op grond van de verkeersopvattingen sluit de persoonlijke aansprakelijkheid van de dader-
natuurlijke persoon niet uit . 179
Afdeling 4. Nog een stap verder? Het criterium van de verkeersopvattingen als een weerlegbaar aansprakelijkheids vermoeden .180
§ 1 Geen aansprakelijkheid in geval van behoorlijke interne bedrijfsorganisatie . 180
§ 2 Voorbeelden. Delegatie in het strafrecht en aanstellersaansprakelijkheid naar Duits recht .181
§ 3 Evaluatie . 185
Afdeling 5. Besluit .186
DEEL II. ORGANISATIEAANSPRAKE LIJKHEID TOEGEPAST OP BESTUURDERS. PERSOONLIJKE AANSPRAKELIJKHEID VAN BESTUURDERS IN GEVAL VAN BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN INTERNE TAAKVERDELING .189
Hoofdstuk 1.
Afbakening van het tweede deel .191
Inleiding. 191
Afdeling 1. Verantwoording van de persoonlijke burgerrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders . 192
Afdeling 2. De evolutie van interne controle naar ondernemingsrisicomanagement.194 Inleiding.194
§ 1. Begripsomschrijving .196
A. Ondernemingsrisico . 196
B. Risicobereidheid .197
C. Risicotolerantie .198
D. Ondernemingsrisicomanagement .198
1. Algemeen .198
2. Ondernemingsrisicomanagement volgens COSO .199
§ 2. Voorbeeld van een raamwerk voor ondernemingsrisico-management. Het COSO Enterprise Risk Management –Integrated Framework . 200
A. Ondernemingsrisicomanagement is ruimer dan interne controle .200
B. Doelstellingen en componenten .202
C. Interne organisatie .204
1. Het COSO-ERM-raamwerk als interne omgeving .204
2. Interne organisatiestructuur .207
§ 3. Ondernemingsrisicomanagement in het Europese vennootschapsrecht .212
§ 4. Ondernemingsrisicomanagement in het Belgische vennootschapsrecht .215
§ 5. Voorlopige evaluatie .217 Afdeling 3. Onderzoeksvragen . 219
§ 1 In welke mate zijn bestuurders aanspra ke lijk voor de schadelijke gevolgen van ondernemingsbeslissingen? .220
§ 2 Hoe ver reikt de toezichtverplichting van de niet-uitvoerende bestuurders? . 220
Afdeling 4. Methodologie .221
Hoofdstuk 2.
Bestuur en toezicht in de NV naar Belgisch recht .223
Inleiding.223
Afdeling 1. Bestuur .223
§ 1. De bevoegdheden van de raad van bestuur . 223
A. Residuaire bevoegdheid .223
B. De voorbehouden bevoegdheden van de raad van bestuur .224
1. Het algemeen beleid .224
2. Specifieke wettelijke bevoegdheden .226
§ 2. Het collegialiteitsbeginsel en het intuitu personae-karakter van het bestuurs mandaat: geen beletsel voor delegatie . 227
§ 3. Bevoegdheidsdelegaties .229
A. Het orgaan van dagelijks bestuur .230
B. Het directiecomité .233
C. Bijzondere delegatie(s) op grond van lastgeving .238
§ 4. Adviserende comités .241
§ 5. Het remuneratiecomité .242
Afdeling 2. Toezicht .244
§ 1. Het toezicht inhoudelijk .244
A. Toezicht verruimd tot risicomanagement . 244
B. Toezicht: een actieve en voortdurende verplichting .246
C. Het recht op informatie .249
D. Evocatie van beslissingen van het management? . 253
§ 2. De organisatie van het toezicht .254
A. Een procedurele aanpak van interne controle en risicomanagement .254
B. Risicomanagement in het jaarverslag .257
C. Het auditcomité .261
1. Monitoring van het financiële verslaggevingsproces . 263
2. Monitoring van de doeltre~ endheid van de systemen voor interne controle en risicobeheer .265
3. Monitoring van de interne audit .265
4. Monitoring van de wettelijke controle van de jaarrekening . 266
5. Monitoring van de onafhankelijkheid van de commissaris . 267
D. Bewaking van de continuïteit .267
1. Verantwoording van de toegepaste waarderingsregels bij aanhoudende verliezen .267
2. Maatregelen om de continuïteit gedurende redelijke termijn te vrijwaren .268
3. De alarmbelprocedure .270
Hoofdstuk 3.
Invloed van bevoegdheids delegaties en interne taak verdelingen op de aansprakelijkheid van de bestuurders. Probleemstelling .273
Afdeling 1. Terughoudende inhoudelijke toetsing van de aansprakelijkheid van bestuurders voor ondernemingsbeslissingen . 273
Afdeling 2. Vrijstelling van aansprakelijkheid in geval van bevoegdheidsdelegatie, maar wel aansprakelijkheid voor toezicht, selectie en bijstand.277
Afdeling 3. Aansprakelijkheid van bestuurders in geval van interne taakverdeling. 283
Afdeling 4. Samenvatting .286
Hoofdstuk 4.
Rechtsvergelijkend overzicht .289
Inleiding.289
Afdeling 1. Verenigde Staten .290
§ 1. Regels inzake bestuur en toezicht . 290
A. De organisatie van bestuur en toezicht . 290
1. Bestuur . 290
2. Toezicht .291
B. Gedragsnormen .297
1. Fiduciaire verplichtingen in de rechtspraak .297
2. De Model Business Corporation Act .299
§ 2. Maatstaf voor de beoordeling van de aansprakelijkheid .301
A. De duty of care en de business judgment rule: een weerlegbaar vermoeden voor bewuste bestuursbeslissingen .301
B. De duty of loyalty en good faith: een maatstaf bij gebrek aan toezicht . 305
§ 3. Toepassingsgevallen uit de rechtspraak . 306
A. De zaken Smith v Van Gorkom en Walt Disney Company: de verplichting om geïnformeerde bestuursbeslissingen te nemen.306
1. Smith v Van Gorkom . 306
2. ~e Walt Disney Corporation derivative litigation .309
B. Van Graham v Allis Chalmers naar Caremark en Stone v
Ritter: naar een strengere beoordelingsnorm voor toezicht . 312
1. Graham v Allis-Chalmers .312
2. Caremark . 314
3. Stone v Ritter . 317
C. De zaken Citigroup en Dow Chemical Company: geen strengere beoordelings criteria voor risicovolle ondernemingsbeslissingen en toezicht op risicovolle activiteiten .322
1. Citigroup .322
2. ~e Dow Chemical Company derivative litigation . 326
D. Tussenbesluit. Procedurele en beperkte inhoudelijke toetsing van de toezichtsverplichting . 330
E. Illustratie. De toezichtsrechtspraak toegepast op de zaken Enron en WorldCom . 330
1. Enron .331
2. WorldCom .336
§ 4. Samenvatting .341
Afdeling 2. Australië . 342
§ 1. Regels inzake bestuur en toezicht . 342
A. Organisatie van bestuur en toezicht .342
1. Bestuur . 342
2. Toezicht .344
B. Gedragsnormen .346
§ 2. Maatstaf voor de beoordeling van de aansprakelijkheid .347
A. Sectie 180 (2) Corporations Act 2001. De business judgment rule voor ondernemingsbeslissingen .347
B. Sectie 189 en 190 Corporations Act 2001. Het redelijk vertrouwen op informatie of advies van derden en bij delegatie van bevoegdheden .349
§ 3. Toepassingsgevallen uit de rechtspraak . 351
A. De AWA-zaak: naar een objectieve minimum zorgvuldigheidsnorm voor uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders .352
B. De HIH-zaak: de delegatie van bevoegdheden en de voortdurende verplichting om geïnformeerd te blijven .356
C. De zaken One.Tel en James Hardie: verhoging van de objectief/ subjectieve zorgvuldigheidsnorm in functie van de specifieke taken of bekwaamheden van de bestuurder .360
1. One.Tel .360
2. James Hardie . 367
§ 4. Samenvatting .369
Afdeling 3. Verenigd Koninkrijk .371
§ 1. Regels inzake bestuur en toezicht . 371
A. Organisatie van bestuur en toezicht .371
1. Bestuur . 372
2. Toezicht .373
B. Gedragsnormen .376
§ 2. Maatstaf voor de beoordeling van de aansprakelijkheid .378
A. Geen specifieke toetsingsmaatstaf voor ondernemingsbeslissingen of gebrek aan toezicht . 378
B. De wettelijke objectief/subjectieve test uit sectie 174 (2) Companies Act 2006 . 379
§ 3. Toepassingsgevallen uit de rechtspraak . 381
A. De zaak City Equitable Fire Co Ltd: redelijk vertrouwen bij delegatie van bevoegdheden . 381
B. Van Westmid Packing Services Ltd tot Lexi Holdings plc: naar een objectieve norm voor de beoordeling van toezicht in geval van delegatie van bevoegdheden en interne taak-
verdeling.382
1. Westmid Packing Services Ltd .382
2. Barings plc .383
3. Equitable Life Assurance Society v Bowley . 385
4. Continental Assurance Co of London plc .387
5. Lexi Holdings plc v Luqman . 388
C. De zaak Bradcrown: beroep op extern advies ontslaat bestuurder niet van de verplichting om zelf informatie in tewinnen .390
§ 4. Samenvatting .391 Afdeling 4. Duitsland .392
§ 1. Regels inzake bestuur en toezicht . 392
A. Organisatie van bestuur en toezicht .392
1. Bestuur . 393
2. Toezicht .395
B. Gedragsnormen .400
§ 2. Maatstaf voor de beoordeling van de aansprakelijkheid .401
A. § 93, Abs. 1, Satz 2 AktG: wettelijke business judgment rule voor ondernemingsbeslissingen .401
B. Aansprakelijkheid van leden van de Aufsichtsrat voor ondernemings beslissingen en gebrek aan toezicht .404
§ 3. Toepassingsgevallen uit de rechtspraak . 406
A. De zaak ARAG/Garmenbeck: een business judgment rule in de rechtspraak . 406
B. De aansprakelijkheid van de Aufsichtsrat voor ondernemingsbeslissingen .411
1. OLG Oldenburg 22juni 2006 .412
2. BGH 11 december 2006 .413
3. Mannesmann . 415
C. Het vertrouwen op advies van externe specialisten .417
D. De zaken MPS en IKB: strengere beoordelingscriteria voor risicovolle ondernemingsbeslissingen en toezicht op risico-
volle activiteiten .418
1. De MPS-zaak . 418
2. De IKB-zaak .420
§ 4. Samenvatting .425
Afdeling 5. Nederland .427
§ 1. Regels inzake bestuur en toezicht . 427
A. Organisatie van bestuur en toezicht .427
1. Bestuur . 428
2. Toezicht .429
B. Gedragsnormen .432
§ 2. Toetsing van bestuurlijk gedrag in de enquêteprocedure en de aansprakelijkheids procedure . 435
A. De toetsing van wanbeleid in het kader van de enquête-procedure (artt. 2:344-2:359 NBW) . 435
1. Verloop en doelstellingen van de enquêteprocedure . 435
2. Wanbeleid als toetsingscriterium .438
B. De toetsing van het ernstig verwijt in het kader van de aansprakelijkheidsprocedure (art. 2:9 NBW) . 442
1. Ernstig verwijt als toetsingscriterium .442
2. Ernstig verwijt in de wet. Wijziging van artikel 2:9 NBW
bij wet van 6juni 2011 .444
C. De verhouding tussen de criteria wanbeleid en ernstig verwijt . 446
D. Voorstellen voor een beperkte toetsing in de rechtsleer: Assink, Strik en Mussche .446
1. Het voorstel van Assink: rationaliteitstoets geïnspireerd door de business judgment rule . 446
2. Het voorstel van Strik: criterium van de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en regeling voor delegatie van bevoegdheden .450
3. Het voorstel van Mussche: vertrouwensverweer voor beslissingen gebaseerd op informatie van anderen .452
§ 3. Toepassingsgevallen uit de rechtspraak . 453
A. Toetsing van ondernemingsbeslissingen en toezicht in het kader van de enquêteprocedure . 453
1. ASM International en Getronics: beleidsvrijheid voor ondernemings beslissingen .453
2. KPNQwest en Ahold: wanbeleid en gebrekkig toezicht .456
3. Ogem Holding NV en Laurus NV: strengere beoordeling van risicovolle ondernemingsbeslissingen en toezicht op risicovolle activiteiten .460
B. Persoonlijke aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 NBW . 463
1. Stalemant./ Van de Ven en Schwandt t./ Berghuizer Papierfabriek: beleidsvrijheid voor ondernemings-beslissingen .463
2. Ceteco: aansprakelijkheid voor falend risicomanagement .465
§ 4. Samenvatting .468
Afdeling 6. Besluit .469
§ 1. Terughoudende toetsing van ondernemings beslissingen . 470
A. De business judgment rule .470
B. Inhoudelijke toetsing op grond van een objectief/subjectieve test of een algemene zorgvuldigheidsnorm .471
C. Ondernemingsbeslissingen en redelijk vertrouwen op extern advies.472
§ 2. Van beperkte tot een mogelijk verregaande inhoudelijke toetsing van de toezichts verplichting .473
A. De Amerikaanse zaken Caremark en Stone v Ritter: opzet vereist .473
B. Een wettelijke regeling van toezicht in geval van delegatie of interne taakverdeling . 474
C. Inhoudelijke toetsing op grond van een objectief/subjectieve test of een algemene zorgvuldigheidsnorm .475
§ 3. Soms een strengere beoordeling van (toezicht op) ondernemingsbeslissingen die een onverantwoord risico inhouden .476
A. De Amerikaanse zaken Citigroup en Dow Chemical Company: geen strengere beoordeling .476
B. Duitsland en Nederland: strengere beoordeling van onverantwoorde risico’s . 477
Hoofdstuk 5.
Organisatieaansprakelijkheid van bestuurders naar Belgisch recht. Enkele voorstellen .479
Afdeling 1. Procedurele toetsing van ondernemingsbeslissingen op grond van een business judgment rule . 479
Afdeling 2. Ondernemingsbeslissingen en het redelijk vertrouwen op advies of informatie van anderen .482
Afdeling 3. Vertrouwensverweer in geval van delegatie van bevoegdheden .483
Afdeling 4. Besluit .485
Algemeen besluit .487
Bibliografie .493
Trefwoordenregister .523

Beschrijving van dit werk door de uitgever:

Dit boek behandelt de aansprakelijkheid voor de organisatie van een vennootschap zowel vanuit het standpunt van de vennootschap zelf als vanuit het standpunt van de bestuurders. Het eerste deel beschrijft hoe onrechtmatige daden die binnen de organisatie van een vennootschap worden gepleegd, aan deze vennootschap worden toegerekend. Het onderzoek van de verschillende mogelijke alternatieven voor de traditionele orgaantheorie, mondt uit in een degelijk onderbouwd voorstel tot autonome toerekening op grond van een criterium van verkeersopvattingen.

Het tweede deel van het boek zoekt een antwoord op de vraag welke gevolgen bevoegdheidsdelegaties en interne taakverdelingen in de raad van bestuur hebben voor de aansprakelijkheid van bestuurders. In de nasleep van de financiële crisis is dit bijzonder actueel, omdat een gebrek aan interne controle en risicomanagement als één van de oorzaken van de crisis wordt beschouwd.

Naast een exhaustief overzicht van de geldende regels uit het Wetboek van Vennootschappen en de aanbevelingen betreffende corporate governance en risicomanagement, bevat het boek een interessante rechtsvergelijkende studie van de rechtspraak. Aan de hand van toonaangevende zaken uit het buitenland wordt nagegaan hoe de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid van het bestuur voor ondernemingsbeslissingen en toezicht concreet worden ingevuld. Dit maakt het werk niet alleen een bruikbaar instrument voor theoretici, maar ook onmisbaar voor wie in de praktijk met een vraag over bestuurdersaansprakelijkheid te maken krijgt.

Sarah De Geyter studeerde rechten aan de UGent (1999) en aan de ULg (DES en droit économique, 2000). Nadat zij gedurende vijf jaar advocaat was bij het kantoor Laga, werd zij in 2005 voltijds assistente aan het Instituut Financieel Recht van de UGent. In januari 2012 promoveerde zij tot doctor in de rechten met het voorliggende proefschrift. Sindsdien is zij advocaat bij het kantoor Quinz te Brussel en vrijwillig medewerker van het Instituut Financieel Recht van de UGent. Tevens maakt zij deel uit van het redactiesecretariaat van het Tijdschrift voor Rechtspersoon en Vennootschap en de redactie van het Nieuw Juridisch Weekblad.

Overige rechtsleer:

• V. Simonart, «La quasi-immunité des organes de droit privé» (noot onder Cass. 7 november 1997), RCJB 1999, 732-774.

• L. Simont, J. De Gavre en P.A. Foriers, «Examen de jurisprudence (1976 à 1980). Les contrats spéciaux», RCJB 1986, p. 408-409, nr. 236; B. Tilleman, Lastgeving in APR, Antwerpen, Story-Scientia, 1997, p. 174, nr. 347; H. De Wulf en S. De Geyter, «Aansprakelijkheid van rechtspersonen en hun vertegenwoordigers» in Aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering en andere schadevergoedingssystemen, XXXIIIe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva 2006-07, Mechelen, Kluwer, 2007, (105) p. 122-123, nr. 23.

• H. Vandenberghe, M. Van Quickenborne, L. Wynant en M. Debaene, «Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 1994-1999», TPR 2000, p. 1862,

• T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, p. 423, nr. 638.

• V. Simonart, o.c., RCJB 1999, 732-774;

• V. Simonart, «La théorie de l’organe» in Y. Poullet, P. Wéry en P. Wynants (eds.), Liber Amicorum Michel Coipel, Brussel, Kluwer, 2004, 713-733; T. Tilquin en

• V. Simonart, Traité des sociétés, I, Diegem, Kluwer, 1996, p. 761, nrs. 1010-1011

• J. Delvoie, Orgaantheorie in rechtspersonen van privaatrecht. Kritisch onderzoek naar de orgaantheorie als juridische grondslag voor toerekening van rechtshandelingen en onrechtmatige daden naar aanleiding van bestuursoptreden in rechtspersonen van privaatrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010

Rechtspraak

• Cass. 21 september 1987, Arr.Cass. 1987-88, (84) 87, Pas. 1988, I, (77) 80, RW 1988-89, 1325, Rec.gén.enr.not. 1992, 183 (inherente onrechtmatige daden)

• Cass. 20 juni 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1365, JT 1989, 547, noot P.A. Foriers, Pas. 1988, I, 1258, RCJB 1991, 45, noot R. Kruithof, RW 1989-90, 1425, noot A. Van Oevelen en TRV 1989, 540, noot P. Callens en S. Stijns (leer van het schijnmandaat).

• Cass.fr. 29 maart 1991, D. 1991, 324, noot C. Larroumet, Gaz.Pal. 1992, 513, noot F. Chabas).

• Cass. 19 juni 1997, Arr.Cass. 1997, 670, Bull. 1997, 700, met conclusie van advocaat-generaal J. Piret, J.dr.jeun. 1997, 400, noot T. Papart, JT 1997, 582, JLMB 1997, 1122, noot T. Papart, Pas. 1997, I, 700, R.Cass. 1998, 369, noot A. Van Oevelen, RCJB 1998, 587, noot R. Dalcq, RGAR 1997, nr. 12.852, met conclusie van advocaat-generaal J. Piret, noot, RW 1998-99, (148) 149, noot A. Van Oevelen, TBBR 1997, 829.

• Cass. 24 december 1951, Pas. 1952, I, (213) 214;

• Cass. 19 oktober 1999, Arr.Cass. 1999, (1297) 1300 en Pas. 1999, I, 545; Cass. 21 februari 2006, RW 2008-09, (316) 317, noot J. De Schepper

• L. Cornelis, Beginselen van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, I, De onrechtmatige daad in Reeks aansprakelijkheidsrecht, 7, Antwerpen, Maklu, 1989, p. 365-371, nrs. 219-223;

• R. Dekkers, A. Verbeke, N. Carette en K. Vanhove, Handboek Burgerlijk Recht, III, Verbintenissen – Bewijsleer – Gebruikelijke contracten, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 158, nr. 280;

• H. Vandenberghe, M. Van Quickenborne, L. Wynant en M. Debaene, TPR 2000, p. 1835, nr. 125; W.

• Van Gerven en S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, 390;

 

 

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Nog dit: 

Zie ook van dezelfde auteur: Organisatieaansprakelijkheid RW 2012-2013, 42

I. Inleiding
II. Toerekening van onrechtmatige daden aan vennootschappen
A. Toerekening heeft een invloed op aansprakelijkheid
B. Bestaande regels inzake toerekening
C. Onderzoeksvragen
D. Een aantal mogelijke oplossingen
1° De absorptietheorie
2° Een algemeen beginsel van aansprakelijkheid voor andermans onrechtmatige daad
3° Een ruime toepassing van de aanstellersaansprakelijkheid
4° Een hiërarchie van toerekeningsregels naar het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk
5° Toerekening volgens verkeersopvattingen
E. Voorstel: een criterium van verkeersopvattingen naar Belgisch recht
III. «Organisatieaansprakelijkheid» van bestuurders
A. Bestuurdersaansprakelijkheid in geval van bevoegdheidsdelegatie en interne taakverdeling
B. Bestuur en toezicht naar Belgisch recht
1° Bestuur
2° Toezicht, interne controle en risicomanagement
3° Probleemstelling. Invloed van bevoegdheidsdelegaties en interne taakverdelingen op de aansprakelijkheid van de bestuurders?
C. Rechtsvergelijkend onderzoek
1° Terughoudende toetsing van ondernemingsbeslissingen
2° Terughoudende toetsing van toezicht
3° Strengere beoordeling van (toezicht op) risicovolle ondernemingsbeslissingen?
D. Enkele voorstellen voor het Belgische recht
1° Procedurele toetsing van ondernemingsbeslissingen op grond van een business judgment rule
2° Ondernemingsbeslissingen en het redelijk vertrouwen op advies of informatie van anderen
3° Vertrouwensverweer in geval van delegatie van bevoegdheden
IV. Besluit

 

Aangemaakt op: ma, 27/08/2012 - 20:46
Laatst aangepast op: za, 01/09/2012 - 12:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.