-A +A

La mise en demeure

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Delhaeye
Tijdschrift: 
J.T.
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/13
Pagina: 
281
Samenvatting

De ingebrekestelling is de verplichte voorafgaande stap die een schuldeiser dient te zetten in de procesfase die hij wil stellen in geval van niet-nakoming door de schuldenaar van zijn contractuele verplichtingen.

In deze bijdrage onderzoekt de auteur dit algemene rechtsbeginsel. Bijzondere aandacht wordt hierbij geschonken aan de rol van de ingebrekestelling in de context van exceptie van niet-uitvoering. 

Het begrip ingebrekestelling (in mora stelling) is afgeleid van het Romeinse recht, dat werd gekenmerkt door de onmiddellijkheid van de uitvoering van overeenkomsten. Dit stringente principe werd getemperd door de voorafgaande in mora stelling van de schuldenaar die een voorafgaande ingebrekestelling door de schuldeiser behelsde Het beginsel werd overgenomen door het gewoonterecht en opgenomen in de de Napoleontische code, zonder echter het voorwerp te zijn geweest van een nauwkeurige definitie.

Het beginsel va de verplichte ingebrekestelling  is vandaag vervat in de artikelen 1138, 1139, 1145, 1146, 1153, 1154, 1164, 1195, 1205, 1207, 1230, 1245, 1264,1652, 1656, 1657,1788, 1904, 1929, 1936 , 1938 en 1996 van het Burgerlijk Wetboek. Deze disparate vermelding verklaart de moeilijkheden bij het ontwikkelen van een coherente algemene theorie van de ingebrekestelling.

De ingebrekestelling maakt deel uit van de theorie van de uitvoering van het contract. De perfecte uitvoering door de schuldenaar van een contract resulteert in de uitdoving va het contract. De contractbreuk resulteert in vorderingen en rechtszaken in uitvoering of beëindiging van het contract. Zowel nakoming als niet-nakoming van verplichtingen zijn geen autonome juridische concepten.

Niettegenstaande de gebruikte terminologie is de uitvoeringstermijn van een overeenkomst een tijdmaat en niet een een termijn. Dies non interpellat pro homine.

Algemeen wordt aangenomen dat de uitvoering onderhevig is aan een voorafgaande in gebreke stelling, al dient dit beginsel gerelativeerd.

De ingebreke stelling van rechtwege

- de verplichtingen tot geven (dare) brengt een ​​onmiddellijke overdracht van eigendom teweeg vanaf het ogenblik van de wilsovereenstemming conform  artikel 1138 van het Burgerlijk Wetboek.

- de schending van een verplichting om niet te doen (non facere) sluit elke gedwongen executie uit en vereist in principe geen formele ingebrekestelling conform artikel 1145 van het Burgerlijk Wetboek.

- misdrijven en quasi-delicten impliceren de overtreding van een verplichting om dat niet te doen, zodat wegens het plegen van misdrijven een ingebrekestelling niet denkbaar is.

-door de aard van de overeenkomst of door de omstandigheden eigen aan de zaak (mora ex re) is het mogelijk dat de nakoming van de verplichting niet langer mogelijk is.De niet-uitvoering lijkt dan onherstelbaar, zodat de ingebrekestelling nutteloos is geworden. Uitvoering die materieel onmogelijk is geworden of niet langer nuttig is voor de schuldeiser of die het vertrouwen van de schuldeiser permanent schaadt, vereist geen formele ingebrekestelling.

-Ook de onderbreking door de schuldenaar van een verbintenis die enkel op ononderbroken wijze kan uitgevoerd, vergt geen formele ingebrekestelling.

Bij verkoop van levensmiddelen en roerende waarden wordt de verkoop gesloten ipso jure en zonder sommatie afgehandeld, De verkoper wordt verondersteld in gebreke te zijn door het enkele verstrijken van de termijn in geval van verkoop van goederen waarvan de prijs onderhevig is aan snelle en aanzienlijke schommelingen zoals dit het geval is bij roerende waarden.

De koper van onroerend goed kan ook een vordering tot schadevergoeding instellen wegens schending van een eventuele clausule « quitte et libre » zonder voorafgaande in gebrekestelling.

- Een schuldenaar die aan zijn schuldeiser zelf ter kennis brengt dat hij weigert zijn verplichtingen na te komen, stelt zichzelf in gebreke;

In overeenstemming met artikel 1139 van het Burgerlijk Wetboek kan de vrijstelling van ingebrekestelling worden vastgelegd in de overeenkomst of in de wet.

De verklaring waarbij de schuldeiser ontslagen wordt van de verplichting tot ingebrekestelling is niet onderworpen aan enige vorm: het volstaat dat de duidelijke  wil van de partijen om af te zien van de ingebrekestelling voldoende blijkt dan wel kan afgeleid worden uit de overeenkomst.

Toch wordt een loutere vermelding dat rente van rechtswege verschuldigd zal zijn, door sommige rechtspraak niet erkend.

De formele ingebrekestelling-In morastelling:

De formele kennisgeving

Definitie. - De ingebrekestelling wordt gedefinieerd als een eenzijdige rechtshandeling waardoor de schuldeiser van zijn schuldenaar een correcte uitvoering van een of meer uitstaande verplichtingen eist. Zij bestaat bestaat uit een formele vaststelling van niet-nakoming van de verbintenis door de nalatige schuldenaar en die meerdere functies vervult.

De ingebrekestelling klaagt de vertraging dan wel de niet-uitvoering van de overeenkomst aan en stelt de onrechtmatige overtreding vast, waarbij de schuldenaar een laatste kans krijgt om aan zijn verplichting te voldoen, waardoor hij wordt beschermd tegen gevolgen die hij misschien niet vermoedt. Bovendien wordt de risicobelasting omgekeerd en wordt de aansprakelijkheid voor schade bepaald. De ingebrekestelling maakt de schuldenaar aansprakelijk voor elke schade die het gevolg is van de niet)-uitvoering of de vertraging. De schuldeiser brengt door de ingebrekestelling de schuldenaar ter kennis va de eventuele gevolgen waaraan hij zal worden blootgesteld bij niet nakoming van de allerlaatste terlijn tot stiote uitvoering en geeft hem tevens de kans om zijn verplichtingen alsnog regelmatig na te komen, hetgeen dus een allerlaatste termiojn inhoudt.

De ingebrekekestelling dient uiteraard precies, geloofwaardig en ernstig te zijn. Zij is meer dan een loutere opmerking, maar behelst een formele eis die devaststelling inhoudt dat de debiteur zijn verplichtingen niet nakomt.

De ingebrekestelling is de proloog va de gerechtelijke procedure en de tenuitvoerlegging. Zij materialiseert het recht van de schuldeiser om de uitvoering van de overeenkomst te eisen en is aldus van nature eerder van justitiele dan van burgerlijke of handelsrechtelijke aard. Aldus is de ingebrekestelling een onderdeel van een precontentieuze procedure die de schuldenaar een laatste kans geeft om alsnog uit te voeren.

Het begrip ingebrekestelling behoort echter technisch gezien tot de verbintenissenwet en raakt niet de openbare orde.

In die zin verdedigt de bijdrage van de auteur dat het ontbreken van een ingebrekestelling geen invloed op de ontvankelijkheid van de vordering. 

Inhoudstafel tekst: 

La notion de demeure
1. Définition. -

2. La demeure de plein droit.

La mise en demeure

3. Définition

4. Le champ d'application et l'objet de la mise en demeure.

5. La mise en demeure relève du droit supplétif.

6. La sommation.

7. La formulation de la sommation.

8. La signature de la mise en demeure

9. Le champ d'application ratione personae.

10. Le délai de la mise en demeure.

11. La datation de la demeure.

12. La preuve de la notification de la mise en demeure

13. L'imputabilité des frais de mise en demeure.

 

Les effets de la demeure

14. L'exigibilité de la créance.

15. Les intérêts de retard.

16. L'interruption de la prescription. - Une mise en demeure n'interrompt pas la prescription sauf dispositions contractuelles ou légales contraires, par exemple, en matière d'accidents du travail , de sécurité sociale , d'assurance ou de fiscalité .

17. Le transfert des risques. - 

Quelques applications jurisprudentielles

18. L'action en exécution forcée.

19. L'action en résolution du contrat.

20. La mise en oeuvre de certaines clauses contractuelles.

21. La mise en cause de la responsabilité contractuelle.

22. L'action en paiement de sommes.

23. L'action en paiement de revenus échus.

24. Définition de l'exception d'inexécution.

25. Le fondement de l'exception : la faute du débiteur.

26. La mise en oeuvre bona fide de l'exception.

27. La durée de la suspension.

28. La controverse. –

29. Essai de résolution de la controverse.

30. Le lien indissociable entre l'exception d'inexécution et la demeure

Enkele bronverwijzingen uit de eer talrijke overige verwijzingen onder de gepubliceerde bijdrage in JT

• Cass., 4 décembre 2015, Pas., 2015, I, 2785; Arr. Cass., 2015, 2867 ; T.B.O., 2017, p. 25 ; R.W., 2017-2018, p. 22

• T. DELAHAYE, Le facteur temps dans le droit des obligations - La temporalité du contrat, Bruxelles, Larcier, 2013, p. 20.

• Gand, 14 septembre 2005, Computerr. (Pays-Bas), 2006, p. 26 Comm. Bruxelles, 1er mars 1969, R.D.C., 1971, p. 445

• R. VANDEPUTTE, De overeenkomst - Haar ontstaan, haar uitvoering en verdwijning, haar bewijs, Bruxelles, 1977, p. 196

• C. DEMOLOMBE, Cours de Code civil, t. XII, 1868, p. 151, no 430.

• Anvers, 10 février 2004, R.G.D.C., 2007, p. 148, note F. SWAENEPOEL

• H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. 3, 1967, p. 96

• W. WILMS, « De betekenis van de ingebrekestelling in de Code Napoléon », J.J.P., 1983, p. 33.

• Liège, 24 octobre 1964, J.L., 1964-1965, p. 113

• Cass., 20 mai 1948, Pas., 1948, I, 324

• H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. III, Bruxelles, Bruylant, 1967, pp. 97-98, no 73.

• P. VAN OMMESLAGHE, « Les obligations-Examen de jurisprudence (1968-1973) », R.C.J.B., 1975, p. 687.

• Anvers, 3 décembre 2009, J.D.S.C., 2013, p. 55, note M. COIPEL, « Vente d'actions d'une s.p.r.l. non soumis à délai : soumise à la théorie générale des contrats »

• T.R.V., 2011, p. 679, note D. VAN GERVEN, « Koopverkoop van aandelen en faillissement » (un achat/vente d'actions d'une s.p.r.l. non soumis à délai est immédiatement exécutoire. La propriété, et donc également le risque, sont transmis à ce moment. L'acheteur n'a jamais mis en demeure le vendeur de livrer les actions)

• J. DEL CORRAL, « La validité du transfert des biens meubles corporels et son opposabilité aux tiers », R.G.D.C. 2014, p. 2

• J. DEL CORRAL, De leveringsplicht bij de overdracht van roerende lichamelijke goederen, Anvers, Intersentia, 2013

• J. BEKAERT, « De gevolgen van het tenietgaan van de verschuldigde zaak voor de ontbindingsmogelijkheden van de koopovereenkomst », R.A.B.G., 2006, p. 12

• L. ROUSSEAU, « Le transfert des risques [et la loi Breyne] », in L. ROUSSEAU, La loi Breyne, Kluwer, 2009, p.67

• Mons, 20 juin 2006, R.D.C., 2007, p. 822

• Anvers 17 janvier 1995, R.W., 1994-1995, p. 1298, note

• Cass., 23 septembre 1994, Pas., 1994, 759

• Cass., 4 septembre 1975, Pas., 1975, l, 16

• R.W., 1975-1976, col. 1562 et note VAN HOUTTE

• Cass. fr., 22 mai 1969, J.C.P., 1969, II, no 16141, obs

• Civ. Termonde, 27 mai 1970, R.W., 1972-1973, col. 820

• Liège, 24 octobre 1964, J.L., 1964-1965, p. 113

• H. DE PAGE, Traité, t. III, 1967, p. 102, no 75

• Liège, 24 octobre 1964, Jur. Liège, 1964-1965, p. 113

• Comm. Courtrai, 8 février 1962, R.W., 1961-1962, p. 1575

• R. KRUITHOF, H. MOONS et C. PAULUS, « Overzicht van rechtspraak (1965-1973), Verbintenissen », T.P.R., 1975, p. 1732, no 127

• Cass., 23 septembre 1994, Pas., 1994, I, 759, Arr. Cass., 1994, 777

• E. VIEUJEAN, Droit civil, t. IV2, Le terme de droit suspensif, vol. II, coll. Les Novelles, p. 644

• Civ. Termonde, 27 mai 1970, R.W., 1972-1973, p. 820 (violation d'une clause de non-aliénation d'un immeuble).

• P. WÉRY, Droit des obligations, vol. 1, Bruxelles, Larcier, 2010, p. 410.

• Cass., 24 avril 1941, Pas., 1941, I, 155.

• Cass., 26 septembre 1996, Pas., 1996, I, 868 , Arr. Cass., 1996, p. 810 , R.W., 1996-1997, p. 1030.

• Cass., 7 novembre 1991, Pas., 1992, I, 190 , Arr. Cass., 1991-1992, 224

• Cass., 1er juin 1933, Pas., 1933, l, 303

• Cass., 11 mai 1923, Pas., 1923,I, 303

• Civ. Arlon, 1er décembre 1988, J.L.M.B., 1989, p. 1263 , obs

• Corr. Namur, 20 octobre 1967, et Liège, 28 juin 1968, B.A., 1970, 286 (intérêts compensatoires)

• Comm. Charleroi, 19 février 1971, R.G.A.R., 1971, no 8686

• Cass. fr., 2 juillet 1929, D., 1929, J., 413 (fraude du débiteur)

• Prés. Comm. Bruxelles, 14 juin 2000, Annuaire Pratiques du commerce et Concurrence, 2000, p. 159 (une mise en demeure préalable n'est pas nécessaire à la formation d'une action en cessation).

• Cass., 14 mars 1991, Pas., 1991, I, 651, Arr. Cass., 1990-1991, 734, note R.W., 1993-1994, p. 1277

• Cass. 22 mars 1985, Pas., 1985, I, 929 Arr. Cass., 1984-1985, 1011, R.C.J.B., 1989, p. 77, note R. KRUITHOF, R.W., 1986-1987, p. 851

• Cass., 29 novembre 1984, Pas., 1985, I, 399 , Arr. Cass., 1984, 446, R.C.J.B., 1987, p. 213, note F. GLANSDORFF, R.W., 1986-1987, p. 542

• Cass., 24 avril 1980, Pas., 1980, I, 1050, Arr. Cass., 1979-1980, 1061, J.T., 1980, p. 577 , Rép. not., 1981, p. 358

• Cass., 25 novembre 1976, Pas., 1977, I, 333, R.W., 1976-1977, col. 1775, note C

• Cass., 4 septembre 1975, Pas., 1976, I, 16 , R.W., 1975-1976, p. 1561, note H. VAN HOUTTE

• Cass., 24 mars 1972, Pas., 1972, I, 693 et obs.(contrat d'architecte)

• Cass., 2 mai 1964, Pas., 1964, I, 934, J.T., 1964, 634, R.W., 1965-1966, col. 873.

• Cass., 24 avril 1980, Pas., 1980, I, 929 , R.C.J.B., 1989, p. 7, note R. KRUITHOF

• Cass., 14 mars 1991, Pas., 1991, I, 651, R.W., 1993-1994, p. 1276 (avocat ayant laissé passer un délai d'opposition)

• Cass., 29 novembre 1984, Pas., 1985, I, 399

• R.W., 1986-1987, p. 542 (incendie rendant impossible l'obligation de restituer les lieux)

• Cass., 25 novembre 1976, Pas., 1977, I, 333, R.W., 1976-1977, p. 1775 et note C.

• Cass., 24 mars 1972, Pas., 1972, 1,693, R.W., 1971-1972, col. 2023, R.J.I., 1972, 211 (perte de confiance du maître de l'ouvrage dans un architecte qui a commis des indélicatesses)

• Gand, 12 octobre 1979. R.W., 1979-1980, col. 2935

• Cass., 2 mai 1964, Pas. 1964, I, 934, J.T., 1964, p. 634, R.W., 1964-1965, p. 873

• Liège, 1er octobre 1998, R.D.C.m 2000, p. 188

• Comm. Bruxelles, 10 mars 1959, J.C.B., 1959, p. 211.

• Cass., 24 mars 1972, Pas., 1972, I, 693.

• Cass., 29 novembre 1984, Pas., 1985, I, 399, R.C.J.B., 1987, p.7, note F. GLANSDORFF

• Cass., 20 mai 1948, Pas., 1948, I, 324

• Cass., 17 octobre 1957, Pas., 1958, I, 143.

• Cass., 14 mars 1991, Arr. Cass., 1990-1991, 734, note , R.W., 1993-1994, p. 1277
• Cass., 22 mars 1985, Pas., 1985, I, 929, R.W., 1986-1987, p. 851

• R.C.J.B., 1989, p. 7, note R. KRUITHOF

• Cass., 24 avril 1980, Pas., 1980, I, 1050, R.W., 1981-1982, p.550

• Cass., 4 septembre 1975, R.W., 1975-1976, p. 1561 et note VAN HOUTTE

• Cass., 24 mars 1972, Pas., 1972, I, 693

• Cass., 2 mai 1964, R.W., 1964-1965. col. 873

• Comm. Hasselt, 20 septembre 1999, R.G.D.C., 2000, p. 113

• Liège, 27 mai 1986, J.L.M.B., 1987, p. 1017

• Mons, 30 mai 1983, Pas., 1983, II, 103

• Comm. St-Nicolas, 15 décembre 1970, R.W., 1972-1973, col. 1048

• Liège, 2 novembre 1964, Pas., 1965, II, 69, J.L., 1964-1965, 90

• DEKKERS, Précis de droit civil belge, Bruxelles, Bruylant, 1955, I, p. 189, no 330.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 14/04/2018 - 18:15
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:40

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.