-A +A

Kunst en recht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Swennen F
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2007
ISBN nummer: 
9789050957137
Samenvatting

 -Wat is kunst?
De context waarin die vraag wordt gesteld, bepaalt het antwoord erop.
De rechtsfaculteit van de Universiteit Antwerpen heeft zich in het voorjaar van 2007, in samenwerking met de kunstsector, gebogen over de juridische context en dus over (de verhouding tussen) kunst en recht. In een lezingenreeks is een echte “state of the art” opgemaakt. Dit boek is de neerslag daarvan.
In een eerste reeks bijdragen wordt per rechtsdomein een overzicht geboden van het recht over de kunst, kunstenaars,
consumenten en bemiddelaars. Achtereenvolgens komen het publiekrecht, strafrecht, privaatrecht, fiscaal recht, sociaal recht en auteursrecht aan bod. Alle actoren in de kunstwereld krijgen aldus de nodige informatie om hun belangen optimaal te waarborgen.

Het boek wordt afgesloten met een beschouwende bijdrage, over alle rechtstakken en hun techniek heen, over het kunstpredicaat in het recht.

Inhoudstafel tekst: 

PROLOOG .xix
I. DE KUNSTVRIJHEID ALS VRIJHEID VAN MENINGSUITING EN DE GRENZEN ERVAN
JAN VELAERS .1
Hoofdstuk I. De kunstvrijheid wordt beschermd als vrijheid van meningsuiting . 1
Hoofdstuk II. Geen “exceptio artis”, (g)een juridische definitie van kunst: de kunstvrijheid is voor beperking vatbaar . 3
§ 1. Geen “exceptio artis” . 3
§ 2. (G)een juridische definitie van kunst, tenzij een zeer open . 4
Hoofdstuk III. De beperkingen moeten voldoen aan de voorwaarden .6
§ 1. De grondwettelijke beperkingsvoorwaarden .6
§ 2. De beperkingsvoorwaarden in het EVRM en het BUPO-verdrag . 8
Hoofdstuk IV. De waardenschaal van de democratische samenleving: de kunstvrijheid versus de goede zeden, de religieuze gevoelens van gelovigen en de privacy .9
§ 1. De waardeschaal van de ‘democratische samenleving’ in abstracto .9
§ 2. De afweging in concreto .10
A. De kunstvrijheid en goede zeden (“Die drei Nächte” arrest EHRM Müller) .10
B. De kunstvrijheid en religieuze gevoelens van gelovigen (“Das Liebeskonzil” arrest EHRM, Otto Preminger Institut; “Visions of Ecstasy” arrest Wingrove) “Je vous salue Marie” en “The Last Temptation of Christ”) .15
C. De kunstvrijheid en het recht op eerbiediging van het privéleven (eer en goede naam, afbeelding) (“Apocalyps” arrest Vereinigung Bildender Künstler) .22
Hoofdstuk V. Besluit .24
II. KUNST EN STRAFRECHT
JOËLLE ROZIE . 27
Hoofdstuk I. Inleiding .27
Hoofdstuk II. ‘Strafrechtelijke kunst’: quid? .27
§ 1. De notie ‘kunst’ in het Belgisch Strafwetboek . 27
§ 2. Graffiti is strafrechtelijk gezien bijna nooit kunst . 33
§ 3. Strafrechtelijke grenzen aan erotische/pornografische kunst . 37
§ 4. Kunst mag niet beledigend zijn . 41
§ 5. Kunst mag niet racistisch zijn .42
§ 6. Kunst mag met het oog op de wegverkeersveiligheid niet verwarringstichtend zijn . 43
Hoofdstuk III. Specifieke tenlasteleggingen ter bescherming van het ‘rechtsgoed’ kunst .44
§ 1. Diefstal .44
§ 2. Heling . 47
§ 3. Oplichting en bedriegerij .49
§ 4. Belediging in het raam van de kunstkritiek . 50
§ 5. Namaking . 50
Hoofdstuk IV. Ook strafrecht leidt tot kunst… .53
III. RECHTSZEKERHEID BIJ DE HANDEL IN KUNSTVOORWERPEN.
Een wankel evenwicht tussen patrimoniumbescherming en bezitsbescherming VINCENT SAGAERT .55
Hoofdstuk I. Inleiding .55
Hoofdstuk II. De algemene bezitsbescherming van artikel 2279 B.W.: een inleiding . 56
Hoofdstuk III. De bijzondere regeling inzake cultuurgoederen als uitzondering op de bezitsbescherming . 58
§ 1. Nationale bronnen ter bescherming van cultuurgoederen .59
A. Complexiteit van het institutionele kader .59
B. Inhoudelijke uitwerking: het Topstukkendecreet . 60
§ 2. Internationale bronnen ter bescherming van cultuurgoederen .62
A. De Haagse Conventie voor de Bescherming van Cultuurgoederen
in geval van Gewapend conflict (1954) en het Eerste Protocol .62
B. Het Unesco-Verdrag van 1970 betreffende de wijze waarop de onrechtmatige import, export en overdracht van cultuurgoederen kan worden verboden en verhinderd .63
C. Het UNIDROIT-Verdrag betreffende gestolen of onrechtmatig geëxporteerde goederen (1995) . 64
D. De Europese Richtlijn 93/7/EEG van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht .65
E. Artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden . 68
Hoofdstuk IV. De inwerking van het internationaal privaatrecht .70
Hoofdstuk V. Besluit .71
IV. FAMILIAALVERMOGENSRECHTELIJKE KNELPUNTEN BIJ DE OVERDRACHT VAN KUNSTVERZAMELINGEN
RENATE BARBAIX . 73
Hoofdstuk I. Inleiding .73
Hoofdstuk II. De erfrechtelijke verrekening van de schenking .74
§ 1. Inleiding .74
§ 2. Schenking als voorschot op erfdeel . 75
A. De afwijkende inbrengregeling voor de schenking van roerende goederen .76
B. Een bijkomende moeilijkheid: de aanwezigheid van een langstlevende echtgenote .78
§ 3. Schenking buiten erfdeel .80
Hoofdstuk III. De modaliteiten van de schenking .81
§ 1. Behoud van het beheer over de goederen .82
A. Mogelijkheden .82
B. Omvang van de bevoegdheden: voorzichtigheid geboden? .84
§ 2. Het behoud van de inkomsten .87
A. Mogelijkheden .87
B. Het behoud van de inkomsten op eerste verzoek? . 87
§ 3. Het beheer na het overlijden van de schenker . 88
§ 4. De uitsluitingsclausule .91
V. KUNST EN VERZEKERINGEN
BRITT WEYTS .95
Hoofdstuk I. Particulieren .96
§ 1. De brandverzekering . 96
§ 2. De all risk verzekering .100
§ 3. Het bewijs .108
Hoofdstuk II. Tentoonstellingen . 109
VI. DE RECHTSVERHOUDING TUSSEN DE BEELDENDE KUNSTENAAR EN DE GALERIEHOUDER ALOÏS VAN OEVELEN .115
Hoofdstuk I. Inleiding . 115
Hoofdstuk II. De rol van de galeriehouder en de moeilijkheden bij de kwalificatie van zijn rechtsverhouding met de kunstenaar .116
§ 1. De rol van de galeriehouder .116
§ 2. Moeilijkheden bij de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen de kunstenaar en de galeriehouder .116
Hoofdstuk III. De overeenkomsten die geen overdracht van het eigendomsrecht van het kunstwerk impliceren .117
§ 1. De overeenkomsten om niet .118
A. Toepassingen in de praktijk .118
B. De juridische kwalificatie .118
C. De rechtsverhoudingen tussen partijen bij bruiklening .120
§ 2. De overeenkomsten onder bezwarende titel .123
A. Huurovereenkomsten .123
B. Lastgevings- en commissieovereenkomsten .124
Hoofdstuk IV. De overeenkomsten waarbij een kunstenaar het eigendomsrecht van zijn kunstwerken overdraagt aan een galeriehouder . 126
§ 1. Algemeen .126
§ 2. De overeenkomsten waarbij een kunstenaar aan een galeriehouder al zijn kunstwerken overdraagt tegen de periodieke betaling van een geldsom . 127
A. Nadere omschrijving .127
B. Juridische kwalificatie .127
C. De verbintenissen van de kunstenaar . 128
1. De verbintenis tot het vervaardigen van kunstwerken .128
2. De verbintenis om de vervaardigde kunstwerken in
eigendom over te dragen aan de galeriehouder .129
D. De verbintenissen van de galeriehouder .131
§ 3. De overeenkomsten waarbij een kunstenaar het geheel of een deel van zijn kunstwerken verkoopt aan een galeriehouder tegen de betaling van een koopprijs . 132
§ 4. De overeenkomsten waarbij een kunstenaar aan een galeriehouder een voorkeurrecht of een recht van voorkoop toekent .134
Hoofdstuk V. Besluit .135
VII. WEL GEVEILD… MAAR OOK VERKOCHT?
Kanttekeningen bij de rechtspositie van Belgische veilinghuizen BERT DEMARSIN . 137
Hoofdstuk I. Inleiding . 137
Hoofdstuk II. Over veilen en verkopen en het verschil tussen beide .138
§ 1. Traditionele zienswijze: het veilinghuis als commissionair .138
§ 2. Alternatieve zienswijze: het veilinghuis als lasthebber .141
A. Lasthebbers zijn geen verkopers… .142
B. Lasthebber v. commissionair – of monistisch v. dualistisch kooprecht .144
C. Probleemstelling en besluit . 149
§ 3. Over wat u nog niet wist maar wel vermoedde: de keerzijde van de medaille .150
A. De discretie van het Belgische veilinghuis . 150
B. Fiscale gevolgen . 151
1. De registratierechten .151
2. De btw .154
3. Samenvatting van het fiscale kostenplaatje .157
Hoofdstuk III. Besluit . 158
VIII. DE KWALIFICATIE VAN HET INKOMEN VAN DE KUNSTENAAR
WIM PUTZEYS .159
Hoofdstuk I. Inleiding . 159
Hoofdstuk II. Begrippen .160
§ 1. Beroepsinkomen .160
§ 2. Divers inkomen . 161
A. Occasionele of toevallige inkomsten .161
B. Prijzen en subsidies . 162
1. Belastbare subsidies en prijzen .162
2. Vrijgestelde prijzen en subsidies .163
3. Prijzen die buiten het toepassingsgebied vallen van artikel 90, 2° WIB92 .164
Hoofdstuk III. Inkomen van de kunstenaar . 164
§ 1. De creërende kunstenaar .164
A. Beroepsinkomen versus divers inkomen .164
1. De frequentie .165
2. De verbondenheid met een hoofdberoep .165
3. Andere criteria . 167
B. Roerend inkomen? . 168
1. De derde weg .168
2. Herkwalificatie van roerend inkomen in beroepsinkomen . 169
C. Verdere kwalificatie . 171
1. Bezoldigingen .171
2. Baten of winst .171
§ 2. De uitvoerende kunstenaar . 172
A. De artistieke prestatie .172
B. Inkomen uit de exploitatie . 173
Hoofdstuk IV. Besluit . 174
IX. INTERNATIONALE ASPECTEN MET BETREKKING TOT DE INKOMSTENBELASTING VAN KUNSTENAARS EN ARTIESTEN
BART PEETERS .177
Hoofdstuk I. Vermijden van dubbele belasting door middel van verdragen .177
Hoofdstuk II. Algemene verdeling van de taxatiebevoegdheid . 179
Hoofdstuk III. Afwijkende bepaling voor artiesten .180
Hoofdstuk IV. Probleem van de “rent-a-star companies” .182
Hoofdstuk V. Overtaxatie van de internationaal actieve artiest .183
Hoofdstuk VI. Mogelijke oplossingen? .184
§ 1. In dubbelbelastingverdragen .184
§ 2. In nationaal recht .184
§ 3. Aanvechten van de discriminerende behandeling: het Europese vrije verkeer . 185
Hoofdstuk VIII. Besluit .188
X. BEELDENDE KUNSTENAARS EN BTW
Hfdst. I en IV: LUK VANDENBERGHE .191
Hfdst. II en III: JAN SOUVEREYNS .191
Hoofdstuk I. Inleiding . 191
§ 1. Korte beschrijving van het btw-systeem .191
§ 2. Btw-plicht van beeldende kunstenaars .192
A. Zelfstandige deelname aan het economische verkeer .192
B. Leveringen van goederen en diensten onder bezwarende titel .193
§ 3. Het recht op btw-aftrek als corrolarium van de btw-plicht . 193
Hoofdstuk II. De btw-behandeling van de door een beeldende kunstenaar verrichte handelingen . 194
§ 1. De verkoop van kunstwerken .196
§ 2. Verhuur van kunstwerken . 203
§ 3. Restauratie en herstelling van kunstwerken .204
§ 4. Muurschilderingen . 205
§ 5. Overdracht van auteursrechten .205
§ 6. Het geven van workshops en seminaries .207
§ 7. Opbouw van tentoonstellingen .208
§ 8. Lezingen en voordrachten . 209
Hoofdstuk III. De relatie van de beeldende kunstenaar met andere actoren in de culturele sector . 209
§ 1. De tussenkomst van een kunstgalerij -galerijhouder . 209
§ 2. Tussenkomst van een SBK . 213
§ 3. Organisator van tentoonstellingen . 213
§ 4. Musea .215
Hoofdstuk IV. De eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel bij de btw-heffing op beeldende kunst .215
§ 1. Het verschil in btw-tarief naargelang de hoedanigheid van de verkoper . 215
§ 2. Het verschil in btw-tarief naargelang de aard van de kunstvoorwerpen .218
XI. FISCALE ASPECTEN VAN PARTICULIER KUNSTBEZIT
BRUNO PEETERS en CHRIS VANOVERLOOP . 223
Hoofdstuk I. Inleiding . 223
Hoofdstuk II. Kunstbezit in hoofde van een particulier . 224
§ 1. Inkomstenbelastingen (m.n. personenbelasting) . 225
A. Verwerving onder bezwarende titel .225
B. Bezit . 225
C. Bruiklening . 225
D. Verhuur . 225
E. Vervreemding .226
1. Normale verrichting van beheer van privévermogen .226
2. Belastbaar divers inkomen in de zin van artikel 90, 1° WIB 92 . 227
3. Belastbaar beroepsinkomen .228
4. Bewijslast .229
5. Casuïstiek .229
a. Normaal beheer van privévermogen . 229
b. Diverse inkomsten . 230
c. Beroepsinkomen .231
6. Natuurlijke persoon niet-rijksinwoner .231
§ 2. Belasting over de toegevoegde waarde . 231
A. Verwerving onder bezwarende titel .231
1. Algemeen stelsel .231
2. Openbare veilingen .232
B. Verhuur . 232
C. Wederverkoop .233
§ 3. Registratie- en successierechten .233
A. Schenkingsrechten .233
B. Successierechten .236
§ 4. Privémecenaat .240
A. Inbetalinggeving van kunstwerken ter vereffening van successierechten . 241
B. Aftrek in de personenbelasting van geschonken kunstwerken .243
Hoofdstuk III. Particulier kunstbezit in structuren zonder rechtspersoonlijkheid .244
§ 1. De burgerlijke maatschap .244
A. Juridisch kader .244
B. Fiscale behandeling . 246
1. Oprichting . 246
a. Inkomstenbelastingen . 246
b. Registratierechten . 247
c. Btw .247
d. Successierechten .248
2. Werking .248
a. Inkomstenbelastingen . 248
b. Registratierechten . 251
c. Successierechten .252
3. Beëindiging . 252
a. Inkomstenbelastingen . 252
b. Registratierechten . 252
c. Successierechten .253
§ 2. Private conventionele onverdeeldheid .253
A. Opzet en concrete vormgeving .253
B. Fiscale behandeling . 256
1. Oprichting . 256
2. Werking . 256
3. Beëindiging . 257
Hoofdstuk IV. Particulier kunstbezit in structuren met rechtspersoonlijkheid 257
§ 1. Stichting . 258
A. Juridisch kader stichting versus vzw .258
B. Fiscale behandeling . 261
1. Oprichting . 261
a. Registratierechten . 261
b. Successierechten .263
c. Jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten .263
d. Inkomstenbelastingen . 265
e. Btw .266
2. Werking . 266
a. Inkomstenbelastingen . 266
b. Btw .267
c. Registratie- en successierechten .269
d. Jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten .269
3. Beëindiging . 269
a. Registratie- en successierechten .269
b. Inkomstenbelastingen . 270
§ 2. Vzw .271
A. Oprichting .271
1. Registratierechten .271
2. Jaarlijkse taks ter vergoeding van de successierechten .272
3. Inkomstenbelastingen . 272
4. Btw .272
B. Werking . 272
1. Inkomstenbelastingen . 272
2. Btw .272
3. Registratie- en successierechten .272
4. Jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten .272
C. Beëindiging . 273
1. Registratierechten .273
2. Inkomstenbelastingen . 274
3. Jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten .274
§ 3. Burgerlijke vennootschap met handelsvorm . 275
§ 4. Handelsvennootschap met rechtspersoonlijkheid .276
A. Inkomstenbelastingen (m.n. vennootschapsbelasting) .276
1. Afschrijvingen .276
2. Notionele intrestaftrek . 277
3. Meer- of minderwaarden . 277
B. Btw .278
C. Bedrijfsmecenaat .278
Hoofdstuk V. Besluit .279
XII. HET SOCIAAL STATUUT VAN DE KUNSTENAAR.
Een inleiding
DANIËL CUYPERS .281
Hoofdstuk I. De drie ‘statuten’ .281
§ 1. Drie professionele statuten als fundamentele pijlers van het sociale systeem .281
§ 2. Een goed uitgebouwd werknemersstatuut en een zwak
uitgebouwd zelfstandigenstatuut .282
§ 3. De kunstenaars op zoek naar een statuut . 284
Hoofdstuk II. De krachtlijnen van het eigen statuut .286
§ 1. Een moeilijke bevalling . 286
§ 2. De sociale draaideur .287
§ 3. Een werkgever als ankerpunt .288
XIII. DE KLEINEVERGOEDINGSREGELING, HET SOCIAAL STATUUT VAN DE KUNSTENAAR EN DE VERGOEDINGENVOOR DE EXPLOITATIE VAN AUTEURSRECHTEN
GREET SOUVEREYNS . 291
Hoofdstuk I. De kleinevergoedingsregeling voor kunstenaars . 291
§ 1. Het personeel toepassingsgebied van de kleinevergoedingsregeling .292
§ 2. De voorwaarden van de kleinevergoedingsregeling .292
§ 3. De cumulatie van de kleinevergoedingsregeling met de vrijwilligersvergoeding . 296
Hoofdstuk II. Het sociaal statuut van de kunstenaar .296
§ 1. Toepassingsgebied van het sociaal statuut van de kunstenaar .296
§ 2. Uitsluitingen uit het sociaal statuut van de kunstenaar .298
§ 3. Voordelen van het sociaal statuut van de kunstenaar .299
A. Vermindering van de loonlast . 299
B. Vermindering van de administratieve last: oprichting van SBK’s .300
1. Statuut van de SBK’s .301
2. Tijdelijke arbeid .302
3. Praktische werking van de SBK’s . 302
C. Administratieve hervormingen: centralisatie van uitbetaling van vakantiegeld en gezinsbijslag .304
1. Vakantiegeld .304
2. Gezinsbijslag .306
§ 4. Eén van de gevolgen van het sociaal statuut van de kunstenaar: bescherming tegen werkloosheid .306
A. Recht op een werkloosheidsuitkering . 306
1. Toelaatbaarheidsvoorwaarden voor werkloosheidsuitkering .307
2. Toekenningsvoorwaarden . 309
B. De berekening van de werkloosheidsuitkering .310
C. Combinatie van werkloosheidsuitkering en inkomsten uit artistieke activiteiten .311
1. Kleinevergoedingsregeling voor kunstenaars .311
2. Zelfstandige . 311
3. Werknemer . 313
a. Neutralisatie van de werkloosheidsduur . 313
b. Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt .314
c. Praktijk . 315
Hoofdstuk III. Vergoedingen voor de exploitatie van auteursrechten . 316
XIV. DE COMMISSIE KUNSTENAARS
Kritische analyse van de bevoegdheden en de werking van deze commissie
ANNE VAN REGENMORTEL .319
Hoofdstuk I. De bevoegdheden van de commissie voor kunstenaars .319
§ 1. De informatie- en adviesopdracht . 320
A. De informatieopdracht . 320
B. De adviesopdracht .321
§ 2. De regulerende opdracht via de afgifte van zelfstandigheidsverklaringen . 326
A. De situering van de zelfstandigheidsverklaring .326
B. De beoordeling van de socio-economische onafhankelijkheid .329
C. De procedure .331
1. Fase van aanvraag .331
2. Fase van onderzoek .331
3. Fase van beslissing . 333
D. De gevolgen en draagwijdte van de zelfstandigheidsverklaring . 334
E. De geldigheidsduur van de zelfstandigheidsverklaring .338
Hoofdstuk II. De werking van de commissie kunstenaars .340
Hoofdstuk III. Besluit . 346
XV. HET VOLGRECHT VAN EEN AUTEUR VAN WERKEN VAN GRAFISCHE OF BEELDENDE KUNST
HENDRIK VANHEES .349
Hoofdstuk I. Inleiding . 349
Hoofdstuk II. De huidige regeling inzake het volgrecht . 351
Hoofdstuk III. De toekomstige (nieuwe) regeling inzake het volgrecht .352
§ 1. Inleiding . 352
§ 2. De definiëring van het volgrecht .353
§ 3. De toepassingsvoorwaarden inzake het volgrecht .353
A. Een oorspronkelijk kunstwerk . 353
B. Iedere doorverkoop van een oorspronkelijk kunstwerk . 355
C. De toepassingsdrempel voor het volgrecht .357
D. Het tarief van het volgrecht .358
E. De rechthebbende op het volgrecht .360
F. De schuldenaar van het volgrecht . 363
G. De uitoefening van het volgrecht .365
1. De kennisgeving van de doorverkoop en de betaling van het volgrecht .365
2. Het opvragen van inlichtingen en het controlerecht .368
3. De verjaring van de vordering van de auteur .369
4. Het lot van de niet-uitkeerbare bedragen .369
§ 4. De kenmerken van het volgrecht .370
§ 5. Een overgangsregeling i.v.m. volgrechten, nog verschuldigd krachtens de Wet van 25 juni 1921 .371
§ 6. De inwerkingtreding van de Wet volgrecht .372
EPILOOG
KAREL RIMANQUE .375
 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: zo, 05/02/2012 - 18:09
Laatst aangepast op: zo, 05/02/2012 - 18:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.