-A +A

Kroniek van bestuursrechtspraak inzake bestuurlijke beboeting: de rechtspraak van het Milieuhandhavingscollege in de jaren 2013-2015

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1163
Samenvatting

Het Milieuhandhavingscollege, een Vlaams administratief rechtscollege, behandelt beroepen tegen bestuurlijke geldboeten die schendingen van het omgevingsrecht bestraffen. Deze bijdrage schetst de ontwikkeling van de rechtspraak van het College in de jaren 2013-2015, tegen de achtergrond van het wettelijk kader en zijn evoluties. De rechtspraakselectie richt zich op casuïstiek met relevantie voor bestuurlijke beboeting in het algemeen en voor de toekomst van de bestuurlijke beboeting in het omgevingsrecht in het bijzonder.

Inhoudstafel tekst: 

Inleiding

1. Het Milieuhandhavingscollege is een administratief rechtscollege in de zin van art. 161 Gw., dat in 2009 met een beroep op de impliciete bevoegdheden werd opgericht

2. Deze rechtspraakkroniek neemt de draad op waar de eerder gepubliceerde kroniek eindigde: ze put uit de rechtspraak van het Milieuhandhavingscollege in de periode maart 2013 – einde 2015

I. Het wettelijk kader en zijn recente evoluties

A. De bestuurlijke beboetingsstelsels van Titel XVI DABM en Titel VI VCRO

3. De opzet en krachtlijnen van de bestuurlijke beboetingsstelsels op grond van Titel XVI DABM werden besproken in verschillende publicaties.

We herinneren kort aan een paar wezenlijke kenmerken ervan.

1) Het huidige toepassingsgebied van Titel XVI DABM omvat de totaliteit van de milieuwetgeving in de ruime zin: milieuhygiënerecht en natuurbeheerrecht.

2) De schendingen van de regelgeving die met toepassing van Titel XVI DABM te handhaven valt, zijn opgedeeld in milieumisdrijven en milieu-inbreuken. Milieu-inbreuken zijn de relatief minder ernstige wetsschendingen die als zodanig opgenomen zijn in een lijst bepaald door de Vlaamse Regering.

De residuaire categorie van de milieumisdrijven omvat van rechtswege alle overige wetsschendingen.

3) Milieumisdrijven zijn zowel strafrechtelijk als bestuurlijk strafbaar, met strafrechtelijke afhandeling als eerste systeemkeuze. Bestuurlijke beboeting vormt er een alternatief voor strafrechtelijke afhandeling, wat verklaart dat het beboetingsstelsel als een «alternatief bestuurlijk beboetingsstelsel» is bestempeld.

4) De Vlaamse decreetgever heeft ervoor gekozen om de bestuurlijke beboetingsbevoegdheid te centraliseren.

5) De bestuurlijke beboetingsprocedure bestaat uit één enkele aanleg. 25

6) De decretale tariefvorken voor de boetebedragen zijn homogeen en ongemeen breed uitgemeten.

4. De bestuurlijke beboetingsstelsels van Titel XVI DABM stonden model voor die van Titel VI VCRO.

B. De werking van het Milieuhandhavingscollege

5. Tegen de beslissingen waarbij een bestuurlijke geldboete is opgelegd, staat beroep open bij het Milieuhandhavingscollege.

6. De werking van het Milieuhandhavingscollege bevindt zich momenteel in een overgangsfase.

7. Belangrijk voor voorliggende rechtspraakkroniek is dat de nieuwe DBRC-regelgeving amper tot geen invloed heeft en kan hebben op een aanzienlijk deel van de casuïstiek van het Milieuhandhavingscollege, namelijk de casuïstiek bestaande uit ontvankelijk bevonden beroepen, waar de verzoekende partij betwist dat de AMMC bevoegd was om haar een boete op te leggen of de legaliteit aanvecht van het boetebedrag dan wel het verloop van de bestuurlijke procedure.

II. De bestuurlijke bevoegdheid tot beboeting

8. Titel XVI DABM bakent de beboetingsbevoegdheid van de AMMC af ratione materiae,personae en temporis.

A. Wettelijk kader: achtergrondinformatie

9. De beboetingsbevoegdheid ratione materiae van de gewestelijke entiteit betreft, zoals eerder aangegeven, milieumisdrijven (alternatieve bestuurlijke beboeting) en milieu-inbreuken (exclusieve bestuurlijke beboeting) (art. 16.4.27, tweede respectievelijk derde lid DABM).

«Een bestuurlijke geldboete kan niet worden opgelegd als:

1° voor het feit in kwestie al eerder, hetzij een bestuurlijke geldboete overeenkomstig dit decreet, hetzij een door een ander hiertoe bevoegde persoon of overheid bepaalde boete werd opgelegd;

2° door de strafrechter voor het feit in kwestie al eerder een straf werd opgelegd;

3° het feit in kwestie eerder al geleid heeft tot een vrijspraak, een eenvoudige schuldigverklaring zonder straf, een opschorting van de uitspraak van veroordeling of een minnelijk schikking;

4° de gewestelijke entiteit oordeelt dat de vermoedelijke overtreder heeft voldaan aan de voorwaarden van het voorstel tot betalen van een geldsom zoals vermeld in artikel 16.4.36, § 3, of in artikel 16.4.41, § 2».

10. De beboetingsbevoegdheid ratione personae van de gewestelijke entiteit is, voor zowel milieumisdrijven als milieu-inbreuken, beperkt tot de «overtreder» (art. 16.4.25, eerste lid, aanhef DABM). B. Casuïstiek

1° De algemene bevoegdheidsbeperkingen ratione materiae

2° Bevoegdheid tot beboeting van «een overtreder»

12. Voor zowel milieumisdrijven als milieu-inbreuken geldt, op grond van art. 16.4.25, eerste lid DABM, dat de bestuurlijke beboetingsbevoegdheid ratione personae enkel de «overtreder» betreft.

13. Aangaande de bewijstechnische aspecten heeft het Milieuhandhavingscollege in de jaren 2013-2015 zijn eerdere rechtspraak bij herhaling bevestigd: «Er moet worden aangenomen dat het bewijs van feiten en daderschap met het oog op bestuurlijke beboeting, zoals in strafzaken, in beginsel met alle middelen van recht kan worden geleverd en dat de gewestelijke entiteit, bij de waardering van de voorliggende bewijsmiddelen, in beginsel naar innerlijke overtuiging oordeelt. Noch Titel XVI DABM noch het gemene bestuursrecht bevatten immers enige bepaling die het bewijs op algemene wijze beperkt tot welbepaalde bewijsmiddelen en de bewijswaardering op algemene wijze aan banden legt.

14. Het Milieuhandhavingscollege heeft de bewoordingen van art. 16.4.25, eerste lid DABM, die gewag maken van «een overtreder» aangegrepen om bij wege van ambtshalve opgeworpen bezwaren een einde te maken aan een bestuurlijke beboetingspraktijk die aan meer dan één persoon eenzelfde bestuurlijke geldboete «solidair en in solidum» oplegde. 3o Bevoegdheid ratione materiae tot alternatieve bestuurlijke beboeting: milieumisdrijven

15. De bevoegdheid van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete betreft milieumisdrijven, meer bepaald «milieumisdrijven, vermeld in art. 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3bis, 16.6.3ter, 16.6.3quater, 16.6.3quinquies, 16.6.3sexies en 16.6.3septies» DABM (art. 16.4.27, tweede lid DABM).

a) Materieel bestanddeel

16. De bezwaren die het materiële bestanddeel van milieumisdrijven betreffen, omvatten uiteenlopende types betwistingen: betwistingen van de feiten als zodanig, betwistingen van het bewijs van de feiten en van de wettigheid van dit bewijs en betwistingen van de kwalificatie van de feiten.

17. Enkele voorbeelden van betwisting van de feiten als zodanig: de verzoekende partij gebruikte de oude kippenloods niet voor de exploitatie van een meldingsplichtige smederij 88 ;

de omgeploegde gronden lagen in zuiver agrarisch gebied, niet in het naastliggende habitatgebied 89 ;

de honden liepen niet vrij rond en jaagden geenszins op gronden waarvan het jachtrecht een derde toebehoorde 90 ;

het geloosde rioolwater was niet verontreinigd 91 ;

het reëel opgepompte grondwater overschreed het vergunde debiet niet. 92

18. Betwistingen over de bewijswaarde en de rechtmatigheid van het voorliggende bewijs deden zich voor in sommige zaken waarin het bewijs van een milieumisdrijf metingen dan wel monsternemingen en -analyses vergde.

19. Betwistingen aangaande de kwalificatie van de feitendeden zich voor in uiteenlopende materies. In het domein van de landschaps- en habitatbescherming oordeelde het Milieuhandhavingscollege dat het uitvoeren van een aan knotbomen inherente periodieke snoei niet te beschouwen was als een verboden handeling in de zin van art. 7, 1o Besluit Natuurbehoud. b) Moreel bestanddeel

20. Ook de casuïstiek betreffende het morele bestanddeel van milieumisdrijven is relatief omvangrijk.

21. Voor wat schuld door opzet betreft, blijft de rechtspraak de aansluiting maken met het klassieke strafrechtelijke criterium van de dolus generalis: het wetens en willens handelen. In de bewoordingen van het Milieuhandhavingscollege: «Het College stelt vast dat de verzoekende partij de mest wetens en willens op het veld heeft gedeponeerd, zodat er rechtens van opzet sprake is».

22. Het aanvoeren van dwaling of overmacht blijft weinig kans op succes bieden. Sedert de start van zijn werkzaamheden aanvaardde het Milieuhandhavingscollege in slechts twee zaken een schulduitsluitingsgrond.

4° Bevoegdheid ratione materiae tot exclusieve bestuurlijke beboeting: milieu-inbreuken

23. In de onderzochte casuïstiek vormen de beroepen tegen exclusieve bestuurlijke geldboeten een uitgesproken minderheid.

24. Analoog aan de betwistingen inzake milieumisdrijven, stellen de betwistingen betreffende het bestaan van de beboetingsbevoegdheid het bestaan van de wederrechtelijke feiten in vraag. In niet één arrest komt evenwel aan bod of het bestaan van een milieu-inbreuk, zoals het bestaan van een milieumisdrijf, rechtens enig moreel element vereist. III. De bepaling van het boetebedrag

A. Wettelijk kader: achtergrondinformatie

25. Luidens art. 16.4.27, tweede respectievelijk derde lid DABM, bedraagt een alternatieve bestuurlijke geldboete «maximum 250.000 euro», een exclusieve bestuurlijke geldboete «maximum 50.000 euro».

26. Deze betwistingen vormen bij uitstek het terrein waar de indeplaatsstellingsbevoegdheid op grond van artikel 16.4.19, § 4 DABM toepassing vindt: wanneer het College oordeelt dat het boetebedrag kennelijk onevenredig dan wel onredelijk is, vernietigt het de bestreden beslissing voor wat het boetebedrag betreft en bepaalt het vervolgens zelf bij indeplaatsstelling een boetebedrag.

B. Casuïstiek

27. Het verrast wellicht niet dat talrijke beroepen het bedrag van de opgelegde geldboete aanvechten. 1o Legaliteitscontrole: basisprincipes

28. Een reeks arresten preciseert de verhouding tussen art. 16.4.4 DABM en art. 16.4.29 DABM en de verhouding tussen de drie beoordelingscriteria vervat in de laatstgenoemde bepaling. Wegens het praktijkbelang van deze rechtspraak, laten we het Milieuhandhavingscollege uitgebreid aan het woord:

«5.4.4.1. Voor zover de diverse onderdelen van het verzoekschrift moeten worden begrepen als het inroepen van een schending van art. 16.4.4 DABM, zoals gepreciseerd door art. 16.4.29 DABM, overweegt het Milieuhandhavingscollege wat volgt.

«5.4.4.2. Luidens art. 16.4.4 DABM moet de gewestelijke entiteit er bij het opleggen van een bestuurlijke geldboete voor zorgen dat er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten die aan de bestuurlijke geldboete ten grondslag liggen en de boetes die op grond van die feiten worden opgelegd. Art. 16.4.29 DABM preciseert dat wanneer de gewestelijke entiteit een bestuurlijke geldboete oplegt, de hoogte ervan wordt afgestemd op de ernst van het milieumisdrijf en dat tevens rekening wordt gehouden met de frequentie waarmee en de omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder het milieumisdrijf heeft gepleegd of beëindigd.

«Uit de bewoordingen van art. 16.4.29 DABM blijkt dat de gewestelijke entiteit bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke geldboete in eerste orde de ernst van het milieumisdrijf in aanmerking moet nemen. Gezien het door de milieuregelgeving beschermde algemeen belang, uitgedrukt in art. 1.2.1, § 1, DABM, in casu aangevuld met art. 12 van het toenmalige Afvalstoffendecreet, vormen de schadelijke gevolgen van het milieumisdrijf voor de mens of het leefmilieu een wezenlijk aspect van de beoordeling van de ernst van het milieumisdrijf. Na de beoordeling van de ernst van het milieumisdrijf, moet de gewestelijke entiteit tevens de frequentie waarmee en de omstandigheden waarin dit milieumisdrijf werd gepleegd of beëindigd in aanmerking nemen.

«Van een mogelijke schending van art. 16.4.4 juncto art. 16.4.29 DABM kan alleen dan sprake zijn indien de gewestelijke entiteit op kennelijk onredelijke wijze toepassing heeft gemaakt van de waarderingscriteria die in deze artikelen zijn bepaald».

29. Nieuwe rechtspraak wijst op de mogelijkheid tot een nul-boete als bestuurlijk equivalent voor de opschorting van een uitspraak van veroordeling: «Binnen het alternatieve bestuurlijke beboetingsstelsel op grond van titel XVI DABM bestaat, bij ontstentenis van enige uitdrukkelijke bepaling van de minimumboete, de mogelijkheid om een nul-boete op te leggen. Deze mogelijkheid vormt er, naar analogie met de opschorting van een uitspraak van de veroordeling op grond van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie in strafzaken, een optie voor de gevallen waarin de gewestelijke entiteit feiten en daderschap bewezen acht, maar oordeelt dat bestraffing niet opportuun is. De vraag die met de ingeroepen schending van het redelijkheidsbeginsel rijst, is de vraag of het te dezen, in het licht van de ingeroepen argumenten, kennelijk onredelijk was dat de stap naar beboeting werd gezet»

30. Aangaande de toe te passen opdeciemen werden tot midden 2015 arresten geveld waarin het Milieuhandhavingscollege op grond van een ambtshalve opgeworpen bezwaar toepassing maakt van de bevoegdheid, bepaald in art. 16.4.19, § 4 DABM, tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing met indeplaatsstelling.

2° Art. 16.4.4 DABM

31. Naar reeds voorheen werd geoordeeld, biedt het proportionaliteitsvereiste waarin dit artikel voorziet enige ruimte tot verrekening van de financiële draagkracht van de overtreder.

32. De rechtspraak die aanneemt dat de overtreder die geringe financiële draagkracht inroept, het bewijs daarvan dient te leveren, werd aangehouden, zij het met een opvallende nuance.

33. Zoals in het verleden en in weerwil van de verruimde insteek aangaande de relevante geringe financiële draagkracht en de bewijslevering daarvan, besloot het College ook in de jaren 2013-2015 slechts zelden tot een schending van art. 16.4.4 DABM.

3° Art. 16.4.29 DABM

a) Criterium «ernst van de feiten»

34. De rechtspraak uit de jaren 2013-2015 heeft de eerdere rechtspraak bevestigd en verder ontwikkeld.

35. De rechtspraak waarin de schadelijkheid van de feiten aan bod komt, bevestigt de eerdere rechtspraak die oordeelde dat concrete schade niet vereist is en dat de bedreiging die de wederrechtelijke feiten voor het milieu inhouden terecht als beoordelingselement in aanmerking wordt genomen: «Mede in het licht van het beginsel van preventief handelen, een basisbeginsel van het milieubeleid met Europeesrechtelijke bekrachtiging, is het verre van onredelijk om in de beoordeling van de ernst van de feiten de bedreiging te betrekken die van de feiten uitgaat voor het leefmilieu, ook al valt de daadwerkelijke schade amper of niet te bespeuren».

b) Criterium «frequentie»

36. Uit de bestreden beboetingsbeslissingen blijkt dat de gewestelijke entiteit aangaande dit criterium een beleid voert waarbij eerdere schendingen van de milieuwetgeving boeteverhogend werken, maar de ontstentenis van dergelijke antecedenten geen boetemilderende invloed heeft.

c) Criterium «omstandigheden waarin de milieumisdrijven/milieu-inbreuken werden gepleegd»

37. De beboete overtreders roepen vrij zelden de omstandigheden in waarin zij de feiten pleegden om de hoogte van de opgelegde boete aan te vechten.

d) Criterium «omstandigheden waarin de milieumisdrijven/milieu-inbreuken werden beëindigd»

38. Naar blijkt uit de onderzochte rechtspraak, is de regularisatie van de situatie een factor die in vele beboetingsbeslissingen een boetemilderende invloed uitoefent.

IV. Beginselen van behoorlijk bestuur

39. Drie beginselen van behoorlijk bestuur komen vrij vaak terug in de onderzochte casuïstiek: de redelijke termijneis, de hoorplicht en het motiveringsbeginsel, zoals gecodificeerd in de Motiveringswet

A. De redelijke termijneis

40. Naar we reeds eerder vaststelden, behoort het tot de gevestigde rechtspraak van het Milieuhandhavingscollege dat de kennisgevings- en beslissingstermijnen die bepaald zijn in art. 16.4.36, § 1, aanhef en art. 16.4.37, eerste lid DABM (alternatieve bestuurlijke beboeting) en art. 16.4.41, § 1, aanhef en art. 16.4.43, eerste lid DABM (exclusieve bestuurlijke beboeting) alle, zonder uitzondering, geen vervaltermijnen maar termijnen van orde zijn.

41. Evenzeer gevestigde rechtspraak neemt aan dat het bovenstaande de gewestelijke entiteit evenwel niet ontslaat van de verplichting om binnen een redelijke termijn in het dossier tot een beslissing te komen.

42. De verzoekende partij dient belang te hebben bij het middel. De op dit punt reeds bestaande rechtspraak werd overvloedig bevestigd: «Opdat evenwel het aangevoerde bezwaar op ontvankelijke wijze zou zijn voorgedragen en derhalve tot vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden, dient de verzoekende partij aan te tonen, minstens redelijk aanneembaar te maken, dat zij getuigt van het rechtens vereiste belang. Het staat meer bepaald aan deze partij om minstens redelijkerwijze aanneembaar te maken dat zij in concreto is benadeeld door de vertraging bij het nemen van de bestreden beboetingsbeslissing».

43. De relevantie van de rechtspraak die de elementen in detail vermeldt die tot een schending van de redelijke termijneis kunnen doen besluiten, vertoont dan ook geringe praktijkrelevantie

44. De rechtspraak betreffende het rechtsgevolg van een schending van de redelijke termijneis is onder impuls van cassatiearresten bijgesteld. B. De hoorplicht

45. Verschillende arresten uit de onderzochte rechtspraak gaan in op het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht, dat in de bestuurlijke beboetingsprocedure toepassing moet vinden

46. Wanneer de schending van de hoorplicht wordt opgeworpen zonder dat de verzoekende partij hier enig belang bij heeft, verklaart het College het bezwaar onontvankelijk: «Het staat (...) vast dat de verzoekende partij niet alleen de kans heeft gekregen om op nuttige wijze standpunt in te nemen over de voorgenomen boetebeslissing, maar, meer, dit ook daadwerkelijk heeft gedaan, zodat zij geen belang heeft bij het aangevoerde bezwaar».

47. Het Milieuhandhavingscollege bevestigde bij herhaling zijn princiepsstandpunt aangaande de codificatie van de hoorplicht binnen het DABM: «Art. 16.4.36, § 1 DABM bepaalt: «§ 1. Na de ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, vermeld in artikel 16.4.35, brengt de gewestelijke entiteit binnen een termijn van dertig dagen de vermoedelijke overtreder op de hoogte van het voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de kennisgeving van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen. Tevens wordt hij erop gewezen dat hij:

1° de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen;

2° mondeling zijn schriftelijk verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder moet daartoe bij de gewestelijke entiteit een aanvraag indienen binnen dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving». Dit voorschrift, inzonderheid de op de gewestelijke entiteit rustende verplichting om de vermoedelijke overtreder uit te nodigen om schriftelijk zijn verweer mede te delen, eventueel om mondeling zijn schriftelijk verweer toe te lichten, legt het bestuur een hoorplicht op. Het strekt er immers toe de vermoedelijke overtreder in de gelegenheid te stellen om op nuttige wijze zijn standpunt naar voor te brengen ten aanzien van de beboetingsbeslissing en de voordeelontneming die te zijnen laste worden overwogen wegens een gedraging die hem wordt verweten. (...) Uit zijn aard vormt dit artikel een substantieel vormvoorschrift waarvan de schending de vernietiging van de beboetingsbeslissing meebrengt telkens als zij de belangen van de vermoedelijke overtreder heeft geschaad». Art. 16.4.36, § 1 DABM betreft de alternatieve bestuurlijke beboeting. Een gelijkluidend princiepsstandpunt inzake art. 16.4.41, § 1 DABM, dat het opleggen van exclusieve bestuurlijke geldboeten regelt, werd in eerdere rechtspraak geformuleerd.

De hoorplicht omvat onder meer de verplichting om de kennisgeving aan de vermoedelijke overtreder van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete en eventuele voordeelontneming te verrichten in overeenstemming met de ter zake geldende vormvoorschriften: «In de context van dit artikel vormt de kennisgeving waarin art. 16.4.36, § 1 DABM uitdrukkelijk voorziet, een essentiële vereiste die mede de hoorplicht van de gewestelijke entiteit waarborgt. Immers, zonder deze kennisgeving heeft de vermoedelijke overtreder geen weet van de mogelijke bestuurlijke sanctie die hem kan te wachten staan en kan hij zijn argumenten, die het bestaan van het milieumisdrijf of de ernst ervan eventueel kunnen weerleggen, niet op gepaste wijze aanvoeren. De decreetgever heeft het belang van deze bepaling benadrukt door de kennisgeving aan vormvereisten te onderwerpen. Immers, luidens art. 16.1.2, 3o DABM wordt voor de toepassing van titel XVI DABM onder «kennisgeving» verstaan: «het verzenden door middel van een aangetekende brief, met ontvangstbewijs».

Wanneer derhalve de gewestelijke entiteit de vermoedelijke overtreder op de hoogte brengt van haar voornemen om hem een alternatieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, op te leggen en hem uitnodigt om zijn verweer schriftelijk mee te delen, dient zij dit te doen op de door art. 16.1.2, 3oDABM voorgeschreven wijze».

C. De Motiveringswet

48. Het Milieuhandhavingscollege heeft bevestigd dat de motiveringsplicht niet enkel de beslissing betreft om tot beboeting over te gaan, maar ook het boetebedrag: «De formele motiveringsplicht voor bestuurshandelingen met individuele draagwijdte zoals bestuurlijke beboetingsbesluiten is gecodificeerd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: «Motiveringswet»). Art. 3 Motiveringswet vereist onder meer dat een motivering «afdoende» moet zijn. Toegepast op de bevoegdheid tot bestuurlijke beboeting op grond van art. 16.4.25 DABM juncto art. 16.4.27, tweede lid DABM, die de gewestelijke entiteit de beslissingsvrijheid geeft om het bedrag van de boete vast te leggen tussen minimum 0 euro en maximum 250.000 euro, te vermeerderen met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten, brengt de verplichting tot een afdoende motivering inderdaad mee dat ieder besluit dat tot het opleggen van een geldboete beslist niet enkel de keuze voor beboeting maar ook het bedrag van de boete naar behoren zou motiveren».

49. Bezwaren m.b.t. de schending van de Motiveringswet betreffen doorgaans de motivering van het boetebedrag.

Slotbedenkingen

50. Uit dit rechtspraakoverzicht blijkt dat het Milieuhandhavingscollege in zijn allereerste werkingsjaren een vrij ruime en stevige basis heeft gelegd voor het vervolg.

51. Opmerkelijk is de sterke aanwezigheid van art. 6 en 7 EVRM, het Zevende EVRM-Protocol en art. 14 en 15 BUPO in de rechtspraak.

52. De rechtspraak heeft een bepaalde maturiteit bereikt.

53. De rechtspraak inzake de straftoemeting kwam uitgebreid aan bod.

 

Bronvermelding:

• GwH 17 maart 1999, nr. 32/99, overwegingen B.9-B.11.

http://www.mhhc.be/rechtspraak. Zie tevens: http://dbrc.be/rechtspraak_MHHC.

• Milieuhandhavingscollege, Werkingsverslag 2012, Brussel, MHHC, 2013, 19-51;

• Milieuhandhavingscollege, Werkingsverslag 2013, Brussel, MHHC, 2014, 19-61;

• Dienst van de Bestuursrechtscolleges, Jaarverslag 2014-15, Brussel, DBRC, 2015, 97-130. De werkingsverslagen zijn te vinden op de webstek van het College.

• C.M. Billiet, «Punitieve handhaving in de bestuursrechtspraak: recente rechtspraak van het Milieuhandhavingscollege», TMR 2013, 117

• C.M. Billiet, «Bestuurlijke geldboeten en de toets van de rechter: brede schets met klemtoon op omgevingsrecht» in J. Vande Lanotte, P. Cannoot en J. Goossens (eds.), Rechtsbescherming in het publiekrecht: kan er nog gebouwd worden in Vlaanderen?, Mechelen, Kluwer, 2016, nrs. 26-31,

• J. Bouckaert en P. Vandenheede, «De eerste beslissing van het Milieuhandhavingscollege omtrent de bewijswaarde van het proces-verbaal (noot bij beslissing MHHC-10/1-VK, 30 september 2010), TMR 2011, 137-140;

• P. De Smedt, «De biologische waarderingskaart: een juridische splijtzwam?» (noot onder beslissing MHHC-10/4-VK, 15 december 2010), TMR 2011, 268-275;

• R. Meeus, «Het Milieuhandhavingscollege past het financiële draagkrachtcriterium toe bij de bestuurlijke beboeting van milieumisdrijven» (noot onder arrest MHHC-13/12-VK, 22 maart 2012), MER 2012, 190-193;

• I. Opdebeek, «De sanctie voor schending van de redelijke termijn bij het opleggen van bestuurlijke boetes in het milieurecht: geen zwart-witverhaal, maar wel een verhaal van 50 tinten grijs ...» (noot onder arrest MHHC-14/38-K2, 13 juni 2014), MER 2015, 158-165. Zie bijkomend: X, «Wild of tam, zelfs vleugellam: fazant in het vizier» (noot onder arrest MHHC-13/13-VK, 21 februari 2013), TOO 2014, 152;

• X, «Achterlaten van vuilnis. Geen vuiltje aan de lucht?» (noot onder arresten MHHC-13/34-VK, 18 april 2013 en MHHC-13/110-VK, 19 december 2013), TOO 2014, 553-555.

• Eric Lancksweerdt het ons voordeed in zijn overzichten van de prille rechtspraak van de Raad van State aangaande het milieuvergunningsstelsel, hanteren wij in deze kroniek zoveel mogelijk dezelfde structuur als in de eerste kroniek

• E. Lancksweerdt, «De milieurechtspraak van de Raad van State (17 juni 1994 – 31 augustus 1995), TMR 1995, 446-465;

• E. Lancksweerdt, «De milieurechtspraak van de Raad van State gedurende het gerechtelijk jaar 1995-96 (1 september 1995 – 31 augustus 1996), TMR 1996, 398-416

• C.M. Billiet, o.c., TMR 2013, 117 e.v. De woorden «nieuwe rechtspraak» verwijzen naar rechtspraak uit de

• Protocol Nr. 7 bij het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gedaan te Straatsburg op 22 november 1984, in werking getreden op 1 november 1988, geratificeerd door België op 13 april 2012 en in onze rechtsorde in werking getreden op 1 juli 2012.

• Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York 19 december 1966, in werking getreden op 23 maart 1976, in onze rechtsorde in werking getreden op 21 juli 1983.

• C.M. Billiet, P. De Smedt en H. Van Landeghem, «Vlaamse milieuhandhaving nieuwe stijl», TMR 2009, (326) nrs. 73-110;

• C.M. Billiet, «Bestraffing van milieucriminaliteit: de beboetingsambtenaar als derde speler op het veld» in L. Lavrysen (ed.), Het milieuhandhavingsdecreet in de praktijk, Brugge, die Keure, 2010, 83-132;

• R. Meeus, «De voortschrijdende verankering van de geldboete in het omgevingsrecht: zelfde script, andere accenten?» in C.M. Billiet en L. Lavrysen (eds.), In de roos: doeltreffende sanctionering van omgevingsrecht, Brugge, die Keure, 2015, 113-164. Zie bijkomend: M. Faure, «Een nieuw milieustrafrecht in Vlaanderen, CDPK 2009, 606-619;

• C.M. Billiet, «Lappendekens in de rechtshandhaving. Naar een publiekrechtelijke sanctionering in het omgevingsrecht» in C.M. Billiet en L. Lavrysen (eds.), In de roos: doeltreffende sanctionering van omgevingsrecht, 1-77.

• C.M. Billiet, S. Rousseau, A. Balcaen, R. Meeus, K. Styns, G. De Meyer, T. Vander Beken en L. Lavrysen, «Milieurechtshandhaving: een databestand voor onderzoek naar de penale en bestuurlijke sanctioneringspraktijk», TMR 2009, (128), nr. 19;

•C.M. Billiet, S. Rousseau, R. Meeus en A. Balcaen, «Minnelijke schikkingen voor milieumisdrijven in Vlaanderen», Panopticon 2010, (78) 81.

• Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving (VHRM), Milieuhandhavingsrapport 2013. 5 jaar Milieuhandhavingsdecreet, Brussel, VHRM, 2014 (hierna «VHRM, Milieuhandhavingsrapport 2009-13»), o.m. 146-149 en 180-181.

• R. Meeus, o.c., in C.M. Billiet en L. Lavrysen (eds.), In de roos: doeltreffende sanctionering van omgevingsrecht, 113-164. Zie bijkomend: G. Debersaques en A. De Backer, «Het decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning: een eerste verkennende analyse», TROS 2015, (21), nrs. 14-24 en 34-38;

• J. De Coninck en K. Van Alsenoy, «Een eerste «screen shot» van het nieuwe handhavingsdecreet ruimtelijke ordening: richting een Vlaamse omgevingshandhaving – meer bestuur minder rechter?», MER 2014, (206), nrs. 7-25;

• P. De Smedt, «Vlaamse stedenbouwhandhaving. Eerste beschouwingen bij het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning» (deel 1), NJW 2015, (130), nrs. 30-51.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 20/03/2016 - 17:53
Laatst aangepast op: do, 14/04/2016 - 10:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.