-A +A

Justitie is failliet hoe ervaart de de publieke opinie dit in 2004

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Titel van het boek: 
USTITIE ONDER DE LOEP. DE PUBLIEKE OPINIE TEN AANZIEN VAN JUSTITIE
Publicatie
Auteur: 
Wyseur
Auteur: 
Schoffelen
Auteur: 
Vervaeke
Auteur: 
Parmentier
Auteur: 
Goethals
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
841
Samenvatting

Hoe denken de inwoners van ons land over justitie? Dit is de vraag waarop dit publieke opinieonderzoek een antwoord tracht te geven. Dit artikel biedt de lezer een overzicht van de ontwikkeling, de eerste afname en de resultaten van de «justitiebarometer», een instrument dat de houding van de Belgische bevolking ten aanzien van justitie in kaart heeft gebracht. Tot slot wordt het nut van opinieonderzoeken met betrekking tot justitie in vraag gesteld en worden enkele aanbevelingen verwoord.

Inhoudstafel tekst: 

I. INLEIDING

Vaak – en vooral door journalisten – wordt beweerd dat de kritiek van de bevolking ten aanzien van het justitieel systeem scherp is, de kloof tussen de burger en justitie groot is en justitie moeilijk toegankelijk is. 2 De vraag is echter waarop men zich precies baseert om een oordeel over het functioneren van justitie – zoals in bovengenoemde kritieken – hard te maken. 3 Ook beleidsverantwoordelijken en politici baseren zich voor het doorvoeren van hervormingen binnen justitie op de zogenaamde wensen en verzuchtingen van de bevolking. 4

Hoewel er discussie bestaat over de mate waarin beleidsveranderingen moeten worden gebaseerd op wat de bevolking denkt (cf. infra), blijft het nuttig voor beleidsmakers en politici om een idee te hebben van de mening van de bevolking. Het inkrimpen van de belangrijkste spreekbuizen voor de bevolking, namelijk het maatschappelijk middenveld, in het debat rond justitie, 5 wijst des te meer op het belang van een instrument dat inzicht in de ideeën van de bevolking ten aanzien van justitie kan verschaffen.

Bijgevolg besliste de Programmatorische Overheidsdienst Wetenschapsbeleid (POD Wetenschapsbeleid) in 2000 een onderzoek te financieren met als doel een meetinstrument te ontwikkelen dat in de toekomst herhaaldelijk naar de houding van de burger ten aanzien van justitie in ons land zou kunnen peilen. Een herhaalde bevraging maakt het mogelijk na te gaan hoe de houding van de mensen ten aanzien van justitie in de loop der jaren verandert. De eerste afname vond plaats bij een representatieve staal van 3204 inwoners in de periode tussen september tot november 2002.

In wat volgt, zal kort het ontstaan van de eerste «justitiebarometer» in België worden beschreven. De ontwikkeling van het onderliggende theoretische model, de constructie van de vragenlijst, de keuze voor de surveymethode en de wijze waarop de vragenlijst werd afgenomen, werden reeds uitgediept en beargumenteerd in een publicatie. 6

Allereerst wordt een kort overzicht geboden van het onderzoek omtrent publieke opinie en justitie, waarna de stappen bij de ontwikkeling van het meetinstrument, de vragenlijst, worden weergeven. Het vierde deel vormt het hart van het artikel. Het bevat de resultaten van de peiling naar de houding van de burger in ons land. In het voorlaatste deel wordt het nut van opinieonderzoeken in vraag gesteld. Ten slotte worden enkele eerste beleidsaanbevelingen geformuleerd.

II. KORT OVERZICHT VAN HET BESTAANDE ONDERZOEK IN BELGIË

Eerder binnenlands onderzoek naar de houding van burgers ten aanzien van justitie blijkt zeer beperkt. We vermelden de belangrijkste. Het oudste onderzoek dat werd teruggevonden, is het werk van Goffin en Tsamadou, 7 waarin een steekproef van 375 personen werd bevraagd over verschillende aspecten van justitie (onder meer naar het imago van de strafrechtsbedeling en naar het imago van de magistraten). Voorts werd de algemene kennis van het recht bij de geïnterviewden nagegaan, alsook hun houding ten aanzien van het strafrechtelijk beleid. Uit de resultaten blijken de meningen over deze zaken te verschillen naargelang van de socio-economische achtergrond, de leeftijd en het opleidingsniveau van de respondenten.

Naar aanleiding van de zaak-Dutroux in 1996 werden tienduizenden brieven en petities van burgers – aan de minister van Justitie toegestuurd – geanalyseerd. 8 Uit dit onderzoek bleek dat de meningen van de burgers zeer uiteenlopend zijn. De belangrijkste thema‘s die naar voor kwamen zijn het disfunctioneren van de politiek en van het justitieel beleid in het bijzonder, de behoefte aan aanpassing van de rechtbanken en de attitude van de politiediensten.

In een beeldvormingsonderzoek van 2001 met betrekking tot justitie bij 252 studenten 9 werd gepeild naar het vertrouwen en de houding ten aanzien van het openbaar ministerie, advocaten, strafrechters en het strafrechtelijk beleid. Uit deze bevraging blijkt dat het vertrouwen in het gerecht eerder laag is, maar dat een meerderheid vindt dat justitie en meer specifiek de advocatuur en de rechters in het algemeen goed werk leveren (maar niemand van de bevraagde personen vond dat justitie heel goed werk leverde). Met betrekking tot het strafrechtelijk beleid wordt gepleit voor strengere straffen.

Ten slotte bracht M. Elchardus 10 het vertrouwen in de instellingen (onder meer justitie) in Vlaanderen in kaart tussen 1995 en 2000. Hiervoor werden de resultaten geanalyseerd van een zevental Vlaamse onderzoeken. Uit deze analyse besluit hij dat er van een vertrouwenscrisis in de instellingen kan worden gesproken. In vergelijking met het vertrouwen in het onderwijs en de politie, is het vertrouwen in het gerecht zeer laag. Ook blijkt duidelijk dat het vertrouwen op korte termijn fluctueert naar aanleiding van bepaalde maatschappelijke gebeurtenissen. Zo is tussen 1996 en 1997 het vertrouwen in het gerecht spectaculair gedaald naar aanleiding van de negatieve berichtgeving over het gerecht in de media. De gegevens uit dit onderzoek blijken niet typisch te zijn voor ons land, maar kunnen worden gekaderd in een tendens die zich in veel westerse landen voordoet. 11

III. METHODOLOGIE VAN HET GEVOERDE ONDERZOEK

In dit onderdeel wordt dieper ingegaan op de verschillende fasen bij de constructie van de justitiemonitor. Ten eerste werd een grondige literatuurstudie doorgevoerd, samen met de ontwikkeling van een conceptueel model, waarna een testfase werd geïmplementeerd. Vervolgens werd de vragenlijst nationaal afgenomen en werden de resultaten verwerkt.

Voor het ontwikkelen van een itempool van relevante vragen voor de meting van de houding van de bevolking ten aanzien van justitie, baseerden de onderzoekers zich op vier pijlers: het theoretische model, een screening van 28 onderzoeken uit binnen- en buitenland op relevante vragen, suggesties vanuit interviews en suggesties vanuit het begeleidingscomité. 12 Op grond van een theoretisch model werd gedurende vier maanden een literatuurstudie uitgevoerd. 13 In het model werden aspecten van de houding gedefinieerd en gedifferentieerd, werd justitie ontleed in al haar componenten, en de bepalende invloed van de kenmerken van de respondenten op de houding werd opgenomen en in het model gebracht. In de sociale psychologie wordt het begrip «houding» gedefinieerd als een geheel van neigingen, gevoelens, vooroordelen, vooropgezette noties, ideeën, bekommernissen, bedreigingen en overtuigingen aangaande een specifiek onderwerp, het attitudeobject genoemd. Bij een houding kan dan een cognitieve, een emotionele en een gedragscomponent worden onderscheiden. De survey die hier werd ontwikkeld, bevraagt evenwel in de eerste plaats opinies, dit wil zeggen verbale expressies van deze houding. Terwijl houding verwijst naar de eerder algemene oriëntaties, vormen opinies de verbale expressies van bepaalde particuliere aspecten van attitudes, die een gevoelen van afkeur of voorkeur uitdrukken. 14 De term justitie dekt een ruime lading die kan worden gevat door de volgende vier aspecten: 15 de instituties, de actoren, de procedures en het beleid. In het conceptueel model worden de opinies met betrekking tot deze verschillende aspecten van justitie nu gelinkt aan een reeks potentieel beïnvloedende factoren.

In de literatuur vinden we verschillende modellen terug met betrekking tot de factoren die de houding van de burger ten aanzien van justitie beïnvloeden: 16 persoonlijkheidsfactoren (bijvoorbeeld: het angstniveau van een persoon, het basisvertrouwen), sociodemografische achtergrondkenmerken (bijvoorbeeld: het beroep, het inkomen), kennis van justitie (kennis over haar vier aspecten), burgerrechtelijke en strafrechtelijke ervaringen met justitie, de media (bijvoorbeeld de soort krant die men leest) en politieke voorkeur (bijvoorbeeld op welke partij men heeft gestemd). Er dient te worden opgemerkt dat ook een combinatie van deze categorieën onderling de houding kan beïnvloeden. Er kan echter geen uitsluitsel worden geboden over een exclusieve richting van de relatie tussen elk van deze categorieën. In het conceptueel model werden sociodemografische kenmerken, kennis van en ervaringen met het rechtssysteem, media en politieke voorkeur als beïnvloedende variabelen opgenomen. Daar persoonlijkheidsfactoren moeten worden onderzocht via schalen, en de opname van deze schalen het instrument aanzienlijk zou verzwaren, werd besloten deze niet op te nemen in de bevraging.

Figuur 1. Theoretisch model

*I = instituties, A = actoren, P = procedures, B = beleid

Het theoretische model werd vervolgens als uitgangspunt gebruikt voor een bevraging van de houding van burgers ten aanzien van justitie door middel van focusgroepinterviews 17 en een bevraging van justitieel personeel door middel van «face to face»-interviews. 18 De testfase verliep vanaf maart tot en met juli 2001. De bevraging was bedoeld om na te gaan of het model de determinerende factoren bevatte enerzijds en om ideeën op te doen voor haalbare vragen en verwoordingen anderzijds. 19 Voorts werden buitenlandse studies geraadpleegd, 20 waaruit thema‘s werden gedistilleerd en opgenomen in de vragenlijst. Voorbeelden van deze thema‘s zijn rechtvaardigheid van beslissingen van justitie of vragen naar de houding ten aanzien van straffen. Dit alles leidde tot een databank van mogelijke vragen waaruit een voorlopige vragenlijstversie werd gedistilleerd en ter evaluatie werd voorgelegd aan het begeleidingscomité. Op basis van dit overleg werden nog een aantal opinievragen met betrekking tot nieuwe ontwikkelingen, zoals het snelrecht, toegevoegd, alsook een aantal ter discussie staande beleidsvragen, zoals het jeugdsanctierecht.

De vragenlijst bestond uit vier delen: een algemeen deel, een burgerrechtelijk deel, een strafrechtelijk deel en een deel inzake achtergrondkenmerken. In het algemene deel werden vragen geformuleerd die peilden naar het vertrouwen dat men heeft in justitie en andere instellingen (onderwijs, de kerk...), naar de tevredenheid met de werking van justitie in het algemeen (toegankelijkheid, garantie op eerlijk proces...), tevredenheid met procedures voor de rechtbank (taalgebruik, mogelijkheid tot vrijspraak in geval van procedurefouten...), en tevredenheid met het optreden van verschillende actoren (advocaten, rechters...). In het burgerrechtelijk deel werd onder meer gevraagd naar wat men denkt van het bevragen van kinderen in familiezaken, het aanduiden van deskundigen en het inschakelen van lekenrechters. In het strafrechtelijk deel werd onder andere gepeild naar de mening over het optreden van de parketmagistraten, de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de bestraffing van misdrijven. Voorts werd in het strafrechtelijk en het burgerrechtelijk deel ook gepeild naar persoonlijke ervaringen met strafrechtelijke en burgerrechtelijke dossiers. In het deel achtergrondkenmerken werden variabelen opgenomen die uit eerder onderzoek 21 een invloed bleken uit te oefenen op de opinie. Voorbeelden van dergelijke variabelen zijn leeftijd van de respondent, de nationaliteit van de respondent en van zijn ouders, scholingsniveau, tewerkstelling, burgerlijke staat, gezinssamenstelling, gezinsinkomen, levensbeschouwing en politieke voorkeur. Van de eerste versie van de vragenlijst werd een identieke Nederlandstalige en Franstalige versie opgesteld. Tenslotte werd de vragenlijst onderworpen aan een pretest, met als doel de routing van de vragenlijst alsook de bruikbaarheid van de vragenlijst voor telefonische afname te testen. Naar aanleiding van de bevindingen uit deze pretest werd de vragenlijst op enkele punten aangepast. Zo werden onder meer enkele items geschrapt wegens interpretatieproblemen en werden een aantal vragen gehergroepeerd. Dit resulteerde in een definitieve vragenlijst met in totaal 52 items, waarbij opnieuw de gelijkheid van de Nederlandstalige en Franstalige vragenlijst werd nagegaan.

Voor de afname van de gegevens werd gekozen voor de computer ondersteunende telefonische survey, mede omdat een herhaald meten (bijvoorbeeld iedere twee jaar) van de houding van de burger het doel is. De afname vond plaats in de periode van september tot november 2002.

De populatie bestond uit alle burgers ouder dan vijftien jaar, wonend in België. Om de steekproef samen te stellen werd gebruik gemaakt van de CD-rom Info-bel 2002. Uit een eerste lijst van 15.000 toevallig geselecteerde telefoonnummers werden de nummers van ondernemingen, handelszaken, openbare en private instellingen weggefilterd. Dit leidde tot de samenstelling van twee steekproeven, één voor Vlaanderen en één voor Wallonië en Brussel, beide met ongeveer 5000 adressen: Brussel en Wallonië 5.185 adressen; Vlaanderen 4.806 adressen. De potentiële respondenten op de lijst werden telefonisch benaderd tussen 26 augustus en 21 november 2002. Ingeval een telefoonnummer betrekking had op een gezin, werd het lid van het gezin dat ouder was dan vijftien jaar en dat het eerst jarig werd, uitgenodigd om de enquête te beantwoorden. Maximum vijf pogingen werden ondernomen om de respondent te bereiken. In totaal werden tijdens deze periode 20.361 telefonische oproepen gedaan, die resulteerden in 3204 enquêtes, 1602 in het Frans en 1602 in het Nederlands. Na cleaning van de gegevens bestaat er een representatief staal van 3204 inwoners van België, van wie 322 wonende te Brussel, 1595 te Vlaanderen en 1283 te Wallonië.

Om de validiteit en de representativiteit na te gaan, werd de verkregen steekproef op verschillende karakteristieken vergeleken met de populatiecijfers. Voor deze populatiecijfers, die betrekking hebben op de bevolking van ouder dan vijftien jaar, werd gebruik gemaakt van N.I.S.-data op datum van 1 januari 2002. Deze vergelijking liet een licht onevenwicht zien naar geslacht en leeftijd. Het percentage vrouwen in de steekproef ligt 2,4 % hoger dan in de populatie. De verdeling naar leeftijd liet een ondervertegenwoordiging zien van respondenten met een leeftijd van 20 tot 29 jaar, wat te wijten kan zijn aan het gsm-fenomeen: de personen die niet over een vaste telefoonlijn of enkel over een privé-nummer beschikten, konden niet worden gecontacteerd. Vooral jongeren bellen mobiel, en van deze telefoonpopulaties bestaat geen repertoire. Voorts toonde het lastenkohier een gelijk aantal Franstalige en Nederlandstalige respondenten, wat niet correspondeert met de structuur van de bevolking van het land. Daarom werden de steekproeven «gewogen», met de bedoeling te komen tot een «fictieve» populatie per provincie met evenveel Nederlandstalige als Franstalige inwoners.

Het verkregen databestand werd verwerkt via SPSS. In een eerste fase werden univariate analyses uitgevoerd. Van elk item werden frequentieverdelingen opgesteld en een aantal beschrijvende maten (minimumscore, maximumscore, gemiddelde en standaarddeviatie) berekend. Op grond van deze bevindingen werden in een tweede fase bivariate analyses uitgevoerd, waarbij twee variabelen (de verdeling op een item van de vragenlijst en een «beïnvloedende» variabele) met elkaar werden gekruist (x2-analyse) of waarbij de gemiddelden van twee of meer groepen (vb. de gemiddelde houding tegenover justitie van de groep mannen en de groep vrouwen) met elkaar werden vergeleken (t-toetsen en variantie-analyse). Daarbij werd een alfa-fout van 5 % gehanteerd. Indien significante verschillen werden vastgesteld, werden post-testen uitgevoerd, teneinde te kunnen bepalen welke (sub)groepen significant van elkaar verschillen. Het is belangrijk een goed begrip te hebben van het concept «significantie». Met significantie wordt immers niet bedoeld dat gevonden verschillen of samenhangen per se groot of belangrijk zijn. Bij inspectie van de data blijkt trouwens meestal dat, hoewel «significant verschillend», de vergeleken groepen erg weinig van elkaar afwijken. Significant betekent enkel dat de kans dat de onderzoeker onterecht zijn nulhypothese verwerpt (de nulhypothese gaat ervan uit dat beide groepen niet van elkaar verschillen, of dat beide variabelen niet samenhangen), klein is, en dus dat de onderzoeker relatief zeker is van zijn uitspraak. Meer diepgaande analyses (bijvoorbeeld multi-level analyses) behoorden niet tot deze onderzoeksopdracht.

IV. NATIONALE RESULTATEN VAN DE EERSTE JUSTITIEBAROMETER

De resultaten van de eerste peiling naar de houding van de burger ten aanzien van justitie in ons land worden hieronder beschreven. Het betreft immers de resultaten op nationaal niveau. Geïnteresseerden kunnen meer informatie over regionale resultaten vinden in het wetenschappelijke rapport van dit onderzoek. 22 Bij de beschrijving van de resultaten wordt telkens eerst de verdeling van de antwoorden op het item weergegeven. Nadien wordt beschreven welke «beïnvloedende» variabelen een (significante) invloed hebben op deze opinie, en op welke wijze deze invloed speelt. Allereerst worden de resultaten van het «algemene deel» voorgesteld. Dit betreft de resultaten over het vertrouwen in justitie in het algemeen, de vragen betreffende de werking van justitie en de actoren, en een aantal algemene bevindingen met betrekking tot afhandeling van een zaak en de procedures. De resultaten met betrekking tot het burgerrechtelijk deel en het strafrechtelijk deel worden meer specifiek voorgesteld in het onderdeel betreffende de «afhandeling van een zaak en de procedures» en het onderdeel «ervaring met justitie». Ten slotte volgt een bespreking van de resultaten in het deel inzake achtergrondkenmerken (cf. infra: conclusies).

A. Het vertrouwen in justitie – Algemeen

De volgende algemene vraag met betrekking tot vertrouwen in justitie werd aan de respondenten voorgelegd: «Kan u mij in het algemeen zeggen of u vertrouwen heeft in justitie»? Uit deze vraagstelling blijkt dat 42,6 % van de burgers in België wel of eerder wel vertrouwen heeft in justitie.

Figuur: "Hebt u vertrouwen in Justitie?"

In vergelijking met andere instituties bekleedt het Belgische gerecht een gedeelde vierde plaats in termen van vertrouwen bij de publieke opinie, na het onderwijs (waarbij 87,1 % van de burger zegt (eerder) vertrouwen te hebben), politie (69,6 %), het parlement (55,9 %). Op vlak van vertrouwen kan worden gezegd dat justitie, de Kerk (41 %) en de pers (40,8 %) samen de laagste positie innemen.

Figuur 2 toont aan dat de antwoorden betreffende justitie, pers en Kerk niet significant van elkaar verschillen (significantieniveau 0,95). Dit betekent dat justitie samen met de pers en de Kerk de vierde plaats bekleedt.

Figuur 2. Vergelijking van de gemiddelden: vertrouwen in instellingen 23

De algemene Belgische resultaten onthullen verschillen tussen het Vlaamse, het Waalse gewest en het Brusselse gewest. Respondenten uit Vlaanderen blijken positiever te staan ten aanzien van justitie dan de Waalse en Brusselse respondenten. De resultaten laten voorts zien dat het vertrouwen afneemt met de leeftijd, toeneemt met het inkomen en dat het vertrouwen in justitie groter is wanneer men betaald werk heeft. Vrouwen blijken minder vertrouwen te hebben in justitie dan mannen; en mensen die een ervaring hebben gehad met deze instelling (zowel strafrechtelijk als burgerrechtelijk) blijken minder vertrouwen te hebben dan mensen zonder ervaring. Het lezen van kwaliteitskranten of luisteren naar openbare radio en televisie blijkt een positieve invloed uit te oefenen op het vertrouwen in justitie.

B. De werking van justitie

De evaluatie van de werking van justitie werd bestudeerd aan de hand van zes thema‘s, namelijk (1) de informatie die justitie geeft over haar werking, (2) de tevredenheid over de werking van justitie, (3) de evolutie van de werking van justitie, (4) de toegankelijkheid van justitie, (5) de verwachting van een eerlijk proces en (6) de duidelijkheid van de juridische taal. Op de eerste vraag «of justitie voldoende informatie geeft over haar werking», antwoordt 75,5 % (eerder) negatief. Een negatief of eerder negatief antwoord werd, ten tweede, ook verkregen bij 50 % van de respondenten wanneer de tevredenheid over de werking van justitie werd bevraagd. Deze tevredenheid over de werking blijkt groter te zijn in Vlaanderen dan in Wallonië. Ten derde vindt 46,5 % dat er geen evolutie is opgetreden in de werking van justitie, 18,7 % is van oordeel dat de werking erop is achteruitgegaan, en 27,8 % is van oordeel dat de werking is verbeterd. Een vierde thema betreft toegankelijkheid. Van de Belgen vindt 56,3 % dat hij of zij (eerder) gemakkelijk een zaak voor justitie kan brengen, versus 37,5 % die dat niet vindt. Ten vijfde werd bij de burgers bevraagd of zij verwachten een eerlijk proces te krijgen, en hieruit blijkt dat 64,6 % van de Belgen (eerder) wel een eerlijk proces verwacht. Post hoc tests (Tukey) tonen aan dat variabelen, zoals onder andere leeftijd, regio en burgerlijke staat een significante invloed uitoefenen op deze variabele. Personen tussen 15 en 25 jaar hebben de meest positieve mening, de burgers uit de leeftijdsklasse ouder dan 46 jaar hebben de meest negatieve mening ten aanzien van dit onderwerp. Inwoners van Vlaanderen staan positiever tegenover dit onderwerp dan inwoners van Wallonië. Brussel neemt een middenpositie in. Met betrekking tot de variabele burgerlijke staat kan worden afgeleid dat alleenstaanden een positievere mening hebben dan personen die gescheiden zijn. Ten zesde vindt 72,4 % van de Belgen dat de juridische taal onvoldoende duidelijk is. Jongeren en oudere mensen vinden deze juridische taal begrijpelijker dan mensen uit de middelste leeftijdscategorieën (26-65 jaar). Enigszins verrassend constateren we dat mensen met een hoger opleidingsniveau of een hoger inkomen de taal minder duidelijk vinden dan mensen met een lager opleidingsniveau of een lager inkomen.

C. De justitiële actoren

De houding van de Belgische populatie ten aanzien van de actoren van justitie werd gepeild aan de hand van zes vragen. In het onderzoek werd een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende actoren: de advocaten, de rechters en de parketmagistraten. Voor elke actor wordt een vraag gesteld aangaande de dossierkennis en de gelijkheid van behandeling. De resultaten duiden aan dat advocaten en parketmagistraten het meeste vertrouwen genieten op vlak van dossierkennis (ongeveer 60 % van de mensen zijn (eerder) akkoord met deze stelling). Rechters genieten iets minder vertrouwen (ongeveer 50 % is (eerder) akkoord met deze stelling).

Figuur: Dossierkennis van de actoren van justitie

Op het vlak van gelijke behandeling tonen de resultaten aan dat advocaten veel minder het vertrouwen genieten van de Belgische burger dan de parketmagistraten en de rechters. Slechts 25 % van de respondenten heeft er vertrouwen in dat een advocaat alle cliënten op een gelijke manier zal behandelen. Rechters en vooral parketmagistraten genieten voor dit item iets meer vertrouwen dan advocaten. Van de bevraagde burgers vindt 36,8 % dat de rechter de burgers op een gelijke manier behandelt; 41,2 % heeft dat vertrouwen bij een parketmagistraat.

Figuur: Gelijke behandeling van de burgers door de actoren van justitie

Enkele andere vaststellingen betreffende dossierkennis bij deze justitiële actoren zijn belangrijk om te vermelden: Vlamingen vinden meer dan Walen dat de actoren dossierkennis hebben; personen zonder ervaring met justitie staan positiever ten aanzien van dit onderwerp dan personen met ervaring, net zoals mannen een positievere mening hebben dan vrouwen betreffende dossierkennis van de actoren. Ook wat gelijke behandeling betreft onthullen de resultaten dat Vlamingen meer akkoord zijn dan Walen, en ook hier speelt het hebben van ervaring dezelfde beïnvloedende rol. Gescheiden personen gaan het minst akkoord met deze stelling betreffende gelijke behandeling.

D. Afhandeling van een zaak en procedures

1° Algemeen

De volgende drie thema‘s werden behandeld: de duur van een rechtszaak, procedurefouten en de rechtvaardigheid van beslissingen. De eerste stelling was: «de afhandeling van een rechtszaak duurt in het algemeen te lang». Met deze stelling gaat 94,4 % van de respondenten akkoord of eerder akkoord. Van de overige respondenten gaat 3,4 % (eerder) niet akkoord (2,3 % van de respondenten antwoordden «weet niet»). Respondenten ouder dan 65 jaar gaan meer akkoord met dit punt. Jongeren tussen 15 en 25 jaar gaan het minst akkoord. Ook bleek dat de inwoners van Wallonië en Brussel meer akkoord gaan met de stelling dan de inwoners van Vlaanderen. Ten tweede werd aan de respondenten gevraagd of ze zich akkoord kunnen verklaren met de stelling dat personen worden vrijgesproken bij procedurefouten. De resultaten duiden aan dat 56,3 % zich (eerder) niet achter deze stelling kan scharen. Jongeren gaan in dit geval meer akkoord ten aanzien van deze vraag dan mensen van middelste leeftijdscategorieën (26-65 jaar). Ten slotte vindt 51,7 % van de respondenten dat de meeste beslissingen rechtvaardig zijn.

2° Burgerlijk recht

Enkele vragen behandelden het burgerrechtelijk deel. De burgers werden bevraagd over hun opinie ten aanzien van de inschakeling van experten. De resultaten laten zien dat de overgrote meerderheid positief staat ten aanzien van de inschakeling van experten, ook al wordt de duur van een proces hierdoor verlengd (positief en eerder positief: 88,7 %) of worden de kosten hierdoor hoger (positief of eerder positief: 75,1 %). Van de respondenten staat 77,2 % positief of eerder positief ten aanzien van de inschakeling van lekenrechters in een proces en 81,7 % staat (eerder) positief tegenover het bevragen van de mening van kinderen boven de twaalf jaar in familiezaken. Tevens is 91,3 % van de respondenten voorstander van burgerrechtelijke bemiddeling.

3° Strafrecht

Op strafrechtelijk vlak werd dieper ingegaan op de bestraffing van bepaalde misdrijven. Voor een serie van misdrijven werd aan de ondervraagde personen gevraagd of ze vonden dat deze «te streng bestraft», «voldoende streng bestraft» of «onvoldoende streng bestraft» werden. Het betreft volgende misdrijven: financiële delicten, seksuele delicten, verkeersdelicten, drugsdelicten, moord en georganiseerde criminaliteit. Algemeen kan worden gesteld dat de bevolking zich uitspreekt voor een strengere bestraffing, ongeacht het type van misdrijf. Onderstaand vindt de lezer de percentages van het aantal burgers dat heeft aangegeven dat het misdrijf onvoldoende streng werd bestraft: 93,4 % voor georganiseerde criminaliteit, 89,4 % voor de seksuele delicten, 80,3 % voor moord, 72,4 % voor drugdelicten, 65,8 % voor financiële delicten en 46,5 % voor verkeersdelicten.

Figuur: Worden deze misdrijven streng genoeg gestraft?

Respondenten uit Wallonië zijn strenger dan personen in Vlaanderen wat betreft georganiseerde criminaliteit, seksuele misdrijven, drugmisdrijven en financiële misdrijven, maar milder op het vlak van verkeersmisdrijven.

«Wat vindt u van alternatieve straffen» is ook een vraag die werd gesteld aan de steekproef van burgers. Van de bevraagde burgers is 79 % voorstander of eerder voorstander van alternatieve straffen. Ook strafrechtelijke bemiddeling wordt positief onthaald door de respondenten. Van de ondervraagde personen antwoorden 82,4 % (eerder) positief.

4° Specifieke strafrechtelijke thema‘s

Volgende specifieke strafrechtelijke thema‘s werden bevraagd omwille van de actuele relevantie voor het beleid: de aanpak van jeugddelinquentie, de voorwaardelijke invrijheidsstelling, spijtoptantenregeling, snelrecht en de volksjury.

Eén van de vragen in de survey betrof de jeugddelinquentie. Twee uitspraken over jonge delinquenten beneden achttien jaar werden de respondenten voorgelegd, waaronder enerzijds: «jongeren beneden de achttien jaar die een misdrijf hebben gepleegd, moeten worden opgesloten in een jeugdgevangenis» en anderzijds «jongeren beneden de achttien jaar die een misdrijf hebben gepleegd, moeten worden geplaatst in een instelling waar begeleiding centraal staat». De respondenten werd gevraagd hun voorkeur uit te spreken voor één van beide uitspraken. De antwoorden zijn als volgt verdeeld: 20,7 % van de ondervraagden kiest voor de eerste uitspraak en 75,9 % (drie vierde van de onderzoekspopulatie) is voorstander van de tweede uitspraak. De voorkeur voor een gesloten instelling met begeleiding is significant groter in Wallonië dan in Vlaanderen, stijgt naargelang het opleidingsniveau en het inkomen, is sterker bij mannen dan bij vrouwen en is sterker bij personen die betaald werk verrichten.

Figuur: Wat moet men doen met jeugddelinquenten (jonger dan 18 jaar)?

Op dezelfde manier werd de houding bevraagd met betrekking tot de gevangenisstraf, waarbij de stellingen «gevangenen moeten tot het einde van hun straf in de gevangenis blijven» en «gevangenen moeten vroeger kunnen worden vrijgelaten en een deel van hun straf onder toezicht, in de samenleving, verder ondergaan» werden voorgelegd. 52,5 percent kiest voor de eerste stelling en 40,3 % voor de tweede stelling. Van de respondenten heeft 7,2 % geen mening geuit. Voorts kan worden afgeleid dat de voorkeur voor het volledig uitzitten van de straf door gedetineerden significant groter is in Vlaanderen en in Wallonië dan in Brussel, vermindert met het opleidingsniveau en inkomen en sterker is bij vrouwen dan bij mannen. Ook blijkt dat personen die naar de commerciële tv-zenders kijken en populaire kranten lezen meer aanhanger zijn van «strafeinde».

Het onderwerp met betrekking tot spijtoptanten werd op de volgende manier aangeboden: «mensen die een misdrijf hebben gepleegd en die justitie helpen dit misdrijf op te lossen, moeten strafvermindering kunnen krijgen». Van de respondenten gaat 55,3 % (eerder) akkoord met deze stelling, 40,6 % verklaart zich (eerder) niet akkoord. In totaal is er eerder een voorkeur voor deze maatregel, al lijken de meningen erover toch sterk verdeeld.

Een dubbele vraag handelt over het snelrecht. Een eerste item wordt verwoord als: «het snelrecht is een goede zaak» waarbij 82,7 % van de respondenten zich akkoord of eerder akkoord verklaart met deze stelling, 14,1 % gaat (eerder) niet akkoord. Een tweede item, «het snelrecht leidt tot meer verkeerde beslissingen», geeft een ander beeld. Enerzijds verklaren 22,5 % van de respondenten zich «akkoord», en 19,9 % «eerder akkoord». Anderzijds verklaart 26,9 % zich «niet akkoord», en 16,8 % «eerder niet akkoord». Het aandeel personen «zonder mening» ligt bij deze vraag echter bijzonder hoog (13,9 %), wat een vertekening van het resultaat kan opleveren.

De bevraging over het gebruik van een volksjury toont aan dat 50 % van de ondervraagde personen «voorstander» is, 23,3 % is «eerder voorstander», terwijl 12,3 % «eerder tegenstander» en 11,7 % «tegenstander» blijken te zijn.

De respondenten van de survey werden ondervraagd over een reeks aspecten waarmee een rechter rekening moet houden bij het nemen van beslissingen: de aard van de feiten, de vroegere veroordelingen van de verdachte, de schade voor het slachtoffer, de ervaringen tijdens de jeugd van de verdachte, de geestelijke toestand van de verdachte, de sociale situatie van de verdachte en de mening van de bevolking. Voor elk van de elementen kan de respondent aangeven of hij zich (eerder) akkoord verklaart of (eerder) niet. De resultaten tonen aan dat de voornaamste bekommernis van de ondervraagde burgers is dat de rechter rekening houdt met de aard van de feiten (97,4 % gaat (eerder) akkoord) en de schade voor het slachtoffer (96,5 % gaat (eerder) akkoord); voorts vinden de respondenten dat de rechter de mening van de bevolking eerder niet in rekening moet nemen bij het nemen van zijn beslissing (42,2 % gaat (eerder) akkoord). Vroegere veroordelingen van de verdachte (89,8 % van de respondenten gaat (eerder) akkoord), de geestelijke toestand van de verdachte (80,8 % gaat (eerder) akkoord), de ervaringen tijdens de jeugd van de verdachte (69,6 % gaat (eerder) akkoord) en de sociale situatie van de verdachte (61,6 % gaat (eerder) akkoord) zijn ook aspecten waarmee de rechter (eerder) wel rekening moeten houden wanneer hij een vonnis velt.

Figuur: Moet de rechter rekening houden met de volgende parameters?

E. Ervaring met justitie

Zowel de burgerrechtelijke als strafrechtelijke ervaring met justitie werden bevraagd. Van de ondervraagden heeft 22 % de voorbije tien jaar contact gehad met justitie in het raam van een burgerrechtelijke zaak, en 6,6 % in het raam van een strafrechtelijke zaak. Deze personen werden bevraagd over de aard van de ervaring die ze hebben gehad aan de hand van twee vragen. De eerste vraag peilde naar de houding ten aanzien van het resultaat van de laatste zaak, waarbij de resultaten aantonen dat op burgerrechtelijk vlak 51 % een (eerder) positieve mening had. Op strafrechtelijk vlak had 36,3 % een (eerder) positieve mening. De tweede vraag peilde naar de wijze waarop de zaak werd behandeld. Van de personen met een burgerrechtelijke ervaring verklaarde 42,7 % zich tevreden of eerder tevreden, 57,3 % is ontevreden of eerder ontevreden. Van de personen met een strafrechtelijke ervaring verklaarden 36,6 % zich (eerder) tevreden, 63,5 % was (eerder) ontevreden.

F. Conclusies

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat een kleine meerderheid aangeeft in het algemeen (eerder) weinig vertrouwen te hebben in justitie. De respondenten wensen dat justitie beter presteert op het vlak van de werking van het gerechtelijk apparaat. Dit blijkt met name uit de antwoorden van de respondenten op de vragen met betrekking tot de snelheid van de behandeling van de zaken, de procedurefouten, en de tevredenheid van de respondenten die reeds een burgerrechtelijke en/of strafrechtelijke ervaring hebben (gehad). De resultaten wijzen evenwel ook uit dat respondenten (eerder) positief staan ten opzichte van de directe of indirecte medewerking van de bevolking aan de werking van het gerechtelijk apparaat. Het bovenstaande blijkt uit de positieve attitude van de respondenten ten aanzien van bemiddeling (zowel burgerrechtelijk als strafrechtelijk), ten aanzien van de benoeming van lekenrechters en ten aanzien van de volksjury. De analyse van de onderzoeksresultaten inzake de actoren van justitie lijkt erop te wijzen dat de respondenten relatief tevreden zijn over de wijze waarop deze actoren de gerechtelijke taken uitvoeren. Een meerderheid van de respondenten is van mening dat zowel advocaten als rechters of parketmagistraten over «voldoende» dossierkennis beschikken. Ondanks het feit dat een kleine meerderheid van de respondenten niet overtuigd is van een gelijke behandeling door rechters en advocaten, valt op dat een meerderheid van de respondenten aangeeft dat «de meeste beslissingen rechtvaardig zijn». Respondenten zijn van oordeel dat de rechter bij deze beslissingen rekening dient te houden met de aard van de feiten en de schade van het slachtoffer. Hetzelfde standpunt wordt ingenomen ten aanzien van de elementen die betrekking hebben op de persoon van de verdachte, namelijk vroegere veroordelingen, ervaringen tijdens de jeugd, de geestestoestand, en de sociale situatie. Met betrekking tot de enige «externe» parameter, de mening van de bevolking zelf, was een kleine meerderheid van de respondenten van oordeel dat de rechter dit element niet mee in rekening dient te brengen bij het nemen van een beslissing.

Bij de verwerking van de resultaten werden de vragen gelinkt aan verschillende socio-demografische variabelen. De analyses toonden aan dat het vaakst significante verbanden werden vastgesteld (meer dan 30) met de socio- demografische variabelen leeftijd, regio, betaald werk, politieke voorkeur, voorkeur voor commerciële of openbare media, en rechtsgebied. Met geslacht, inkomen, opleiding, burgerrechtelijke en/of strafrechtelijke ervaring, gezinssamenstelling, burgerlijke staat, en het volgen van het journaal en televisieprogramma‘s inzake justitie werden minder significante verbanden vastgesteld (tussen 20 en 30 significante verbanden). Met geloof en werken bij justitie werden tussen de 10 en 20 significante verbanden teruggevonden. Eén variabele oefende nooit een significante invloed uit, namelijk nationaliteit.

Tussen deze onafhankelijke variabelen onderling kunnen ongetwijfeld samenhangen worden teruggevonden. Zo kan een lage scholingsgraad bijvoorbeeld gepaard gaan met een lager inkomen of met het ontbreken van betaald werk. Ook kunnen leeftijd, gezinssamenstelling, burgerlijke staat, en zelfs de ervaring met justitie (ouder zijn verhoogt statistisch gezien de kans om te worden geconfronteerd met justitie, om weduwe/weduwnaar of uit de echt gescheiden te zijn, of om in een éénoudergezin te leven) onderling samenhangen.

V. HET NUT VAN OPINIEONDERZOEK IN VRAAG GESTELD

Wat kan men nu aanvangen met de resultaten van dit publieke opinieonderzoek? De internationale literatuur reveleert tegenstrijdige visies omtrent het nut van publieke opinie-onderzoek met betrekking tot justitie. Sommigen vinden het een onmisbaar instrument om te weten wat er leeft bij hun (doel)publiek, anderen vinden het een gevaar of op zijn minst een overbodige luxe als het over een algemeen goed gaat.

Toharia 24 betoogt dat tegenstanders van mening zijn dat het bevragen van de burger geen nut heeft. Binnen een parlementaire democratie ligt volgens de tegenstanders de verantwoordelijkheid voor het opstellen en uitvoeren van het (justitieel) beleid bij de volksvertegenwoordigers, die zich voldoende moeten informeren om met kennis van zaken beleidsbeslissingen te nemen. Omdat het justitieel systeem te complex is en te ver van de gemiddelde burger afstaat, kan de gemiddelde burger immers niet over deze kennis beschikken.

In deze discussie kan men zich afvragen wie men bedoelt als men het over de burger heeft. Er kan immers een onderscheid worden gemaakt tussen vier soorten van burgers of publieken («publics») die kunnen worden bevraagd. 25 Een eerste publiek bestaat uit de mensen die rechtstreeks beroepsmatig betrokken zijn bij het bevraagde object. Wanneer het object justitie is, zouden dit onder meer de rechters, de parketmagistraten en de griffiers kunnen zijn. Ten tweede zijn er de mensen die niet rechtstreeks beroepsmatig betrokken zijn maar zeker nog ruim geïnformeerd. Binnen het voorbeeld van justitie zijn dit advocaten, gerechtsjournalisten, beleidsmakers. Een derde groep zijn de «gebruikers» of de mensen die één of meer directe ervaringen hebben met justitie. Het vierde soort publiek bestaat ten slotte uit mensen die potentieel gebruiker zijn van het object maar er nog geen directe ervaring mee hebben. Deze laatste groep is de enige groep die niet over kennis over justitie beschikt die mede is totstandgekomen op basis van directe ervaringen. Het spreekt vanzelf dat zeker deze laatste groep niet dient te worden bevraagd vanuit het hierboven vermelde perspectief.

Voorstanders vinden echter dat het onmisbaar is te weten wat er leeft bij hun (doel)publiek. Een democratie houdt immers in dat alle burgers het recht hebben om hun mening over de overheidsinstellingen te uiten, ongeacht de ervaring die ze ermee hebben. Flanagan 26 gaat hierin verder en vindt zelfs dat de pleidooien over een democratie onzin zijn, tenzij de inzichten van het publiek een plaats krijgen binnen de beleidsvoering.

Sommige (beleids)mensen die een zekere terughoudendheid hebben ten aanzien van opinieonderzoek inzake overheidsinstellingen, vrezen dat de resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen worden misbruikt door politici. Deze vrees is niet geheel ten onrechte. Flanagan 27 meldt in dit verband dat: «Politicans use public opinion surveys in a manner that a drunk uses a lamppost, for support rather than illumination». De vraag die hier rijst, is of mogelijk misbruik opweegt tegen de beschikbaarheid van een extra bron van kennis om het beleid mede op te baseren en erover te communiceren.

Rekening houden met de mening van de bevolking (ongeacht de kennis terzake) betekent echter niet automatisch dat het beleid al de inzichten van het publiek blind moet volgen of bevragen (cf. supra). Zeker dient de «sociale legitimiteit» van justitie te worden bevraagd volgens de voorstanders. Op deze manier kan men nagaan of het justitieel systeem door de hele samenleving wordt gerespecteerd, of het gehoorzaamheid verdient, en of het geloofwaardig wordt gevonden. Concreet verwijst men hier naar vragen die betrekking hebben op de rechtvaardigheid, de toegankelijkheid of de eerlijkheid van en de gelijke behandeling door het justitieel systeem. Om deze vragen te beantwoorden, hoeft men geen specifieke kennis van justitie te hebben. Het gaat er immers om hoe justitie wordt ervaren, met andere woorden om het vertrouwen dat men stelt in justitie. 28 Inzicht in de sociale legitimiteit is belangrijk. Wanneer immers blijkt dat justitie vanuit de samenleving niet gelegitimeerd wordt, is het voor haar onmogelijk om haar functie op een effectieve wijze uit te oefenen. Deze zienswijze stemt overeen met de visie van Toharia. 29 Hij splitst de werking van justitie op in efficiëntie en effectiviteit aan de ene kant, en legitimiteit aan de andere kant. Justitie dient tijdig adequate oplossingen te bieden voor problemen die zich in de samenleving voordoen en deze ook succesvol te implementeren (efficiëntie en effectiviteit). Maar nog los daarvan blijft het fundamenteel dat justitie sociaal vertrouwen en geloof geniet van de burgers die de samenleving vormen. Om dit na te gaan, is het dan ook noodzakelijk om elk van de eerder genoemde groepen te bevragen.

In het licht van de korte schets omtrent de visies over het nut van publieke opinieonderzoek over justitie, moge duidelijk zijn dat de beleidsmakers alleen al door de financiering van het onderzoek een signaal geven interesse te betonen in de mening van haar burgers. De voorstelling van de resultaten tijdens een internationaal colloquium te Leuven in september 2003 leverde een vergelijkende context op. Het resultaat hiervan zal te lezen zijn in een boek dat weldra verschijnt.

VI. AANBEVELINGEN

Op middellange termijn stelt dit onderzoek zich voor ogen een wetenschappelijke basis te verschaffen die ten dienste kan staan van een evaluatie van justitie. Bovendien kunnen de resultaten als richtlijn dienen voor beleidsverantwoordelijken om beleidsrelevante, beleidsvoorbereidende en beleidsgerichte voorstellen te ontwikkelen ter hervorming en verbetering van de Belgische justitie.

Zoals reeds beklemtoond, dient voorzichtig te worden omgesprongen met onderzoek over de publieke opinie. Toharia 30 betoogt in dit licht dat «een opinieonderzoek zeker geen orakel is dat de bestaande waarheden openbaar maakt en oplossingen voor de problemen voorziet; het is veeleer een sociale thermometer, die een sociaal klimaat meet en op zoek gaat naar de houdingen van de bevolking». Met dit in het achterhoofd wordt in wat volgt, stilgestaan bij het voorliggend onderzoek. We formuleren enkele aanbevelingen die enerzijds slaan op het onderzoek zelf en anderzijds gericht zijn op het justitieel beleid.

A. Aanbevelingen ten behoeve van het publieke opinieonderzoek omtrent justitie

Allereerst dienen we er ons van bewust te zijn dat de verkregen resultaten het gevolg zijn van een momentopname en dat bepaalde gebeurtenissen een invloed kunnen hebben op (de houding van) het publiek. Fluctuaties in de resultaten van eerder uitgevoerd publieke opinieonderzoek bevestigen de mogelijkheid van dit soort beïnvloeding. 31 Bij de interpretatie van de bevindingen dient dit bijgevolg in rekening te worden genomen. Een analyse van kranten tijdens de periode van de afname kan hierbij een hulpmiddel zijn. Tijdens de dataverzameling van dit onderzoek hebben er zich geen ophefmakende zaken voorgedaan.

Bovendien is de eerste afname van de survey een «nulmeting». Een recurrente toepassing van de survey zal het mogelijk maken om aan de hand van de verkregen resultaten een aantal tendensen vast te stellen en meer diepgaande analyses uit te voeren. Om de resultaten van verschillende afnamen te vergelijken, is het noodzakelijk dat hetzelfde meetinstrument wordt gebruikt en volgens dezelfde methode wordt gewerkt.

Naast het feit dat huidig onderzoek momenteel enkel weergeeft hoe er over de Belgische justitie wordt gedacht, dient te worden vermeld dat kwantificerend onderzoek het niet altijd mogelijk maakt om gevonden houdingen en mogelijke verschillen in houding tussen groepen, te duiden en te verklaren. Bovendien kan men vanuit deze resultaten niet rechtstreeks beleidsopties distilleren om deze houding – waar opportuun – bij te sturen. Om deze problemen te ondervangen, werd een kwalitatief vervolgonderzoek opgezet. 32

Voorts kan het onderzoek worden aangewend als een behoeftenpeiling bij de verschillende «publieken van justitie». Daarbij wordt verwezen naar het onderscheid dat werd gemaakt door Toharia 33 tussen vier soorten van «publieken van justitie», namelijk de experten van justitie, die bestaan uit de professionele insiders (zoals rechters) en gerelateerde professionelen (zoals advocaten en gerechtsjournalisten) en de externen van justitie, die bestaan uit de actuele gebruikers en de potentiële gebruikers. Elk van deze publieken vertrekt vanuit een verschillende kennis en een verschillend belang. Zo zal de evaluatie van justitie door de zogenaamde experten berusten op een gedegen kennis van de materie. Daartegenover staat echter dat hun evaluatie mogelijk bevooroordeeld is vanuit een gevestigd belang of vanuit een emotioneel en ideologisch verlangen om de bestaande toestand te behouden. De experten zullen bovendien meer aandacht besteden aan justitie als functionele organisatie, terwijl de leken eerder denken vanuit justitie als dienstverlenend instituut. De inhoud van publieke opinieonderzoek is bijgevolg bepalend voor de waarde ervan. Opinieonderzoek dient zich niet louter te beperken tot de procedurele en technische aspecten van justitie, maar dient ook te peilen naar de graad van vertrouwen en de geloofwaardigheid van justitie in de ogen van de burger.

Voorliggend onderzoek heeft vooraf geen rekening gehouden met de opdeling in de vier soorten publieken. Wel werden de burgers bevraagd over hun mogelijke strafrechtelijke of burgerrechtelijke ervaringen met justitie en over hun mogelijke tewerkstelling binnen justitie. Aangezien de verschillende publieken antwoorden vanuit een verschillende behoefte, zou een doelbewuste opsplitsing van publieken een meerwaarde kunnen betekenen bij de verdere analyse en de interpretatie van de onderzoeksresultaten.

De noodzakelijkheid voor het bevragen van elk van de eerder genoemde groepen (publieken) ligt in het feit dat ook justitie sociaal vertrouwen en geloof dient te genieten van alle burgers die de samenleving vormen. Deze verschillende dimensies, namelijk efficiëntie en effectiviteit aan de ene kant en sociale legitimiteit aan de andere kant, werden ook eerder vermeld. 34 Op basis van de twee dimensies van justitie kunnen de houdingen ten aanzien van justitie in vier categorieën worden opgedeeld. Zo is het mogelijk dat (1) justitie als weinig efficiënt of effectief wordt gekenmerkt, maar toch een hoge legitimiteit geniet. Personen in deze categorie voelen zich voornamelijk teleurgesteld in de werking van het gerecht, maar blijven zich loyaal opstellen ten aanzien van het instituut. (2) Ook het omgekeerde is mogelijk, namelijk dat burgers menen dat de efficiëntie/effectiviteit van justitie heel hoog is, maar er niettemin weinig vertrouwen in hebben. Deze personen wankelen tussen kritiek en vervreemding. Daarnaast zijn er nog twee extreme posities: (3) degenen die justitie zowel als efficiënt/effectief als legitiem beoordelen; en (4) degenen die geen van beide aspecten vervuld zien, vervreemd zijn van justitie en er alles aan doen om er geen gebruik van te hoeven maken.

Huidig onderzoek bevatte reeds enkele vragen die de twee dimensies van justitie meten. Niettemin zou het bij een herhaling van de survey in de toekomst interessant zijn beide fundamentele dimensies expliciet te bevragen. Het onderscheid tussen efficiëntie/effectiviteit en legitimiteit is overigens ook zeer relevant voor beleidsverantwoordelijken. In tegenstelling tot wat meestal wordt voorgesteld, leidt een efficiënt/effectief werkende justitie immers niet noodzakelijk tot een hoger vertrouwen bij de bevolking.

B. Aanbevelingen ten behoeve van het justitieel beleid

Er werd reeds gewezen op de tegenstrijdige visies omtrent de waarde van het publieke opinieonderzoek en op de gevaren en de vrees voor de gevolgen van een populistisch beleid. We kunnen niet nalaten om hierop terug te komen en te beklemtonen dat de mening van de bevolking omtrent justitie, die in het algemeen gebaseerd is op lekenkennis, geen directe richtingaanwijzers voor beleidsvoorstellen omvat. Vaak resulteren publieke opinieonderzoeken immers in onduidelijke en zelfs elkaar tegensprekende houdingen. Publieke opinieonderzoek kan bijgevolg slechts als indirecte informatiebron en als oriënterend en diagnostisch instrument voor de planning inzake justitie fungeren. De resultaten van publieke opinieonderzoek kunnen in dit licht ideeën geven over de wijze waarop justitie gepercipieerd wordt in al haar aspecten. Ook de wijze waarop justitie wordt gepercipieerd door de verschillende publieken, geeft ons meer informatie. 35 J.J. Toharia haalt aan dat wanneer de experten van justitie, namelijk de professionelen en gerelateerde professionelen, positiever staan dan de externen, namelijk de actuele en potentiële gebruikers, men kan spreken van een communicatieprobleem binnen het instituut justitie. Justitie kan hier vervolgens op inspelen, waardoor ze een betere positie kan verkrijgen en haar imago kan verbeteren. Ook kan publieke opinieonderzoek bepaalde kwesties ophelderen en op deze manier bijvoorbeeld nagaan welke van verschillende beleidsalternatieven de voorkeur geniet en de diverse visies omtrent justitie inzichtelijk maken. 36 Het kan de grenzen aangeven waarbinnen het publiek vindt dat de overheid kan handelen. 37 Vaak wekken de resultaten van publieke opinieonderzoek verrassingen op voor de beleidsmakers, zowel in positieve als in negatieve zin. Wanneer de normen niet vooraf werden vastgesteld, wordt de beoordeling van de resultaten als goed of slecht bijzonder bemoeilijkt. Het vooraf opstellen van indicatoren en normen is echter evenmin een gemakkelijke opgave. Niettemin is dit de meest efficiënte manier om te bepalen waar men bijkomende inspanningen moet leveren, zonder dat deze bevraging aangeeft hoe men tewerk moet gaan om het resultaat op termijn te verbeteren. Des te meer is een recurrente afname van het meetinstrument onontbeerlijk. Slechts wanneer bepaalde tendensen en algemene patronen in de publieke opinie duidelijk zijn, kan met meer zekerheid worden beslist waarin men dient te investeren.

Ten slotte wil dit onderzoek uitnodigen tot een opendebatcultuur. De burger verwacht immers op de hoogte te blijven van het reilen en zeilen binnen justitie. Informatieverschaffing aan de burger komt ook publieke opinieonderzoek en bijgevolg justitiële beleidsverantwoordelijken ten goede. Op deze manier worden immers stereotiepe antwoorden tijdens surveys vermeden. 38 Daarnaast is het ook belangrijk om de signalen van de burger omtrent de werking en de perceptie van justitie op een georganiseerde manier te vatten. Vaak heeft justitiepersoneel een negatief vooroordeel dat er onder de bevolking een algemeen gebrek aan vertrouwen in het systeem heerst. Het is dus even noodzakelijk om justitiepersoneel te informeren over de publieke opinie als er noodzaak is de publieke opinie te informeren over justitie. 39 In dit licht is informatie inzake justitie een tweerichtingsverkeer.

Liesbeth WYSEUR

Jessica SCHOFFELEN

Geert VERVAEKE

Stephan PARMENTIER

Johan GOETHALS

Factulteit Rechtsgeleerdheid K.U.Leuven

1. Onderzoek in samenwerking met Universiteir van luik. Met dank aan R. Doutrelepont, G. Kellens, P. Biren, B. Cloet, M. Sintobin, T. Van Win, M. Vandekeere en M. Vanderhallen.

2. S. DE CLERCK, «Justitie dichterbij...in het justitiehuis? Toespraak van minister van Justitie Stefaan De Clerck tijdens een studiedag van de Koning Boudewijnstichting op 23 juni 1997», De orde van de dag. Criminaliteit en samenleving, 1998, 51-60.

3. S. PARMENTIER, De verwachtingen van de burgers ten aanzien van justitie. Een selecte inventaris van bestaand onderzoeksmateriaal in binnen- en buitenland, onuitgegeven, onderzoeksrapport K.U.Leuven, 1998, 13 p.

4. L. HUYSE en A. VERDOODT, «Naar nieuwe vormen van intermediatie tussen burgers en justitie», in B. VAN DONINCK, L. VAN DAELE en A. NAJI (red.), Het recht op het rechte pad?, Antwerpen, Maklu, 1999, 167-206.

5. L. HUYSE en A. VERDOODT(a), «Dertig jaar justitiebeleid. Kroniek van een aangekondigde crisis», Panopticon, 1999, 3-19.

6. M. SINTOBIN, M. VANDERHALLEN, G. VERVAEKE, S. PARMENTIER, J. GOETHALS, P. BIREN, R. DOUTRELEPONT, A. LEMAITRE, en G. KELLENS, «Constructie van de vragenlijst `Houding van de bevolking ten aanzien van justitie‘», Panopticon, 2004, 108-111.

7. P. GOFFIN en C. TSAMADOU en C.-S. VERSELE (red.), Opinions et attitudes à l‘égard de la justice, Brussel, Université Libre de Bruxelles, 1973, 146 p.

8. L. HUYSE et al., Een tweede witte mars. Brieven en petities voor de minister van Justitie, onuitgegeven, 1996, 5 p.

9. E. VERDUYCKT, De beeldvorming met betrekking tot justitie, dissertatie Katholieke Universiteit Leuven, onuitgegeven, 2002, 114 p.

10. M. ELCHARDUS en W. SMITH, «Vertrouwen. Het vertrouwen van de Vlamingen in de politiek, overheid en instellingen in tijden van affaires», in Vlaanderen gepeild!, Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1998, 45-91.

11. S. PLEYSIER, G. VERVAEKE, en S. PARMENTIER, «Het vertrouwen in `de‘ instelling: enkele beschouwingen», Panopticon, 2000, 63-79.

12. M. SINTOBIN, M. VANDERHALLEN, G. VERVAEKE, et al, l.c.

13. R.W. FAGAN, «Knowledge and support for the criminal justice system», Criminal Justice Review, 1988, 27-33; M.L. HENDERSON, F.T. CULLEN, L. CAO et al., «The impact of race on perceptions of criminal justice», Journal of Criminal Justice 1997, 447-462; T.J. FLANAGAN en D.R. LONGMIRE (red.), Americans View on Crime and Justice. A National Public Opinion Survey, Londen, Sage Publications, 1995, 219 p.; I. CRESPI, The public opinion process. How the people speak, London, Lawrence Erlbaum Associates, 1997, 190 p.

14. J. BILLIET en H. WAEGE (red.), Een samenleving onderzocht. Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Antwerpen, De Boeck, 2001, 251 p.

15. S. PARMENTIER, l.c.

16. J.J.M. VAN DIJK, «Publieke opinie en misdaad», Justitiële Verkenningen, 1978, 4-10; F. OCQUETEAU en C. PEREZ-DIAZ, «Public opinion, crime and criminal policies in France», Penal Issues: Research on crime and justice in France 1990, 7-9; R.W. FAGAN, ibid.; T.J. FLANAGAN en D.R. LONGMIRE, ibid.; I. CRESPI, ibid.; HENDERSON, F.T. CULLEN, L. CAO et al, ibid.

17. D.L. MORGAN, The focus group guide book, Thousand Oaks, Sage, 1998.

18. S. KVALE, Interviews: an introduction to qualitative research interviewing, Thousand Oaks, Sage, 1996.

19. M. SINTOBIN, M. VANDERHALLEN, G. VERVAEKE, et al, l.c.

20. Y. BRILLON, «La confiance des Canadiens dans la justice pénale», Canadian Journal of Criminology, 1985, 271-288; T.J. FLANAGAN en D.R. LONGMIRE, o.c.; H. GENN, Paths to justice: what people do and think about going to law, Oxford, Hart Publishing, University College London, The National Center for Social Research, Nuffield Foundation, 1999.

21. J.J.M. VAN DIJK, l.c.; F. OCQUETEAU en C. PEREZ-DIAZ, l.c.; R.W. FAGAN, l.c.; T.J. FLANAGAN en D.R. LONGMIRE, o.c.; I. CRESPI, l.c.; HENDERSON, F.T. CULLEN, L. CAO et al, l.c.

22. Men kan zich hiervoor richten tot de Programmatorische Overheidsdienst Wetenschapsbeleid, www.belspo.be.

23. In figuur 2 betekenen lagere waarden dat men meer vertrouwen heeft. Voor justitie, pers en Kerk brengt de vergelijking van de gemiddelden geen statistisch significant verschil aan het licht.

24. J.J. TOHARIA, «Evaluation systems of justice through public opinion: Why, what, who, how and what for?», in E.G. JENSEN en E. THOMAS (red.), Beyond common knowledge: empirical approaches to the rule of law, Stanford, Stanford University Press, 2003, 1-39.

25. L. VAN CAMPENHOUDT en Y. CARTUYVELS, Justitie in vraag gesteld. Onderzoeksconcept omtrent de verwachtingen van de burgers ten aanzien van justitie, Brussel, Facultés Universitaires Saint-Louis, 2000, 134 p.; J.J. TOHARIA, ibid.

26. T.J. FLANAGAN, Public Opinion, Crime and Justice: An American Perspective, paper voorgesteld op de International Conference on Public Opinion and the Administration te Leuven, september 2003, 20 p.

27. T.J. FLANAGAN en D.R. LONGMIRE (red.), o.c.

28. T.J. FLANAGAN, 2003, l.c.

29. J.J. TOHARIA, l.c.

30. J.J. TOHARIA, l.c.

31. T.J. FLANAGAN, 2003, l.c.

32. Op 1 juli 2003 startte het kwalitatief onderzoek «De survey voorbij», met financiering van de FOD. Wetenschapsbeleid, en uitgevoerd door dezelfde onderzoeksequipes van de K.U.Leuven en de Universiteit Luik.

33. J.J. TOHARIA, l.c.

34. J.J. TOHARIA, l.c.

35. J.J. TOHARIA, l.c.

36. T.J. FLANAGAN, 2003, l.c.

37. J.J.M. VAN DIJK, l.c.; T.J. FLANAGAN, 2003, ibid.

38. J.J. TOHARIA, ibid.

39. J. ROBERTS en M. HOUGH (red.), Changing Attitudes to Punishment. Public Opinion, Crime and Justice, Cullompton, Willan Publishing, 2002, 223 p.

Bespreking van dit werk door de uitgever:

Hugo Lamon legt de geheimen van het gerecht bloot voor een breed publiek: “Omdat justitie té belangrijk is om het alleen maar aan juristen over te laten.”

Na de zaak Dutroux werden de politiediensten in ons land grondig hervormd. De politieke wereld wilde hetzelfde doen met justitie, maar dat is niet gelukt. Justitie lijkt wel een kwaaie tante die het moeilijk heeft om zich aan te passen aan de 21ste eeuw.

Bij de term ‘het gerecht’, denken burgers nog al te vaak aan assisenzaken, zware strafzaken en gevangenissen. Toch is dat maar een klein onderdeel (zelfs een minderheid) van het werk bij de rechtbanken. Dit boek biedt een antwoord op vragen als: Hoe verloopt een procedure? Wie kent en begrijpt de wet? Is een procedure inspannen niet erg duur?

Justitie kan op weinig sympathie rekenen van de bevolking. Vooroordelen vieren hoogtij. Rechters zijn wereldvreemd, nemen lange vakanties, spreken een onbegrijpelijke taal en behandelen dossiers met een grote achterstand. Bovendien verloopt alles in het gerecht nog zoals in de 19de eeuw, want er zijn zelfs geen computers. Advocaten zijn er dan weer op gebrand om procedures te rekken, zodat ze meer ereloon kunnen aanrekenen. Wat klopt er van al deze stellingen en wat moet er écht veranderen bij justitie?

Dit boek richt zich tot een breed publiek. Het is onmisbaar voor al wie inzicht wil in de geheimen van het gerecht. Maar ook mensen van het recht zelf mogen dit spraakmakend stukje lectuur niet aan zich laten voorbijgaan. In zijn gekende satirische stijl, houdt de auteur alle spelers van het gerecht een spiegel voor en geeft hij zijn visie op de problemen en uitdagingen van justitie.

Recensie over De kwaaie tante Justitie in Ius et actoris, maart 2009

Recensie over 'De kwaaie tante Justitie' in De Standaard, 27 oktober 2008.

Recensie over 'De kwaaie tante Justitie' in de Gazet van Antwerpen, 6 oktober 2008.

TV Limburg over 'De kwaaie tante Justitie' van Hugo Lamon, 3 oktober 2008.

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: za, 21/05/2016 - 18:34
Laatst aangepast op: za, 21/05/2016 - 19:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.