-A +A

Hof van Beroep maakt veroordeling Yves Desmet ongedaan

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Flo Jelle
Tijdschrift: 
Juristenkrant
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015/308
Pagina: 
1
Samenvatting

De veroordeling van Yves Demet bij vonnis van 15 januari 2013 door de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, werd ongedaan gemaakt door het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 15 april 2015.

In haar arrest van 15 april 2015 stelt het Hof van Beroep te Antwerpen dat het opleggen van een schadevergoeding wegens een burgerrechtelijke fout door gebruik of misbruik van het recht op vrije meningsuiting en het persrecht, dient beoordeeld in concreto en dat aldus het recht op vrije meningsuiting en de persvrijheid primeert, zeker wanneer het toekennen van een schadevergoeding een afremmend effect zou hebben op het recht van vrije meningsuiting en de vrijheid van de pers in onze rechtstaat.

Een veroordeling tot schadevergoeding zou een chilling effect of afschrikkingseffect hebben op de vrije meningsuiting en de persrijheid en dient derhalve ten alle tijde vermeden.

In haar arrest stelt het hof verder dat een opinie op zich, weze het zelfs een kritische opinie, omwille van de persvrijheid en anders dan een berichtgeving, niet aan een waarheidsproef kan worden onderworpen.

Jelle Flo, Hof van Beroep maakt veroordeling Yves Desmet ongedaan, Juristenkrant 29 april 2015, pagina 1

Weergave van het arrest in NJW 324, 451

D.Y. appellant
tegen S.I., geïntimeerde
1. DE FEITEN

1.1. Aan haar eis tot schadeloosstelling zijn door S.I. volgende feiten ten grondslag gelegd:

– het persartikel van journalist D.Y., gepubliceerd in het dagblad De Morgen van 12 januari 2012 op pagina 23 onder de titel: “D.Y. ziet magistratuur met twee gezichten. De vele facetten van een diamantoorlog.”;

– het commentaar dat D.Y. op 15 januari 2012 gaf tijdens een televisieprogramma “Wakker op zondag” op de regionale televisiezender ATV.

Volgens S.I. bevatten het persartikel en de commentaar van D.Y. flagrant foutieve berichtgeving omtrent de feiten en eerrovende aantijgingen ten aanzien van haar echtgenoot Yves Liégeois, op dat ogenblik procureur-generaal te Antwerpen.

S.I. wrijt D.Y. eveneens aan dat hij verzuimde enig initiatief te nemen om zijn berichtgeving te corrigeren nadat het foutieve en eerrovende karakter daarvan gebleken was uit de gezamenlijke persmededeling van het parket-generaal te Antwerpen en van de procureur des Konings te Antwerpen van 19 januari 2012, uit de verklaring van de minister van justitie in het parlement op 25 januari 2012 en uit het verslag van de Hoge Raad voor de Justitie van 27 maart 2012. 1.2.

S.I. heet voorgehouden dat aan haar en aan haar kinderen door de handelwijze van D.Y. schade werd toegebracht. […]

4. BEOORDELING

4.1. S.I. heet de buitencontractuele aansprakelijkheid van D.Y. ten grondslag gelegd van haar eis tot schadeloosstelling (art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek).

Het behoort S.I. met toepassing van art. 1315 van het Burgerlijk Wetboek en art. 870 van het Gerechtelijk Wetboek het bewijs te leveren van de fout van D.Y., van haar schade en van het oorzakelijk verband tussen die fout en haar schade.

De beweerde fout van D.Y. – hoger beroep van D.Y.

4.2. Zoals voormeld wrijft S.I. D.Y. de schending aan van de goede naam en de eer van haar echtgenoot Yves Liégeois, toentertijd procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, door zijn uitlatingen als journalist in:

– zijn persartikel in het dagblad De Morgen van 12 januari 2012 op pagina 23 onder de titel: “D.Y. ziet magistratuur met twee gezichten. De vele facetten van een diamantoorlog.”;

– zijn mondelinge commentaar op 15 januari 2012 tijdens het programma “Wakker op zondag” op de regionale televisiezender ATV.

S.I. omschrijft de, volgens haar, foutieve handelwijze van D.Y. als volgt: “ door op 12 en 15 januari 2012 verzonnen feiten en verdachtmakingen aan het publiek te presenteren tegen PG Liégeois persoonlijk, met hevige aanval op zijn integriteit “, meer in het bijzonder door Yves Liégeois voor te stellen als: “… een partijdige PG pro diamantfraudeurs die misbruik maakt van zijn macht (intimidatie en boycot van een substituut)” en door “… de indruk van corruptie (… nl. ‘dealtjes’ met diamantfraudeurs, het beeld dat het bij Liégeois veel verder gaat dan ‘met pakjes volgeladen buitenkomen’ en een maaltijd aannemen van de diamantlobby).”

S.I. preciseert: “ nl. ** het verzonnen dispuut tussen Lié- geois en parket over schikken of vervolgen in de diamantfraudezaak HSBC, ** het verzonnen ‘dealtje’ tussen Liégeois en de diamantsector in HSBC, ** het onjuiste feit dat het Liégeois was die de huiszoekingen zou hebben laten uitvoeren, terwijl Liégeois niets te maken had met de beslissing tot huiszoekingen, ** dit bij de substituut die volgens D.Y. ‘niets kan verweten worden’ (terwijl bij deze substituut reeds meerdere procedures-onregelmatigheden waren vastgesteld: zie het verslag HRJ p. 12 voetnoot 28 en p.18, ), ** de onjuiste feitenvoorstelling met betrekking tot de zogenaamde verhuis naar het federaal parket, ** het verzinsel dat Liégeois de substituut van de diamantfraudezaak wilde ahalen, ** het verzinsel dat Lié- geois de huiszoekingen liet uitvoeren als drukkingsmiddel om de substituut te intimideren om tegen de wil van deze laatste een ‘dealtje’ door te drukken, …”.

S.I. voert aan dat D.Y. procureur-generaal Yves Liégeois, haar echtgenoot, op lichtzinnige wijze onterecht in diskrediet heet gebracht en mee een lastercampagne heet gelanceerd, terwijl hij niet op feiten maar enkel op verzinsels steunde en zelfs geen poging ondernam om van betrokkene enige verduidelijking te krijgen. 4.3. D.Y. betwist de aantijgingen van S.I.

Hij ontkent een fout gemaakt te hebben in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek door zijn voormeld persartikel en televisiecommentaar. Hij steunt zijn verweer op het fundamentele recht op vrije meningsuiting (art. 19 en 25, 1ste lid van de Grondwet en art. 10.1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens – EVRM).

Hij beklemtoont dat zijn artikel in De Morgen een opiniestuk was in het kader van het maatschappelijk debat dat gaande was over de ahandeling door het Openbaar Ministerie van de iscale fraude in Antwerpse diamantmiddens.

Volgens D.Y. heet hij in zijn persartikel van 12 januari 2012 en in zijn tussenkomsten tijdens het televisiedebat op 15 januari 2012 enkel zijn opinie/mening (waardeoordeel) uitgedrukt over het optreden van de procureur-generaal in de HSBCdiamantzaak en in het bijzonder over de, naar zijn oordeel, bestaande onverenigbaarheid tussen het standpunt van procureur-generaal Yves Liégeois m.b.t. sociale fraude enerzijds en m.b.t. de iscale fraude in het diamantmilieu anderzijds.

Deze beweerdelijk onverzoenbare standpunten van de procureur-generaal heet D.Y., naar hij voorhoudt, ertoe gebracht zijn commentaren te beëindigen met de stelling dat men het “haast een schijn van partijdigheid zou kunnen noemen. Of mocht het woord niet zo oudmodisch klinken, pure klassenjustitie.”

Naar D.Y. beweert, werd in het bestreden vonnis ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen feiten en waardeoordelen en werd het bewijs van zijn zogenaamd onrechtmatig optreden verkeerdelijk aangenomen op grond van de afwezigheid van bewijs van de waarheid van zijn opinies. D.Y. betwist niet dat de inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm, naast de overtreding van een speciiek wettelijke norm, de toetssteen kan zijn bij de beoordeling van het al dan niet onrechtmatig optreden van de journalist, maar besluit dat in onderhavig geval te zijnen laste geen inbreuk op deze normen bewezen is.

4.4. Anders dan de eerste rechter, oordeelt het hof dat de door S.I. gevorderde veroordeling van D.Y. wel degelijk de vrijheid van meningsuiting en/of de persvrijheid raakt. De toewijzing van het gevorderde, dat de veroordeling beoogt tot het betalen van een schadevergoeding aan een persoon die een derde is in die zin dat deze niet degene is waarover de pers op de gewraakte wijze heet geschreven en gesproken, houdt immers ontegensprekelijk een belemmering en een ontmoediging in van de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting (het zogenaamde “chilling efect” – vrij vertaald: het afschrikkings-effect).

De beweerde onrechtmatigheid van journalist D.Y. moet derhalve wel degelijk beoordeeld worden in het licht van het recht op vrije meningsuiting en de persvrijheid (art. 10 EVRM).

4.5. De grondwettelijke en internationaalrechtelijke waarborgen van vrije meningsuiting en persvrijheid staan de toepassing van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid overeenkomstig art. 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek niet noodzakelijk in de weg.

De beoordeling van het al dan niet onrechtmatig handelen van een journalist is evenwel onlosmakelijk verbonden met het recht op vrijheid van meningsuiting en met de plichten en verantwoordelijkheden die de uitoefening van dit recht met zich brengt, zoals omschreven in artikel 10.1 en 10.2 EVRM.

Krachtens art. 10.2 EVRM kan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, die de vrijheid omvat om inlichtingen of denkbeelden door te geven en plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn, onder meer tot bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

Art. 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek verschaft de wettelijke basis waarvan de noodzaak door het art. 10.2 EVRM wordt aangewezen.

In het geval een eis tot schadeloosstelling wordt gesteund op art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek wegens schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm geldt het optreden van een normaal voorzichtige en bedachtzaam journalist, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, als norm.

De beperking van de vrijheid van meningsuiting, die kan voortkomen uit de toepassing van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek, is overeenkomstig art. 10.2 EVRM nodig wanneer deze beperking beantwoordt aan een dwingende sociale noodwendigheid, op voorwaarde dat de proportionaliteit wordt geëerbiedigd tussen het aangewende middel en het beoogde doel en de beperking verantwoord is op grond van relevante en toereikende motieven.

4.6. Journalist D.Y. haalde zowel in zijn artikel in De Morgen van 12 januari 2012 als bij zijn mondelinge tussenkomsten tijdens het televisieprogramma ‘Wakker op zondag’ van 15 januari 2011 fel uit naar procureur-generaal Yves Lié geois. In zijn persartikel en/of tijdens het televisiedebat schreef en/of verklaarde D.Y. o.m.:

– (na verwijzing naar televisiebeelden waarop te zien is “… hoe met pakjes volgeladen rechters buitenkomen op een bezoek aan een tempel die gebouwd is met diamantgeld, een bezoek dat geregeld werd door mensen die in of nauw bij de diamantlobby betrokken zijn, waarbij die lobby eerst ook nog een maaltijd aanbiedt, …”)
“Veel ingrijpender is de magistratenoorlog over de methodiek en de te volgen strategie bij het behandelen van de meer dan forse diamantfraude”;

– “De huiszoeking die procureur-generaal Liégeois liet uitvoeren bij substituut Van Calster is niet alleen ongezien, de uitleg dat dit enkel gebeurde om procedurefouten te vermijden, klinkt bijzonder ongeloofwaardig.”

– “Er tekent zich een duidelijk patroon af waarbij het parket-generaal van Antwerpen een substituut die tot nu toe helemaal niets verweten kan worden, van de zaak wil halen.”

– “De reden waarvoor is niet eens zo ver te zoeken: de substituut wil dat een zetelende rechter zich uitspreekt over een boete of een straf voor de diamantairs, de procureur-generaal wil zelf een schikking trefen met de sector en hen toelaten zo hun proces af te kopen.”

– “Alleen valt dan wel het onmetelijke contrast op tussen de zachte manier waarop de procureur-generaal de diamantfraude wil aanpakken en de moeite die hij neemt om een substituut die daar anders over denkt te intimideren en de bikkelharde manier waarop hij andere fraudegevallen benadert.”

– “Sociale noch fiscale fraude moet geduld of gedoogd worden, beide verdienen een even strenge aanpak. Maar voor de procureur-generaal is het ene gelijk aan ‘het einde van de democratie’ en verdient het andere blijkbaar een behandeling, bijna een bescherming met luwelen handschoenen.”

– “Je zou het haast een “schijn van partijdigheid” kunnen noemen. Of, mocht het woord niet zo oudmodisch klinken, pure klassenjustitie.”

Het is, naar het oordeel van het hof, ontegensprekelijk dat deze scherpe bewoordingen en de context waarin ze werden gebruikt, de integriteit van procureur-generaal Liégeois op zijn minst in vraag stelden en zijn goede naam hebben ondermijnd.

De nuancering om gewag te maken van “haast een schijn van partijdigheid” doet niet af aan de, voor procureur-generaal Liégeois nadelige perceptie die door het geheel van het artikel en door zijn uitlatingen bij de lezers van het dagblad De Morgen en bij de ATV-kijkers is gewekt.

Het hof houdt enerzijds wel rekening met het gegeven dat procureur-generaal Liégeois een openbaar ambt vervulde en het om die reden normaal is dat de kritische blikken van de pers meer op hem dan op een gewone burger zijn gericht, maar anderzijds ook met het feit dat zo’n aanval op zijn integriteit hem als magistraat bijzonder kon raken en dat hij uit de aard van zijn opdrachten beperkt was in zijn verweer, zeker in de loop van een strafonderzoek.

S.I. haalt bovendien aan dat de fout van D.Y. er ook in bestond dat zijn persartikel en zijn tv-commentaar onwaarheden en verzinsels bevatten. D.Y. werpt tegen dat zijn persartikelen en zijn tussenkomsten tijdens het voormelde televisiedebat opiniebijdragen waren en derhalve waardeoordelen inhielden en niet als objectieve berichtgeving omtrent de feiten werden voorgesteld.

Hij voert aan dat hij zijn mening heet weergegeven en ten aanzien daarvan in het bestreden vonnis ten onrechte een bewijs van waarheid en van objectiviteit werd geëist.

Het hof stelt vast dat het persartikel van D.Y. en zijn tussenkomsten in het televisieprogramma hun plaats hadden in een ruimer maatschappelijk debat, dat in die dagen ontstond naar aanleiding van een onderzoek naar een grote iscale fraude in een belangrijke economische sector van het land, met name in de diamantsector.

Het betrof ontegensprekelijk een debat met een aanzienlijk maatschappelijk belang. In dit verband heet D.Y. zijn persoonlijke mening uitgedrukt en waardeoordelen geformuleerd met betrekking tot toestanden waarvan hij dacht dat deze zich in het strafonderzoek voordeden. Over de opiniërende strekking van zijn bijdragen kan geen twijfel bestaan.

Deze komt zowel door de vorm (plaats van het artikel in de krant onder de hoofding “De Gedachte” en door de aanwijzing van D.Y. als “politiek commentator”) als door de inhoud duidelijk tot uiting. De persvrijheid verzet er zich tegen dat een kritische opinie op zichzelf, anders dan bij de loutere berichtgeving omtrent de feiten, aan een waarheidsproef zou worden onderworpen.

Meningen zijn beschermd, ook deze die niet neutraal zijn of onwelgevallig zijn. Dat neemt echter niet weg dat het criterium van de waarheidsgetrouwheid ook van invloed kan zijn op een waardeoordeel in de mate dat het oordeel steunt op als vaststaand voorgestelde feiten.

De mate waarin de mening of het waardeoordeel van de journalist wordt gesteund op onjuiste feiten, kan een element zijn bij de toetsing van zijn optreden aan de algemene zorgvuldigheidsnorm.

S.I. houdt in dit verband voor dat D.Y. zijn opinies heet gesteund op volgende in strijd met de waarheid weergegeven feiten:

– dat het conlict tussen procureurgeneraal Liégeois en substituut-procureur des Konings Van Calster erin bestond dat de eerste er naar streefde zelf een schikking te treffen met de diamantsector (een “dealtje” te sluiten) en hen toe te laten “hun proces af te kopen”, terwijl de tweede de strafrechtelijke vervolging beoogde en wilde dat een zetelende rechter zich zou uitspreken over een boete of een straf voor de frauderende diamantairs.

– dat procureur-generaal Yves Lié- geois poogde het HSBC-dossier naar het federale parket te doen verhuizen en dat het parket-generaal een substituut-procureur des Konings “die tot nu toe helemaal niets verweten kan worden van de zaak wil halen”.

– dat procureur-generaal Yves Li- égeois in het kader van een tegen substituut-procureur des Konings Van Calster ingesteld gerechtelijk onderzoek bij laatst-genoemde een huiszoeking liet uitvoeren.

Met betrekking tot de beweerdelijk verkeerde voorstelling door D.Y. van het conlict dat was ontstaan binnen het Openbaar Ministerie in verband met het dossier (schikken versus vervolgen), merkt het hof het volgende op. Uit het verslag van het bijzonder onderzoek van de Hoge Raad voor de Justitie van 27 maart 2012 is gebleken dat die voorstelling van zaken feitelijk onjuist was. De Hoge Raad voor de Justitie kwam na onderzoek o.m. tot het volgende besluit:

– “… De procureur-generaal was echter van oordeel dat het noodzakelijk was om te onderzoeken of de tijdens het opsporingsonderzoek gevolgde werkwijze baan zou kunnen houden bij de verdere vervolging.

Na nazicht van het opsporingsonderzoek was er volgens het parket-generaal geen andere weg meer mogelijk dan een gerechtelijk onderzoek te vorderen om de volledige transparantie te herstellen en de aanwijzingen van mogelijke misdrijven te onderzoeken op een neutrale en objectieve wijze, à charge en à décharge.

De actie ondernomen door de procureur-generaal blijkt te zijn ingegeven door zijn vrees dat zonder dit gerechtelijk onderzoek, dat opnieuw transparantie zou moeten brengen in alle handelingen die het parket stelde of waartoe opdracht werd gegeven, een verder opsporingsonderzoek de toets van de regelmatigheid niet zou doorstaan ” (verslag HRJ van 12 maart 2012, p. 21),

– “… Bij nader toezien gaat het niet zozeer om een principieel tegengestelde visie (vervolgen versus schikken), maar wel over de vraag hoe ver en hoe diep men in het onderzoek wil gaan teneinde weliswaar maximaal resultaat te halen, doch met een toenemend risico op onbeheersbaarheid en overschrijden van de redelijke termijn. (…)

Het is duidelijk dat noch het parket-generaal, noch het parket tegen het gebruik zijn van de techniek van de verruimde minnelijke schikking, wel integendeel. Er is wel een verschillende zienswijze over het ogenblik waarop de onderhandelingen hierover dienen te worden opgestart en voor welke fraudegevallen dit dient te gebeuren. Het parket-generaal en Christiaan Nys laten zich hierbij eerder leiden door een zorg voor het beheersbaar houden van de omvang van het dossier en de termijnen. Peter Van Calster is eerder “vervolgingsgezind” waardoor een snelle ahandeling secundair lijkt. Hij lijkt er de voorkeur aan te geven om eerst het volledige dossier rond te hebben om dan pas onderhandelingen op te starten….” (verslag HRJ van 12 maart 2012, p. 24-25).

Volgens S.I. wist D.Y., of moest hij alleszins weten, dat de door hem weergegeven feiten van het conlict in kwestie onjuist waren.

Het resultaat van het voormelde onderzoek van de Hoge Raad voor de Justitie was niet gekend ten tijde van de publicaties van D.Y. S.I. verwijst evenwel naar de verklaring van de Minister van Justitie in het radioprogramma “De ochtend” van 11 januari 2012, naar de persmededeling van het parket-generaal van 11 januari 2012, naar de verklaring van de procureur des Konings te Antwerpen op ATV van 13 januari 2012 en de verklaring van de Minister van Justitie tijdens het televisiedebat van ATV op 15 januari 2012.

In deze verklaringen en mededelingen werd telkens ontkend dat het conlict binnen het Openbaar Ministerie bestond in de keuze tussen de optie “schikken” of “vervolgen”. Het hof leest in het gewraakte persartikel van D.Y. wel degelijk, weze het een summiere, verwijzing naar het oficiële standpunt met betrekking tot het gerechtelijk onderzoek dat tegen een substituut-procureur des Konings door het parket-generaal werd gevorderd (“… de uitleg dat dit enkel gebeurde om procedurefouten te vermijden…”).

D.Y. heet deze “… uitleg …” terzijde geschoven als “… bijzonder ongeloofwaardig …”. Door deze bewoordingen heet hij echter enkel zijn mening, mogelijk een niet-gefundeerde mening, uitgedrukt.

Wel rijst de vraag of D.Y. de feitelijke grondslag van zijn mening heet onderzocht in de mate zoals dat door een normaal voorzichtig en bedachtzaam journalist, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, zou worden gedaan (art. 2 van de code van de Raad voor de Journalistiek).

Deze vraag is des temeer ter zake dienend omdat het gewraakte persartikel van betrokkene en zijn mondelinge tussenkomsten tijdens een televisie-uitzending ontegensprekelijk verdachtmakingen inhielden m.b.t. de integriteit van de geviseerde persoon en in zo’n geval ongegronde verdachtmakingen of beschuldigingen moeten worden vermeden (art. 25 van de code van de Raad voor de Journalistiek).

D.Y. heet in dit verband in zijn conclusie aangevoerd dat hij “… de reeds verschenen berichten bestudeerde en de daaraan gerelateerde informatie…” om zijn opiniestuk te schrijven. In het artikel in De Morgen heet hij deze verwijzing niet opgenomen. Tijdens het televisieprogramma in kwestie verwees hij wel naar een interview in het dagblad De Tijd van een medewerkster van één van de protagonisten van de zogenaamde diamantoorlog. Het is niet aangetoond dat aan procureur-generaal Yves Liégeois de kans werd geboden om hierop te reageren of zijn standpunt te verduidelijken (art. 20 van de code van de Raad voor de Journalistiek). Aldus werd klaarblijkelijk gesteund op eenzijdige informatie.

Het hof besluit dat S.I. slaagt in het bewijs dat journalist D.Y. zijn gepubliceerde mening over de oorzaak van het conlict, dat binnen het Openbaar Ministerie was ontstaan i.v.m. het HSBCdossier, heet laten steunen op onjuiste feiten die hij niet naar waarheid had onderzocht, zoals een normaal voorzichtig en bedachtzaam journalist, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, zou gedaan hebben.

Met betrekking tot de bewering van D.Y. dat procureur-generaal Yves Liégeois poogde het HSBC-dossier naar het federale parket te doen verhuizen, merkt het hof op dat uit het onderzoek van de Hoge Raad voor de Justitie blijkt dat er op 10 november 2011 een bespreking plaats vond te Brussel tussen de eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen en vertegenwoordigers van de federale gerechtelijke politie over een mogelijke federalisering van het HSBC-dossier. Het aangehaalde feit blijkt dus juist te zijn. In zijn artikel poneerde D.Y. evenwel met verwijzing naar deze bespreking dat er zich een duidelijk patroon atekende, waarbij het parket-generaal van Antwerpen “een substituut die tot nu toe helemaal niets verweten kan worden, van de zaak wil halen” omdat deze in de HSBC-zaak wilde vervolgen. In het verslag van de Hoge Raad voor Justitie van 27 maart 2012 is met betrekking tot deze bespreking aangehaald dat, voorafgaand aan de bespreking te Brussel, werd overlegd tussen de procureur-generaal en de procureur des Konings met betrekking tot de federalisering van het dossier HSBC. In hetzelfde verslag is verwezen naar de redenen die voor dit initiatief werden gegeven, met name om met meer capaciteit op de zaak te kunnen werken, omdat in andere arrondissementen eveneens opsporingsonderzoeken waren gestart met betrekking tot HSBC en om een einde te maken aan de spanning of de strijd tussen substituut-procureur des Konings Van Calster en zijn diensthoofd eerste substituut-procureur des Konings Nys (voormeld verslag van de Hoge Raad voor de Justitie van 27 maart 2012, p. 19).

Het intentieproces dat D.Y. de procureur-generaal en het parket-generaal in de schoenen schoof, te weten: “Er tekent zich een duidelijk patroon af waarbij het parket-generaal een substituut die tot nu toe niets verweten kan worden, van de zaak wil halen….”, was derhalve onbestaande. Journalist D.Y. kan niet aangewreven worden dat hij niet alle feiten kende die later uit het onderzoek van de Hoge Raad voor de Justitie zijn gebleken.

Het was echter wel onvoorzichtig feiten te poneren, waarvan voorzienbaar is dat ze de integriteit van een persoon zouden aantasten, zonder voldoende feitenkennis.

De inspanning die zou geleverd zijn om deze feiten te kennen, te weten het onderzoek van andere krantenartikels, inzonderheid het interview met één van de betrokkenen, was ontoereikend om zo’n ernstige verdachtmakingen te publiceren.

Met betrekking tot de bewering van D.Y. dat procureur-generaal Yves Liégeois een huiszoeking liet uitvoeren bij substituut-procureur des Konings Van Calster, staat het vast dat deze bewering onjuist was.

Uit het verslag van het onderzoek van de Hoge Raad voor de Justitie van 27 maart 2012 blijkt dat de procureur-generaal wel een gerechtelijk onderzoek vorderde, doch niet expliciet om huiszoekingen vroeg.

De beslissing om een huiszoeking uit te voeren werd in alle onafhankelijkheid genomen door de raadsheer-onderzoeker.

Ook al betreft het een juridisch technische aangelegenheid en is de onderzoekmogelijkheid van de journalist beperkt door het geheim van het strafonderzoek, toch blijft het zeker dat de bewering van journalist D.Y. feitelijk onjuist was en dat hij klaarblijkelijk geen enkel initiatief nam om de juistheid ervan te onderzoeken, zoals door de uitnodiging van de geviseerde persoon tot toelichting en tegenspraak, terwijl hij dit feit toch als vaststaand gebruikte tot staving van zijn uitgedrukte opinie.

4.7. Naar het hof oordeelt, heet S.I. aangetoond dat journalist D.Y. niet handelde als een normaal zorgvuldig journalist, door in zijn opiniebijdrage in het dagblad De Morgen van 12 januari 2011 en door zijn tussenkomsten in het televisiedebat van ATV op 15 januari 2011 feiten aan te halen die dienden om zijn meningen of waardeoordelen te ondersteunen, die voorzienbaar kwetsend waren voor de geviseerde persoon, procureur-generaal Yves Liégeois en die onjuist waren of waarvan hij, binnen de grenzen van het redelijke en het mogelijke, onvoldoende het waarheidsgehalte had onderzocht. Hij beging een onrechtmatigheid in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek. De eis van S.I. tot schadeloosstelling en art. 10, 1ste en 2de lid EVRM.

4.8. De vraag rijst vervolgens of de voormelde fout te dezen, in geval de schade van S.I. en het oorzakelijk verband tussen die fout en die schade nog zouden bewezen worden, moet doen besluiten tot de schadeloosstellingsplicht, die S.I. beoogt te doen nakomen, het art. 10 EVRM in acht genomen.

De toepassing van art. 10.1 en 10.2 EVRM geniet in de regel voorrang op de toepassing van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Te dezen stelt het hof vast dat S.I. geen vergoeding vordert van schade door weerkaatsing, te weten morele schade die zij zou geleden hebben door het morele leed dat zij bij haar echtgenoot Yves Liégeois waarnam, voortspruitend uit de aantasting van zijn eer en goede naam.

Zij vordert vergoeding van schade die ze zelf persoonlijk heet geleden ingevolge de beweerde blootstelling aan de openbare verachting, die zij zelf heet ondervonden, uit oorzaak van de publicaties van D.Y. Zij wijst ook op de omstandigheid dat ze zelf rechter is.

Zij haalt tot bewijs een incident aan dat zich in een bejaardentehuis voordeed, waarbij een resident haar aansprak met een verwijzing naar de geschriften en de commentaren van D.Y. op een wijze die haar reputatie en integriteit beschadigde. Behoudens dit ene, als bewezen aan te nemen feit, verwijst ze enkel in het algemeen naar de openbare verachting in haar woonbuurt, waarvan zij het slachtoffer zou geweest zijn.

Zoals voormeld, oordeelt het hof dat het opleggen van een schadevergoeding ingevolge een civielrechtelijke onrechtmatigheid, begaan bij het gebruik (misbruik) van de persvrijheid, een beperking inhoudt van het recht op vrije meningsuiting en van de persvrijheid wegens het zogenaamde afschrikkingseffect of “chilling-effect”.

Deze beperking wordt groter naarmate een meningsuiting zou worden gesanctioneerd die gericht is op een andere persoon dan degene die door die meningsuiting is geviseerd. Het hof stelt vast dat de naam van S.I. in het gewraakte persartikel en televisie-uitzending niet werd genoemd en er ook geen enkele allusie op haar naam of persoon werd gemaakt.

Het is zeker dat de individuele rechten van S.I., haar eer en goede naam, derhalve niet rechtstreeks kunnen geschaad zijn door het persartikel en de tv-commentaar van D.Y., omdat zij geen enkel opzicht voorwerp was van de gewraakte meningsuiting.

Het recht op de goede naam waarvan S.I. de bescherming inroept door middel van een schadeloosstelling, met een beperking van de vrije meningsuiting tot gevolg, betret te dezen het recht van een individu dat geen voorwerp was van de gewraakte vrije meningsuiting, maar dat voorhoudt ingevolge de reactie van het publiek hierdoor op zijdelingse wijze geschaad te zijn.

Desbetrefend wordt te dezen door S.I. in het algemeen gesproken van de publieke verachting waarvan zij het slachtofer werd, doch slechts één incident dat haar persoonlijk raakte wordt bewezen.

De uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting kan krachtens art. 10.2 EVRM aan beperkingen worden onderworpen die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn, onder meer tot bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

Het hof stelt vast dat het gewraakte persartikel en de televisiecommentaar van D.Y. een aangelegenheid betrofen van algemeen maatschappelijk belang.

Het geviseerde strafonderzoek richtte zich op een grootschalige fiscale fraude in een belangrijke economische sector. Het maatschappelijk belang was des temeer aanwezig omdat de kritiek van journalist D.Y. zich richtte op de wijze waarop het Openbaar Ministerie en in het bijzonder de hoogste magistraat van het Openbaar Ministerie van het ressort waarin het strafonderzoek werd gevoerd, in die zaak opereerde.

Bij de afweging van de bescherming van het beweerdelijk geschonden individueel recht van S.I. en de bescherming van het recht op vrije meningsuiting m.b.t. een toentertijd actuele aangelegenheid van algemeen maatschappelijk belang, overweegt de bescherming van dit laatst vermelde recht. S.I. levert geen afdoend bewijs dat de beperking van de vrije meningsuiting, die uit de toewijzing van haar eis met zekerheid zou voortvloeien, beantwoordt aan een dwingende sociale noodwendigheid en pertinent is.

De individuele aanspraak wijkt in de concrete omstandigheden van onderhavig geschil voor de bescherming van een recht dat het algemeen belang betret. De overheidsinmenging, die zou voortkomen uit de toewijzing van de eis van S.I. – het weze haar hoofdeis of haar ondergeschikte eis – zou verregaand zijn, vermits deze een beperking van de persvrijheid zou impliceren naar aanleiding van een zaak met ontegensprekelijk maatschappelijk belang in een democratische rechtsstaat, meer bepaald de in het persartikel geformuleerde kritiek op de werking van de rechterlijke macht en zou disproportioneel zijn ten aanzien van de gevraagde bescherming van een individueel belang dat, zoals te dezen, slechts zijdelings kan geraakt zijn en waarvan slechts een beperkte schending aannemelijk is gemaakt.

Het hof beslist dat de bescherming van het recht op vrije meningsuiting en de persvrijheid, zoals in art. 10.1 en 10.2 EVRM verankerd, in de concrete omstandigheden van onderhavig geschil de toepassing van art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek in de weg staat.

Het hoger beroep van D.Y. is gegrond.

Het incidenteel beroep van S.I. is ongegrond.

5. BESLISSING […] Het hof verklaart het hoger beroep van D.Y. toelaatbaar en gegrond. Het hof verklaart incidenteel beroep van S.I. toelaatbaar doch ongegrond. Het hof hervormt het bestreden vonnis. Het hof verklaart de oorspronkelijke eis van S.I. ongegrond. […]

Noot Eric Brewaeys PERSVRIJHEID: FEITEN EN WAARDEOORDELEN, NJW 324, 457
 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: di, 05/05/2015 - 12:46
Laatst aangepast op: wo, 10/06/2015 - 14:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.