-A +A

Het vermoeden van onschuld (de ontwerpmercuriale van procureur-generaal Patrick DUINSLAEGER)

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
DUINSLAEGER P.
Samenvatting

Dit ontwerp van mercuriale vat aan met een begripsomschrijving van het "vermoeden van onschuld" en een rechtshistorische situering. Vervolgens worden de internationale en nationale formele bronnen waarin het vermoeden van onschuld is verankerd opgelijst en geduid. Ten slotte volgt een omstandige analyse van de interpretatie en toepassing van het vermoeden van onschuld door diverse internationale instanties – het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en Het Hof van Justitie – en nationale instanties – het Grondwettelijk Hof, de Raad van State en het Hof van Cassatie.

Integrale rede met commentaar in pdf

In het ontwerp van mercuriale staat geen besluit. De mercuriale werd in onafgewerkte staat teruggevonden op de PC van PG Duynslaeger bij zijn overlijden op 27 juni 2016 teruggevonden en wordt afgedrukt in de staat waarin deze gevonden wordt.

Aldus is onderhavige rede bij wijze van eerbetoon geheel gewijd aan wat procureur-generaal DUINSLAEGER voor het Hof en de rechtswereld heeft betekend.

P. Duinslaeger, Het vermoeden van onschuld (deel 1) RW 2017, 643
P. Duinslaeger, Het vermoeden van onschuld (deel 2) RW 2017, 683

«L’innocence a parfois l’apparence du crime»

Inhoudstafel: 
Het vermoeden van onschuld
 
Een eerbetoon aan wijlen procureur-generaal Patrick DUINSLAEGER: zijn ontwerpmercuriale en een kijk op zijn conclusies en beleid.
 
I. Voorwoord.
 
Op 27 juni 2016 overleed procureur-generaal DUINSLAEGER. Zijn overlijden kwam voor velen onder ons over als een schok, ook al was de procureur-generaal al een tijd ziek.
 
Wellicht hebben velen, wanneer zij werden geconfronteerd met het lot van de procureur­generaal, onwillekeurig gedacht aan De dood van Ivan Iljitsj van auteur Tolstoj. Ook Ivan Iljitsj was een hooggeplaatst magistraat. Ook Ivan Iljitsj werd plots en onverwacht geconfronteerd met een ongeneeslijke ziekte. Ook Ivan Iljitsj ontsnapte niet aan de dood.
 
Nochtans mag de parallel niet overroepen worden. Ivan Iljitsj maakte in de loop van zijn ziekte een grote crisis door. Hij twijfelt aan de zin van zijn leven. Pas in de aanschijn van de dood vraagt hij zich ernstig af of hij wel goed heeft geleefd. Gedurende zijn ziekte heeft hij een enorme, allesoverheersende doodsangst. Pas kort voor zijn overlijden, komt hij in het reine met zichzelf, verdwijnt de doodsangst, en komt in plaats van de dood licht.
 
Voor ons was procureur-generaal DUINSLAEGER al lang voor zijn dood begiftigd met het licht van het inzicht. En dat blijft ook na zijn dood uitstralen.
 
Het is geweten dat de procureur-generaal ondanks zijn gezondheidstoestand elk dag aan het werk bleef. Het was niet geweten dat de procureur-generaal al aan het werken was aan een toekomstige mercuriale.
 
Inderdaad, bij het nazicht van de PC van de procureur-generaal werd een ontwerp van mercuriale ontdekt over het vermoeden van onschuld. Aldus bleek de procureur-generaal na zijn mercuriale van 2015 over het recht op wapengelijkheid, een volgend fundament van het strafprocesrecht tegen het licht te willen houden.
 
Ik heb ervoor geopteerd de tekst publiek te maken zoals we hem gevonden hebben. Onafgewerkt, uit respect voor Patrick. ( cf. deel II)
 
In zijn mercuriale van 2014, getiteld "Enkele bedenkingen omtrent Justitie" ging procureur­generaal DUINSLAEGER in op artikel 345, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, volgens hetwelk de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, of een van de advocaten-generaal die hij daarmee belast heeft, een rede houdt over een bij die gelegenheid passend onderwerp.
 
Na het overlopen van enkele mogelijke doelstellingen en stijlen van redes, geeft de procureur-generaal te kennen dat volgens hem actueel moet worden gedacht aan
 
redes die een (meer) direct meetbaar nut vertonen, zoals een overzicht van de evolutie van de rechtspraak van het Hof in een bepaald domein, opgesteld in een klare, simpele en functionele stijl en zonder hoogdravendheid,
 
of aan mercuriales die er eerder op gericht zijn een beeld te scheppen van de actuele toestand van Justitie in het algemeen of van het Hof in het bijzonder, waarbij de pijnpunten worden belicht en zo mogelijk een begin van oplossing wordt voorgesteld, zonder al te veel overlappingen met het jaarverslag en het wetgevend verslag.
 
Net zoals de mercuriale van 2015 over het recht op wapengelijkheid, is de ontwerptekst over het vermoeden van onschuld een mercuriale van het eerste type. Zij vat aan met een begripsomschrijving en een rechtshistorische situering. Vervolgens worden de internationale en nationale formele bronnen waarin het vermoeden van onschuld is verankerd opgelijst en geduid. Ten slotte volgt een omstandige analyse van de interpretatie en toepassing van het vermoeden van onschuld door diverse internationale instanties - het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en Het Hof van Justitie - en nationale instanties - het Grondwettelijk Hof, de Raad van State en het Hof van Cassatie.
 
De ontwerptekst over het vermoeden van onschuld vertoont aldus op structureel vlak grote overeenkomsten met de mercuriale van 2015. Evenzeer brengt hij op inhoudelijk vlak een schat aan informatie bij elkaar.
 
Er is evenwel een belangrijk verschilpunt: anders dan de mercuriale van 2015, bevat de ontwerptekst over het vermoeden van onschuld nog geen besluit. Hij bevat zelfs geen begin van besluit.
 
Deze onomkeerbare afwezigheid van een besluit staat symbool voor wat elke dood ons leert: dat het aan de levenden is om op basis van wat zij die zijn heengegaan ons achterlaten samen voort te bouwen aan een immer onvoltooid bouwwerk dat ons allen overstijgt.
 
Om ons daarbij te inspireren, heeft procureur-generaal DUINSLAEGER niet alleen de ontwerptekst van mercuriale die vandaag wordt publiek gemaakt, nagelaten. Hij heeft ons eveneens doorheen zijn carrière bijzonder veel richtingwijzers aangereikt, zowel doorheen zijn conclusiepraktijk als in zijn beleid. Zulks komt verder aan bod in de delen III en IV. Deel III bevat een analyse van de schriftelijke conclusies van procureur DUINSLAEGER, terwijl in deel IV ingegaan wordt op zijn beleid, in het bijzonder op hoe dat ook vandaag nog richting geeft aan het Hof op het vlak van de totstandkoming van zijn autonoom beheer.
 
Aldus is onderhavige rede bij wijze van eerbetoon geheel gewijd aan wat procureur-generaal DUINSLAEGER voor het Hof en de rechtswereld heeft betekend.
 
II. Het vermoeden van onschuld: de ontwerpmercuriale van procureur-generaal Patrick DUINSLAEGER.
 
"L 'innocence a parfois l 'apparence du crime!"
 
Inleiding:
 
Het vermoeden van onschuld is een algemeen rechtsbeginsel'', dat inhoudt dat degene die wordt vervolgd, maar nog niet definitief is veroordeeld ', geacht wordt onschuldig te zijn zolang het bewijs van zijn schuld niet onomstotelijk is geleverd",
 
Dit algemeen rechtsbeginsel, dat rechtstreeks voortvloeit uit het algemeen beginsel van het recht van verdediging, waarvan het een essentieel aspect is5 en dat deel uitmaakt van de meer algemene waarborg van het recht op een eerlijk proces6, houdt enerzijds een voorschrift in omtrent de wijze waarop een beklaagde of verdachte moet worden behandeld in het kader van een strafproces, maar anderzijds ook een voorschrift met betrekking tot de bewijsvoering7 die de positie van de beklaagde of van de verdachte versterkt ten opzichte van de vervolgende instantie8, meer bepaald wat de bewijslast betreft en met betrekking tot de vereiste dat het aangevoerde bewijs van de schuld een zekerheid" moet bieden die boven elke redelijke twijfel is verheven, met inachtneming van de geldende bewijsregels 1°.
 
Het is een leidend beginsel, een basisprincipe en zelfs een fundament11 van het strafprocesrecht van de rechtstelsels van de meeste landen, soms zelfs grondwettelijk verankerd, dat bijgevolg mag beschouwd worden als een grondrecht of fundamenteel recht, met een universele waarde en draagkracht12. Het is als het ware een "universally recognized rule of natura! justice" ".
 
Belangrijkste bronnen:
 
Het principe van het vermoeden van onschuld is relatief recent en de historische evolutie kan in grote lijnen als volgt worden geschetst14.
 
In het Oude Rome waren de bewijsmiddelen beperkt tot de getuigenis, de bekentenis, het geschreven bewijs, de eed en het bewijs door vermoeden. Deze bewijsmiddelen werden vrij beoordeeld door de rechter, die zijn uitspraak steunde op zijn innerlijke overtuiging: van enige toepassing van het principe van het vermoeden van onschuld was dus geen sprake.
 
De Germanen verlieten dit systeem en gaven de voorkeur aan een meer eenvoudig systeem waarbij de rechtbank pas werd gevat, wanneer het geschil door de betrokken partijen niet kon worden opgelost door een financiële regeling die bestond in de betaling van een afkoopsom voor de mogelijke wraakactie. De belangrijkste bewijsmiddelen naast de getuigenis waren de eed en het godsoordeel of ordalie, waarbij het slagen of niet slagen in de opgelegde proeven gold als vonnis. Daarnaast kon ook beslist worden tot het organiseren van tweegevechten of duels, waarvan de uitslag het geschil definitief beslechtte. In een dergelijk systeem was er dus eerder sprake van een "vermoeden van schuld": de beklaagde of verdachte werd apriori als schuldig aanzien en zijn onschuld werd pas erkend wanneer hij slaagde in de proeven die hem werden opgelegd of wanneer hij als uiteindelijke overwinnaar uit de tweestrijd kwam.
 
Dit accusatoir systeem was niet verzoenbaar met een stelsel waar de rechterlijke bevoegdheid geconcentreerd werd in de persoon van de koning.
 
Verder kreeg het strafprocesrecht mede onder invloed van het kerkelijk recht meer inquisitoire kenmerken. Het strafproces beperkte zich niet langer tot debat tussen de betrokken partijen en de gedachte dat ook de belangen van de maatschappij dienden beschermd te worden, zelfs bij gebrek aan een (particuliere) aanklacht, won veld. Dit leidde tot een systeem waarbij een onderzoek gevoerd werd om de schuld aan te tonen van degene die van de feiten verdacht werd. Het lot van de beklaagde hing dus af van de onderzoeksdaden die tijdens deze voorafgaande fase werden verricht. De beklaagde of verdachte diende hierbij wel niet zelf zijn onschuld te bewijzen, maar zijn onschuld werd in dit systeem ook nog niet vermoed.
 
Gelijktijdig met deze accentverschuiving van het accusatoir stelsel naar het inquisitoir systeem, werd ook de bewijsregeling aangepast. De irrationele bewijsmiddelen zoals de godsgerichten of duels ruimden plaats voor meer "rationele" bewijsmiddelen, mede door een heropleving in de twaalfde eeuw van de interesse voor het Romeinse recht, meer bepaald voor de Code, de Digesten, de Instituten en de Novellen van Justinianus. Daarbij wordt soms eeuw van onze tijdrekening aan wie de bewijsregel "Ei incumbit probatio qui dicit, non qui negat'?" wordt toegeschreven en wiens geschriften in de 6de eeuw gedeeltelijk werden overgenomen in de Digesta of Pandectae van Justinianus I de Grote, en waarin overigens ook het aan het vermoeden van onschuld verwante meer algemene principe "favorabiliores rei potius quam actores habentur'"" terug te vinden is, dat later door Italiaanse rechtsgeleerde Egidio Bossr kernachtig werd samengevat als "in dubio pro reo''.
 
De rechterlijke uitspraak steunde aldus niet langer op het toeval of het godsoordeel, maar op bewijsmiddelen uit het Romeins recht, zoals de bekentenis of de getuigenverklaring. De zoektocht naar de gerechtelijke waarheid berustte daarbij op een objectieve benadering, gebaseerd op een rationele analyse, waarbij gepoogd werd als "waar" aan te tonen wat tot dan toe nog maar enkel een veronderstelling of een hypothese was. De bewijsregeling was daarbij strikt bepaald: de rechter kende op voorhand de respectievelijke bewijskracht van de verschillende bewijsmiddelen en hun gevolgen voor het uiteindelijk aantonen van het bewijs van de schuld. In een dergelijk bewijsstelsel was er geen plaats voor de vrije beoordeling van de bewijzen door de rechter, noch voor de innerlijke overtuiging van de rechter. Van zodra een bepaald bewijsmiddel, een bepaalde aanwijzing of een bepaald vermoeden werd aangebracht, diende de rechter aan dit bewijsmiddel, aan deze aanwijzing of aan dat vermoeden het gewicht of het effect te geven dat de wet eraan verbond. De beklaagde of de verdachte had weliswaar een aantal rechten zowel tijdens het onderzoek als tijdens het eigenlijke proces, maar zijn procedurele positie bleef zeer precair. Aangezien de opdracht van de rechter bestond in de verplichting de schuld van de beklaagde aan te tonen, kon hij enkel uitgaan van een ongunstig vooroordeel. Dit systeem stond dus haaks op een rechtspleging die uitgaat van het vermoeden van onschuld. De schuld van de beklaagde wordt immers vastgesteld volgens de regels die de bewijskracht en de bewijswaarde van de bewijsmiddelen regelen en hangen geenszins af van de vraag of rechter zelf overtuigd is van de schuld.
 
Hoewel deze bewijsregeling nog werd overgenomen in de "grande Ordonnance criminelle" van Lodewijk XIV van 1670, probeerden de rechters zich stilaan te onttrekken aan dit strikte kader van de bewijsregeling. Het was immers niet altijd mogelijk om "volledig" bewijs (''probatio plena") te bekomen en om in die omstandigheden toch nog de meest gewelddadige misdaden te kunnen bestrijden, ontstond er ruimte voor de vrije beoordeling van het bewijs door de rechter. Deze vrije beoordeling van het bewijs liet hem immers toe de beklaagde toch te veroordelen, zelfs wanneer er geen sprake was van een "volledig" bewijs. De positie van de beklaagde werd hierdoor niet gunstiger, wel integendeel: de middeleeuwse theorie die inhield dat bij gebrek aan "volledig" bewijs een vrijspraak moest volgen, bood immers geen enkele bescherming meer.
 
Het is eigenlijk pas ten tijde van de Franse revolutie van 1789 dat het principe van het vermoeden van onschuld voor het eerst opduikt, volgens sommigen blijkbaar mede geïnspireerd door Cesare BECCARIA's "Dei delitti e delle pene" uit 1764. Toch mag gesteld worden dat bij het aannemen van artikel 9 van de Déclaration des Droits de l'Homme et du Citoyen in de eerste plaats de bescherming tegen de aantasting van de individuele vrijheden vooropstond als een algemeen beginsel dat het recht van een beklaagde erkende om niet het voorwerp uit te maken van willekeurige of arbitraire maatregelen, eerder dan een echte procedurele waarborg.
 
15 Vertaling: "de bewijslast rust op hij die aanvoert, niet op hij die ontkent". In de uitgebreide versie van deze regel wordt verder gepreciseerd: "cum per rerum naturam factum negantis probatio nulla sit'> "omdat uit de aard der dingen volgt, dat hij die een feit ontkent geen bewijs kan aanvoeren".
 
 
 
Thans kan er geen twijfel meer over bestaan dat het principe van het vermoeden van onschuld wel degelijk dient beschouwd te worden als een procedurele waarborg voor de verdachte of de beklaagde, die onder meer inhoudt dat de bewijslast rust op de vervolgende partij en waarbij de twijfel steeds ten goede moet komen aan deze verdachte of beklaagde.
 
Het principe van het vermoeden van onschuld is thans wel als dusdanig terug te vinden in tal van latere teksten, die voortbouwen op de "Déclaration des Droits de l'Homme et du Citoyen" van 1789.
 
Artikel 9 van de "Déclaration des Droits de l'Homme et du Citoyen" van 1789 bepaalt:
 
"Tout homme étant présumé innocent jusqu'à ce qu'il ait été déclaré coupable, s'il est jugé indispensable de l'arrêter, toute rigueur qui ne serail pas nécessaire pour s'assurer de sa personne doit être sévèrement réprimée par la loi. "
 
Meer specifiek in de zin van een echte procedurele waarborg bepaalt artikel 11.1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 194817:
 
"Everyone charged with a penal ojfence has the right to be presumed innocent until proved guilty according to law in a public trial at whicli he has had all the guarantees necessary for his defence".
 
Dit principe werd overgenomen door het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna EVRM), waarvan artikel 6.2, in het kader van het recht op een eerlijk proces, bepaalt:
 
"2. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt."
 
Deze rechtsbescherming van de vervolgde partij, zoals die voorzien is in artikel 6.2 EVRM, wordt opnieuw, in omzeggens gelijkluidende bewoordingen, herhaald in artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 196618 (hierna IVBPR), dat bepaalt:
 
"2. Een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen."
 
De mogelijke uitzonderingen of afwijkingen op dit principe worden door het IVBPR zelf beperkt. Artikel 4.1 IVBPR bepaalt immers:
 
"Bij een algemene noodtoestand die een bedreiging vormt voor het bestaan van het volk en welks aanwezigheid officieel is afgekondigd, kunnen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag maatregelen nemen, die afwijken van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag, mits deze maatregelen niet verder gaan dan de toestand vereist en niet in strijd zijn met andere verplichtingen welke voortvloeien uit het internationale recht en geen discriminatie uitsluitend op grond van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of maatschappelijke afkomst inhouden."
 
Hoewel artikel 14 IVBPR niet opgenomen is in artikel 4.2 van dit Verdrag, waarin de rechten worden opgesomd waarvan niet mag worden afgeweken19, kunnen Staten die, omwille van een algemene noodtoestand als bedoeld in artikel 4.1 IVBPR, met name een algemene noodtoestand die een bedreiging vormt voor het bestaan van het volk en die officieel is afgekondigd, afwijken van de waarborgen die normalerwijze vereist zijn door artikel 14 IVBPR, dit slechts doen mits deze afwijkingen niet verder reiken dan hetgeen deze noodtoestand vereist en mits deze afwijkingen niet in strijd zijn met andere verplichtingen die voortvloeien uit het internationale recht en op voorwaarde dat zij geen discriminatie uitsluitend op grond van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of maatschappelijke afkomst inhouden.
 
Van de waarborgen in verband met het recht op een eerlijk proces, bedoeld in artikel 14 IVBPR, mag al evenmin afgeweken worden op een wijze die tot gevolg zou hebben dat de bescherming van rechten waarvan volgens artikel 4.2 IVBPR niet mag afgeweken worden, zou worden omzeild",
 
De verdragsluitende Staten kunnen dus onder geen enkele omstandigheid artikel 4.1 IVBPR inroepen als een rechtvaardigingsgrond voor een optreden dat een schending zou opleveren van het humanitair recht of van dwingende regels van internationaal recht, door bijvoorbeeld het gijzelen van personen, het opleggen van collectieve straffen, willekeurige vrijheidsberovingen of door af te wijken van de fundamentele principes van het eerlijk proces, hierin begrepen het vermoeden van onschuld?'.
 
Ook in artikel 66 van het Statuut van Rome van 17 juli 199822 inzake het Internationaal Strafhof wordt het recht op het vermoeden van onschuld bevestigd. Dit artikel bepaalt, onder de uitdrukkelijke hoofding "vermoeden van onschuld'':
 
"1. Een ieder wordt verondersteld onschuldig te zijn totdat zijn schuld voor het Hof is bewezen overeenkomstig het toepasselijke recht.
 
2. Op de aanklager rust de plicht de schuld van de beschuldigde te bewijzen.
 
3. Teneinde de beschuldigde te veroordelen moet het Hof buiten iedere redelijke twijfel overtuigd zijn van zijn schuld."
 
Dezelfde regel kon overigens al worden teruggevonden in de statuten van het Internationaal Straftribunaal voor Ex-Joegoslavië23, waarvan artikel 21.3 bepaalt:
 
19 Dat zijn de artikelen 6 (recht op leven), 7 (verbod van folteringen of wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing), 8 (verbod op slavernij of slavenhandel), 11 (verbod van gevangenhouding wegens niet-uitvoering van een contractuele verplichting), 15 (verbod van veroordeling wegens een feit dat niet strafbaar gesteld was ten tijde van het plegen ervan), 16 (recht om als persoon erkend te worden voor de wet) en 18 (recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst).
 
"3. The accused shall be presumed innocent until proved guilty according to the provisions of the present Statute. ".
 
Andere voorbeelden, in (letterlijk) dezelfde bewoordingen, zijn onder meer te vinden in artikel 20.(3) van de statuten van het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda24, in artikel 17.3 van de Statuten van de Special Court for Sierra Leone25, in de artikelen 12 en 13 van de Overeenkomst van 2003 tussen de Verenigde Naties en Cambodja26 en in artikel 16 van de Statute of the Special Tribunal for Lebanorr".
 
Het principe van de wapengelijkheid is ook terug te vinden in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie28, dat een opsomming inhoudt van de fundamentele rechten, vrijheden en beginselen.
 
Het Handvest van de grondrechten is sedert 1 december 2009 bindend voor de instellingen van de Europese Unie en voor de Lidstaten van de Unie wanneer zij het unierecht ten uitvoer brengen. Het Handvest is opgenomen in een verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie, maar heeft dezelfde juridische waarde als de verdragen van de Europese Unie.
 
Artikel 48 van het Handvest heeft betrekking op het "vermoeden van onschuld en (de) rechten van verdediging". Artikel 48.3 bepaalt:
 
"Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan."
 
Overeenkomstig artikel 52.3 van het Handvest heeft dit recht op het vermoeden van onschuld dezelfde inhoud en reik- of draagwijdte als hetzelfde recht dat door het EVRM wordt gewaarborgd. Artikel 52.3, eerste lid, van het Handvest bepaalt immers:
 
"Voorzover dit handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend."
 
De Europese Unie heeft bovendien jaren gewerkt aan de voorbereiding van een voorstel van richtlijn inzake de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij het proces aanwezig te zijn29. Dit initiatief, dat zijn grondslag vindt in artikel 82, tweede lid, VWEU30, maakte deel uit
 
voorstellen31 die moeten leiden tot gemeenschappelijke normen binnen de Europese Unie in alle strafprocedures, zoals voorgesteld in het programma van Stockholm32. Met dit voorstel beoogde de Europese Commissie te garanderen dat justitiële autoriteiten bij elke verdachte of aangeklaagde burger uitgaan van het vermoeden van onschuld.
 
Deze werkzaamheden hebben uiteindelijk geleid tot de formele goedkeuring van dit voorstel op 12 februari 201633 tijdens de Raad Economische en Financiële zaken.
 
De richtlijn34 voorziet in minimumvoorschriften op het niveau van de Europese Unie betreffende bepaalde aspecten van het recht van verdachten of beklaagden om voor onschuldig te worden gehouden, overeenkomstig het programma van Stockholm en de jurisprudentie van het EHRM. Het voorstel van richtlijn bevordert aldus de toepassing van het Handvest van de grondrechten van de Europese unie, en met name de artikelen 6, 4 7 en 48, door voort te bouwen op artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM35.
 
De richtlijn sluit dus uitdrukkelijk aan bij de gekende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
 
De richtlijn is van toepassing op verdachten of beklaagden in strafprocedures vanaf het eerste begin van de strafprocedure, zelfs vóór het moment waarop de verdachten door de bevoegde autoriteiten in kennis worden gesteld van het feit dat ze van een strafbaar feit worden verdacht of beschuldigd. Zij is van toepassing tot de uiteindelijke afsluiting van de procedure, dat wil zeggen tot de definitieve beslissing is gegeven. De richtlijn is in ieder geval van toepassing36 op natuurlijke personen37, maar de bescherming van het recht van rechtspersonen om voor onschuldig te worden gehouden, is niettemin gegarandeerd door de bestaande waarborgen van de nationale en Uniewetgeving, zoals uitgelegd door de nationale rechters en het Hof van Justitie38, en door het EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM.
 
 
 
De verdere uitwerking van het recht op het vermoeden van onschuld is terug te vinden in hoofdstuk 2 van de Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij het proces aanwezig te zijn. Dit hoofdstuk luidt als volgt:
 
Artikel 3 (Vermoeden van onschuld) bepaalt:
 
"De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden voor onschuldig worden gehouden totdat hun schuld in rechte is komen vast te staan."
 
Artikel 4 (Publieke verwijzingen naar schuld vóór veroordeling) bepaalt:
 
"De lidstaten zorgen ervoor dat, vóór een definitieve veroordeling, in publieke verklaringen en officiële beslissingen van overheidsinstanties niet wordt verwezen naar verdachten of beklaagden alsof zij zijn veroordeeld.
 
De lidstaten zorgen ervoor dat passende maatregelen worden genomen in het geval van een schending van deze vereiste."
 
Artikel 5 (Bewijslast en vereiste bewijsstandaard) vervolgt:
 
"1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten of beklaagden op de vervolgende instantie rust. Dit doet geen afbreuk aan enige ambtshalve bevoegdheid van de procesrechter om feitenonderzoek te doen.
 
2. De lidstaten zorgen ervoor dat elk vermoeden dat de bewijslast naar de verdachten of beklaagden verschuift, van voldoende belang is om een afwijking van dit beginsel te rechtvaardigen en weerlegbaar is.
 
Om een dergelijk vermoeden te weerleggen, volstaat het dat de verdediging voldoende bewijs aanvoert om gegronde twijfel te doen ontstaan over de schuld van de verdachte of beklaagde.
 
3. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de procesrechter de schuld van een verdachte of beklaagde onderzoekt en er gegronde twijfel bestaat over de schuld van de betrokkene, deze wordt vrijgesproken."
 
Artikel 6 (Recht om niet tegen zichzelf te getuigen en niet mee te werken) bepaalt:
 
"1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden het recht hebben om niet tegen zichzelf te getuigen en niet mee te werken aan strafprocedures.
 
2. Het in lid 1 bedoelde recht is niet van toepassing op het gebruik in strafprocedures van materiaal dat van verdachten of beklaagden werd verkregen door gebruik van rechtmatige dwang, maar dat onafhankelijk van de wens van de verdachte of beklaagde bestaat.
 
3. De uitoefening van het recht om niet tegen zichzelf te getuigen of van het recht niet mee te werken, mag niet in een later stadium van de procedure tegen een verdachte of beklaagde worden gebruikt en mag niet worden beschouwd als een bevestiging van de feiten.
 
4. Bewijs dat in strijd met dit artikel is verkregen, wordt niet aanvaard, tenzij het gebruik ervan geen afbreuk doet aan het algehele eerlijke verloop van de procedure."
 
Artikel 7 (Zwijgrecht) ten slotte bepaalt:
 
"l. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden het recht hebben om te zwijgen wanneer zij door de politie of andere gerechtelijke of rechtshandhavingsinstanties worden ondervraagd in verband met het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.
 
2. De lidstaten informeren de verdachten of beklaagden onverwijld over hun recht om te zwijgen, en lichten de inhoud van dit recht toe alsook de gevolgen van het afzien dan wel het inroepen van dat recht.
 
3. De uitoefening van het recht om te zwijgen mag niet in een later stadium van de procedure tegen een verdachte of beklaagde worden gebruikt en mag niet worden beschouwd als een bevestiging van de feiten.
 
4. Bewijs dat in strijd met dit artikel is verkregen, wordt niet aanvaard, tenzij het gebruik ervan geen afbreuk doet aan het algehele eerlijke verloop van de procedure."
 
Het gegeven dat de uitoefening van het recht om niet tegen zichzelf te getuigen of van het recht niet mee te werken (artikel 6.3) en van de uitoefening van het recht om te zwijgen, in een later stadium van de procedure niet tegen een verdachte of beklaagde mag worden gebruikt en niet mag worden beschouwd als een bevestiging van de feiten, mag de Lidstaten evenwel niet ervan weerhouden rekening te houden met de bereidheid tot samenwerking bij het vaststellen van de concrete op te leggen straf?".
 
Het recht om niet tegen zichzelf te getuigen en niet mee te werken (artikel 6.2), dient zich niet uit te strekken tot het gebruik in strafprocedures van materiaal dat eventueel van de verdachte of beklaagde werd verkregen door gebruik van legale ambtshalve bevoegdheden, maar dat onafhankelijk van de wens van de verdachte of beklaagde bestaat'", zoals materiaal dat als gevolg van een bevel is verkregen, materiaal waarvoor een wettelijke verplichting bestaat het op verzoek af te staan, zoals adem-, bloed- en urinestalen en stalen van lichaamsweefsels voor DNA-tests41.
 
Artikel 40 van het Verdrag van 29 november 1989 inzake de rechten van het kind42 bepaalt: "1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld omwille van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving.
 
 
 
2. Hiertoe, en met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat:
 
(. . .)
 
b) ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft:
 
(i). dat het voor onschuldig wordt gehouden tot zijn of haar schuld volgens de wet is bewezen;"
 
Artikel 30.6 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie, gedaan te New York op 31 oktober 2003, bepaalt:
 
"Iedere Staat die partij is, streeft ernaar, voor zover verenigbaar met de grondbeginselen van zijn rechtsstelsel, procedures uit te werken op grond waarvan, indien nodig, de bevoegde autoriteit een ambtenaar die ervan wordt beschuldigd een krachtens dit verdrag strafbaar gesteld feit te hebben gepleegd, uit zijn ambt kan ontzetten, hem kan schorsen of hem kan overplaatsen, zonder daarbij de inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld uit het oog te verliezen."
 
Verder bepaalt het Verdrag van de Raad van Europa van 25 oktober 2007 inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik43 in artikel 16.1:
 
"Elke Partij waarborgt dat, in overeenstemming met haar nationale recht, personen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens een van de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten toegang hebben tot de in artikel 15, eerste lid, genoemde programma's of maatregelen, onder voorwaarden die geen negatieve gevolgen hebben voor of in strijd zijn met de rechten van de verdediging en de vereisten van een eerlijk en onpartijdig proces, en met name met inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld''.
 
Op nationaal vlak vinden wij sinds enkele jaren in onze wetgeving ook enkele sporen van dit rechtsbeginsel terug.
 
Zo bepaalt artikel 28quinquies Wetboek van Strafvordering44 onder meer:
 
"§ 3. De procureur des Konings kan, indien het openbaar belang het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt voor de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de verdachte, het slachtoffer en derden, het privé-leven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.
 
§ 4. De advocaat kan, indien het belang van zijn cliënt het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt voor de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de verdachte, het slachtoffer en derden, het privé-leven, de waardigheid van personen en de regels van het beroep. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven."
 
 
 
Artikel 57, §§ 3 en 4, Wetboek van Strafvordering, voorzien in een zelfde regeling voor het gerechtelijk onderzoek.
 
Artikel 61 ter, § 4 Wetboek van Strafvordering45 bepaalt:
 
"In geval het verzoek om inzage te verlenen van het dossier of er een afschrift van te verkrijgen wordt ingewilligd, wordt, onverminderd de eventuele toepassing van § 3, het dossier binnen twintig dagen na de beschikking van de onderzoeksrechter en ten vroegste na de in § 5, eerste lid, bedoelde termijn, in origineel of in kopie, gedurende ten minste achtenveertig uur, voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en diens advocaat. De griffier brengt de verzoeker en diens advocaat per faxpost of bij een aangetekende zending op de hoogte van het tijdstip waarop het dossier kan worden ingezien.
 
De verzoeker kan de door de inzage of het nemen van een afschrift verkregen inlichtingen alleen gebruiken in het belang van zijn verdediging, op voorwaarde dat hij het vermoeden van onschuld in acht neemt, alsook de rechten van verdediging van derden, het privéleven en de waardigheid van de persoon, onverminderd het recht waarin artikel 61 quinquies voorziet voor de inverdenkinggestelde en voor de burgerlijke partij".
 
Artikel 326 Wetboek van Strafvordering legt aan de voorzitter van het hof van assisen de verplichting op de gezworenen erop te wijzen dat een veroordeling enkel kan worden uitgesproken indien uit de toegelaten en aan de tegenspraak van de partijen onderworpen bewijselementen voortvloeit dat de beschuldigde "boven elke redelijke twijfel" schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten.
 
Artikel 13, § 1 van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden46 bepaalt:
 
"Bij de uitvoering van de vrijheidsbenemende maatregel wordt het regime aangepast aan de vereisten inzake de eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld".
 
Het begrip "vermoeden van onschuld'' is voorts terug te vinden in het advies van de Raad van State bij het koninklijk besluit van 30 april 2004 houdende maatregelen betreffende het toezicht op de diamantsector47, in het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen48, in artikel 4 van het Règlement relatif aux relations des avocats avec les médias van 17 mei 200449, in artikel 77 van de deontologische code voor de politie van 10 mei 200650, in de ministeriële omzendbrief nr. 1/2007 van 7 maart 2007 betreffende de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd", in artikel 7.7, § 1, 2° van de Code de déontologie de l'avocat van 15 oktober 2012 van de Ordre des barreaux francophones et germanophone de Belgique52, in artikel III.5.2.1 van de Codex deontologie voor advocaten van 25 juni 2014 van de Orde van Vlaamse Balies53, in artikel 2, 3° van het koninklijk besluit van 11 februari 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen54 en in artikel 100, 8° van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen55.
 
Draagwijdte en toepassingen van het beginsel van het vermoeden van onschuld:
 
Zoals uiteengezet in de inleiding vormt het principe van het vermoeden van onschuld één van de fundamenten van het moderne strafprocesrecht.
 
In algemene termen kan in een eerste benadering worden gesteld dat dit principe vertaald kan worden in, enerzijds, de vereiste dat de vervolgende partij de verplichting heeft het geheel van elementen en aanwijzingen aan te voeren die aantonen dat de verdachte of beklaagde daadwerkelijk betrokken was bij de hem ten laste gelegde feiten56 en, anderzijds, in het gegeven dat diezelfde vervolgende partij moet aanvaarden dat de rechter, bij gebrek aan zekerheid of aan voldoende bewijskracht of wegens het onvoldoende overtuigend karakter van" de hem voorgelegde bewijselementen, geen veroordeling zal uitspreken, omdat de twijfel, hoe miniem ook, ten goed moet komen, aan de beklaagde. Zo stellen Roger MERLE en André VITU: "(lorsque) I'accusation ne peut pas établir l'existence de l'infraction en ses divers éléments et prouver la culpabilité, l'accusé ou Ze prévenu doit être acquitté. Ainsi le doute que l'accusation n 'a pu éliminer équivaut à une preuve positive de non-culpabilité. Tel est le sens de l 'adage in dubio pro reo, traduction procédurale de la présomption d 'innocence. 57"
 
Het vermoeden van onschuld volgens het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties:
 
Volgens het UN Human Rights Committee is het vermoeden van onschuld een "norm of customary international law"58
 
"Reservations that offend peremptory norms would not be compatible with the object and purpose of the Covenant59. Although treaties that are mere exchanges of obligations between States allow them to reserve inter se application of rules of genera! international law, it is otherwise in human rights treaties, which are for the benefit of persons within their jurisdiction. Accordingly, provisions in the Covenant that represent customary international law (and afortiori when they have the character of peremptory norms) may not be the subject of reservations. Accordingly, a State may not reserve the right to engage in slavery, to torture, to subject persons to cruel, inhuman or degrading treatment or punishment, to arbitrarily deprive persons of their lives, to arbitrarily arrest and detain persons, to deny freedom of thought, conscience and religion, to presume a person guilty unless he proves his innocence, to execute pregnant wamen or children, to permit the advocacy of national, racial or religious hatred, to deny to persons of marriageable age the right to marry, or to deny to minorities the right to enjoy their own culture, profess their own religion, or use their own language. And while reservations to particular clauses of Article 14 may be acceptable, a genera! reservation to the right to a fair trial would not be."
 
Het is volgens dit Comité een recht waarvan geen afstand kan worden gedaan en dat onder geen beding mag beperkt worden, zelfs niet ingeval van openbare noodzaak'".
 
"The enumeration of non-derogable provisions in article 4 is related to, hut not identical with, the question whether certain human rights obligations bear the nature of peremptory norms of international law. The proclamation of certain provisions of the Covenant as being of a non-derogable nature, in article 4, paragraph 2, is to be seen partly as recognition of the peremptory nature of some fundamental rights ensured in treaty form in the Covenant (e.g., articles 6 and 7). However, it is apparent that some other provisions of the Covenant were included in the list of non-derogable provisions because it can never become necessary to derogate from these rights during a state of emergency (e.g., articles 11 and 18). Furthermore, the category of peremptory norms extends beyond the list of non-derogable provisions as given in article 4, paragraph 2. States parties may in no circumstances invoke article 4 of the Covenant as justification for acting in violation of humanitarian law or peremptory norms of international law, for instance by taking hostages, by imposing collective punishments, through arbitrary deprivations of liberty or by deviating from fundamental principles of fair trial, including the presumption of innocence"
 
Volgens het UN Human Rights Committee is het toepassingsgebied van het vermoeden van onschuld, gewaarborgd bij artikel 14.2 IVBPR, beperkt tot het geval waar een persoon een strafbaar feit wordt ten laste gelegd'" en niet op zogenaamde sancties van burgerrechtelijke aard62.
 
Een speciale toepassing van deze regel, waarbij het toepassingsgebied van artikel 14.2 IVBPR beperkt wordt, is te vinden in de zaak W J H. t./ Nederland'": in deze zaak werd een persoon in voorlopige hechtenis genomen en later door het hof van beroep te Arnhem strafrechtelijk veroordeeld voor, onder meer, valsheid in geschrifte. Deze beslissing werd door de Hoge Raad der Nederlanden vernietigd en de zaak werd verwezen naar het hof van beroep te 's-Hertogenbosch, die betrokkene vrijsprak. In de door de betrokkene gevoerde procedure tot het bekomen van een schadevergoeding wegens de ondergane onwerkzame voorlopige hechtenis, oordeelde het hof van beroep dat het verzoek tot schadevergoeding diende te worden afgewezen omdat de vrijspraak (enkel) gegrond was op een procedurefout, met name omwille van het feit dat de eerdere veroordeling gegrond was op bewijs dat op onregelmatige wijze was verkregen. Deze beslissing leverde volgens betrokkene een miskenning op van zijn recht op het vermoeden van onschuld. Het UN Human Rights Committee verwerpt dit standpunt en oordeelt dat artikel 14.2 IVBPR "applies only to crimina! proceedings and not to proceedings for compensation".
 
In de zaak Polay Campos t./ Peru64 oordeelt het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties dat in een systeem van berechting door anonieme rechters ( de zogenaamde ''faceless judges") er geen waarborgen zijn voor de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechters, terwijl een dergelijk systeem ook een miskenning van het vermoeden van onschuld oplevert.
 
In de zaak Sanchez López t.1Spanje65 werd de verzoeker wiens voertuig werd geflitst wegens overdreven snelheid, aangemaand om de identiteit van de bestuurder van het voertuig mede te delen aan de vervolgende instantie. Onder aanvoering van zijn recht zichzelf niet te beschuldigen liet de verzoeker aan de bevoegde overheden weten dat hij zelf niet de bestuurder was en dat hij de identiteit van de bestuurder evenmin kende omdat hij zijn voertuig in de periode van de vaststelling aan verschillende personen had uitgeleend. Uiteindelijk werd de verzoeker veroordeeld tot een boete. Betrokkene voerde aan dat Spanje het vermoeden van onschuld en het recht om zichzelf niet te incrimineren, had miskend door hem te verplichten de identiteit van de bestuurder kenbaar te maken. Het comité wijst erop dat de verzoeker niet veroordeeld werd voor de verkeersovertreding zelf, maar wel wegens de niet-medewerking met de autoriteiten en wijst het verzoek af.
 
In de zaak Gridin t./ Rusland66 verwijst het comité naar haar "Genera! Comment N°. 13" om te bevestigen dat artikel 14.2 IVBPR een plicht inhoudt voor de openbare overheden om zich te onthouden te prejugeren over een nog te wijzen gerechtelijke uitspraak. In de zaak Saidov t./ Tadjikistan67 komt het comité tot de bevinding dat de excessieve en negatieve persberichten, voorafgaand aan het proces, in door de overheid gecontroleerde media een miskenning oplevert van het vermoeden van onschuld.
 
In de zaak Kavanagh t./ Ierland68nam de verzoeker het bestaan van de Ierse "special crimina! courts" op de korrel: artikel 38(3) van de Ierse Grondwet laat de wetgever toe dergelijke speciale rechtscolleges op te richten (waar niet met een jury, maar met een college van drie rechters gezeteld wordt, die oordelen bij meerderheid en waar de procedure minder waarborgen biedt) voor de berechting van strafrechtelijke inbreuken, waarvan, onder de voorwaarden bepaald bij wet, wordt vastgesteld dat de gewone rechtbanken "inadequate to secure the effective administration of justice and the preservation of public peace and order" zijn. Deze speciale rechtbanken zijn bevoegd voor een aantal welbepaalde opgelijste inbreuken ("sheduled offences") en voor andere inbreuken waarvan het openbaar ministerie aangeeft dat een behandeling door de gewone rechtbank niet aangewezen lijkt. Volgens het comité levert de loutere beslissing de dader te laten berechten door een "special crimina! court" geen miskenning van het vermoeden van onschuld op.
 
In de zaak Cagas t.!Filippijnen69 oordeelt het comité dat de weigering om verdachten in een moordzaak op borgtocht vrij te laten apriori het recht voor de beklaagden om als onschuldig te worden aanzien, niet miskent. Het comité preciseert evenwel dat de excessieve periode van voorlopige hechtenis (in casu meer dan negen jaar), een aantasting inhoudt van het vermoeden van onschuld en een schending van artikel 14.2 IVBPR oplevert.
 
In de zaak Nallaratnam t./ Sri Lanka'" beslist het comité dat het feit dat de bewijslast, dat een bekentenis werd afgelegd onder dwang, bij de beklaagde wordt gelegd, ( onder meer) artikel 14.2 IVBPR schendt.
 
In de zaak Arutyuniantz t./ Oezbekistan71oordeelde het comité dat, bij gebrek aan enige uitleg vanwege de Oezbeekse overheid, er voldoende twijfel bleef bestaan omtrent de schuld van de veroordeelde aan moord, nu de elementen à charge beperkt bleven tot de meermaals gewijzigde verklaringen van een medeverdachte. Volgens het comité werd onvoldoende rekening gehouden met het verweer van de uiteindelijk veroordeelde, dat ( onder meer) gesteund was op het feit dat deze medeverdachte op een bepaald ogenblik had bekend dat hij de feiten zelf had gepleegd en daarbij had gepreciseerd dat hij de uiteindelijk veroordeelde valselijk had beschuldigd.
 
Het Comité herhaalt op regelmatige basis dat het in de regel aan de nationale beroepsinstanties toekomt om de feiten en het bewijsmateriaal te beoordelen of de inhoud van de richtlijnen die door de rechter aan de juryleden werden gegeven te controleren, tenzij vaststaat dat deze laatste richtlijnen kennelijk arbitrair waren, tot rechtsweigering hebben geleid of een manifeste miskenning van de plicht tot onpartijdigheid opleverden 72.
 
Andere toepassingen van het principe van het vermoeden van onschuld door het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties zijn terug te vinden in de zaken González del Rio t./ Peru73, Barroso t./ Panama74, Richards t./ Jamaica"; Lewis t./ Jamaica'", Chung t./ Jamaica/Î, Ricketts t.l Jamaica/", Chira Vargas t.l Peru79, Rameka t.l Nieuw-Zeeland 80, Parra Corral t./ Spanje" Cuartero t.1Spanje82, Bertelli t.1Spanje83, Carvallo t.l Spanje": Het comité komt daarbij telkens tot de bevinding dat er geen miskenning van het recht op het vermoeden van onschuld kon worden vastgesteld of dat het verzoek niet ontvankelijk is.
 
Het vermoeden van onschuld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens:
 
Het beginsel van vermoeden van onschuld is in de loop der jaren mede verder ontwikkeld door de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna EHRM).
 
Het EHRM heeft aldus geoordeeld dat artikel 6, lid 2, EVRM drie belangrijke elementen omvat85: het recht om niet publiekelijk door overheidsinstanties als veroordeeld te worden voorgesteld vóór de definitieve beslissing86, het feit dat de bewijslast rust op de vervolgende instantie en dat elke redelijke twijfel over de schuld in het voordeel van de beklaagde moet spelen, en het recht van de beschuldigde om over de beschuldiging te worden geïnformeerd. Het EHRM erkent ook het bestaan van een duidelijk verband tussen het vermoeden van onschuld en andere rechten inzake een eerlijk proces, met dien verstande dat wanneer die rechten worden geschonden, het vermoeden van onschuld onvermijdelijk ook onder druk komt te staan: het recht om niet tegen zichzelf te getuigen, het recht om niet mee te werken en het zwijgrecht87, en het recht op vrijheid en om niet in voorlopige hechtenis te worden genomen 88.
 
Het vermoeden van onschuld in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie:
 
In talloze89 beslissingen van de rechtscolleges van de Europese Unie (Hof van Justitie van de Europese Unie, Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese gemeenschappen en Gerecht voor Ambtenarenzaken van de Europese gemeenschappen) wordt melding gemaakt van het vermoeden van onschuld. Daarbij wordt vaak teruggegrepen naar de formuleringen die ook terug te vinden zijn in de rechtspraak van het EHRM. Gelet op het groot aantal beslissingen waarin verwezen wordt naar het vermoeden van onschuld volgt hierna een korte bloemlezing.
 
Zo oordeelde het Hof meermaals:
 
"Het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals dit onder meer is geformuleerd in artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: "EVRM'), behoort tot de fundamentele rechten die volgens de rechtspraak van het Hof en artikel 6, lid 2, EU in de rechtsorde van de Unie worden erkend (zie onder meer arrest Hof van 8 juli 1999, Hûls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. 1-4287, punten 149 en 150; arrest Gerecht van eerste aanleg van 4 oktober 2006, Tillack/Commissie, T-193/04, Jurispr. blz. 11-3995, punt 121, en arrest Franchet en Byk/Commissie, reeds aangehaald, punt 209).
 
Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna:
 
"EHRM') geldt artikel 6, lid 2, EVRM voor de hele duur van het strafproces, ongeacht de uitkomst ervan, en niet enkel voor het onderzoek naar de gegrondheid van de aanklacht. Deze bepaling garandeert eenieder dat hij niet als schuldig aan een strafbaar feit wordt aangewezen of behandeld voordat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Het vermoeden van onschuld betekent dan ook vooral dat de leden van een gerecht bij de aanvang van het proces niet vooringenomen mogen zijn en er dus niet van uit mogen gaan dat de verdachte het vervolgde strafbaar feit heeft gepleegd. Het vermoeden van onschuld wordt geschonden door uitlatingen of beslissingen die de opvatting weerspiegelen dat de betrokkene schuldig is, die het publiek in de schuld van de betrokkene laten geloven of die vooruitlopen op de beoordeling van de feiten door de bevoegde rechter (zie onder meer EHRM, arresten Allenet de Ribemont v Frankrijk van 10 februari 1995, série A, nr. 308, §§ 38-41; Daktaras v Litouwen van 10 oktober 2000, Recueil des arrêts et décisions 2000-X, § 44, en Pandy v België van 21 september 2006, nr. 13583/02, §§ 41 en 42).90"
 
Het vermoeden van onschuld in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (tot 18 februari 2016)
 
 
 
In het kader van een prejudiciële vraag over artikel 22, derde lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, oordeelde het Grondwettelijk Hof91 dat deze wetsbepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, door te bepalen dat, vóór de verschijning van de verdachte voor de raadkamer teneinde het aanhoudingsbevel al dan niet te bevestigen, het onderzoeksdossier gedurende twee dagen te zijner beschikking en ter beschikking van zijn raadsman wordt gehouden, terwijl, bij ontstentenis van bijzondere wetsbepalingen die van toepassing zijn op het openbaar ministerie, deze partij op elk ogenblik toegang kan hebben tot het onderzoeksdossier met het oog op de voorbereiding van haar vorderingen voor het onderzoeksgerecht.
 
Volgens het Hof bestaat er tussen het openbaar ministerie en de verdachte een fundamenteel verschil dat op een objectief criterium steunt: het openbaar ministerie vervult, in het enkele belang van de gemeenschap, de opdrachten van openbare dienst met betrekking tot de opsporing en de vervolging van de misdrijven ( artikelen 22 tot 4 7 van het Wetboek van Strafvordering) en vordert de toepassing van de strafwet (artikel 138 van het Gerechtelijk Wetboek), terwijl de verdachte zijn persoonlijk belang verdedigt. Het is zeker van algemeen belang dat elke verdachte zich kan verdedigen, maar het aangehaalde verschil biedt een redelijke verantwoording voor het feit dat het openbaar ministerie tijdens de hele duur van het onderzoek prerogatieven geniet waarvan de grondwettigheid niet kan worden beoordeeld door zijn situatie te vergelijken met die van de verdachte. Die ongelijkheid van behandeling kan objectief en redelijkerwijze worden verantwoord: de strafprocedure is, in haar voorbereidende fase, in beginsel inquisitoriaal en geheim. Dat geheime karakter wordt in het bijzonder verantwoord door de zorg, enerzijds, een maximale efficiëntie te waarborgen bij het zoeken naar de waarheid en, anderzijds, het vermoeden van onschuld te beschermen. Wat de gedetineerde verdachte betreft, wijkt het artikel 22, derde lid, doordat het de gedetineerde verdachte toegang tot het dossier verleent, af van het geheim van het onderzoek. Een dergelijke afwijking is verantwoord door de noodzaak om aan eenieder die van zijn vrijheid is beroofd de mogelijkheid te bieden de wettigheid van zijn gevangenhouding te laten controleren, binnen een korte termijn, door een rechtbank, zoals daarin is voorzien door artikel 5.4 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
 
De situatie van het openbaar ministerie is volgens het Hof evenwel geheel heel anders: het beginsel van het geheime karakter van het onderzoek geldt niet te zijnen opzichte. In het kader van zijn opdrachten, moet het openbaar ministerie toegang hebben tot het dossier om, in voorkomend geval, van de onderzoeksrechter bijkomende maatregelen te kunnen vorderen, onder de controle, in geval van weigering, van de kamer van inbeschuldigingstelling. Overigens komt het de procureur des Konings ook toe, krachtens artikel 136bis van het Wetboek van Strafvordering, aan de procureur-generaal verslag uit te brengen omtrent de zaken die in onderzoek zijn gesteld en waarover de raadkamer geen uitspraak heeft gedaan binnen zes maanden te rekenen van de eerste vordering en ten slotte merkt het Hof op dat het openbaar ministerie, in tegenstelling tot de verdachte, gehouden is aan het in artikel 458 van het Strafwetboek voorgeschreven beroepsgeheim.
 
Inzake het deskundigenonderzoek oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het contradictoir karakter van een dergelijk onderzoek dat door de feitenrechter wordt bevolen, coherent is met de toekenning van datzelfde karakter aan het geheel van de rechtspleging die moet worden gevolgd wanneer de zaak voor die rechter komt. Wanneer het deskundigenonderzoek wordt bevolen door het openbaar ministerie in de loop van het opsporingsonderzoek of door de onderzoeksrechter in de loop van het gerechtelijk onderzoek, dient daarentegen rekening te worden gehouden met het feit dat de wetgever heeft gewild dat de strafrechtspleging in die stadia nog inquisitoriaal zou zijn om, enerzijds, rekening houdend met het vermoeden van onschuld, te vermijden dat personen onnodig in diskrediet worden gebracht en, anderzijds, met het oog op doeltreffendheid, snel te kunnen handelen, zonder de schuldigen op de hoogte te brengen. Die doelstellingen zijn volgens het Grondwettelijk Hof van die aard dat de wetgever ze als primordiaal heeft kunnen beschouwen, wat niet belet dat hij zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden die optie kan milderen en kan bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden een deskundigenonderzoek contradictoir moet zijn, zelfs in het stadium van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek.
 
Het Hof stelt vast dat de huidige regeling op zich geen inbreuk maakt op de regels van een eerlijke behandeling van de zaak. Enerzijds, moeten de aan zijn toetsing voorgelegde teksten in die zin worden geïnterpreteerd dat zij niet verbieden dat het deskundigenonderzoek op tegenspraak zou worden gevoerd wanneer de magistraat die het beveelt in het stadium van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek van oordeel is dat te dezen de tegenspraak geen afbreuk doet aan de hogervermelde doelstellingen betreffende het vermoeden van onschuld en de doeltreffendheid van het (opsporings)onderzoek. Anderzijds, is de feitenrechter in zijn oordeel door geen enkele tekst gebonden door de vaststellingen of conclusies van een deskundigenonderzoek en bij dat oordeel kan hij rekening houden met het al dan niet contradictoir karakter van het deskundigenonderzoek'".
 
In het kader van een aantal prejudiciële vragen over de artikelen 205 en volgende van hoofdstuk XXII van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen en door de Correctionele Rechtbank te Turnhout, oordeelde het Grondwettelijk Hof93 onder meer dat de artikelen 205 en 206 van de algemene wet inzake douane en accijnzen (hierna A.W.D.A.) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden.
 
Volgens het Hof voert artikel 205 van de A.W.D.A. een "bewijs van de vaststelling van een fraude der rechten" in ten laste van de handelaar wiens handelsboeken, handelsgeschriften of handelsdocumenten gegevens bevatten die niet overeenstemmen wat betreft de aan- en verkoop van met rechten of met accijns belaste goederen of goederen waarvoor bedragen bij in- of uitvoer kunnen worden toegekend en geldt dat bewijs "zolang het tegendeel niet bewezen is". Het Hof herleidt de gestelde prejudiciële vragen naar een vraag over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van een "vermoeden van fraude" en een "omkering van de bewijslast", die zouden afwijken van het in het gemeen recht geldende vermoeden van onschuld.
 
Het Grondwettelijk Hof preciseert dienaangaande dat de wetgever, door de bepalingen van de algemene wet inzake douane en accijnzen aan te nemen, een eigen systeem voor strafrechtelijke opsporing en vervolging wilde ontwikkelen, teneinde de omvang en de frequentie van de fraude te bestrijden in die bijzonder technische en vaak grensoverschrijdende materie, die mede grotendeels door een uitgebreide Europese regelgeving wordt beheerst. Het gegeven dat de wetgever in die specifieke aangelegenheid is afgeweken van het gemeen recht, is, volgens het Hof, op zich niet discriminatoir.
 
 
 
Het Hof gaat evenwel ook na of artikel 205 A.W.D.A. geen onverantwoord verschil in behandeling teweegbrengt, tussen personen die worden vervolgd wegens inbreuken op de A.W.D.A. en personen die worden vervolgd wegens inbreuken op andere strafbepalingen.
 
Volgens het Hof blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juni 1976 die artikel 205 in de A.W.D.A. heeft ingevoegd, dat de wetgever heeft willen voorkomen dat sommige belastingontduikers zouden aanvoeren dat de bij hen gevonden stukken of gegevens niets te maken hebben met de vermoede fraude. Dit vermoeden van fraude geldt, volgens de parlementaire werkzaamheden, overigens slechts voor de verrichtingen waarvoor niet overeenstemmende stukken zullen worden gevonden. Wanneer aldus vaststaat dat de handelsboeken, de handelsgeschriften of de handelsdocumenten van een handelaar gegevens bevatten die niet overeenstemmen wat betreft de aankoop en de verkoop van met rechten of met accijns belaste goederen of goederen waarvoor bedragen bij de invoer of bij de uitvoer kunnen worden toegekend, vermag de wetgever aan te nemen dat fraude werd gepleegd en dat de handelaar die eigenaar is van de handelsboeken, de handelsgeschriften of de handelsdocumenten normalerwijze de persoon is die de fraude heeft gepleegd. Die regel stelt volgens het Hof weliswaar een verschil in behandeling in, in zoverre hij afwijkt van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij weegt, maar die afwijking is verantwoord, door de moeilijke bewijsbaarheid van inbreuken op de douane- en accijnswetgeving ten gevolge van de mobiliteit van de goederen waarop douane- en accijnsrechten verschuldigd zijn.
 
Al kan het voorkomen dat de vastgestelde discrepantie het gevolg is van een louter materiële vergissing of dat de fraude buiten het medeweten van de handelaar werd gepleegd, toch maakt artikel 205 A.W.D.A. geen onevenredige inbreuk op het vermoeden van onschuld, aangezien, enerzijds, zij het bewijs van het tegendeel toestaat met alle bewijsmiddelen, die de rechter in aanmerking moet nemen, en, anderzijds, de omkering van de bewijslast alleen plaatsheeft bij een aanwijzing van fraude in de in artikel 205 van de A.W.D.A bedoelde stukken die de betrokkene heeft opgemaakt of diende op te maken.
 
Wat artikel 206 van de A.W.D.A. betreft, dat de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen de bevoegdheid verleent om kosteloos monsters te nemen, werd het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat de monsterneming "eenzijdig" en "niet tegensprekelijk" zou zijn.
 
Het Hof verwerpt de exceptie van de Ministerraad, die meende dat tussen de categorie van personen die worden verdacht van misdrijven, strafbaar gesteld in de douane- en accijnswetgeving, en de categorie van personen die worden verdacht van misdrijven, strafbaar gesteld in het gemeen recht, geen onderscheid bestaat, omdat, ongeacht of het gaat om een douanemisdrijf dan wel om een gemeenrechtelijk misdrijf, de verdachte geen recht op tegenspraak heeft met betrekking tot de monsterneming in het vooronderzoek. Het Hof preciseert dat het deskundigenonderzoek in het gemeen strafrecht in het stadium van het opsporingsonderzoek of van het gerechtelijk onderzoek op tegenspraak kan worden gevoerd wanneer de magistraat die het beveelt van oordeel is dat de tegenspraak geen afbreuk doet aan de inquisitoriale strafrechtspleging in die stadia, die de wetgever heeft gewild om, enerzijds, rekening houdend met het vermoeden van onschuld, te vermijden dat personen onnodig in diskrediet worden gebracht en, anderzijds, met het oog op doeltreffendheid, snel te kunnen handelen, zonder de schuldigen op de hoogte te brengen.
 
Volgens het Grondwettelijk Hof berust het verschil in behandeling tussen een persoon ten aanzien van wie een monsterneming gebeurt in het gemeen strafrecht en een persoon ten aanzien van wie een monsterneming gebeurt in de materie van de douane en accijnzen, op een objectief en pertinent criterium van onderscheid op grond van de aard van de bij wet omschreven misdrijven: uit de parlementaire voorbereiding van artikel 205 A.W.D.A. blijkt dat de wetgever heeft willen vermijden dat de douane haar taak niet naar behoren zou kunnen vervullen doordat het haar niet zou zijn toegestaan monsters te nemen van goederen onder douaneverband, ten einde de soort, het alcoholgehalte, het suikergehalte, enz. ervan te bepalen, aangezien voor het opsporen van sommige smokkelpraktijken die monsternemingen onontbeerlijk zijn.
 
Het Hof onderzocht navolgend of die monsterneming niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van verdediging. Dit is volgens het Hof niet het geval. De resultaten van de monsterneming kunnen door de verdachten enkel worden betwist voor de rechter ten gronde, zonder dat de ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen in het vooronderzoek tegenspraak moeten verzekeren. Bovendien bepaalt artikel 206, § 3, van de A.W.D.A. dat de daartoe door de Minister van Financiën aangewezen ambtenaren en beambten de geschillen beslechten over de wijze van monsterneming en over de grootte van het monster. De wetgever heeft immers gewild bepaalde fraudepraktijken te verhinderen door, met het oog op de doeltreffendheid, snel te kunnen handelen, zonder de verdachten op de hoogte te brengen. Die doelstelling is van die aard dat de wetgever ze als primordiaal heeft kunnen beschouwen. Zelfs de omstandigheid dat de resultaten van de monsterneming worden weergegeven in een proces-verbaal dat krachtens artikel 272 van de A.W.D.A. een bijzondere bewijswaarde heeft, is niet van aard dat zij aan artikel 206 van de A.W.D.A. zijn verantwoording zou ontnemen. Het Grondwettelijk Hof verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie, die inhoudt dat, aangaande die processen-verbaal, het tegenbewijs mag worden geleverd door alle bewijsmiddelen, die door de rechter moeten worden beoordeeld.
 
De bepaling volgens welke de geschillen over de wijze van monsterneming en over de grootte van het monster worden beslecht door de daartoe door de Minister van Financiën aangewezen ambtenaren en beambten, ontneemt, volgens het Grondwettelijk Hof, aan de betrokkenen niet het recht om die desbetreffende beslissingen voor de rechter aan te vechten en bovendien is deze laatste in zijn oordeel door geen enkele tekst gebonden door de beslissingen van de ambtenaren, omdat de bijzondere wettelijke bewijswaarde van het proces-verbaal dat de resultaten van de monsterneming weergeeft enkel verbonden is aan de persoonlijk door de verbalisant gedane vaststellingen.
 
In het kader van een beroep tot vernietiging van de artikelen 159, 160 en 161 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie en van de artikelen 49, 6° en 7° en 52, 3° van de wet van 8 mei 2014 houdende wijziging en coördinatie van diverse wetten inzake Justitie (I) werd kritiek geuit op de mogelijkheid voor de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling om bij de handhaving van de voorlopige hechtenis te zetelen in de gevangenis en op het feit dat de wetgever diezelfde mogelijkheid had voorzien voor de strafuitvoeringskamers. Hieromtrent oordeelde het Grondwettelijk Ho:t94 dat artikel 13 van de Grondwet een recht inhoudt op toegang tot de bevoegde rechter. Een persoon die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, heeft op grond van artikel 5.4 EVRM en van artikel 9 .4 IVBPR een recht op rechterlijke controle over de rechtmatigheid van zijn gevangenhouding. Artikel 5 .4 EVRM voorziet in bepaalde procedurele waarborgen voor een gedetineerde, die grotendeels overeenstemmen met die waarin artikel 6 van dit verdrag voorziet. Hieruit vloeit onder meer voort dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de betrokken rechtscolleges, het vermoeden van onschuld en het recht om te worden gehoord worden gewaarborgd. De voorafgaande beslissing van de rechter om al dan niet te zetelen in de gevangenis, gebaseerd op de veiligheidsrisico's die het transport van de voorlopig gehechte met zich meebrengt, brengt noch zijn onpartijdigheid, noch het vermoeden van onschuld van de voorlopige gehechte in het gedrang95.
 
Het Grondwettelijk Hof volgt dezelfde redenering wat de strafuitvoeringskamers betreft en preciseert daarbij dat ook een gewekte schijn van partijdigheid belangrijk kan zijn en dat de locatie van de zittingszaal in de gevangenis hierbij een belangrijk element is: volgens het Grondwettelijk Hof waarborgt de scheiding tussen "het hart van de gevangenis" en de zittingszaal van de gevangenis, die zich bevindt in het administratieve gedeelte van de gevangenis, dat er geen twijfel ontstaat omtrent het vermoeden van onschuld of de objectieve onpartijdigheid van de strafuitvoeringskamer die zetelt in de gevangenis.
 
In het kader van een prejudiciële vraag diende het Grondwettelijk Hof zich uit te spreken over de vraag of artikel 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, die het vermoeden van onschuld inhouden, in zoverre die bepaling een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadiging wegens overschrijding van de maximale toegelaten massa's zou inhouden. Deze vraag wordt door het Grondwettelijk Hof ontkennend beantwoord omdat uit de door de wetgever aangehaalde studies blijkt dat de overlading een verantwoorde aanwijzing inhoudt dat het misdrijf van het veroorzaken van schade aan het wegdek is gepleegd, terwijl het evenmin gaat om een onweerlegbaar vermoeden'" van wegdekbeschadiging, maar slechts om een verlichting van de bewijslast van het openbaar ministerie97.
 
In het kader van een beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 5, 7, 11, 15, 16, 17, 19, 21 en 25 van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, en de artikelen 87 tot 91, 98, 103 en 105 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (II), oordeelt het Grondwettelijk Hof98 ook omtrent het aangevoerde verwijt dat artikel 57bis, § 4 erin voorziet dat de rechter die de uithandengeving uitspreekt, ook kan bevelen om de betrokken minderjarige te plaatsen in de opvoedingsafdeling van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, en zulks vanaf de dagvaarding tot uithandengeving. De verzoekende partijen waren van mening dat die bepaling het vermoeden van onschuld tweemaal schendt, in zoverre de rechter die zich over de uithandengeving uitspreekt ook kan bevelen de betrokken minderjarige over te brengen, en de minderjarige bovendien kan worden overgebracht vooraleer de rechter zich over de uithandengeving heeft uitgesproken.
 
In zijn beoordeling verwijst het Grondwettelijk Hof de memorie van toelichting van de bestreden bepaling, waar de maatregel op de volgende wijze wordt uitgelegd:
 
 
 
"De minderjarige die zich in een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling bevindt en ten aanzien van wie een dagvaarding tot uithandengeving is ingediend, zal kunnen worden overgebracht naar een gesloten federaal centrum voor de duur van de procedure van uithandengeving, en dat in functie van bijzondere omstandigheden.
 
Er moet met name worden vastgesteld dat vandaag, gezien het subsidiaire karakter van de plaatsing in een gesloten federaal centrum, in dat centrum jongeren verblijven terwijl ze de pedagogische omkadering van de gemeenschapsinstellingen zouden moeten kunnen genieten. Bovendien varieert het aantal beschikbare plaatsen in de gemeenschapsinstellingen van dag tot dag.
 
Het komt er dus op aan om een regel in werking te stellen die toelaat dat de beschikbare plaatsen in de gemeenschapsinstellingen prioritair worden voorbehouden aan de jongeren die het meest vatbaar zijn voor de educatieve maatregelen.
 
De bijzondere omstandigheden bestaan dus in het feit dat dergelijke jongere niet zou kunnen worden toegelaten in een gemeenschapsinstelling wegens plaatsgebrek, terwijl er op dat ogenblik een jongere verblijft die het voorwerp is van een vordering tot uit handen geven.
 
Ingeval de jeugdrechtbank beslist de zaak niet uit handen te geven, moet logischerwijs onmiddellijk een einde worden gemaakt aan de plaatsing van de minderjarige in het gesloten federaal centrum".
 
Door, op grond van een speciaal gemotiveerde beslissing ten aanzien van de bijzondere omstandigheden, zoals die zijn geëxpliciteerd in het hiervoor citaat, te bevelen dat de aan een gesloten opvoedingsafdeling van een gemeenschapsinstelling toevertrouwde minderjarige wordt overgebracht naar de opvoedingsafdeling van een gesloten federaal centrum, schendt de rechter het vermoeden van onschuld niet en loopt hij niet vooruit op de beslissing die ten aanzien van de uithandengeving zal worden genomen.
 
Verder wordt artikel 57bis, § 5, verweten dat de minderjarige vanaf de datum van de beslissing tot uithandengeving door het gewoon gerecht kan worden berecht en niet langer, zoals onder de gelding van de vroegere wetgeving, vanaf de dag van zijn veroordeling door het strafgerecht. Die maatregel zou in strijd zijn met het beginsel van gelijkheid en niet­discriminatie, alsook met het beginsel van het vermoeden van onschuld, vermits hij toestaat dat een minderjarige niet de bijzondere maatregelen geniet waarover de delinquente minderjarigen beschikken, ook al spreekt het gewone strafgerecht later de vrijspraak uit.
 
Het Grondwettelijk Hof preciseert dienaangaande dat de jeugdrechtbank slechts tot uithandengeving kan beslissen indien de betrokken minderjarige reeds eerder het voorwerp is geweest van één of meerdere maatregelen van bewaring, behoeding of opvoeding of van een herstelrechtelijk aanbod of indien het een zwaarwichtig feit betreft zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater en 471 tot 475 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek (artikel 57bis, § 1, eerste lid).
 
De jeugdrechtbank dient de uithandengeving te motiveren op basis van de persoonlijkheid van de betrokkene, van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene (artikel 57bis, § 1, tweede lid). Zij kan de zaak in beginsel slechts uit handen geven na de in artikel 50, tweede lid, bedoelde maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken te hebben doen verrichten (artikel 57bis, § 2). Bovendien dient zij een strikte procedure te volgen (artikel 57bis, § 3).
 
De beslissing tot uithandengeving veronderstelt ten slotte ook nog dat de rechtbank "een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht" (artikel 57bis, § 1).
 
Onder die voorwaarden vermocht de wetgever volgens het Grondwettelijk Hof, zonder het gelijkheidsbeginsel of het vermoeden van onschuld te schenden, ervan uit te gaan dat, wanneer de rechtbank ten aanzien van een minderjarige een beslissing tot uithandengeving neemt, de bijzondere maatregelen waarin voor de minderjarigen is voorzien, onwerkzaam blijken en dat die minderjarige aan de gewone rechtsmacht wordt onderworpen zodra de beslissing tot uithandengeving definitief wordt.
 
In het kader van een beroep tot vernietiging van de artikelen 2 tot 5, 10 en 14 van de wet van 15 mei 2006 "tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van Strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie" en van artikel 13 van de wet van 13 juni 2006 "tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd", preciseert het Grondwettelijk Ho:t99 dat de litigieuze bepalingen de voorwaarden en de procedure vastleggen die van toepassing zijn op de bemiddeling en het herstelgericht groepsoverleg in jeugdzaken, georganiseerd op voorstel van de jeugdrechtbank of de procureur des Konings. Door de bemiddeling en het groepsoverleg kan de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, nagaan hoe kan worden tegemoetgekomen aan de materiële en relationele gevolgen van zijn daad in het kader van een min of meer ruim communicatieproces, waarbij met name de personen worden betrokken die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook het slachtoffer, met bemiddeling van een neutrale derde.
 
Het Hof oordeelt onder meer dat de persoon die ingaat op een herstelrechtelijk aanbod afstand doet van het vermoeden van onschuld, gewaarborgd bij artikel 6.2 EVRM en bij artikel 14.2 IVBPR, en, ten aanzien van de minderjarigen, bij artikel 40.2, b ), i), van het Verdrag inzake de rechten van het kind, alsook van zijn recht om te zwijgen en om zichzelf niet te beschuldigen, dat voortvloeit uit artikel 6.1 EVRM en is gewaarborgd bij artikel 14.3. g, IVBPR en, ten aanzien van de minderjarigen, bij artikel 40.1, b), iv), van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
 
Een dergelijke afstand kan in het licht van artikel 6 EVRM alleen worden aanvaard indien die blijkt uit een in alle vrijheid, namelijk zonder enige dwang, en volledig geïnformeerd gegeven ondubbelzinnige instemming. Op grond van artikel 37bis van de wet van 8 april 1965 wordt het herstelrechtelijk aanbod van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg door de rechter of de rechtbank schriftelijk voorgesteld aan de betrokkenen. Aan die personen wordt meegedeeld dat zij zich door een advocaat kunnen laten bijstaan alvorens het herstelrechtelijk aanbod te aanvaarden. Dat aanbod kan alleen worden toegepast "indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven doen zolang de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg duurt». Artikel 45quater, dat de door de procureur des Konings voorgestelde bemiddeling betreft, bevat dezelfde bepalingen.
 
Op grond van die bepalingen wordt de minderjarige schriftelijk ingelicht over de mogelijkheid van een bemiddeling of een herstelgericht groepsoverleg. Het staat hem vrij die bemiddeling te weigeren en deze wordt alleen voortgezet indien hij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud tot op het einde ermee instemt. Hij wordt erover ingelicht dat hij zich kan laten bijstaan door zijn advocaat alvorens het herstelrechtelijk aanbod te aanvaarden. Ten slotte is het in zijn eigen belang om, in plaats van een gerechtelijke oplossing, te streven naar een door overleg bereikte oplossing die leidt tot een akkoord van alle betrokken personen. De afstand van het vermoeden van onschuld en van het recht om te zwijgen voldoet, wanneer die in dergelijke omstandigheden wordt gedaan, aan de vereiste van een in alle vrijheid, zonder enige dwang, en volledig geïnformeerd gegeven ondubbelzinnige instemming.
 
Het Hof stelt evenwel de vraag of een dergelijke afstand, wanneer die leidt tot een akkoord en dat laatste wordt uitgevoerd, niet zou moeten leiden tot het verval van de strafvordering, zoals de oorspronkelijk voorgestelde tekst bepaalde en zoals artikel 216ter van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de bemiddeling in strafzaken voorschrijft.
 
Het Hof preciseert dienaangaande dat de wetgever ervan heeft afgezien dat gevolg te koppelen aan het akkoord waartoe de bemiddeling of het overleg leidt. Zij vertonen immers een wezenlijk verschil met de bemiddeling in strafzaken in zoverre zij, in tegenstelling tot die laatste, kunnen worden voorgesteld ongeacht de ernst van het misdrijf. De wil van de wetgever om het mogelijk te maken dat voor minderjarigen een beroep wordt gedaan op de bemiddelings- en overlegtechnieken, zelfs wanneer ernstige misdrijven zijn gepleegd, verantwoordt dat het akkoord waartoe zij leiden niet automatisch het verval van de strafvordering met zich meebrengt.
 
De keuze van de wetgever vertoont evenwel een ernstige tekortkoming ten aanzien van de onpartijdigheid van de rechter, de naleving van het vermoeden van onschuld en het recht om te zwijgen. Aangezien het wenselijk is dat dezelfde rechter de minderjarige kan volgen tijdens de hele procedure en daar moet worden vermeden dat hij onverenigbare functies cumuleert, dienen de artikelen 37bis, § 1, en 45quater, § 1, tweede lid, van de wet gedeeltelijk te worden vernietigd.
 
Volgens het Hof rijst eveneens de vraag of het met het EVRM en het IVBPR verenigbaar is om van de minderjarige te eisen dat hij de feiten waarvan hij wordt verdacht ze te hebben gepleegd, uitdrukkelijk erkent.
 
Uit het bestaan van het bemiddelingsakkoord, waarvan de procureur des Konings en de rechtbank kennis zullen nemen vermits zij daarmee rekening dienen te houden, blijkt op zich dat de minderjarige heeft verklaard de hem verweten feiten niet te ontkennen. Ongeacht welke voorzorgsmaatregelen worden genomen opdat de in het kader van het herstelrechtelijk aanbod ingezamelde elementen niet daarbuiten zouden kunnen worden gebruikt, met inbegrip van de erkenning door de minderjarige van de materialiteit van het als misdrijf omschreven feit, wordt iedere minderjarige die na een bemiddeling of een overleg voor de procureur des Konings of voor de jeugdrechter verschijnt, verondersteld de feiten te erkennen. Hoewel die afstand van het vermoeden van onschuld en van het recht om te zwijgen aanvaardbaar is in het kader van de bemiddeling of van het overleg, omdat de minderjarige de gevolgen heeft kunnen inschatten van die afstand die hem in staat stelt deel te nemen aan een herstelrechtelijk aanbod, dat hij in zijn eigen belang aanvaardt, is zulks niet langer het geval wanneer het akkoord waartoe dat aanbod leidt niet het verval van de strafvordering met zich meebrengt. Het is niet verenigbaar met de in het EVRM en het IVBPR vervatte beginselen om voor te schrijven dat, terwijl de procedure kan worden hervat na een bemiddelings- of overlegakkoord, de minderjarige ertoe gehouden is vooraf te verklaren dat hij de hem verweten feiten erkent. Die erkenning kan een belangrijk element zijn dat het de minderjarige mogelijk zal maken de gevolgen van zijn handeling te beseffen en deel te nemen aan een responsabiliseringsproces. Maar zij kan worden gesitueerd in het kader van de bemiddeling of het overleg en blijft gedekt door de daaraan verbonden geheimhouding. Die vereiste opnemen in de wet en daarvan een voorwaarde maken voor het herstelrechtelijk aanbod is daarentegen niet evenredig met het nagestreefde doel.
 
Het is verantwoord dat een herstelrechtelijk aanbod alleen kan worden voorgesteld wanneer een minderjarige ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, zoals de artikelen 37bis, § 2, en 45quater, § 1, van de wet uitdrukkelijk bepalen. Maar door een bijzondere erkenning van de minderjarige te eisen waaruit later zal kunnen worden afgeleid dat hij de hem verweten feiten onbetwistbaar heeft erkend, in een ander kader dan dat van het herstelrechtelijk aanbod, heeft de wetgever een maatregel genomen die verder reikt dan de door hem nagestreefde doelstelling en die minderjarigen die een aanbod van bemiddeling of van herstelgericht groepsoverleg aanvaarden, anders behandelt dan de volwassenen die een bemiddeling aanvragen op grond van artikel 553, § 1, van het Wetboek van Strafvordering, zonder dat dit verschil in behandeling redelijk verantwoord is.
 
In zijn arrest van 16 juli 2009100 diende het Grondwettelijk Hof zich uit te spreken over de prejudiciële vraag of artikel 132 van het Wetboek der successierechten, in samenhang gelezen met de artikelen 126, 128 en 131 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, doordat die artikelen toelaten dat een erfgenaam gehouden is tot de betaling van een fiscale geldboete, opgelegd na het overlijden van de nalatige belastingplichtige, wegens niet- of onvolledige aangifte van de nalatenschap, terwijl in het gemeen strafrecht het principe van de persoonlijkheid van de straf geldt (artikel 86 van het Strafwetboek, artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering), alsook het vermoeden van onschuld (artikel 6 van het EVRM). Het Hof oordeelt dat uit artikel 6 EVRM en uit de waarborgen die voortvloeien uit de algemene beginselen van het strafrecht, die ook van toepassing zijn op administratieve geldboeten met een overwegend repressief karakter, volgt dat de fundamentele beginselen van het persoonlijk karakter van de straffen en van het vermoeden van onschuld in acht dienen te worden genomen. Doordat artikel 132 van het Wetboek der successierechten bepaalt dat in geval van overlijden van een persoon die een evenredige boete opgelopen heeft, de erfgenaam, legataris of begiftigde van die persoon gehouden is die boete, minstens ten dele, te voldoen, doet die bepaling op discriminatoire wijze, ten nadele van voormelde categorie van personen, afbreuk aan de voormelde fundamentele beginselen, zodat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord.
 
Ingevolge een beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel oordeelt het Grondwettelijk Hof dat de beslissing van de onderzoeksrechter om een gezochte persoon in hechtenis te nemen met het oog op de instelling van strafvervolging ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel een rechterlijk bevel is dat beantwoordt aan de vereisten gesteld in artikel 12 van de Grondwet en in de artikelen 5.2 en 5.4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Een dergelijke maatregel vormt geen inbreuk op het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, nu over de grond van de zaak nog uitspraak moet worden gedaan met naleving van de rechten van de persoon tegen wie het aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd 101.
 
In het kader van een beroep tot vernietiging van de artikelen 1 tot 34 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 10 mei 2007 tot wijziging van voormelde wet van 30 juli 1981 en de artikelen 2 tot 49 en 52 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie voerden de verzoekers aan dat de bestreden bepalingen ook degene die zijn onschuld kan bewijzen verplichten tot het betalen van een forfaitaire vergoeding, omdat ook wie aannemelijk maakt dat de beslissing door andere beweegredenen werd ingegeven dan de wil om te discrimineren, immers nog steeds aansprakelijk wordt gesteld. Volgens het Hof berust deze grief op een verkeerde lezing van de artikelen 16, § 2, 1 ° en 2 °, van de Antiracismewet, artikel 18, § 2, 1 ° en 2 °, van de Algemene Antidiscriminatiewet en artikel 23, § 2, 1 ° en 2°, van de Genderwet.
 
Opdat een forfaitaire schadevergoeding kan worden opgelegd, moet in ieder geval een discriminatie in de zin van de bestreden wetten zijn vastgesteld en de wetgever vermocht bij het bepalen van de forfaitaire schadevergoeding een onderscheid te maken naargelang de dader al dan niet kan aantonen dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling zich ook op niet-discriminerende gronden zou hebben voorgedaan, of wegens andere omstandigheden, zoals de bijzondere ernst van de geleden morele schade. Het Hof preciseert voor het overige dat de forfaitaire schadevergoedingen geen strafsancties zijn, zodat het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel en het vermoeden van onschuld te dezen niet kunnen zijn geschonden, en zij houden evenmin een onevenredige beperking van het eigendomsrecht in 1°2.
 
In het kader van een aantal andere beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 10 mei 2007 tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, werd onder meer aangevoerd dat de artikelen 29 en 30 van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, de artikelen 10, 11, 13, 14, 19, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 van de Grondwet schenden, doordat ze de bewijslast zouden omkeren en daarbij een niet te verantwoorden verschil in behandeling zouden invoeren tussen twee categorieën van slachtoffers, naargelang zij al dan niet de betreffende bewijslastregeling kunnen genieten. Het Grondwettelijk Hof103 oordeelt desbetreffend dat de bestreden artikelen deel uitmaken van titel V "Bewijslast" van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007. Volgens het bestreden artikel 29 zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op alle gerechtelijke procedures, met uitzondering van de strafrechtelijke procedures 104.
 
Het bestreden artikel 30 bepaalt:
 
"§ 1. Wanneer een persoon die zich slachtoffer acht van een discriminatie, het Centrum of een van de belangenverenigingen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie op grond van een van de beschermde criteria kunnen doen vermoeden, dient de verweerder te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest.
 
§ 2. Onder feiten die het bestaan van een directe discriminatie op grond van een beschermd criterium kunnen doen vermoeden, wordt onder meer, doch niet uitsluitend, begrepen:
 
1° de gegevens waaruit een bepaald patroon van ongunstige behandeling blijkt ten aanzien van personen die drager zijn van een welbepaald beschermd criterium; onder meer verschillende, los van elkaar staande bij het Centrum of een van de belangenverenigingen gedane meldingen; of
 
2° de gegevens waaruit blijkt dat de situatie van het slachtoffer van de ongunstigere behandeling, vergelijkbaar is met de situatie van de referentiepersoon.
 
§ 3. Onder feiten die het bestaan van een indirecte discriminatie op grond van een beschermd criterium kunnen doen vermoeden, wordt onder andere, doch niet uitsluitend, begrepen:
 
1° algemene statistieken over de situatie van de groep waartoe het slachtoffer van de discriminatie behoort of feiten van algemene bekendheid; of
 
2° het gebruik van een intrinsiek verdacht criterium van onderscheid; of
 
3° elementair statistisch materiaal waaruit een ongunstige behandeling blijkt."
 
Het Hof wijst erop dat die bepaling het resultaat is van een amendement, dat als volgt werd verantwoord: "Het artikel van het wetsontwerp nam de bepaling over van de wet van 2003 betreffende de omkering van de bewijslast, vereist door de communautaire richtlijnen (richtlijn 43/2000, art. 8; richtlijn 78/2000, art. JO). De auteurs van het amendement zijn van oordeel dat het principe van de omkering van de bewijslast globaler moet worden verduidelijkt dan hetgeen de huidige bepaling doet.
 
De doelstelling van dit amendement bestaat er dus in de artikelen 10 van de richtlijn 43/2000 en 8 van de richtlijn 78/2000 om te zetten, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie, om een kader vast te leggen dat de rechter in staat stelt het bestaan van een discriminatie te vermoeden, waardoor de bewijslast ten laste van de verweerder wordt gelegd". Het Hof vervolgt dat de omkering van de bewijslast ingegeven is door de vaststelling dat slachtoffers van discriminatie moeilijkheden ervaren om die discriminatie te kunnen bewijzen. Tevens wenste de wetgever rekening te houden met het feit dat de auteur van een laakbare handeling soms poogt te verhullen dat hij op een van de in de bestreden wet vermelde gronden een onderscheid heeft gemaakt.
 
De door de wetgever ingevoerde maatregel berust volgens het Hof op een objectief criterium, namelijk de aard van de vorderingen waarbij de omkering van de bewijslast wordt ingevoerd en is pertinent om de door hem beoogde doelstelling van efficiënte bescherming tegen discriminatie te waarborgen.
 
Het Hof gaat evenwel ook na of de maatregel niet onevenredig is.
 
Te dien aanzien zegt het Hof dat allereerst dient te worden vastgesteld dat er enkel sprake kan zijn van een omkering van de bewijslast nadat het slachtoffer feiten heeft bewezen die het bestaan van discriminatie doen vermoeden. Bijgevolg dient het slachtoffer aan te tonen dat de verweerder daden heeft gesteld of opdrachten heeft gegeven die prima facie discriminerend zouden kunnen zijn. De bewijslast ligt derhalve in de eerste plaats bij het slachtoffer.
 
De aangevoerde feiten moeten voldoende sterk en pertinent zijn. Het volstaat daarbij niet dat een persoon aantoont dat hij het voorwerp is geweest van een voor hem ongunstige behandeling. Hij dient tevens de feiten te bewijzen die erop lijken te wijzen dat die ongunstige behandeling is ingegeven door ongeoorloofde motieven. Hiertoe kan hij bijvoorbeeld aantonen dat zijn situatie vergelijkbaar is met de situatie van een referentiepersoon (artikel 30, § 2, 2°), zijnde een persoon die niet wordt gekenmerkt door een van de in de bestreden wet vermelde gronden en die door de verweerder op een verschillende wijze wordt behandeld.
 
Voormelde feiten vermogen evenwel niet algemeen van aard te zijn, maar moeten specifiek aan de auteur van het onderscheid kunnen worden toegeschreven. Aangezien volgens het bestreden artikel 30, § 2, 1 °, "de gegevens waaruit een bepaald patroon van ongunstige behandeling blijkt ten aanzien van personen die drager zijn van een welbepaald beschermd criterium" een vermoeden van directe discriminatie doen ontstaan, dient dat patroon bij die personen te bestaan.
 
Hetzelfde dient te gelden ten aanzien van feiten die het bestaan van een indirecte discriminatie op een van de in de bestreden wet vermelde gronden kunnen doen vermoeden. Het kan daarbij niet volstaan aan de hand van statistisch materiaal aan te tonen dat een ogenschijnlijk neutrale grond personen gekenmerkt door een van de in de bestreden wet vermelde gronden benadeelt. Bovendien dient tevens te worden aangetoond dat de verweerder zich hiervan bewust was. Het statistische materiaal dient overigens aan zekere kwaliteitseisen te voldoen opdat de rechter ermee rekening kan houden, zoals met name blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens:
 
"Voorts zij eraan herinnerd, dat de nationale rechter dient te beoordelen, of de statistische gegevens waardoor de situatie op de arbeidsmarkt wordt gekenmerkt, geldig zijn en of zij in aanmerking kunnen worden genomen, dat wil zeggen of zij betrekking hebben op een voldoende groot aantal personen, of er niet zuiver toevallige of conjuncturele verschijnselen in tot uitdrukking komen, en of zij in het algemeen relevant kunnen worden geacht (zie arrest van 27 oktober 1993, Enderby, C-127/92, Jurispr. blz. 1-5535, punt 17)" (HvJ, 9 februari 1999, Seymour-Smith, C-167/97, § 62).
 
"Het Hof is van oordeel dat, wanneer de weerslag van maatregelen of van praktijken op een individu of op een groep dient te worden geëvalueerd, de statistieken die, nadat zij aan een kritisch onderzoek van het Hof zijn onderworpen, betrouwbaar en significant lijken, voldoende zijn om het door de verzoeker te leveren begin van bewijs te vormen" (EHRM (Grote Kamer), 13 november 2007, D.H. e.a. t. Tsjechische Republiek,§ 188) (vertaling).
 
De feiten aangevoerd door de persoon die zich het slachtoffer acht van discriminatie, door het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding of door een van de belangenverenigingen, genieten op zich geen bijzondere bewijswaarde. De rechter dient de juistheid van de gegevens die hem zullen worden voorgelegd te beoordelen overeenkomstig de regels van gemeen recht. Zo verklaarde de minister:
 
"de rechter moet [. . .} geval per geval oordelen over de regelmatigheid van de aangebrachte bewijzen en de bewijskracht ervan" (Par!. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 88).
 
De rechter behoudt bovendien de nodige appreciatievrijheid. In de parlementaire voorbereiding werd hieromtrent het volgende verklaard:
 
"et [komt] aan de rechter toe [. . .} om te oordelen op grond van de gegevens die hem worden voorgelegd of er in een bepaalde situatie een vermoeden van directe of indirecte discriminatie is. Vervolgens kan hij beslissen of hij al dan niet een omkering of een verschuiving van de bewijslast toelaat" (Par!. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 70).
 
 
 
Uit de parlementaire voorbereiding blijkt nog dat er slechts gebruik kan worden gemaakt van instrumenten die aanleiding kunnen geven tot de omkering van de bewijslast, nadat er zich feiten hebben voorgedaan die mogelijkerwijs als discriminatie kunnen worden beschouwd en het nooit gaat om een proactieve controle.
 
Uit hetgeen voorafgaat blijkt volgens het Grondwettelijk Hof dat de bestreden bepalingen een billijk evenwicht tot stand hebben gebracht tussen de procespartijen door, enerzijds, rekening te houden met de nadelige procedurele uitgangssituatie waarin het slachtoffer zich bevindt en door, anderzijds, de situaties waarin de bewijslast naar de verweerder kan verschuiven, aan een aantal voorwaarden te onderwerpen, zodat niet blijkt dat de wetgever op discriminerende wijze afbreuk zou hebben gedaan aan het recht op een eerlijk proces.
 
Ten slotte is de omkering van de bewijslast, volgens het bestreden artikel 29, niet van toepassing in strafrechtelijke procedures. Aangezien rekening dient te worden gehouden met het vermoeden van onschuld, zoals het wordt gewaarborgd door artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en door artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, is die uitzondering verantwoord. Bovendien dient rekening te worden gehouden met artikel 8, lid 3, van de richtlijn 2000/43/EG van 29 juni 2000 "houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming", naar luid waarvan de in artikel 8, lid 1, vermelde noodzaak om maatregelen te nemen op het vlak van de bewijslast niet van toepassing is in strafprocedures.
 
Volgens de verzoekende partijen is het niet uit te sluiten dat de in een burgerlijke zaak genomen beslissing een weerslag heeft op de strafrechtelijke procedure wanneer de daad waardoor de bepalingen van de Antiracismewet worden overtreden, een strafbaar feit uitmaakt. Zoals uit de tekst van artikel 30, § 1, blijkt, heeft de omkering van de bewijslast geen betrekking op het strafbare feit zelf, doch wel op de discriminerende aard van de gedraging. In de hypothese dat de omkering van de bewijslast, toegepast in een burgerlijke zaak, later het bewijs in een strafzaak zou kunnen beïnvloeden, zou de strafrechter niettemin ertoe zijn gehouden de bewijsstukken in concreto te beoordelen en het vermoeden van onschuld van de beklaagde te eerbiedigen 105.
 
Gelet op de voorwaarden waaronder de bestreden maatregel geldt, is die maatregel volgens het Hof niet zonder verantwoording.
 
In antwoord op een prejudiciële vraag zegt het Grondwettelijk Hof zegt voor recht dat artikel 62 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt doordat het bepaalt dat, wanneer de onderzoeksrechter zich ter plaatse begeeft, hij altijd vergezeld wordt door de procureur des Konings en door de griffier van de rechtbank, zonder erin te voorzien dat hij vergezeld wordt door de verdachte of verdachten, de burgerlijke partij of burgerlijke partijen en hun respectieve raadslieden.
 
In de prejudiciële vraag werd het Hof verzocht de situatie van, enerzijds, de procureur des Konings en, anderzijds, de verdachte, de burgerlijke partij en hun advocaten te vergelijken, in zoverre de onderzoeksmagistraat, wanneer hij zich verplaatst, de eerstgenoemde moet verzoeken om hem te vergezellen, terwijl hij ten opzichte van de laatstgenoemden niet diezelfde informatie- en verzoekplicht heeft. Volgens het Hof sluiten de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
 
Het Hof wijst erop dat de plaatsopneming wordt uitgevoerd op een ogenblik dat, volgens de wil van de wetgever, de strafrechtspleging inquisitoriaal is, om, enerzijds, rekening houdend met het vermoeden van onschuld, te vermijden dat personen onnodig in diskrediet worden gebracht en, anderzijds, met het oog op doeltreffendheid, snel te kunnen handelen, zonder de schuldigen op de hoogte te brengen.
 
Die doelstellingen zijn volgens het Hof dermate belangrijk dat kan worden verantwoord dat de wetgever de procureur des Konings en de andere partijen verschillend kon behandelen wat de plaatsopneming betreft.
 
De mogelijkheid voor de onderzoeksrechter om zich te verplaatsen of zelfs een reconstructie van de feiten te organiseren zonder dat de verdachte, de burgerlijke partij en hun respectieve raadslieden aanwezig zijn, houdt op zich geen onevenredige schending in van hun rechten van verdediging, rekening houdend met de garanties waarover zij beschikken vanaf die fase van de strafrechtspleging, met name het feit dat de niet aangehouden verdachte en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter kunnen verzoeken om inzage van het deel van het dossier betreffende de feiten die tot de inverdenkingstelling of tot de burgerlijke partijstelling hebben geleid (artikel 61ter van het Wetboek van Strafvordering), terwijl de aangehouden verdachte en zijn advocaat, krachtens de Voorlopige hechteniswet het recht hebben om het dossier te raadplegen.
 
Bovendien kunnen de verdachte en de burgerlijke partij op grond van artikel 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering de onderzoeksrechter verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, waarbij die laatste uitspraak doet bij beschikkingen waartegen hoger beroep kan worden ingesteld.
 
Op die manier waarborgt het Wetboek voor de verdachte en de burgerlijke partij de mogelijkheid om, enerzijds, op de hoogte te worden gesteld van de verplaatsingen van de onderzoeksrechter en de regelmatigheid ervan na te gaan en, anderzijds, een verplaatsing van de rechter of een reconstructie van de feiten te vragen indien zij dat nuttig achten.
 
Het Hof stelt bovendien vast dat de wet de onderzoeksrechter niet verbiedt zich te laten vergezellen door de verdachte, de burgerlijke partij en hun advocaten, indien hij dat aangewezen acht en indien hij oordeelt dat hun aanwezigheid niet meebrengt dat, rekening houdend met het vermoeden van onschuld, personen onnodig in diskrediet worden gebracht en dat zou verhinderd worden dat, met het oog op doeltreffendheid, snel kan gehandeld worden, zonder de schuldigen op de hoogte te brengen'!".
 
Het Hof zegt voor recht dat artikel 67 bis Wegverkeerswet'!", ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, noch afzonderlijk, noch gelezen in samenhang met artikel 6.2 EVRM niet schendt. Volgens het Hof betreft wat de in het geding zijnde wet een "vermoeden van schuld" noemt, eigenlijk een verlichting van de bewijslast die rust op het openbaar ministerie.
 
Wanneer vaststaat dat een overtreding is begaan met een motorvoertuig, vermag de wetgever op wettige wijze aan te nemen dat de dader van die overtreding normalerwijze de persoon is die het voertuig op zijn naam heeft laten inschrijven. Die regel stelt weliswaar een verschil in behandeling in, in zoverre hij afwijkt van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij weegt, maar die afwijking is verantwoord door de onmogelijkheid om, in een aangelegenheid waarin er talloze en vaak slechts vluchtig vast te stellen overtredingen zijn, de identiteit van de dader anders en met zekerheid vast te stellen.
 
Volgens het Hof kan het weliswaar voorkomen dat het voertuig gebruikt is door een andere persoon dan die welke de inschrijving heeft gevraagd, maar aangezien de in het geding zijnde regel het bewijs van het tegendeel "met elk rechtsmiddel" mogelijk maakt, maakt hij geen onverantwoorde inbreuk op het vermoeden van onschuld waarvan artikel 6.2 EVRM de uitdrukking is 1°8.
 
Bij arrest van 19 januari 2000109 vernietigt het Grondwettelijk Hof de bepalingen van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 april 1998 houdende wijziging van de regeling inzake preventieve schorsing in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd en gesubsidieerd onderwijs, in zoverre zij voorzien in de invoeging van een artikel 60bis in het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs en een artikel 87bis in het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs.
 
Door de verzoeker werd onder meer aangevoerd dat door automatisch in een voorlopige schorsing, een verwijdering uit het ambt en een weddevermindering te voorzien, de bestreden bepalingen op onevenredige wijze het vermoeden van onschuld schenden, aangezien de sanctie voortvloeit uit een gewone inverdenkingstelling of tenlastelegging, terwijl zelfs geen enkele strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken die kracht van gewijsde heeft verkregen. Bij zijn onderzoek of de maatregel van preventieve schorsing in een redelijk verband van evenredigheid staat tot de nagestreefde doelstellingen, rekening houdend met de inbreuk op de fundamentele rechten, oordeelt het Hof dat ook al is een preventieve schorsing geen strafmaatregel, noch een tuchtmaatregel, en ook al wordt zij als louter administratief voorgesteld, ze toch een ernstige maatregel vormt voor de persoon die het voorwerp ervan is.
 
Die maatregel moet dus steeds gebaseerd zijn op motieven die in concreto beoordeeld worden ten aanzien van de in het geding zijnde hogere belangen, hier meer in het bijzonder de belangen van de kinderen en van het onderwijs. De toetsing van die motieven - alsmede van het regelmatige karakter van de procedure - door de rechter vormt een fundamentele waarborg voor de betrokkene.
 
Met de bestreden bepalingen heeft de wetgever getracht op objectieve wijze bijzonder ernstige feiten en handelingen vast te stellen die, zodra er sprake is van tenlastelegging of inverdenkingstelling, een maatregel van automatische schorsing moeten verantwoorden. Hij heeft elke beoordelingsbevoegdheid in concreto van een overheid en met name van de inrichtende macht uitgesloten en bijgevolg, in samenhang ermee, op aanzienlijke wijze de controle beperkt die door een rechter zou kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van de motieven die aan de administratieve maatregel ten grondslag liggen. De bestreden bepalingen offeren volgens het Hof op buitensporige wijze ten aanzien van het nagestreefde doel de fundamentele rechten van de verdachte leerkracht op.
 
Ingevolge een beroep tot vernietiging van (onder meer) de artikelen 25, eerste lid, eerste en tweede zin, artikel 53, tweede zin en artikel 54, eerste lid, laatste zin, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten 110 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat uit het vermoeden van onschuld niet kan worden afgeleid dat een beroep tegen de beslissing van de tuchtoverheid een schorsende werking heeft. Wat betreft de grief van de verzoekende partijen betreffende artikel 54, eerste lid, van hogergenoemde wet, dat het bindend karakter van het advies van de tuchtraad zou ingaan tegen het vermoeden van onschuld, oordeelt het Grondwettelijk Hof dat niet valt in te zien hoe het betrokken personeelslid door de aangevochten bepaling op discriminerende wijze zou worden behandeld.
 



 
 
In het kader van een prejudiciële vraag omtrent artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de ordonnantie van 28 juni 2001, werd aan het Hof een vraag gesteld over het feit dat de procedurele waarborgen als de rechten van de verdediging en het vermoeden van onschuld niet in acht zouden zijn genomen in het kader van de procedure van administratieve sancties die in het kader van bedoelde ordonnantie kunnen worden opgelegd.
 
Het Hof oordeelt dat de leidend ambtenaar van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, alvorens een sanctie op te leggen, de persoon aan wie een administratieve geldboete kan worden opgelegd, de mogelijkheid te bieden zich te verdedigen.
 
Het stilzwijgen van de ordonnantiegever, wat de verdere procedurele invulling van die mogelijkheid betreft, leidt volgens het Hof niet tot een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, want ook bij ontstentenis van een uitdrukkelijke bepaling, kan de in het geding zijnde sanctie niet worden opgelegd zonder dat aan de betrokkene vooraf de mogelijkheid wordt geboden zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen.
 
De beginselen van behoorlijk bestuur die de hoorplicht omvatten, vereisen immers dat de betrokkene wordt ingelicht over de feitelijke en juridische grondslag van de administratieve sanctie die ten aanzien van hem wordt overwogen, dat hij over een voldoende termijn beschikt om zijn verweer voor te bereiden en dat hij kennis kan nemen van het volledige dossier dat werd samengesteld met het oog op het nemen van de beslissing. Die beginselen vereisen eveneens dat de maatregel wordt gemotiveerd.
 
Het wettigheidstoezicht door de Raad van State omvat verder niet alleen de naleving, door de administratieve overheid, van de wettelijke bepalingen, maar ook van de algemene rechtsbeginselen. De Raad van State, waarbij een beroep wordt aanhangig gemaakt tegen de beslissing waarbij een administratieve geldboete is uitgesproken, gaat derhalve na of de voormelde beginselen van behoorlijk bestuur in acht werden genomen. Wat de bewijslast betreft, staat het aan de ambtenaar die beslist om de administratieve sanctie op te leggen, de werkelijkheid van de feiten die aan de in het geding gestelde persoon worden verweten, te bewijzen, alsook diens schuld. Dit deel van de prejudiciële vraag wordt dan ook ontkennend beantwoord door het Hof111
 
In het kader van een beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 14, § 4, 15, 31, 42, 45, 49 en 53, laatste lid van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid, zoals gewijzigd bij ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 8 mei 2014, oordeelt het Grondwettelijk Hof op het aangevoerde middel dat het door artikel 31, § 2 van dit wetboek ingestelde vermoeden van schuld de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht van het vermoeden van onschuld dat wordt gewaarborgd bij artikel 6.2 EVRM, schendt, dat deze verdragsbepaling de Staten niet verbiedt in het strafrecht vermoeden te gebruiken. Wanneer zij dat doen, moeten zij echter "een afweging maken tussen het belang van wat op het spel staat en de rechten van de verdediging, met andere woorden, de gebruikte middelen moeten een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het nagestreefde wettige doel'P".
 
Op grond van artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie wordt de luchtvaartmaatschappij die door een handeling of verzuim de daarin bedoelde geluidsnormen overtreedt, geacht nalatig te zijn geweest. Het Grondwettelijk Hof verwijst desbetreffend naar de parlementaire voorbereiding waaruit blijkt dat de ordonnantiegever rekening heeft gehouden met het feit dat de sancties waarin het Wetboek voorziet, samenhangen "met overtredingen van zeer precieze milieunormen die meestal worden begaan door professionals na verschillende ingebrekestellingen en waarschuwingen" en dat hij daaruit heeft besloten dat "onder deze voorwaarden men er niet van kan uitgaan dat de overtreder niet op de hoogte is van de regel van het administratief milieurecht".
 
Aangezien de luchtvaartmaatschappijen en hun personeelsleden professionelen zijn van wie mag worden verwacht dat zij het bestaan en de inhoud kennen van de door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vastgestelde geluidsnormen, is het niet onredelijk om in geval van niet-naleving van die normen een nalatigheid van hunnentwege te vermoeden.
 
Het Grondwettelijk Hof preciseert dat artikel 31, § 2 van het Wetboek van inspectie het tegenbewijs toelaat, zodat de rechtsonderhorige over de mogelijkheid beschikt om aan te tonen dat geen enkele nalatigheid werd begaan.
 
Daarenboven kan hij ook de verschillende rechtvaardigingsgronden aanvoeren die zijn opgenomen in boek I van het Strafwetboek, zoals de noodtoestand of de dwang. Ten slotte sluit volgens het Grondwettelijk Hof niets uit dat de luchtvaartmaatschappij die wordt vervolgd wegens overschrijding van de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering vastgelegde geluidsnormen melding maakt van "onvoorspelbare" factoren, die volgens de verzoekende partij, een invloed zouden hebben op de verwezenlijking van het materiële element van het misdrijf, zoals de weersomstandigheden, teneinde het bewijs te leveren dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan nalatigheid. Het Grondwettelijk Hof besluit op grond van bovenstaande elementen dat bij gebrek aan tegenbewijs de conclusie van de vervolgende overheid toereikend wordt geacht om te voldoen aan de vereisten van de bewijslast, die blijft rusten op die vervolgende overheid.
 
Volgens het Hof is de bestreden bepaling verantwoord door de noodzaak het nuttig effect van de geluidsnormen te waarborgen, aangezien bij het ontbreken ervan het leveren van het bewijs van neen inbreuk in de praktijk uiterst moeilijk of onmogelijk zou kunnen worden. Volgens het Grondwettelijk Hof doet de bestreden bepaling dan ook niet op onverantwoorde wijze afbreuk aan het vermoeden van onschuld, gewaarborgd bij artikel 6.2 EVRM113
 
Het vermoeden van onschuld in de rechtspraak van de Raad van State (nazicht rechtspraak tot 14 maart 2015)
 
Artikel 6.2 EVRM, dat het vermoeden van onschuld waarborgt, is een bepaling die niet enkel jurisdictionele instanties, maar ook bestuurlijke overheden in acht moeten nemen 114.
 
Een weigering tot benoeming om reden dat een tuchtonderzoek lopende is, is onverenigbaar met het vermoeden van onschuld beschermd door art. 6.2 EVRM115.
 
Door omwille van het louter bestaan van en opsporingsonderzoek, de integriteit, het prestige en de geloofwaardigheid van een persoon in twijfel te trekken, en hem vervolgens alleen om die reden te weren in het kader van een bevorderingsprocedure, heeft de bevoegde overheid het vermoeden van onschuld miskend' 16.
 
Het vermoeden van onschuld houdt in dat louter het bestaan van een strafrechtelijk onderzoek voor de overheid geen voldoende grond kan opleveren om een benoeming te weigeren.
 
Dit sluit niet uit dat de overheid de benoeming kan weigeren na onderzoek van het dossier en rekening houdende met het belang van de functie. In het besproken arrest oordeelde de Raad van State, dat in de gegeven concrete feitelijke omstandigheden van de zaak, de minister van Justitie uit het "ongunstig" advies van de procureur des Konings niet kon afleiden dat het gerechtelijk onderzoek aanwijzingen van schuld had opgeleverd.
 
Volgens de Raad heeft de minister van Justitie als verwerende partij dan ook onzorgvuldig gehandeld omdat louter ingevolge een klacht van een derde iemands politiek recht om een openbaar ambt te bekleden, in casu het ambt van rechter in handelszaken onwerkzaam werd gemaakt117.
 
Het vermoeden van onschuld is niet geschonden door het feit dat de tuchtoverheid in het raam van het bewijs van de feiten, bepaalde "interpretaties" afleidt uit het gegeven dat een bemiddeling in strafzaken is opgestart. Zonder dat het vermoeden van onschuld hierdoor wordt geschonden, kan de tuchtoverheid immers het bewijs van de feiten steunen op onder meer vermoedens en dit los van de vaststelling dat het bewijs en de toerekening van de feiten minstens niet alleen steunt op dit gegeven en dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de overige stukken in het dossier te dezen niet zouden volstaan om de feiten als bewezen te achten 118.
 
In hetzelfde arrest oordeelde de Raad van State dat het beginsel van het vermoeden van onschuld inhoudt dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Het vermoeden van onschuld staat er niet aan in de weg dat de tuchtoverheid bij de beoordeling van feiten, uit bepaalde gekende feiten bepaalde gevolgen trekt inzake het bewezen zijn van die feiten en zo besluit tot een voor haar onbekend feit. Dat de tuchtoverheid aldus gebruik maakt van feitelijke vermoedens, houdt op zich niet in dat zij het vermoeden van onschuld miskent.
 
Het enkele feit dat in het dossier een ontwerp van tuchtbesluit was opgenomen, doet geen afbreuk aan verzoekers recht van verdediging en aan het vermoeden van onschuld. Het feit dat tijdens dezelfde zitting nog andere brandweerlieden werden afgedankt en tien stagiairs werden aangeworven is op zich onvoldoende om aan te nemen dat de gemeenteraad zijn tuchtbevoegdheid heeft misbruikt en zich heeft laten leiden door een ander belang dan het belang van de dienst' 19.
 
Het beginsel van het vermoeden van onschuld houdt in dat iedereen die van een vergrijp wordt beschuldigd voor onschuldig wordt gehouden totdat de bevoegde overheid zijn schuld met inachtneming van de geëigende regeling heeft vastgesteld. Wanneer het bestuur als enige verantwoording van zijn beslissing het bestaan van een opsporingsonderzoek aanvoert, gaat het impliciet maar zeker uit van de schuld van de betrokkene en doet het aldus afbreuk aan het vermoeden van onschuld 120.
 
Na de analyse van de meetresultaten waaruit de geluidsoverschrijdingen kunnen worden opgemaakt en van de gegevens van Belgocontrol, beschikken de verbalisanten over een redelijke termijn om de identiteit van de overtreder te achterhalen. De regel dat de verzoeker het overschrijden van de redelijke termijn moet aantonen, heeft geen uitstaan met het vermoeden van haar onschuld. De bewijslast inzake de redelijke termijn heeft niet tot gevolg dat het vermoeden van onschuld tijdens de bestuursrechtelijke vervolging van de verzoeker niet meer zou gegolden hebben 121
 
In de zaak die aanleiding gaf tot het besproken arrest bestreed de verzoeker de beslissing waarbij zijn verzoek niet werd ingewilligd om de eretitel van zijn ambt (in casu notaris) te mogen dragen. De Raad van State oordeelt dat iedereen die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, geniet van het vermoeden van onschuld totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen, waaruit volgt dat het enkele feit van de inverdenkingstelling geen voldoende reden is om aan te nemen dat verzoeker zich in zijn ambtsvervulling niet heeft verdienstelijk gemaakt. De weigering van de eretitel moet bijgevolg steunen op nadere gegevens 122.
 
Het vermoeden van onschuld, dat elk strafrechtelijk vervolgd persoon geniet, verhindert niet dat het bestuur, afgaande op de voldoende precieze informatie die het van de gerechtelijke overheid verkrijgt, in het belang van de dienst een preventieve maatregel oplegt. Een dergelijke maatregel wordt enkel en alleen genomen in het belang van de dienst, zonder dat uitspraak wordt gedaan over de schuld van de betrokkene123.
 
Het vermoeden van onschuld vereist niet dat de uitvoering van tuchtstraf in afwachting van een definitieve uitspraak moet worden opgeschort 124.
 
Het standpunt ingenomen door de correctionele rechtbank ( een tuchtsanctie van 6 maanden individueel regime betreft een straf), verplicht de Raad van State niet om ook in het onderhavige geval (tuchtsanctie van 3 maanden individueel regime) te besluiten tot het bestaan van een straf in de zin van artikel 6.2 EVRM en op grond daarvan een onderzoek te wijden aan de schending van het vermoeden van onschuld 125.
 
Uit de formele motivering blijkt dat de bestreden beslissing weliswaar verwijst naar drie processen-verbaal die ten laste van verzoeker zijn opgesteld, maar dat het determinerende motief om aan verzoeker het recht op het voorhanden hebben van vuurwapens te ontzeggen, het voorhanden hebben betreft van een vergunningsplichtig wapen zonder het te laten registreren en zonder dat er een vergunning werd voor aangevraagd. De enkele omstandigheid dat verzoeker ter zake een minnelijke schikking aanvaardde en niet werd veroordeeld, belet op zich niet dat de verwerende partij, bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een mogelijke verstoring van de openbare orde, zich mag steunen op feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Niets verzet zich er tegen dat de verwerende partij bij de uitoefening van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid, de door de politie vastgestelde feiten in aanmerking kan nemen en bewezen acht. Het strafrechtelijk vermoeden van onschuld staat daar niet aan in de weg. Een minnelijke schikking doet immers enkel de strafvordering vervallen, maar houdt niet in dat de feiten waarop de bestreden beslissing zich steunt, zich niet hebben voorgedaan, noch dat uit deze feiten door de verwerende partij niet mocht worden afgeleid, dat het voorhanden hebben van de betrokken wapens een gevaar kan opleveren voor de openbare orde126.
 
In dezelfde maar meer algemene zin oordeelde de Raad van State ook dat het strafrechtelijk vermoeden van onschuld er niet aan in de weg staat dat een bestuur bij de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid rekening houdt met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid 127.
 
Een tuchtstraf kan, rekening houdend met het vermoeden van onschuld, alleen wettig worden opgelegd, wanneer de tuchtoverheid over voldoende gegevens beschikt om de ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden. Uit de motivering moet blijken dat dit het geval is. Een "voldoende begin van bewijs" kan een opgelegde tuchtstraf niet wettig verantwoorden en vormt dan ook geen afdoende motivering voor de bestreden beslissing128.
 
Wanneer een administratieve overheid die tegelijk burgerlijke partij is en die via inzage van een strafdossier, op grond van art. 6ter Wetboek van Strafvordering, bepaalde feiten vernam die wijzen op prijsafspraken, de betrokken gegevens gebruikt om in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van de aannemer en dus mede in het algemeen belang te concluderen dat hierdoor een ernstige fout in de beroepsuitoefening wordt aangetoond, is het vermoeden van onschuld niet aangetast: dat vermoeden lijkt niet uit te sluiten dat het bestuur op grond van informatie die door de gerechtelijke overheid is verstrekt reeds tijdens het gerechtelijk onderzoek sommige maatregelen kan treffen. Uit het motief waarop de bestreden beslissing steunt die trouwens enkel verwijst naar feiten en mogelijke strafrechtelijke inbreuken kan, zo lijkt het, alleen worden afgeleid dat de verwerende partij feiten heeft vastgesteld die volgens haar dermate indruisen tegen een integere beroepsuitoefening dat een ernstige beroepsfout aannemelijk is gemaakt en een uitsluiting zich -tijdelijk- opdringt, maar niet dat zij uitgaat van bewezen schuldig en strafbaar gedrag van de verzoekende partij 129
 
In het kader van een beroep tot vernietiging van een beslissing van de Vlaamse Regulator voor de Media waarbij aan een televisieomroep een waarschuwing en een administratieve geldboete werden opgelegd, oordeelt de Raad van State dat het feit dat een bepaald televisieprogramma van een bepaalde omroep gedurende een aantal afleveringen werd gecontroleerd geen schending van het vermoeden van onschuld inhoudt. Noch artikel 169 van de mediadecreten noch het kaderbesluit monitoring sluiten uit dat een bepaald programma gedurende een aantal afleveringen wordt gecontroleerd'è''.
 
Een beslissing van de bevoegde overheid, waarbij een persoon tijdelijk wordt herplaatst in afwachting van een beslissing van de bevoegde tuchtoverheid, schendt het vermoeden van onschuld niet131
 
De beroepsinstantie kan bij de uitoefening van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid de door de politie vastgestelde feiten in aanmerking nemen en bewezen achten, ook al hebben deze niet tot een eventuele veroordeling geleid. Het strafrechtelijk vermoeden van onschuld staat daar niet aan in de weg. 132
 
Het feit dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van in processen-verbaal vermelde feitelijke gegevens heeft geoordeeld dat een persoon niet over de noodzakelijke integriteit beschikte om bewakingsactiviteiten uit te oefenen, omdat hij feiten van oplichting heeft begaan, levert geen miskenning van het vermoeden van onschuld op 133.
 
Wanneer de minister van Volksgezondheid over voldoende precieze en bewijskrachtige informatie beschikt om zonder verder onderzoek en zonder naar de mening van de betrokken partij te vragen, aan het tegen deze partij gevoerde gerechtelijk onderzoek wegens het onwettig gebruik van farmacologische stoffen een beslissing te koppelen over het voorlopig - tot aan het einde van de gerechtelijke procedure- verder functioneren van de verzoekende partij (in casu een dierenarts) binnen de instelling (in casu het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen), negeert dergelijke beslissing geenszins het vermoeden van onschuld 134.
 
Het opstarten en het voor bewezen houden van een tuchtvordering betekent niet dat het vermoeden van onschuld miskend wordt. De ontstentenis van een strafrechtelijke uitspraak verhindert immers niet dat de tuchtinbreuk op grond van zelfstandig verzamelde gegevens voor bewezen wordt gehouden, zodat de resultaten van het lopende strafonderzoek dan ook niet dienden te worden afgewacht135.
 
Het vermoeden van onschuld doet niets af aan de vaststelling dat een politieambtenaar effectief door de onderzoeksrechter in verdenking gesteld is en dat dit feit ( in casu betrof het een inverdenkingstelling wegens valsheid in geschriften), wegens de impact ervan op de werking van dienst, voor de korpschef volstond om hem te herplaatsen. De korpschef heeft daarmee geen uitspraak gedaan over de schuld van de verzoeker136.
 
Rapporten van de penitentiaire beambten m.b.t. het verbergen of inslikken van een bepaald product en het aantreffen van een GSM in de cel, vormen voor de directeur van de penitentiaire instelling een deugdelijke grondslag voor het bewijs van tuchtfeiten, op voorwaarde dat zij voldoende concrete gegevens bevatten en de gevangene de mogelijkheid heeft de onjuistheid ervan aannemelijk te maken. Wanneer deze tijdens zijn verhoor geen elementen aanbrengt die de onjuistheid laten vermoeden van de vaststellingen en de conclusies, worden noch de rechten van de verdediging, noch het vermoeden van onschuld miskend 137.
 
Het bestaan van een strafonderzoek kan op zich, wanneer het bestuur aantoont dat zulks de goede werking van de dienst verstoort, een reden zijn voor het opleggen van een ordemaatregel. Het vermoeden van onschuld wordt daardoor niet aangetast. Wanneer evenwel de bestreden beslissing de verzoeker definitief verwijdert uit zijn functie, - hetgeen niet te verzoenen is met het per definitie tijdelijk karakter van een lopend strafonderzoek -, kan dit strafonderzoek geen deugdelijke grondslag vormen voor de bestreden beslissing!".
 
 
 
Artikel 32 van de op de geïntegreerde politie toepasselijke tuchtwet heeft een aan de tuchtvervolging voorafgaand onderzoek niet verplicht gesteld. De loutere ontstentenis ervan houdt op zich dan ook geen schending van het vermoeden van onschuld in 139.
 
Het voor bewezen houden van een tuchtvordering betekent niet dat het vermoeden van onschuld, waarvan de betrokkene tijdens het strafonderzoek geniet, miskend wordt of met andere woorden, de ontstentenis van strafrechtelijke uitspraak verhindert niet dat de tuchtinbreuk op grond van zelfstandig verzamelde gegevens voor bewezen wordt gehouden.
 
Wanneer de tuchtoverheid de tuchtvordering evenwel heeft gekoppeld aan de strafrechtelijke kwalificatie en aan de verzoeker een bepaald misdrijf, omschreven in het strafwetboek, wordt ten laste gelegd, dan is de tuchtrechtelijke bestraffing is slechts mogelijk wanneer alle componenten van het strafrechtelijk omschreven misdrijf bewezen zijn. Het bewijs van de tuchtfeiten valt aldus samen met het bewijs van de strafrechtelijk vervolgde feiten, waarvoor de gerechtelijke instanties instaan.
 
Dit betekent dat de tuchtoverheid, voor het bewijs van de feiten, afhankelijk is van de uitkomst van het onderzoek van die gerechtelijke instanties. Zij kon bijgevolg op eigen gezag de feiten niet voor bewezen houden en de verzoeker op die grond ontslaan 140
 
De loutere omstandigheid dat, nadat de algemene vergadering zich reeds had voorgenomen een geneesheer en zijn collega af te zetten, het algemeen ziekenhuis de nodige voorzorgen heeft genomen voor het verzekeren van de continuïteit van de dienst neonatologie, doet als zodanig geen afbreuk aan het vermoeden van onschuld van betrokken geneesheer en impliceert evenmin dat de algemene vergadering verzoekers tuchtzaak niet meer onbevooroordeeld kon behandelen 141.
 
Het beginsel van het persoonsgebonden karakter van de straf is een algemeen rechtsbeginsel. Volgens de bedoeling van de decreetgever is dit beginsel ook van toepassing is op de bestuurlijke geldboeten vervat in het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Uit artikel 6 EVRM en uit de waarborgen die voortvloeien uit de algemene beginselen van het strafrecht, die ook van toepassing zijn op administratieve geldboeten met een overwegend repressief karakter, volgt dat de fundamentele beginselen van het persoonlijk karakter van de straffen en van het vermoeden van onschuld in acht dienen te worden genomen 142.
 
Het vermoeden van onschuld in de rechtspraak van het Hof van Cassatie: (nazicht rechtspraak 11 mei 1983 tot 15 september 2015)
 
Het Hof van Cassatie heeft herhaaldelijk geoordeeld dat het vermoeden van onschuld een algemeen rechtsbeginsel is 143
 
De eerbiediging van het algemeen rechtsbeginsel inzake het vermoeden van onschuld, vastgelegd in artikel 6.2 EVRM, dat met name een plicht is voor de rechter die uitspraak moet doen over de gegrondheid van de beschuldiging, wordt beoordeeld met inachtneming van de rechtspleging in haar geheel 144.
 
Aangezien artikel 6.1 en 6.2 EVRM niet vermeldt welke straf op het niet-naleven van het vermoeden van onschuld staat, staat het aan de rechter om de gevolgen daarvan te beoordelen 145.
 
Artikel 6.2 EVRM, volgens hetwelk eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, voor onschuldig wordt gehouden tot zijn schuld bewezen wordt, heeft alleen betrekking op de verklaring van beklaagdes schuld aan het hem ten laste gelegde feit. Het heeft geen betrekking op de burgerlijke rechtsvordering146.
 
Wat het openbaar ministerie betreft, oordeelde het Hof dat het vermoeden van onschuld betrekking heeft op de houding van de rechter die kennis moet nemen van een strafrechtelijke vervolging: de omschrijving in de door het openbaar ministerie uitgebrachte dagvaarding, die tot doel heeft de beklaagde te verwittigen van de plaats en het tijdstip waarop de rechter van de zaak kennis zal nemen en hem in te lichten omtrent de hem verweten feiten, zodat hij zich kan verdedigen, houdt niet in dat daardoor voor de rechter de schuld van de beklaagde al vastlag 14 7.
 
Het Hof oordeelde verder dat uit de enkele omstandigheid dat een lid van het openbaar ministerie het vermoeden van onschuld van een beklaagde zou hebben miskend, niet kan worden afgeleid dat daardoor de strafvordering niet langer meer kan worden uitgeoefend 148.
 
De enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie, ter inlichting van de strafrechter, aan het aanhangig strafdossier een geseponeerd strafdossier heeft toegevoegd, levert geen miskenning op van het recht van verdediging en doet geen afbreuk aan het bij artikel 6.2 EVRM bepaalde vermoeden van onschuld 149
 
In dezelfde zin oordeelde het Hof dat geen schending van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie bij het dossier van de rechtspleging een ander dossier heeft gevoegd, dat weliswaar betrekking heeft op de eiser maar geen verband houdt met de vervolgingen en geseponeerd werd, mits dat dossier regelmatig aan tegenspraak is onderworpen 150.
 
Alleen uit de omstandigheid dat het openbaar ministerie bij een rechtspleging voor het hof van assisen een dossier heeft gevoegd betreffende in het buitenland gepleegde en aan de Belgische overheid ter kennis gebrachte feiten, kan geen schending worden afgeleid van het recht van verdediging of van het vermoeden van onschuld, nu de beschuldigde de tegen hem aangevoerde gegevens ongehinderd heeft kunnen tegenspreken en de zaak, in haar geheel, eerlijk is behandeld 151.
 
 
 
De omstandigheid dat het openbaar ministerie de in artikel 190 Wetboek van Strafvordering bedoelde uiteenzetting op een tendentieuze manier zou hebben voorgedragen doet geen afbreuk aan het vermoeden van onschuld en de gelijkwaardigheid der partijen en berooft de beschuldigde alsook de beklaagden niet van een eerlijk proces, aangezien zij de gehele duur van de debatten de mogelijkheid hebben gehad de hen ten laste gelegde feiten te betwisten, hun eigen interpretatie ervan voor te dragen en hun verweermiddelen toe te lichten 152.
 
Maar het principe van het recht op het vermoeden van onschuld heeft wel gevolgen voor de opdracht van het openbaar ministerie, zo heeft het vermoeden van onschuld waarvan de persoon geniet die wegens lasterlijke aangifte wordt vervolgd, als gevolg dat het aan de vervolgende partij staat om met name de valsheid te bewijzen van het aangegeven feit153.
 
Wat de wetgever en de strafbaarstelling van inbreuken betreft, oordeelde het Hof dat de regel volgens welke iedereen die van een misdrijf wordt beschuldigd, geacht wordt onschuldig te zijn tot zijn schuld naar recht is bewezen, de wetgever niet verbiedt een resultaatsverbintenis te bepalen die strafrechtelijk wordt bestraft, aangezien die de substantie van het recht van het vermoeden van onschuld niet aantast in zoverre dit het recht van verdediging vrijwaart. Dat is het geval zodra de vervolgende partij het bestaan van de verplichting moet bewijzen alsook het feit dat het opgelegde resultaat niet werd bereikt en dat de beklaagde de rechtvaardigingsgronden die hem aan strafvervolging kunnen onttrekken bijgevolg aan de beoordeling van de bodemrechter kan voorleggen 154
 
De bepaling van art. 6.2 EVRM dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld volgens de wet wordt bewezen, is niet van toepassing op vervolgingen in tuchtzaken voor de tenlasteleggingen die niet op strafbare feiten in de zin van deze verdragsbepaling betrekking hebben 155.
 
Nochtans werd later gepreciseerd dat artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld toepasselijk zijn in tuchtprocedures wanneer de procedure die concreet gevoerd wordt, leidt of kan leiden tot de schrapping van de beroepsbeoefenaar en dat het vermoeden van onschuld niet verhindert dat bij de bepaling van de zwaarte van een tuchtsanctie, gelet op het belang van een goede gezondheidszorg voor de maatschappij, de tuchtrechter elementen of feiten betrekt, die hem regelmatig ter kennis werden gebracht 156.
 
Het Hof oordeelde ook dat het nemen van een tijdelijke ordemaatregel lastens een betrokken magistraat tijdens een gerechtelijk strafonderzoek, dat op gespannen voet staat met het vermoeden van onschuld, vereist dat het voorwerp van dit onderzoek ernstige feiten betreft en de goede werking van de dienst eraan in de weg staat dat de betrokkene verder zijn functie uitoefent. Dergelijke maatregel moet ook worden afgewogen aan het vertrouwen dat de rechtzoekende moet kunnen hebben in diegene die belast is met een rechtsprekende functie en die boven iedere verdenking hoort te staan. De tuchtoverheid heeft zich bij het nemen van die ordemaatregel in de regel niet in te laten met de aanwijzingen van schuld of de onschuld van de betrokkene, die overigens moet vermoed worden onschuldig te zijn. Het is zodoende ter vrijwaring van het recht van verdediging in de regel ook niet vereist dat de tuchtoverheid, evenals de betrokken magistraat in dit stadium reeds kennis zouden kunnen nemen van het strafdossier157.
 
Wanneer een zaak in beraad werd genomen door een uit verschillende rechters samengesteld rechtscollege en tijdens het beraad blijkt dat één van hen zich van de zaak moet onthouden, en het beraad na heropening van de debatten wordt hervat door een ander rechtscollege dat evenwel is samengesteld uit de rechters van het eerste rechtscollege behalve degene die zich diende te onthouden, kan uit de omstandigheid alleen dat die rechters hebben beraadslaagd met degene die zich nadien van de zaak heeft onthouden, niet worden afgeleid dat zij niet over de vereiste onpartijdigheid beschikten om in de nieuwe samenstelling uitspraak te doen, of dat het vermoeden van onschuld was miskend 158.
 
Het vermoeden van onschuld betreft de houding van de rechter die moet kennisnemen van een strafrechtelijke beschuldiging, en niet de publieke opinie 159.
 
Miskenning van het recht van verdediging en van het vermoeden van onschuld kan niet worden af geleid uit de enige omstandigheid dat het openbaar ministerie een persconferentie heeft gegeven die een zekere ruchtbaarheid aan de zaak van de verdachte heeft gegeven 160.
 
Toch blijft voorzichtigheid geboden: alleen het openbaar ministerie kan, met instemming van de onderzoeksmagistraat, inlichtingen verschaffen aan de pers over zaken waarin een gerechtelijk onderzoek loopt, maar enkel voor zover het openbaar belang een dergelijke mededeling vereist en daarbij het recht van verdediging of het vermoeden van onschuld niet wordt miskend 161.
 
Toch stelt het Hof ook regels voor de media: zo oordeelde het Hof dat de reportage en de uitzending van fragmenten in de televisiejournaals de noodzakelijke terughoudendheid en neutraliteit aan de dag moeten leggen wanneer het gaat om het privéleven van particulieren en om hun vermoeden van onschuld in het kader van een strafonderzoek dat al drie maanden liep toen het programma werd uitgezonden, zonder dat er op dat tijdstip iemand in verdenking was gesteld 162.
 
Noch uit het feit dat een mediacampagne is gevoerd, noch uit de verklaringen van overheidsinstanties, noch uit het verschijnen in de pers van uittreksels uit het stafdossier, kan, nog vóór de regeling van de rechtspleging, worden afgeleid dat, in geval van verwijzing naar het vonnisgerecht, de magistraten waaruit dit is samengesteld het vermoeden van onschuld zullen miskennen of niet in staat zullen blijken te zijn om op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen 163.
 
Een advocaat geniet geen strafrechtelijke immuniteit voor de misdrijven bepaald in artikel 505 Strafwetboek en het feit dat een advocaat kan veroordeeld worden wegens een der misdrijven bepaald in dat artikel wanneer hij voor de verdediging van een beklaagde gelden heeft ontvangen die uit een misdrijf verkregen vermogensvoordelen zijn, levert geen miskenning van het recht van verdediging, van het recht op een eerlijk proces of van het vermoeden van onschuld van die beklaagde op 164.
 
Het vermoeden van onschuld ten aanzien van de beklaagde wordt gewaarborgd onder meer door de tegenspraak die hij met betrekking tot de vaststellingen van de verbalisanten vermag te voeren, waaronder het al of niet objectief karakter van deze vaststellingen en door de onpartijdigheid waarmede de rechter de bewijswaarde van deze vaststellingen beoordeelt165.
 
Een uitnodiging om ondervraagd te worden over een strafbaar feit of om vrij te preciseren hoe men zijn tijd heeft doorgebracht kan niet worden beschouwd als een aantasting van het vermoeden van onschuld of als een beschuldiging die ernstige gevolgen heeft voor de toestand van een persoon en die hem ertoe zou nopen het nodige te doen om zijn verdediging voor te bereiden 166
 
Het vermoeden van onschuld impliceert dat een beklaagde niet het bewijs moet leveren van de werkelijkheid van een door hem aangevoerde rechtvaardigingsgrond die niet van alle geloofwaardigheid is ontbloot167.
 
Het vermoeden dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd onschuldig wordt geacht totdat zijn schuld volgens de wet wordt bewezen, wordt miskend door de rechter die reeds voor de behandeling van de zaak zijn mening over de handelwijze van de beklaagde heeft gevormd, wat kan blijken uit de vermelding dat het herhaald uitstel van de zaak was bedoeld om de beklaagde tot betere inzichten te brengen 168.
 
De twijfel die de beklaagde ten goede moet komen is de twijfel die naar het oordeel van de rechter betrekking heeft op de strafwaardigheid van de vervolgde persoon aan de hem ten laste gelegde feiten169, maar dat algemeen rechtsbeginsel heeft geen betrekking op de twijfel die bij de beklaagde rijst omtrent een bestanddeel van het misdrijf"?" of op de twijfel over de feitelijke beoordeling van een middel van nietigheid, die niet kan leiden tot vrijspraak van de beklaagde 171.
 
De twijfel die de beklaagde ten goede moet komen is de twijfel van de rechter en niet die van een ander persoon van welke hoedanigheid ook, inzonderheid de twijfel van een deskundige die slechts een advies uitbrengt!".
 
Het beginsel volgens hetwelk twijfel ten goede komt aan de beklaagde, wordt niet geschonden door de rechter die te kennen geeft dat hij de menselijke zekerheid heeft verworven dat de beklaagde het feit pleegde en elke redelijke twijfel nopens diens schuld uitgesloten acht173.
 
Geen enkele wets- of verdragsbepaling verplicht de onderzoeksrechter alle stukken bij een huiszoeking in beslag te nemen. Hij moet enkel die stukken in beslag nemen waarvan hij oordeelt dat zij kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding en de omstandigheid dat hij enkel de stukken in beslag neemt die de schuld van de verdachte kunnen staven, houdt niet in dat hij het vermoeden van onschuld miskent, noch dat hij enkel een onderzoek à charge voert, aangezien de onderzoeksrechter zich daardoor niet uitspreekt over de schuld van de verdachte en deze steeds in de mogelijkheid is om andere niet in beslag genomen stukken en gegevens voor te leggen die zijn onschuld staven 174.
 
De verwerping, door de onderzoeksrechter, van een verzoekschrift dat een inverdenkinggestelde heeft ingediend met toepassing van art. 61quater Sv., kan niet steunen op redenen die het vermoeden van onschuld van de verzoeker miskennen 175.
 
In dezelfde zin mag het verzoek om internationale rechtshulp dat door een onderzoeksrechter aan een vreemde overheid is gericht, niet steunen op gronden die het vermoeden van onschuld van de inverdenkinggestelde miskennen 176.
 
Maar de verwijzing in een rechtshulpverzoek naar de mogelijkheid dat de vonnisrechter later een bijzondere verbeurdverklaring zou kunnen uitspreken en dat het desbetreffende vonnis aan de aangezochte gerechtelijke autoriteiten zal worden medegedeeld, houdt niet in dat een verbeurdverklaring als een zekerheid in het vooruitzicht wordt gesteld, maar enkel dat de wettelijke mogelijkheid tot bijzondere verbeurdverklaring bestaat: hierdoor neemt de onderzoeksrechter geen enkel standpunt in over de schuld of onschuld van de verdachte en miskent hij geenszins het vermoeden van onschuld 177.
 
Wanneer de inverdenkinggestelde zich, na van de speurders alle nodige uitleg te hebben gekregen, zonder enige dwang of druk aan de polygraaftest onderwerpt, miskent die bijzondere ondervragingsmethode het vermoeden van onschuld niet178.
 
Krachtens art. 135, § 2, Wetboek van Strafvordering, kan de inverdenkinggestelde hoger beroep instellen tegen de in artikel 130 van dat wetboek bepaalde verwijzingsbeschikking, als hij onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden van die beschikking aanvoert en dat is het geval bij miskenning van het vermoeden van onschuld of bij gebrek aan antwoord op een conclusie 179
 
De discretionaire macht waarover de voorzitter van het hof van assisen krachtens artikel 255 Wetboek van Strafvordering beschikt, geeft hem niet het recht om onder meer in een aan de juryleden overhandigd stuk zijn mening te kennen te geven over de aan de beschuldigde verweten feiten en aldus de artikelen 6.1 en 6.2 EVRM te schenden dat de onpartijdigheid van de hoven en rechtbanken en het vermoeden van onschuld waarborgtl'".
 
Maar uit de enkele omstandigheid dat de voorzitter van het hof van assisen vóór of tijdens de debatten alle ondervragingen doet of aanvullende onderzoeksverrichtingen gelast, valt niet af te leiden dat het vermoeden van onschuld van de beschuldigde is miskend 181.
 
Evenmin kan uit de woorden van de voorzitter van het hof van assisen, waarmee enkel wordt verwezen naar een objectief gegeven van het dossier en rechtstreeks noch onrechtstreeks wordt gezinspeeld op eventuele schuld van de beschuldigde aan het hem ten laste gelegde feit, enige partijdigheid worden afgeleid, die het vermoeden van onschuld van de beschuldigde zou miskennen 182.
 
Maar de verklaring van een voorzitter van het hof van assisen, bij het verhoor van een getuige à charge, waarin hij zich uitlaat over het motief voor de aan de beschuldigde verweten daad en waaruit zijn overtuiging van diens schuld blijkt, is niet verenigbaar met het vermoeden van onschuld dat elke beschuldigde, overeenkomstig artikel 6.2 EVRM, geniet totdat zijn schuld wettig bewezen is 183
 
Uit de enkele omstandigheid dat de voorzitter van het hof van assisen, krachtens de hem door artikel 255 Wetboek van Strafvordering toegekende bevoegdheden, bij ontstentenis van verzet of van opmerkingen van de beschuldigde of zijn raadsman, aan de juryleden een ontwerp van vragen heeft overhandigd vóór de sluiting van de debatten, valt geen schending af te leiden van artikel 6.2 EVRM184.
 
Naar recht verantwoord is de beslissing van de rechter die oordeelt dat, wanneer ter terechtzitting van het hof van assisen een beschuldigde aangehouden en andere medebeschuldigden in voorlopige vrijheid verschijnen, het verschil in voorlopige hechtenistoestand niet van aard is om het vermoeden dat de aangehouden verdachte onschuldig is aan te tasten en hem evenmin de mogelijkheid ontneemt van een eerlijk proces en een objectieve beoordeling door de jury 185.
 
Het arrest waarbij het hof van assisen beslist om de aanvullende, door de verdediging voorgelegde vragen niet aan de jury te stellen, dwingt de beschuldigde niet om zich schuldig te verklaren aan de aan de jury voorgelegde feiten, en kan niet leiden tot een oneerlijk proces of een miskenning van het vermoeden van onschuld, aangezien die beslissing wordt genomen na het debat op tegenspraak186
 
Geen schending van art. 6.2 EVRM, waarin het vermoeden van onschuld is vastgelegd, kan worden afgeleid uit de weigering van de voorzitter van het hof van assisen om de vraag i.v.m. de reële of objectieve verzwarende omstandigheden afzonderlijk te stellen voor ieder van de beschuldigden 187
 
 
 
De omstandigheid dat het vermoeden van onschuld in de publieke opinie is miskend, heeft niet tot gevolg dat de rechter de artikelen 6.2 EVRM en 14.2 IVBPR en het algemeen beginsel van het recht van verdediging heeft geschonden; noch uit het feit dat een mediacampagne zonder voorgaanden is gevoerd noch uit de duur van de voorlopige hechtenis, noch uit de verklaringen van overheidsinstanties, noch uit de weergave in de pers van bepaalde passages uit het strafdossier of van een opiniepeiling kan worden afgeleid dat de jury of de magistraten waaruit het hof van assisen bestaat niet onpartijdig zijn geweest of het vermoeden van onschuld hebben miskend 188.
 
Wanneer uit de vaststellingen van een veroordelend arrest blijkt dat de appelrechters bij de bepaling van de strafmaat rekening hebben gehouden met strafbare feiten waarvoor de beklaagde bij een vroeger vonnis, anders dan het beroepen vonnis, is veroordeeld, en wanneer noch uit het arrest noch uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat dit vonnis in kracht van gewijsde was gegaan, kan het Hof onmogelijk nagaan of het hof van beroep, door bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de voornoemde strafbare feiten, de in art. 6.2 EVRM neergelegde regel dat onschuld vermoed wordt, niet heeft miskend en vernietigt het bijgevolg het bestreden arrest 189.
 
Met betrekking tot de toekenning van de gunst van de opschorting oordeelde het Hof van Cassatie dat bij de beoordeling van een vraag tot opschorting, de rechter alle gegevens eigen aan de persoon van de beklaagde mag in acht nemen, maar dat hij in zijn oordeel geen strafbare feiten mag betrekken waarvoor de schuld van de beklaagde niet onherroepelijk vaststaat'?".
 
Het feit dat de rechter in een zelfde beslissing uitspraak doet over de schuld en de straf, levert geen schending van artikel 6 EVRM, noch miskenning van het vermoeden van onschuld op en het gegeven dat de rechter bij de beoordeling van de schuldvraag kennis heeft van het strafrechtelijk verleden van beklaagde, doet hieraan geen afbreuk191.
 
De appelrechters die de verhoging van de door de eerste rechter opgelegde geldboete laten steunen, onder meer, op de feitelijke omstandigheid dat de beklaagde op datum van de bestreden beslissing "nog steeds geen einde heeft gesteld" aan de wederrechtelijke toestand die het gevolg is van het door hen bewezen verklaard bouwmisdrijf tot herstel waarvan zij de uitvoering van aanpassingswerken bevelen, verwijten, voor de bepaling van de strafmaat, de beklaagde aldus een schuldig verzuim, wat zij slechts vermogen te doen vanaf zijn definitieve veroordeling wegens de tenlastegelegde feiten en miskennen zodoende het vermoeden dat de beklaagde onschuldig wordt geacht tot hij is veroordeeld bij een beslissing die kracht van gewijsde beeft'?'.
 
Artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 stelt de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal tot weerlegging van het vermoeden van vergunning niet afhankelijk van zijn ontstaan binnen een bepaalde termijn vanaf het oprichten van de constructie; de omstandigheid dat dit bewijsmateriaal wordt toegelaten ofschoon het dateert van na de verjaring van het bouwmisdrijf of geruime tijd na de verwerving van het onroerend goed, houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld 193.
 
Miskenning van het vermoeden van onschuld kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid alleen dat de rechtbank de datum van de uitspraak van het vonnis heeft vastgesteld op een buitengewone zitting, daags voor de verjaring van de strafvordering, aangezien de rechter op die datum nog de mogelijkheid had om eiser vrij te spreken of hem te veroordelen 194.
 
De jeugdrechter, die vaststelt dat er in het strafdossier in hoofde van een voor hem gebrachte minderjarige aanwijzingen van schuld zijn en, zonder voorafgaande beslissing ten gronde, diens behoud in zijn milieu afhankelijk stelt van de uitvoering van een prestatie van opvoedkundige aard, legt hem aldus een maatregel op die een sanctionerend karakter heeft, wat het oordeel inhoudt dat hij het als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd en hij miskent aldus het vermoeden dat de minderjarige geacht wordt onschuldig te zijn 195.
 
Het Hof oordeelde later in dezelfde zin dat de jeugdrechter in de voorbereidende fase van de rechtspleging tot toepassing van een van de maatregelen uit titel II, hoofdstuk III, Jeugdbeschermingswet, t.a.v. de minderjarige die vervolgd wordt wegens een als misdrijf omschreven feit, de maatregel van voorlopige bewaring kan nemen, die erin bestaat hem in zijn milieu te laten en hem, in voorkomend geval, onder het in artikel 37, § 2, 2°, van die wet bedoelde toezicht te plaatsen. Die zogenaamde maatregel van plaatsing onder voorlopig toezicht kan afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde een prestatie van opvoedende of filantropische aard te leveren, in verhouding tot de leeftijd en middelen van de minderjarige, mits die voorwaarde, net als de maatregel in het algemeen, voornamelijk ertoe strekt de in artikel 50 van de wet bepaalde onderzoeken mogelijk te maken en niet bedoeld is als straf, herstel of als een uitsluitend opvoedende maatregel, hetgeen niet kan worden toegestaan in de voorbereidende fase van de rechtspleging, al zou de minderjarige het hem verweten feit hebben bekend en zich akkoord verklaren met die voorwaarde. De beslissing om hem onder voorlopig toezicht te plaatsen, samen met een dergelijke voorwaarde, kan noch het recht van de minderjarige op een eerlijk proces noch het vermoeden van onschuld miskennen, die gewaarborgd worden bij artikel 6 EVRM196.
 
Wanneer uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de jeugdrechter in hoger beroep niet met de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid uitspraak heeft gedaan, en evenmin dat hij niet de objectieve, afdoende waarborgen heeft geboden om elke gewettigde twijfel over zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit te sluiten, kan uit de omstandigheid alleen dat het arrest van die appelrechter de beroepen beslissing wijzigt door niet alleen de feiten van de telastlegging A maar ook die van de telastlegging B bewezen te verklaren, waarbij hij de bewaring van de jongere beveelt en zijn behoud in zijn milieu beveelt, op voorwaarde dat deze een prestatie van opvoedkundige of filantropische aard levert, terwijl de eerste rechter de feiten van de telastlegging B niet bewezen had verklaard en een maatregel van berisping had bevolen wegens de in de telastlegging A bedoelde feiten, niet worden afgeleid dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van die magistraat wettig in twijfel kunnen worden getrokken, en evenmin dat hij het vermoeden van onschuld heeft miskend, ongeacht de verklaringen die de Minister van Justitie over die zaak heeft gedaan en de weerslag ervan in de media 197.
 
In het kader van een procedure tot uithandengeving, met toepassing van artikel 57bis, § 1, Jeugdbeschermingswet, staat het weliswaar niet aan de rechter om zich uit te spreken over de schuldvraag, maar wel degelijk om, met inachtneming van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving, te onderzoeken of een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding geschikt zou zijn, ingeval de betrokkene de hem tenlastegelegde feiten zou gepleegd hebben: dergelijk onderzoek miskent het vermoeden van onschuld niet198.
 
Uit de enkele omstandigheid dat de rechter de beklaagde veroordeelt wegens een overtreding van het Wegverkeersreglement, door een bevoegde verbalisant vastgesteld bij proces-verbaal dat bewijs oplevert zolang het tegendeel niet is bewezen, op grond dat de vaststellingen van de verbalisant, nu het tegendeel daarvan niet is bewezen, het wettig bewijs opleveren van het materieel bestanddeel van de ten laste gelegde overtreding, valt geen schending van de artikelen 6.1 en 6.2 EVRM en 14.1 en 14.2 IVBPR afte leiden 199.
 
Art. 67bis Wegverkeerswet verlicht de bewijslast die op het openbaar ministerie rust door t.a.v. de titularis van de nummerplaat van het voertuig een weerlegbaar vermoeden van schuld in te richten. Die bepaling is alleen van toepassing op de misdrijven inzake de politie van het wegverkeer en kan door alle middelen rechtens worden weerlegd, zodat zij geen onverantwoorde inbreuk maakt op het vermoeden van onschuld dat in art. 6.2 EVRM is ui tgedrukr''".
 
In dezelfde zin oordeelde het Hof dat artikel 205 Douane- en Accijnzenwet dat, in de bijzondere materie waarop het betrekking heeft, de bewijslast die op de vervolgende partij of partijen rust, verlicht, door ze in staat te stellen de niet-overeenstemming van de gegevens van de boeken, geschriften of documenten betreffende de aan- en verkoop van met rechten of met accijns belaste goederen of goederen waarvoor bedragen bij invoer of bij uitvoer kunnen worden toegekend, als bewijs van een fraude van de rechten aan te voeren, geen aantasting vormt van het vermoeden van onschuld, zoals het besloten ligt in artikel 6.2 EVRM omdat die bepaling alleen van toepassing is op misdrijven inzake douane en accijnzen en het bewijs van het tegendeel toelaat door alle middelen van recht/?'.
 
Miskenning van het vermoeden van onschuld kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid alleen dat de bodemrechter steunt op de bekentenissen van de beklaagde om te beslissen dat hun laattijdige intrekking niet geloofwaardig is202.
 
De vaststelling dat de beklaagde zich ten aanzien van het slachtoffer van de aan het vonnisgerecht voorgelegde feiten in gelijkaardige zin heeft uitgelaten als ten aanzien van de persoon aan wiens klacht geen gevolg is gegeven, miskent het vermoeden van onschuld niet203.
 
 
 
Het vermoeden van onschuld wordt niet geschonden wanneer feiten, die het voorwerp uitmaakten van een opsporingsonderzoek voor oplichting dat door het openbaar ministerie geseponeerd werd, op burgerlijk gebied als oplichting worden ingeroepen tegen de persoon tegen wie het onderzoek werd gevoerd?".
 
Geen schending van het in artikel 6.2. EVRM vastgelegde vermoeden van onschuld kan worden afgeleid uit het enkele feit dat de rechtbank, rechtdoende op een tijdig en naar aanleiding van een strafvervolging ingestelde burgerlijke rechtsvordering, enerzijds, verjaring van de strafvordering vaststelt en, anderzijds, op de vordering van de burgerlijke partij uitspraak doet, na bij een gemotiveerde beslissing te hebben vastgesteld dat de aan de beklaagde verweten feiten bewezen zijn205.
 
Het bewust niet bezorgen van informatiedragers die sociale gegevens of overeenkomstig de wet op te maken, bij te houden of te bewaren gegevens bevatten, aan een sociaal inspecteur die daarom heeft verzocht, kan het misdrijf van het verhinderen van toezicht opleveren en het is daarbij zonder belang of de sociaal inspecteur gebruik heeft gemaakt van de hem door artikel 4, § 1, 2°, c) Arbeidsinspectiewet, thans artikel 28, § 3, Sociaal Strafwetboek toegekende opsporingsbevoegdheden. Deze strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting houdt geen miskenning in van het in artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR vervatte vermoeden van onschuldê'".
 
Wanneer de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling beslist om de wetsbepaling toe te passen die haar machtigt om de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen, na te hebben vastgesteld dat de betrokkene tijdens de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd die in de beslissing van de commissie was opgelegd die over de voorwaardelijke invrijheidstelling uitspraak heeft gedaan, miskent zij het vermoeden van onschuld niet.
 
Het vermoeden van onschuld, dat is neergelegd in art. 6.2 EVRM, wordt niet miskend door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat, alvorens de gegevens te vermelden waarop het steunt om de handhaving van de voorlopige hechtenis van de verdachte te bevestigen, gewag maakt van aanwijzingen, niet van bewijzen van schuld207.
 
In dezelfde zin oordeelde het Hof dat het vermoeden van onschuld, dat is neergelegd in art. 6.2 EVRM en 14.2 IVBPR, niet wordt miskend door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, dat uitspraak moet doen over de voorwaardelijke invrijheidstelling van een verdachte en dat, alvorens de gegevens te vermelden waarop het steunt om te beslissen dat die verdachte zich in het geval bevindt waarin zijn voorlopige hechtenis kan worden gehandhaafd, gewag maakt van aanwijzingen, niet van bewijzen van schuldë'".
 
 
 
De kamer van inbeschuldigingstelling die bij de regeling van de rechtspleging uitspraak doet over de grond zelf van de strafvordering, miskent aldus het vermoeden van onschuld 2°9.
 
Het in de artikelen 6.2, EVRM, en 14.2, IVBPR, vastgelegde vermoeden van onschuld wordt echter wel miskend door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waaraan het bevel tot eerste verschijning, dat volgt op het bevel tot aanhouding, voorgelegd wordt en dat, met verwijzing naar de reden van het bevel tot aanhouding, uitspraak doet over de schuld van de beklaagde/!". Zoals Procureur-generaal Jean du JARDIN aangeeft is de toepassing van het beginsel van het vermoeden van onschuld niet beperkt tot de beoordeling van de bewijswaarde van de aan de feitenrechter overgelegde bewijzen of tot de bepaling van de strafmaat bij het onderzoek naar de gegrondheid van de strafvervolging, maar strekt de toepassing ervan zich uit tot de gehele procedure, met inbegrip van de procedure inzake de voorlopige hechtenis211
 
De onderzoeksrechter kan de ernstige redenen om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zoals bedoeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, afleiden uit alle aan tegenspraak onderworpen feitelijke gegevens die hem regelmatig zijn overgelegd en een dergelijk gegeven kan bestaan in een vroegere strafrechtelijke veroordeling van de verdachte, ook al is die nog niet in kracht van gewijsde getreden. De rechter die bij de beoordeling van het recidivegevaar verwijst naar een vroegere nog niet in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling, miskent dan ook niet het vermoeden van onschuld, voor zover hij niet aanneemt dat de veroordeelde zich aan die feiten heeft schuldig gemaakt212
 
De bepaling van artikel 6.2. EVRM luidens dewelke eenieder die wegens een strafbaar feit is vervolgd voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen is, slaat slechts op de schuldigverklaring van de beklaagde aan het hem ten laste gelegde feit en staat er niet aan in de weg dat de rechter bij het bepalen van de straf rekening houdt met de gegevens eigen aan de persoonlijkheid van de beklaagde, waaronder diens gerechtelijk verleden213
 
Meer algemeen oordeelde het Hof dat artikel 6.2 EVRM, dat het algemene rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld vastlegt, de rechter niet belet om bij de straftoemeting alle gegevens in aanmerking te nemen die eigen zijn aan de persoonlijkheid van de vervolgde persoon en met name de daden die deze persoon zou hebben gesteld, mits hij geen uitspraak doet over het strafbare karakter ervan214
 
Een handeling waarmee de onderzoeksrechter het vermoeden van onschuld heeft miskend, heeft als dusdanig niet tot gevolg dat het vermoeden van onpartijdigheid dat hij geniet, wordt weerlegd en verplicht evenmin dat, naast de nietigheid van die handeling, de nietigheid wordt vastgesteld van de handelingen die eruit voortvloeien215.
 
De onderzoeksgerechten die de wettigheid van het aanhoudingsbevel moeten nagaan, zijn bevoegd om de redenen ervan te verbeteren, hetzij door een onjuiste reden door een juiste te vervangen, hetzij door de mogelijke fouten in dat bevel te verbeteren, zelfs als de onderzoeksrechter het vermoeden van onschuld miskend heeft, aangezien die miskenning geen onherstelbaar gebrek is. De feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, die in het aanhoudingsbevel worden omschreven als gronden die de handhaving van de voorlopige hechtenis verantwoorden, houden niet op te bestaan, alleen op grond dat hun formulering door een dergelijk gebrek zou zijn aangetast216.
 
De kamer van inbeschuldigingstelling kan overigens ook in andere gevallen verbeterend optreden, zo kan zij wanneer zij uitspraak doet over de regeling van de rechtspleging een gebrek herstellen dat voortvloeit uit de miskenning van het vermoeden van onschuld in een vorig arrest, dat een verzoek tot het stellen van aanvullende onderzoeksopdrachten verwerpt217.
 
De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel moet worden geweigerd ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat daardoor het vermoeden van onschuld zou worden miskend218. Het vermoeden van onschuld heeft betrekking op de houding van de rechter die kennis moet nemen van een strafrechtelijke beschuldiging219.
 
De handhaving van de voorlopige hechtenis onder de door de rechter overeenkomstig de wet bepaalde voorwaarden doet op zich geen afbreuk aan het vermoeden van onschuld waarop de verdachte, krachtens artikel 6.2 EVRM, aanspraak kan maken voor het vonnisgerecht+".
 
Meer algemeen oordeelt het Hof dat de onderzoeksrechter en het onderzoeksgerecht die feitelijke omstandigheden in aanmerking nemen om te beslissen, al naar het geval, tot aanhouding of handhaving van de voorlopige hechtenis van een verdachte, slechts een maatregel van tijdelijke aard verantwoorden, die de uitspraak van de feitenrechter over de schuld aan de feiten waarvan de aangehoudene wordt verdacht, onverkort laat. Door hierover te beslissen miskennen zij niet het vermoeden van onschuld, ook niet wanneer de verdachte het bestaan van deze feitelijke omstandigheden betwist221.
 
De ernstige en uitzonderlijke omstandigheden, eigen aan de zaak of aan de persoonlijkheid van de verdachte, die dermate de openbare veiligheid raken dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, worden niet nauwkeurig omschreven en aan het vermoeden van onschuld waarop de verdachte krachtens artikel 6.2 EVRM aanspraak kan maken voor het vonnisgerecht, wordt afbreuk gedaan, door het arrest van de kamer van
 
inbeschuldigingstelling dat zich ertoe beperkt te vermelden: het uitgeven van gestolen cheques voor een bedrag van meer dan één miljoen is een zwaarwichtig feit dat wijst op een gevaarlijke geestesgesteldheid en het niet meewerken aan het onderzoek bemoeilijkt de verdere opsporingen, zodat de noodwendigheden van het onderzoek de handhaving vereisen; de stoutmoedigheid waarmede de misdrijven gepleegd werden, in acht genomen de vroegere veroordelingen en de nog hangende vervolgingen in een andere zaak van zware inbraken en diefstallen en helingen, wijzen op een geestesgesteldheid die een gevaar is voor de openbare veiligheid, nu huidige feiten, het strafrechtelijk verleden van de verdachte en de hangende vervolgingen voor de vakantiekamer van het hof van beroep bewijzen dat recidive een zekerheid is, mocht hij in vrijheid worden gesteld222.
 
Het vermoeden van onschuld wordt niet miskend door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de handhaving van de voorlopige hechtenis van de verdachte beveelt, nu het vaststelt dat er redelijke termen aanwezig zijn om te vermoeden dat hij de in het aanhoudingsbevel vermelde feiten heeft begaan en er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het noodzakelijk is hem te beletten andere strafbare feiten te begaan223.
 
Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, om de handhaving van de voorlopige hechtenis te verantwoorden, in haar arrest onder meer vermeldt dat te vrezen valt dat de verdachte, mocht hij in vrijheid worden gesteld, opnieuw in een bepaald soort van misdrijven zal vervallen, dan kan uit die enkele vermelding niet met zekerheid worden afgeleid dat het arrest beslist dat de gedetineerde de feiten waarvan hij wordt verdacht, heeft gepleegd. Dat arrest miskent bijgevolg niet het vermoeden van onschuld dat is vastgesteld in de artikelen 6.2 EVRM en 14.2 IVBPR224.
 
Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat, na ondermeer vastgesteld te hebben dat bewezen is dat miljoenen franken zonder gerechtvaardigde motieven onttrokken werden aan de gefailleerde firma 's en aan meerdere zaken waarin de uit hoofde van bedrieglijke bankbreuk vervolgde verdachte betrokken was en nog is, zegt dat verdachte voorlopig in vrijheid wordt gesteld tegen betaling van een borgsom, spreekt geen oordeel uit over het al dan niet bewezen zijn van de telastlegging, doch geeft de reden op waarom het aanwijzingen van schuld aanwezig acht, zonder het algemeen rechtsbeginsel dat de verdachte geacht wordt onschuldig te zijn te miskennen225.
 
Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat bij de uitspraak over de handhaving van de voorlopige hechtenis oordeelt dat de duur ervan de redelijke termijn niet overschrijdt, op grond dat de verdachte vermoed wordt witwasmechanismen in het buitenland te hebben opgezet om de waarheid doelbewust te verbergen en handelingen te hebben verricht die het onderzoek langer en ingewikkelder hebben gemaakt, doet geen uitspraak over de schuld en miskent bijgevolg het in art. 6.2, EVRM, vastgelegde vermoeden van onschuld niet226.
 
Maar het onderzoeksgerecht dat, om de handhaving van de voorlopige hechtenis van een persoon te bevelen, vaststelt dat deze de hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, miskent wel degelijk het vermoeden van onschuld vastgesteld in de artikelen 6.2 EVRM en 14.2 IVBPR227.
 
Wanneer een veroordeelde, wiens onmiddellijke aanhouding is bevolen, tegen zijn veroordeling in hoger beroep komt, kan het hof van beroep waarbij zijn verzoek tot voorlopige invrijheidstelling aanhangig is, dat verzoek overeenkomstig art. 27, derde lid, Voorlopige Hechteniswet van 27 juli 1990 naar recht verwerpen, zonder dat daarbij het vermoeden van onschuld, als bedoeld in art. 6.2 EVRM, wordt miskend228.
 
Het enkele feit zitting te houden in de gevangenis creëert bij de rechter geen vermoeden van schuld en is evenmin vemederend229.
 
Het Hof oordeelde dienaangaande eerder al in het kader van de toepassing van de Voorlopige Hechteniswet dat uit de enkele omstandigheid dat het tegen een verdachte uitgevaardigd bevel tot aanhouding werd bevestigd in het huis van arrest waar die verdachte in voorlopige hechtenis was gehouden, niet valt af te leiden dat het vermoeden van onschuld, waarvan sprake is in de artikelen 6.2 EVRM en 14.2 IVBPR, is geschonderr'ê''.
 
De rechter miskent het vermoeden van onschuld van een beklaagde niet in zoverre hij beslist dat hij op een latere terechtzitting bij eenzelfde beslissing de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het verzet zal beoordelen en spreekt zich, door deze beslissing alleen, niet over de schuld van de beklaagde uit231.
 
Daar het voor een schuldigverklaring aan een van de witwasmisdrijven van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek niet noodzakelijk vereist is dat de dader de precieze oorsprong of herkomst van de zaken bedoeld in artikel 42, 3 °, Strafwetboek kende of diende te kennen, kan geen miskenning van het recht van verdediging, van de bewijslast in strafzaken of van het vermoeden van onschuld worden afgeleid uit het feit dat het openbaar ministerie die precieze oorsprong evenmin kende en dus in zijn dagvaarding, rechtsvordering of oproeping niet kon vermelden aan welke misdrijven de beweerdelijk witgewassen gelden gerelateerd waren232.
 
Het niet-vermelden van de aanwijzingen dat de inbeslaggenomen goederen door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde voorwerpen zijn, houdt op zich geen schending in van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR of een miskenning van het in die bepalingen vervatte vermoeden van onschuld233.
 
De omstandigheid dat de rechter, in een fiscale strafzaak, vermoedens van feitelijke aard put uit het verslag van de gerechtsdeskundige die een tekort aan aangegeven inkomsten afleidt uit een vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen zoals dat in het fiscaal recht bestaat, levert geen miskenning van het vermoeden van onschuld van de beklaagde op234.
 
 
 
Het arrest dat vermeldt dat de deskundige de beklaagde niet verwijt dat hij zich als slachtoffer voordoet van de feiten waarvan hij in verdenking wordt gesteld, en welke hij betwist, en oordeelt dat het deskundigenverslag, in het kader van een wetenschappelijk onderzoek, de eigenschappen benadrukt van een manipulerende persoonlijkheid die zonder ophouden voor slachtoffer speelt, miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld niet235.
 
De omstandigheid dat de eiser het niet eens is met het verslag van de door de onderzoeksrechter aangestelde deskundige en dat hij de weerlegging van dat verslag zal moeten betrekken in zijn verweer voor de vonnisrechter, houdt geen omkering van de bewijslast noch miskenning van het vermoeden van onschuld in. Voor de vonnisrechter beschikt de eiser immers over de waarborgen tot eerbiediging van het recht van verdediging en kan hij het bedoelde verslag, dat enkel de waarde heeft van een advies, vrij betwisten en tegenspreken236.
 
Het veroordelend arrest dat de schuldigverklaring met name grondt op het besluit van een deskundigenverslag, dat overwegingen bevat die het vermoeden van onschuld miskennen, neemt het gebrek van dat besluit over en verantwoordt zijn beslissing niet naar recht237.
 
Het recht van verdediging en het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter, waarbij het vermoeden van onschuld als uitgangspunt geldt, worden miskend door de rechter die de wijze waarop de beklaagde zich verdedigt tegen de tenlastelegging beoordeelt of de schijn verwekt dat elke verdediging zinloos is238.
 
De omstandigheid dat van een partij die aanvoert dat bewijsgegevens op onregelmatige wijze zijn vergaard, wordt geëist dat zij die aanvoering niet beperkt tot blote beweringen, maar ze bovendien ook enigszins aannemelijk maakt, houdt geen miskenning van het vermoeden van onschuld in239.
 
De rechter die zich beperkt tot de opsomming van een bundel van vermoedens waarover de partijen regelmatig tegenspraak kunnen voeren en die volgens hem alle redelijke twijfel uitsluiten, ondanks het feit dat er in de zaak gegevens zijn in tegengestelde zin, miskent niet het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, op een onpartijdige rechtbank en op de eerbiediging van het vermoeden van onschuld=".
 
Wanneer de bezwaren ten aanzien van de vervolgde persoon overweldigend zijn, miskent de rechter die, bij wijze van feitelijke vermoedens, uit zijn stilzwijgen of onbevredigende verklaringen ongunstige besluiten trekt, noch het recht van verdediging noch het vermoeden van onschuld241.
 
Wanneer de rechter vóór het onderzoek van de gegrondheid van de beschuldiging uitspraak moet doen over zijn bevoegdheid, kan hij niet zonder het vermoeden van onschuld te miskennen, van zijn overtuiging doen blijken volgens welke de vervolgde persoon schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten242.
 
Uit de overweging dat "de verplichtingen vervat in artikel 6.1 E. VR.M, of die eruit voortvloeien, niet als zodanig voor het openbaar ministerie of de politie gelden", volgt niet dat de appelrechters uitsluiten dat het vermoeden van onschuld op het openbaar ministerie of de politie van toepassing is243.
 
Het vermoeden van onschuld wordt niet miskend, alleen maar omdat de rechter, ter verantwoording van de aard van de straf en van de strafmaat, acht slaat op andere inlichtingen over de persoonlijkheid van de beklaagde dan die welke worden vermeld in de telastleggingen244.
 
De rechter die feitelijke gegevens die zich in de tijd situeren na de ten laste gelegde feiten maar die daarover een toelichting kunnen geven, in aanmerking neemt om zijn overtuiging te vormen, miskent het vermoeden van onschuld niet245.
 
De verwerping van een verweermiddel als ongeloofwaardig, miskent als dusdanig het vermoeden van onschuld niet dat door art. 6.2 EVRM wordt gewaarborgd246.
 
De rechter die op grond van feitelijke gegevens waarvan hij de bewijswaarde vrij apprecieert, oordeelt dat het door de verdachte gevoerde verweer niets geloofwaardigs bevat, legt aan die verdachte geen niet op hem rustende bewijslast op en miskent evenmin het vermoeden van onschuld24 7.
 
Een toepassing hiervan is de beslissing van het Hof dat het vermoeden van onschuld van de beklaagde niet wordt geschonden door de rechter die, op grond van de door hem vastgestelde feitelijke gegevens, beslist dat de beklaagde, houder van de nummerplaat van een auto, met die wagen reed op het ogenblik van de feiten en dat geen geloof kan worden gehecht aan de door hem overgelegde attesten248.
 
Anderzijds oordeelde het Hof ook dat wanneer een autovoertuig een ongeval heeft veroorzaakt en de bestuurder ervan niet is geïdentificeerd, de enkele omstandigheid dat het autovoertuig op het ogenblik van de feiten was toevertrouwd aan de beklaagde weliswaar een door de rechter te appreciëren bewijselement oplevert om te oordelen of de beklaagde de bestuurder van het voertuig was, doch geenszins een wettelijk vermoeden van schuld waarvan de beklaagde het tegenbewijs dient te leveren249.
 
De rechter die op grond van feitelijke gegevens die hij opsomt, beslist dat in de door de beklaagde tot staving van zijn verweer aangevoerde beweringen niets geloofwaardigs te vinden is, miskent geenszins de regels betreffende de bewijslast in strafzaken, noch het vermoeden van onschuld dat is neergelegd in de artikelen 6.2 EVRM en 14.2 IVBPR250.
 
In strafzaken beoordeelt de rechter vrij, dit is onaantastbaar, de bewijswaarde van de hem regelmatig voorgelegde gegevens: hij kan daarbij bepaalde gegevens geloofwaardig achten en andere gegevens als ongeloofwaardig verwerpen of irrelevant dan wel niet-beslissend achten. Noch het recht van verdediging, noch het vermoeden van onschuld, noch de bewijsregels vereisen dat hij een afweging maakt tussen de verschillende hem voorgelegde gegevens vooraleer sommige van die gegevens als ongeloofwaardig te verwerpen of irrelevant dan wel niet-beslissend te oordelen251.
 
Noch een miskenning van het vermoeden van onschuld noch een miskenning van het recht van een ieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak kan worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat het rechtscollege dat uitspraak moet doen over de gegrondheid van een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging en te dien einde de relevantie van diens verweermiddelen moet beoordelen, op grond van de feitelijke gegevens die het opsomt, waaronder de bekentenissen van die beklaagde, beslist dat de door hem tegen de gerechtelijke politie geuite beschuldigingen "van weinig gewicht waren" en dat daaraan niet het minste geloof kon worden gehecht252 .f
 
Geen miskenning van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat de feitenrechter, die uitspraak moet doen over de gegrondheid van een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging en te dien einde diens verweermiddelen moet onderzoeken, de bewijswaarde van de getuigenverklaringen in feite beoordeelt, wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft253.
 
Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en daarbij mag hij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven: het vermoeden van onschuld wordt niet miskend wanneer daarbij melding wordt gemaakt van feiten die, alhoewel vreemd aan datgene waarvoor de beklaagde wordt vervolgd, relevant kunnen zijn voor de waarheidsvinding of de persoonlijkheid van de beklaagde kunnen toelichten, ook al is hij voor die feiten niet vervolgd of veroordeeld 254.
 
De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde slaagt in het weerleggen van de materiële vaststellingen van verbalisanten met een bijzondere bewijswaarde. Bij die beoordeling kan de rechter ermee rekening houden dat een beklaagde, die voorhoudt dat de weerlegging van de materiële vaststellingen van de verbalisanten met een bijzondere bewijswaarde blijkt uit niet langer beschikbare documenten en stukken, vanaf het ogenblik dat hij kennis had van die materiële vaststellingen met een bijzondere bewijswaarde en dat hij wist dat hij verdacht was, niet de nodige initiatieven heeft genomen om zelf de beschikking te verkrijgen over die documenten en stukken. Dit houdt geen omkering in van de bewijslast of een miskenning van het vermoeden van onschuld, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces255.
 
Het vermoeden van onschuld belet de rechter niet om bij de bepaling van de strafmaat alle regelmatig verkregen elementen in overweging te nemen die eigen zijn aan de persoon van de beklaagde en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, zoals die met betrekking tot zijn financiële toestand of de wijze waarop hij zijn inkomsten verwerft of uitgeeft256.
 
Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon het slachtoffer werd van geweld terwijl hij werd gearresteerd of tijdens zijn detentie en er een sterk feitelijk vermoeden bestaat dat de autoriteiten daarvoor verantwoordelijk zijn, het de Staat toekomt om daarvoor een overtuigende verklaring te geven en dat indien hij daarin niet slaagt, een verdragsrechtelijke inbreuk van de Staat vaststaat. Uit deze bepaling volgt evenwel niet dat de nationale rechter die moet oordelen over de aanwezigheid van voldoende bezwaren in hoofde van wegens het gebruik van niet­gerechtvaardigd geweld verdachte politieambtenaren, ertoe gehouden is de verklaringen van slachtoffers als geloofwaardig aan te nemen en de verklaringen van de verdachten als niet geloofwaardig te verwerpen wat een schending zou uitmaken van het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld, waarvan ook politieambtenaren verdacht van niet­gerechtvaardigd geweld genieten257.
 
Geen enkele wettelijke- of verdragsbepaling verplicht de nationale rechter, die uitspraak moet doen over de vervolging die tegen een politieambtenaar is ingesteld wegens onrechtmatig geweld, om een verschillend geloof te hechten aan de beweringen van de persoon die hem daarvan beschuldigt dan aan de uitleg van de beklaagde die zich daartegen verweert; dergelijke omkering van de bewijslast zou tot miskenning van het vermoeden van onschuld leiden, dat algemeen geldend is en dat bijgevolg ook een politieambtenaar ten goede moet komen die wegens onrechtmatig geweld wordt vervolgd258.
 
Ongeacht of het rechtscollege opnieuw werd samengesteld dan wel op dezelfde wijze was samengesteld, zijn het feit dat een ontwerp van beslissing werd opgemaakt en dat dit stuk, weliswaar ongepast, deel uitmaakt van de stukken van de rechtspleging, geen toereikende gronden om redelijke twijfel te doen rijzen omtrent de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de magistraten die uitspraak hebben gedaan of om te stellen dat hun beslissing het vermoeden van onschuld heeft miskend259.
 
Wanneer de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling beslist om de wetsbepaling toe te passen die haar machtigt om de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen, na te hebben vastgesteld dat de betrokkene tijdens de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd die in de beslissing van de commissie was opgelegd die over de voorwaardelijke invrijheidstelling uitspraak heeft gedaan, miskent zij het vermoeden van onschuld nier''".
 
Het algemeen rechtsbeginsel inzake het vermoeden van onschuld wordt niet miskend, uitsluitend door het feit dat de strafuitvoeringsrechtbank die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van de straffen, een risico van herhaling vaststelt, waarvan zij het bestaan bij wet moet nagaan261.
 
In het geval van wraking van een onderzoeksrechter, verantwoordt het arrest wettig de weigering om de onderzoekshandelingen te vernietigen die deze magistraat vóór de dag van neerlegging en mededeling van de akte van wraking heeft gesteld, wanneer het oordeelt dat die handelingen niet van aard zijn om een eerlijk proces voor het vonnis gerecht onmogelijk te maken, waarbij het zegt, enerzijds dat niet is aangetoond dat de onderzoeksmaatregelen, beslissingen en ambtsverrichtingen van die magistraat niet gegrond zijn en geen verband houden met de materiële aanwijzingen die reeds zijn vergaard en, anderzijds, dat uit het onderzoek van die handelingen geen enkele miskenning van de algemene rechtsbeginselen betreffende de eerbiediging van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld blijkt262.
 
Het arrest dat afwijzend beschikt op de vordering tot wraking van een onderzoeksrechter die de eiser van partijdigheid verdenkt omdat hij aan de procureur des Konings geschreven heeft dat de vermoedelijke dader de feiten blijft ontkennen, miskent het vermoeden van onschuld van de eiser en verantwoordt bijgevolg zijn beslissing niet naar recht263.
 
Wat de procedure van herziening betreft, oordeelde het Hof dat een feit dat geen vermoeden van onschuld kan opleveren, geen aanleiding kan geven tot herziening op grond van art. 443, 3°, Wetboek van Strafvordering264.
 
 Voet
Voetnoten:
 
1 La Belle-mère au les Dangers d'un second mariage, Louis Jean-Baptise Etienne VIGEE, Paris, 1788.

2 DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, Kluwer, 6° Editie 2014, nr. 1958, p. 827 en nr. 3761, p. 1456; VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave, 2005, nr. 1562, p. 732 en nr. 1749, p. 831; VAN DEN WYNGAERT, Chr., Strafrecht en Strafprocesrecht in Hoofdlijnen, Maklu, 2014, p. 298 en 734; BEERNAERT, M.-A., BOSLY, H. et VANDERMEERSCH, D., Droit de la procédure pénale, T" édition, p. 25; Cass. 11 december 1984, AC 1984-85, nr. 227; Cass. 17 september 2003, AR P.03.1018.F, AC 2003, nr. 438, JT, 2003, p. 7 met noot KLEES, O.; Cass. 7 april 2004, AR P.04.0260.F, AC 2004, nr. 192; 15 december 2004, JT, 2005, p. 4; Cass. 16 november 2005, AR P.05.0817.F, AC 2005, nr. 599; Cass. 15 maart 2007, AR P.06.1334.N, AC 2007, nr. 134; Cass. 27 februari 2008, AR P.07.1485.F, AC 2008, nr. 134; Cass. 14 januari 2009, AR P.08.1860.F, AC 2009, nr. 32.

3 EHRM, 25 maart 1983, Minelli t.l Zwitserland.

4 VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave, 2005, nr. 1562, p. 732 en nr. 1749, p. 831.

5 DUJARDIN, J., Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie (1990-2003), Rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 2003, p. 11, www.cassonline.be.

6 REPÎK, B., "Réflexions sur la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme concernant la présomption d'innocence", Liber Amicorum Marc-André Eïssen, Bruylant, 1995, p. 331, met verwijzing naar EHRM, 6 december 1988, Barbera e.a. t./ Spanje en 19 december 1990, Delta t./ Frankrijk.

7 FRANCHIMONT, M., JACOBS A en MASSET, A., Manuel de procédure pénale, 4e éd., Larcier, 2012, p. 1131 en volg.

8 REPÎK, B., "Réflexions sur la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme concernant la présomption d'innocence", Liber Amicorum Marc-André Eïssen, Bruylant, 1995, p. 332.

9 HELIE, F., "De la preuve en matière criminelle", Revue critique de législation et de jurisprudence, 1853, p. 396: Tous les ejforts et toute la science du juge tendent donc à constater les probabilités qui sant la base nécessaire de toute poursuite, et à préparer la certitude qui est la base nécessaire de tout jugement.

10 HUYBRECHTS, L., "De rechter en het vermoeden van onschuld", Liber Amicorum Jean du Jardin, Kluwer, 2001, p. 195; BEERNAERT, M.-A., BOSLY, H. et VANDERMEERSCH, D., Droit de la procédure pénale, 7" édition, p. 25.

11 VIGOUROUX, Chr., Présomption d'innocence, La conscience des droits. Mélanges en l'honneur de Jean-Paul COSTA, 2011, p. 657; MARCHAL, P., Principes généraux du droit, RPDB, nr. 145, p. 173.

verwezen naar de Romeinse rechtsgeleerde Julius Paulus (Prudentissimus) uit de tweede

12 TULKENS, F., "La présomption d'innocence. Les développements récents de la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme", Feestbundel voor Hugo VANDENBERGHE, p. 305; Groenboek van de Europese Commissie van 26 april 2006 over het vermoeden van onschuld, COM(2006) 174 def., http://eur¬lex.europa.eu.

13 ALFREDSSON, G. en EIDE, A., The universal Declaration of Human Rights - A common Standard of Achievement, Kluwer Law International, 1999, p. 244; SMITH, R., Textbook on International Human Rights, 5th ed., 2012, Oxford University Press, p. 274.

14 Zie voor een meer uitgebreide analyse: FEROT, P., "La présomption d'innocence: essai d'interprétation historique". Sciences de l'Homme et Société, 2007, p. 11, https://tel.archives-ouvertes.fr.

15 Vertaling: "de bewijslast rust op hij die aanvoert, niet op hij die ontkent". In de uitgebreide versie van deze regel wordt verder gepreciseerd: "cum per rerum naturam factum negantis probatio nulla sit'> "omdat uit de aard der dingen volgt, dat hij die een feit ontkent geen bewijs kan aanvoeren".

16 Vertaald: "de verweerder dient in een gunstiger positie geplaatst te worden dan de klager".

17 Aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1948. Deze Verklaring heeft het karakter van een beginselverklaring die als zodanig geen rechtsgevolgen doet ontstaan, zodat de schending ervan niet kan worden aangevoerd als grond tot cassatie (Cass. 15 maart 1965, Pas. 1965, I, 734).

18 Aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 16 december 1966, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 (BS 6 juli 1983, bij Deer. Fr. Gem. R. van 8 juni 1982 (BS 15 oktober 1982) en bij Deer. Vl. R. van 25 januari 1983 (BS 26 februari 1983).

20 Zie voor de toepassing van dit principe op artikel 6 (recht op leven) en artikel 7 (verbod van foltering):

Human Rights Committee, General Comment No. 29 (2001) on article 4: Derogations during a state of emergency, nrs. 7 en 15; Zie ook: Human Rights Committee, General Comment No. 32, Article 14: Right to equality before courts and tribunals and toa fair trial, U.N. Doe. CCPR/C/GC/32 (2007).

21 Idem, nr. 11.

22 Statuut van Rome van het Internationaal Strafgerechtshof van 17 juli 1998, BS 1 december 2000, err. BS 24 oktober 2002, corrigendum, BS 7 oktober 2003.

van een reeks andere

23 Statute of the International Tribunal for the Prosecution of Persons Responsible for Serious Violations of International Humanitarian Law Committed in the Territory of the Former Yugoslavia since 1991 (ICTY), waarvan de oorspronkelijke tekst werd aangenomen bij Resolutie nr. 827 van de Verenigde Naties van 25 mei 1993.

24 Statute of the International Crirninal Tribunal for Rwanda, zoals gewijzigd op 31 januari 2010.

25 aangenomen op 16 januari 2002, ingevolge het Verdrag afgesloten tussen de Verenigde Naties en de Regering van Sierra Leone, in uitvoering van de Resolutie 1315 (2000) van 14 augustus 2000 van de Veiligheidsraad.

26 UN-Cambodia Agreement Concerning the Prosecution under Cambodian Law of Crimes Committed During the Period of Democratie Kampuchea van 17 maart 2003.

27 Statute of the Special Tribunal for Le ban on, 31 januari 2007.

28 Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, 2000/C.364/l van 18 december 2000. 29 document Europese Commissie, COM(2013) 821 van 27 november 2013.

30 Artikel 82, tweede lid, VWEU bepaalt:

"Voor zover nodig ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, kunnen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure bij richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen. In die minimumvoorschriften wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten.

Deze minimumvoorschriften hebben betrekking op:

a. de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten;

b. de rechten van personen in de strafvordering;

c. de rechten van slachtoffers van misdrijven;

d. andere specifieke elementen van de strafvordering, die door de Raad vooraf bij besluit worden bepaald. Voor de aanneming van dit besluit, besluit de Raad met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

De vaststelling van de in dit lid bedoelde minimumvoorschriften belet de lidstaten niet een hoger niveau van bescherming voor personen te handhaven of in te voeren."

31 Zie onder meer El30056 - Voorstel voor een richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure en El30057 - Voorstel voor een richtlijn betreffende voorlopige rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden wie de vrijheid is ontnomen en rechtsbijstand in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.

32 PB Cl 15 van 4 mei 2010, p. 1.

33 Vanaf deze datum van goedkeuring door de Raad hebben de Lidstaten een termijn van twee jaar om aan de voorwaarden van de Richtlijn te voldoen.

34 COM(2013) 821 final=- 2013/0407 (COD).

35 COM(2013) 821 final - 2013/0407 (COD), overwegingen 10 tot 17, 33, 34, 40 tot 42 en 44. 36 Artikel 2 van de Richtlijn.

37 Deze beperking werd bekritiseerd door de internationale commissie van Juristen, JUSTICE en het Nederlands Juristen Comité voor de mensenrechten, "Briefing on the European Commission Proposal fora Directive on the strengthening of certain aspects of the presumption of innocence and of the right to be present at trial in crimina! proceedings", maart 2015, p, 6.

38 HvJ., C-301/04 P, Commissie/SGL Carbon, [2006] Jurispr. 1-5915, en T-112/98, Mannesmannröhren-Werke/Commissie, [2001] Jurispr. II- 732.

39 COM(2013) 821 final, 2013/0407 (COD), EU-Richtlijn, Juridische elementen van het voorstel, Artikel 6 en 7 - overweging 3 7.

4° COM(2013) 821 final, 2013/0407 (COD), EU-Richtlijn, overweging 18.

41 NJB, 15 april 2016, Kroniek van het straf(proces)recht, p. 976-1081 (992).

42 Aangenomen te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij wet van 25 november 1991, BS 17 januari 1992.

43 BS 21 juni 2013.

44 Zoals gewijzigd bij wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

45 Zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, houdende diverse bepalingen betreffende justitie. 46 BS 1 februari 2005.

47 BS 13 mei 2004.

48 BS 1 juni 2004.

49 BS 18juni 2004

50 BS 30 mei 2005.

51 BS 8 maart 2007.

52 BS 17 januari 2013.

53 BS 30 september 2014.

54 BS 13 maart 2014. Dit koninklijk besluit herneemt in feite de tekst van het vroegere koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (BS 14 november 1967).

55 BS 18juni 2015.

56 MERLE, R. en VrTU, A., Traité de Droit Criminel, Procédure pénale, 2001, p. 181, nr. 143 57 Ibidem.

58 UN HR Committee, General Comment 24, § 8; ICRC (International Committee of the Red Cross), Study on Customary International Law, Vol. 1, Rule 100, p. 357. Regel 100 luidt dat niemand mag veroordeeld of bestraft worden, anders dan op basis van een eerlijk proces dat alle essentiële rechtswaarborgen biedt.

59 bedoeld wordt het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke rechten (hierna JVBPR).

60 UN HR Committee, Genera! Comment, 24, § 8; Genera! Comment, 29, § 11; Genera! Comment 32, § 6. 61 UN HR Committee, Singh t./ Canada, 29 juli 1997; Cabal en Pasini t.l Australië, 7 augustus 2003.

62 UN HR Commitee, Morael t./ Frankrijk, 28 juli 1989.

63 UN HR Committee, W J. H. t./ Nederland, 22 juli 1992.

64 UN HR Committee, Polay Campos t./ Peru, 6 november 1997.

65 UN NHR Commitee, Sanchez López t./Spanje, 18 oktober 1999. 66 UN HR Commitee, Gridin t./ Rusland, 20 juli 2000.

67 UN HR Committee, Saidov t./ Tadjikistan, 8 juli 2004; zie ook Khalilov t./Tadjikistan, 30 maart 2005; Kovalev t.l Wit-Rusland, 2 oktober 2012; Bialiatski t.l Wit-Rusland, 24 oktober 2014.

68 UN HR Committee, Kavanagh t./ Ierland, 4 april 2001.

69 UN HR Committee, Cagas t./Filippijnen, 23 oktober 2001. 70 UN HR Committee, Nallaratnam t./ Sri Lanka, 21 juli 2004.

71 UN HR Committee, Arutyuniantz t./ Oezbekistan, 30 maart 2005.

72 Zie, onder meer, UN HR Committee, Paul Kelly t.l Jamaica; 8 april 1991, Willard Collins t.l Jamaica; november 1991, Campbell t./ Jamaica, 30 maart 1992; Rolando t.l Filippijnen, 3 november 2004; Arutyuniantz t.l Oezbekistan, 30 maart 2005.

73 UN HR Committee, González del Rio t./ Peru, 28 oktober 1992. 74 UN HR Committee, Barroso t./ Panama, 19 juli 1995.

75 UN HR Committee, Richards t./ Jamaica, 31 maart 1997. 76 UN HR Committee, Lewis t./ Jamaica, 17 juli 1997.

77 UN HR Commitee, Chung t./ Jamaica, 9 april 1998.

78 UN HR Committee, Ricketts t./ Jamaica, 4 april 2002.

79 UN HR Committee, Chira Vargas t./ Peru, 22 juli 2002.

80 UN HR Committee, Rameka t.l Nieuw-Zeeland, 6 november 2003. 81 UN HR Committee, Parra Corral t./ Spanje, 10 juli 2005.

82 UN HR Committee, Cuartero t./Spanje, 25 juli 2005.

83 UN HR Committee, Bertelli t./Spanje, 25 juli 2005.

84 UN HR Committee, Carvallo t./ Spanje, 28 oktober 2005.

85 EHRM, 6 december 1988, Barberà, Messegué en Jabardo t./Spanje; 10 februari 1995, Allenet de Ribemont t. !Frankrijk.

86 EHRM, 25 maart 1983, Minelli t.!Zwitserland.

87 EHRM, 25 februari 1993, Funke t./ Frankrijk; 8 februari 1996, Murray t./ Verenigd koninkrijk; 17 december 1996, Saunders t./ Verenigd Koninkrijk

88 EHRM, 26 oktober 2010, Kudla t./ Polen.

89 Een zoeking op de termen "vermoeden van onschuld" levert een kleine zeshonderd hits op.

90 Ger.Ambt. EU, 11 mei 2010, F-30/08; Zie ook: Ger. EG, 20 april 1999, gevoegde T-305/94, T-306/94, T- 307 /94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94.

91 GwH arrest nr. 58/1998 van 27 mei 1998.

92 GwH nr. 74/98 van 24 juni 1998; zie ook GwH nr. 1/99 van 13 januari 1999. 93 GwH nr. 147/2002 van 15 oktober 2002.

94 GwH nr. 3/2016 van 14 januari 2016.

95 Het Grondwettelijk Hof sluit zich hier aan bij de rechtspraak van het Hof van Cassatie: Cass. 20 juni 1990, AR 8363, AC 1990, nr. 613; Cass. 4 april 2000, AR P.00.0293.N, AC 2000, nr. 224.

96 In zijn arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat deze wetsbepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR schendt in de interpretatie dat het een onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging instelt.

97 GwH nr. 61/2010 van 27 mei 2010.

98 GwH nr. 49/2008 van 13 maart 2008.

99 GwH nr. 50/2008 van 13 maart 2008.

100 GwH nr. 119/2009 van 16 juli 2009.

101 GwH nr. 128/2007 van 10 oktober 2007. 102 GwH nr. 17/2009 van 12 februari 2009. 103 GwH nr. 40/2009 van 11 maart 2009.

104 Zie ook het arrest nr. 39/2009 eveneens van 11 maart 2009.

105 Zie ook GwH nr. 157/2004 van 6 oktober 2004.

106 GwH nr. 53/2001 van 18 april 2001.

107 Zie ook GwH nr. 5/2007 wat betreft artikel 67ter Wegverkeerswet en nrs. 178/2013 en 49/2014 wat betreft artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet.

108 GwH nr.27/2000 van 21 maart 2000. 109 GwH nr. 2/2000 van 19 januari 2000. 110 GwH nr. 4/2001 van 25 januari 2001.

111 GwH nr. 44/2011 van 30 maart 2011.

112 Met verwijzing naar EHRM, 23 juli 2002, Janosevic t./ Zweden.

113 GwH, nr. 25/2016 van 18 februari 2016. 114 R.v.St., nr. 191.235, 10 maart 2009.

115 R.v.St., nr. 112.365, 7 november 2002.

116 R.v.St., nr. 94.751, 18 april 2001; nr. 105.493, 15 april 2002.

117 R.v.St., nr. 155.231, 20 februari 2006. 118 R.v.St., nr. 231.316, 22 mei 2015.

119 R.v.St., nr. 146.473, 23 juni 2005.

120 R.v.St., nr. 223.278, 25 april 2013.

121 R.v.St., nr. 224.306, 9 juli 2013; R.v.St., nr. 225.022, 8 oktober 2013; R.v.St., nr. 228.341, 12 september 2014.

122 R.v.St., nr. 170.882, 7 mei 2007.

123 R.v.St., nr. 218.522, 19 maart 2012; R.v.St., nr. 218.585, 22 maart 2012.

124 R.v.St., nr. 119.165, 9 maart 2009: de verzoeker voerde aan dat de Raad van State zich diende te voegen naar het standpunt ingenomen door de correctionele rechtbank te Hasselt in haar vonnis van 13 november 2008, waarbij geoordeeld werd dat het opleggen van een tuchtsanctie van 6 maanden individueel regime een straf uitmaakt. De Raad van State wijst dit verweer af onder meer omdat de gegevens zowel wat de tenlastelegging betreft als de opgelegde straf sterk verschillend waren van de zaak die aanleiding had geven tot het vonnis van de correctionele rechtbank.

125 R.v.St., nr. 198.611, 7 december 2009.

126 R.v.St., nr. 203.091, 20 april 2010; R.v.St., nr. 203.092, 20 april 2010; R.v.St., nr. 211.167, 10 feb 2011; R.v.St., nr. 218.710, 29 maart 2012; R.v.St., nr. 213.889, 16 juni 2011; nr. 211.166, 10 februari 2011; R.v.St., nr. 228.600, 2 oktober 2014; R.v.St., nr. 231484, 9 juni 2015.

127 R.v.St., nr. 231.531 van 11 juni 2015.

128 R.v.St., nr. 190.236, 5 februari 2009; R.v.St., nr. 213.835, 14 juni 2011; R.v.St., nr. 218.487, 15 maart 2012; nr. 222.302, 30 januari 2013; R.v.St., nr. 231.689, 22 juni 2015.

129 R.v.St., nr. 188.712, 11 december 2008.

130 R.v.St., nr. 210.177, 3 februari 2011.

131 R.v.St., nr. 222.424, 7 februari 2013.

132 R.v.St., nr. 231.787, 29 juni 2015. In casu betrof het een tussenkomst in hoger beroep van de minister van Justitie tegen de weigering van de provinciegouverneur om een wapenvergunning afte leveren.

133 R.v.St., nr. 201.146, 23 februari 2010.

134 R.v.St., nr. 126.150, 8 december 2003. In casu maakte de betrokken dierenarts het rechtstreekse voorwerp uit van een gerechtelijk onderzoek, hij werd door de onderzoeksrechter voor die feiten in verdenking gesteld en zelfs aangehouden. Met die gegevens beschikte de verwerende partij, zijnde de minister van Volksgezondheid, volgens de Raad van State, over voldoende precieze en bewijskrachtige informatie om betrokken dierenarts, zonder hem te horen, voorlopig te schorsen.

135 R.v.St., nr. 225.468, 13 november 2013.

136 R.v.St., nr. 220.698, 24 september 2012.

137 R.v.St., nr. 203.035, 19 april 2010.

138 R.v.St., nr. 219.339, 14 mei 2012.

139 R.v.St., nr. 217.461, 24 januari 2012.

140 R.v.St., nr. 207.324, 13 september2010. 141 R.v.St., nr. 218.476, 14 maart 2012.

142 R.v.St., nr. 228.615, 2 oktober 2014, met verwijzing naar GwH, nr. 119/2009 van 16 juli 2009; zie ook GwH nr. 55/2000 van 17 mei 2000.

143 Cass. 17 september 2003, AR P.03.1018.F, AC 2003, nr. 438, JT, 2003, p. 7 met noot KLEES, O.; Cass. 7 april 2004, AR P.04.0260.F, AC 2004, nr. 192; Cass. 15 december 2004, JT, 2005, p. 4; Cass. 16 november 2005, AR P.05.0817.F, AC 2005, nr. 599; Cass. 15 maart 2007, AR P.06.1334.N, AC 2007, nr. 134; Cass. 27 februari 2008, AR P.07.1485.F, AC 2008, nr. 134; Cass. 14 januari 2009, AR P.08.1860.F, AC 2009, nr. 32.

144 Cass. 15 december 2004, AR P.04.1189.F, AC 2004, nr. 612; Cass. 27 februari 2008, AR P.07.1485.F, AC 2008, nr. 134.

145 Cass. 13 mei 2015, ARP.13.1755.F, AC 2015, nr. 307.

146 Cass. 25 maart 1992, AR 9583, AC 1991-92, nr. 395; Cass. 16 november 1993, A.R. 5223, AC 1993, nr. 463; Cass. 6 december 2000, AR P.00.1250.F, AC 2000, nr. 673.

147 Cass. 7 maart 2007, AR P.07.0259.F, AC 2007, nr. 129; Cass. 15 maart 2011, AR P.110.1635.N, AC 2011, nr. 201.

148 Cass. 17 december 2013, AR P.12.1083.N, AC 2013, nr. 689. 149 Cass. 10 september 1991, AR 4745, AC 1991-92, nr. 13.

15° Cass. 8 november 1995, AR P.95.0428.F, AC 1995, nr. 480. 151 Cass. 14 mei 1997, AR P.97.0492.F, AC 1997, nr. 229.

152 Cass. 14 februari 1996, AR A.94.0002.F, AC 1996, nr. 81.

153 Cass. 8 januari 2014, AR P.113.0774.F, AC 2014, nr. 10 met concl. van advocaat-generaal V ANDERMEERSCH.

154 Zie HvJ, arrest Salabiaku t/ Frankrijk, 7 oktober 1988, § 28; HvJ, arrest Pham Hoang tl Frankrijk, 25 september 1992, § 33; HvJ, arrest Philips t/ Verenigd-Koninkrijk, 5 juli 2001, § 40 en 41; Zie Cass. 7 februari 2001, AR P.00.1532.F, AC 2001, nr. 75; Cass. 17 oktober 2001, AR P.01.1021.F, AC 2001, nr. 551; Cass. 16 april 2002, AR P.01.0119.N, AC 2002, nr. 231; Cass. 25 februari 2004, AR P.03.1430.F, AC 2004, nr. 104; Cass. 14 november 2012, AR P.11.1611.F, AC 2012, nr. 612.

155 Cass. 27 april 2001, AR C.00.00258.N, AC 2001, nr. 240; VELU, J., en ERGEC, R., Convention européenne des droits de l'homme, RPDB, Compl. VII, Bruylant 1990, nr. 565.

156 Cass. 29 juni 2007, AR D.06.0012.N, AC 2007, nr. 368.

157 Cass. 17 september 2009, AR D.09.0016.N, AC 2009, nr. 509; Cass. 21 juni 2012, AR D.12.0016.N, AC 2012, nr. 405.

158 Zie Cass. 18 juni 2009, AR C.08.0468.F, AC 2009, nr. 418; Cass. 9 juni 2010, AR P.10.0564.F, AC 2010, nr. 406.

159 Cass. 16 september 1998, JLMB, 1998, 1340; Cass. 17 oktober 2001, AR P.01.1333.F, AC 2001, nr. 553.

16° Cass. 18 januari 1984, AR 2921, AC 1983-84, nr. 260; Cass. 17 oktober 2001, AR P.01.1333.F, AC 2001, nr. 553.

161 Cass. 27 juni 2007, AR P.05.1685.F, AC 2007, nr. 360. 162 Cass. 27 juni 2014, AR C.12.0119.F, AC 2014, nr. 463.

163 Cass. 15 december 2004, AR P.04.1189.F, AC 2004, nr. 612; Cass. 27 februari 2008, AR P.07.1485.F, AC 2008, nr. 134.

164 Cass. 18 januari 2005, AR P.04.1225.N, AC 2005, nr. 33.

165 Cass. 4 februari 1997, AR P.96.1027.N, AC 1997, nr. 62; Cass. 22 juni 1999, AR P.99.0611.N, AC 1999, nr. 386.

166 Cass. 31 maart 1993, AR P.93.0275.F, AC 1993, nr. 169. 167 Cass. 21 april 1998, AR P.96.0727.N, AC 1998, nr. 202.

168 Cass. 8 december 1998, AR P.97.1102.N, AC 1998, nr. 509. 169 Cass. 8 december 1999, AR P.99.0887.F, AC 1999, nr. 669. 17° Cass. 2 mei 1990, AR 8084, AC 1989-90, nr. 515.

171 Cass. 16 mei 2001, AR P.01.0305.F, AC 2001, nr. 288. 172 Cass. 25 mei 1994, AR P.93.1487.N, AC 1994, nr. 261.

173 Cass. 10 november 1992, AR 5429, AC 1991-92, nr. 726; VAN ÜVERBEKE, S., "In dubio pro reo", RW, 1994- 95, 1190.

174 Cass. 1 februari 2011, AR P.10.1550.N, AC 2011, nr. 97.

175 Zie Cass. 14 oktober 1998, JMLB, 1999, blz. 233; Cass. 18 juni 2003, AR P.03.0542.F, AC 2003, nr. 360 met concl. van advocaat-generaal LOOP.

176 Zie Cass. 4 februari 1997, AR P.96.1027.N, AC 1997, nr. 62; Cass. 18 juni 2003, AR P.03.0542.F, AC 2003, nr. 360; Cass. 29 juni 2005, AR P.05.0697.F, AC 2005, nr. 382.

177 Cass. 1 februari 2011, AR P.10.1550.N, AC 2011, nr. 97.

178 Cass. 15 februari 2006, AR P.05.1583.F, AC 2006, nr. 95 met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH.

179 Cass. 5 maart 2003, AR P.03.0086.F, AC 2003, nr. 152.

18° Cass. 8 mei 1996, AR P.96.0183.F, AC 1996, nr. 162. 181 Cass. 9 april 1986, AR 4967, AC 1985-86, nr. 484.

182 Cass. 23 september 1986, AR 690, AC 1986-87, nr. 43. 183 Cass. 11 mei 1983, AR 2841, AC 1982-83, nr. 508.

184 Cass. 30 juli 1996, AR P.96.0824.F, AC 1996, nr. 278. 185 Cass. 20 april 1999, AR P.99.0521.N, AC 1999, nr. 228. 186 Cass. 28 april 1999, AR P.99.0438.F, AC 1999, nr. 248.

187 Cass. 17 april 1996, AR P.96.0022.F, AC 1996, nr. 116. Zie betreffende dit probleem evenwel ook EHRM, 2 juni 2005, Goktepe t. / België, JT, 2005, p. 173.

188 Zie Cass. 15 oktober 2001, AR P.01.1333.F, AC 2001, nr. 553; Cass. 15 december 2004, AR P.04.1189.F, AC 2004, nr. 612 met concl. van advocaat-generaal LOOP; Verslag van het Hof van Cassatie 2002, p. 448.

189 Cass. 25 april 1990, AR 8242, AC 1989-90, nr. 500.

19° Cass. 13 oktober 1998, AR P.96.1146.N, AC 1998, nr. 441.

191 Zie Cass. 17 februari 1998, AR P.96.0312.N, AC 1998, nr. 95; Cass. 27 april 2005, AR P.05.0173.F, AC 2005, nr. 246; Cass. 25 februari 2014, AR P.12.1799.N, AC 2014, nr. 148; DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2010, 1028, nr. 2357.

192 Cass. 25 juni 1996, AR P.95.0756.N, AC 1996, nr. 258.

193 Cass. 22 december 2009, AR P.09.0941.N, AC 2009, nr. 777 met concl. eerste advocaat-generaal DE SWAEF. 194 Cass. 2 juni 1999, AR P.99.0023.F, AC 1999, nr. 325.

195 Cass. 4 maart 1997, AR P.96.1660.N, AC 1997, nr. 123, met concl. van advocaat-generaal DUBRULLE.

196 Cass. 21 mei 2003, AR P.03.0524.F, AC 2003, nr. 308; SMETS, J., Jeugdbeschermingsrecht, APR, Deurne, 1996, p. 365 e.v., nr. 939; TULKENS, F. en MOREAU, TH., Droit de la Jeunesse, Brussel, 2000, p. 757.

197 Cass. 7 mei 2003, AR P.03.0292.F, AC 2003, nr. 277.

198 Cass. 2 november 2011, AR P.11.1648.F, AC 2011, nr. 589. 199 Cass. 11 september 1990, AR 3880, AC 1990-91, nr. 16.

20° Cass. 7 februari 2001, AR P.00.1532.F, AC 2001, nr. 75.

201 Cass. 7 februari 2001, AR P.00.1532.F, AC 2001, nr. 75; Cass. 17 oktober 2001, AR P.01.1021.F, AC 2001, nr. 551.

202 Cass. 14 november 1995, AR P.94.0727.N, AC 1995, nr. 494; Cass. 24 mei 2000, AR P.00.0089.F, AC 2000, nr.317.

203 Zie Cass. 14 oktober 2008, AR P.08.0693.N, AC 2008, nr. 544; Cass. 22 februari 2012, AR P.11.1784.F, AC 2012, nr. 125.

204 Cass. 22 januari 2004, AR C.02.0236.N, A C 2004, nr. 38. 205 Cass. 25 maart 1992, AR 9583, AC 1991-92, nr. 395.

206 Cass. 21 april 2015, AR P.13.1258.N, AC 2015, nr. 263; Zie ÜRATIA, M. en VAN DE MOSSCHELAER, G., "La loi concernant l'inspection du travail: après 2006, avant un code de droit pénal social (Partie I)", Ors. 2009, nr. 8, (17) 25; VAN EECKHOUTTE, W. en BOUZOUMITA, S., "Opsporing van sociaalrechtelijke misdrijven", NJW 2009, (698) 709; DE NAUW, A., "Het misdrijf van verhindering van toezicht, de wettelijke verplichting bepaalde documenten op te maken, bij te houden en te bewaren in het sociaal strafrecht en het gebruik ervan in een strafvervolging" in X. Liber Amicorum Henri-D. Bosly, Loyauté, justice et vérité, Bruxelles, La Charte, 2009, 123-140; SALOMEZ, K., "Sociaal Strafrecht", Brussel, Die Keure, 2010, 94.

207 Cass. 17 februari 1999, AR P.99.0183.F, AC 1999, nr. 92.

208 Cass. 18 juni 1986, AR 5146, AC 1985-1986, nr. 656; Cass. 16 december 1987, AR 6327, AC 1987-88, nr. 238; Cass. 11 september 1996, AR P.96.1224.F, AC 1996, nr. 305; Cass. 2 oktober 1996, AR P.96.1253.F, AC 1996, nr. 348; Cass. 17 februari 1999, AR P.99.0183.F, AC 1999, nr. 92.

209 Cass. 16 november 2005, AR P.05.0817.F, AC 2005, nr. 599. Het betrof een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarin dit onderzoeksgerecht vaststelde dat de inverdenkinggestelde zich effectief schuldig had gemaakt aan het gebruik van valse stukken.

21° Cass. 19 maart 1997, AR P.97.0330.F, AC 1997, nr. 155.

211 DUJARDIN, J., Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie (1990 - 2003), Rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 2003, p. 13, www.cassonline.be.

212 Cass. 4 maart 1974, AC 1974, p. 729; Cass. 15 september 2015, AR P.15.0675.N, AC 2015, nr. 516. 213 Cass. 16 november 1993, AR 5223, AC 1993, nr. 463.

214 Cass. 28 mei 2014, AR P.14.0484.F, AC 2014, nr. 387 met concl. van advocaat-generaal V ANDERMEERSCH

215 Cass. 30 oktober 2013, AR P.13.1403.F, AC 2013, nr. 566 met concl. van advocaat-generaal V ANDERMEERSCH.

216 Cass. 5 november 1997, AR P.97.1344.F, AC 1997, nr. 453, met concl. van advocaat-generaal SPREUTELS; Cass. 23 juni 1994, AR P.94.0808.N, AC 1994, nr. 331; Cass. 21 januari 2004, AR P.04.0069.F, AC 2004, nr. 36.

217 Cass. 6 mei 2009, AR P.09.0046.F, AC 2009, nr. 296.

218 Cass. 7 maart 2007, AR P.07.0259.F, AC 2007, nr. 129; Cass. 23 januari 2013, AR P.13.0087.F, AC 2013, nr. 55.

219 Cass. 30 juli 2013, AR P.13.1311.N, AC 2013, nr.411.

22° Cass. 15 april 1980, AC 1979-80, nr. 517; Cass. 9 januari 1985, AR 4017, AC 1984-85, nr. 281. 221 Cass. 9 november 1999, AR P.99.1502.N, AC 1999, nr. 594.

222 Cass. 20 september 1983, AR 8316, AC 1983-84, nr. 38. 223 Cass. 12 februari 1997, AR P.97.0161.F, AC 1997, nr. 82. 224 Cass. 18 december 1985, AR 4734, AC 1985-86, nr. 269. 225 Cass. 24 juni 1986, AR 619, AC 1985-86, nr. 671.

226 Cass. 29 september 1999, AR P.99.1364.F, AC 1999, nr. 495.

227 Cass. 13 maart 1985, AR 4159, AC 1984-85, nr. 1422; Cass. 22 mei 1985, AR 4317, AC 1984-85, nr. 574; 11 juni 1985, AR 9607, AC 1984-85, nr. 619.

228 Cass. 12 augustus 1991, AR 5926, AC 1990-91, nr. 571. 229 Cass. 4 april 2000, AR P.00.0293.N, AC 2000, nr. 224. 23° Cass. 20 juni 1990, AR 8363, AC 1990, nr. 613.

231 Cass. 18 juni 1996, AR P.95.1000.N, AC 1996, nr. 242.

232 Zie Cass. 9 mei 2006, AR P.06.0242.N, AC 2006, nr. 263; Cass. 19 september 2006, AR P.06.0608.N, AC 2006, nr. 425.

233 Cass. 20 maart 2012, AR P.11.1952.N, AC 2012, nr. 184. 234 Cass. 31 oktober 2006, AR P.06.0927.N, AC 2006, nr. 530.

235 Cass. 18 juni 2008, AR P.08.0407.F, AC 2008, nr. 381. 236 Cass. 10 maart 2015, AR P.14.1339.N, AC 2015, nr. 179.

237 Cass. 29 september 2010, AR P.10.0449.F, AC 2010, nr. 558.

238 Zie Cass. 24 augustus 1998, AR P.98.1007.N, AC 1998, nr. 371; Cass. 9 oktober 2003, AR D.02.0008.N, AC 2003, nr. 485; 13 maart 2007, AR P.06.1334.N, AC 2007, nr. 134.

239 Cass. 2 december 2014, AR P.13.0545.N, AC 2014, nr. 743.

24° Cass. 8 december 2010, AR P.l 0.1046.F, AC 2010, nr. 720.

241 Zie Hof Mensenrechten, 8 februari 1996, RDPC 1996, p. 949, JLMB 1997, p. 452; Cass. 3 oktober 2012, AR P.12.0700.F, AC 2012, nr. 507 met concl. van advocaat-generaal V ANDERMEERSCH.

242 Cass. 4 juni 2008, AR P.08.0687.F, AC 2008, nr. 344 met concl. van procureur-generaal LECLERCQ.

243 Cass. 4 april 2007, AR P.07.0218.F, AC 2007, nr. 175 met concl. van advocaat-generaal V ANDERMEERSCH. 244 Zie Cass. 26 maart 1997, AR P.96.0439.F, AC 1997, nr. 162; Cass. 12 mei 2010, AR P.10.0351.F, AC 2010, nr. 333; KUTY, F., Le droit à un procès équitable au sens de la jurisprudence strasbourgeoise, Chronique de jurisprudence, JLMB, 2008, p. 215.

245 Cass. 14 oktober 2003, AR P.03.0591.N, AC 2003, nr. 498.

246 Zie Cass. 15 januari 1991, AR 2153, AC 1990-91, nr. 249; Cass. 7 oktober 2009, AR P.08.1893.F, AC 2009, nr. 560.

247 Cass. 14 november 1995, AR P.94.0727.N, AC 1995, nr. 494. 248 Cass. 24 oktober 1989, AR 3106, AC 1989-90, nr. 117.

249 Cass. 25 juni 1996, AR P.95.0756.N, AC 1996, nr. 258.

25° Cass. 15 januari 1991, AR 2153, AC 1990-91, nr. 249; Cass. 21 december 1999, AR P.97.0858.N, AC 1999, nr. 692.

251 Zie Cass. 30 maart 2011, AR P.10.1940.F, AC 2011, nr. 237; Cass. 4 november 2014, AR P.14.0881.N, AC 2014, nr. 662.

252 Cass. 9 januari 1987, AR 5322, AC 1986-87, nr. 271.

253 Cass. 16 maart 1994, ARP .93 .1629 .F, A C 1994, nr. 128. 254Cass.11 maart2014,ARP.12.1903.N,AC2014,nr.197.

255 Zie Cass. 10 januari 2012, NC, 2012, 383 met noot L. HUYBRECHTS; Cass. 18 februari 2014, AR P.12.1643.N, AC 2014, nr. 125.

256 Cass. 3 oktober 2012, AR P.12.0700.F, AC 2012, nr. 507 met concl. van advocaat-generaal V ANDERMEERSCH.

257 Zie EHRM, 28 oktober 1998, Assenov e.a. t. Bulgarije, § 92-102; 1 juli 2004, Bakbak t. Turkije, § 47; 23 februari 2006, Ognyanova en Choban t. Bulgarije, § 94-95; 10 maart 2009, Turan Cakir t. België, § 54; 4 november 2010, Darraj t. Frankrijk,§ 36; 9 oktober 2012, Mikiashvili t. Georgië,§ 69-71; Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1298.N, AC 2015, nr. 217.

258 Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1298.N, AC 2015, nr. 217; Cass. 15 april 2015, AR P.15.0024.F, AC 2015, nr. 253.

259 Cass. 8 december 2010, AR P.10.1170.F, AC 2010, nr. 718 met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH.

260 Cass. 20 juli 1999, AR P.99.0873.F, AC 1999, nr. 418; Cass. 21 maart 2001, AR P.01.0260.F, AC 2001, nr. 153.

261 Cass. 10 oktober 2007, AR P.07.1362.F, AC 2007, nr. 474. 262 Cass. 25 mei 2005, AR P.05.0424.F, AC 2005, nr. 296.

263 Cass. 23 november 2006, AR P.06.1367.F, AC 2006, nr. 596 met concl. van advocaat-generaal m.o. DE KOSTER.

264 Cass. 1 maart 1995, AR P.94.1025.F, AC 1995, nr. 126.
 

Zie ook Patrick Duinslaeger, Het vermoeden van onschuld (deel 1) RW 2017-2018, 643

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 22/09/2017 - 14:03
Laatst aangepast op: za, 23/12/2017 - 17:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.