-A +A

Het tenietdoen van de voorlopige tenuitvoerlegging in hoger beroep. Cassatie licht toe

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Clijmans N
Tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2006/18
Pagina: 
1386
Samenvatting

Het tenietdoen van de voorlopige tenuitvoerlegging in hoger beroep. Cassatie licht toe’, RABG 2006, afl. 18, 1366-1370

Deze bijdrage, zijnde een noot onder Cass. 1 juni 2006, A.R. C030231N werd gepubliceerd middels een link op de website www.clijmansadvocaten.be 
 
zie ook Cass. 16/03/2017, AR C.15.0444.F, juridat

Samenvatting:
Artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek moet verhinderen dat de appelrechter de wenselijkheid van de door de eerste rechter uitgesproken voorlopige tenuitvoerlegging opnieuw in vraag stelt; dat artikel belet evenwel niet dat de appelrechter de door de eerste rechter toegekende voorlopige tenuitvoerlegging tenietdoet indien ze is bevolen met schending van de wet of met miskenning van een algemeen rechtsbeginsel (1). (1) Cass. 1 april 2004, AR C.02.0055.N, AC 2004, nr. 176.]

zie in zelfde zin Cassatie 16/03/2017, AR, C.15.0444.F, juridat en Cass. 1 april 2004, AR C.02.0055.N, AC 2004, nr. 176.

 

Weergave van het besproken arrest van 01/06/2006 van het Hof van Cassatie

samenvatting

Dat de appelrechter in geen geval de tenuitvoerlegging van een vonnis kan verbieden of doen schorsen, verhindert niet dat hij de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging teniet doet wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging niet werd gevorderd, wanneer zij niet door de wet is toegestaan of nog wanneer de beslissing is tot stand gekomen met miskenning van het recht van verdediging. Een motiveringsgebrek in de beslissing van de eerste rechter over de tenuitvoerlegging laat de appelrechter niet toe die voorlopige tenuitvoerlegging te verbieden of te schorsen Zie ook Cass., 1 juni 2006, AR C.05.0024.N, nr ..., infra, met concl. O.M. (inz. wat de motiveringsplicht betreft).

tekst arrest

Nr. C.03.0231.N
1. HANNECARD, naamloze vennootschap, met zetel te 9600 Ronse, Zonnestraat 311,
2. HANNETHANE, naamloze vennootschap, met zetel te 9600 Ronse, Ninoofsesteenweg 559,
eiseressen,

tegen
NOVOGRAPH, naamloze vennootschap, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Haachtsesteenweg 82,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 januari 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 774, tweede lid, 1138, 2°, 1397, 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek;
- de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijke geding (het beschikkingsbeginsel).

Aangevochten beslissingen

De appelrechters verklaren het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het beroepen vonnis van 18 juni 2002 van de Rechtbank van Koophandel te Brussel gegrond en doen dit vonnis teniet waar de uitvoerbaarheid bij voorraad ervan wordt beslist, op grond van de volgende motieven:
14. (De verweerster) verzoekt het (hof van beroep) om haar grieven inzake de besliste uitvoerbaarheid gegrond te verklaren en als volgt te beslissen:
- de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis (...) te schorsen en (de eiseressen) te veroordelen tot het terugbetalen van een som van 28.461,29 euro, te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf 30.8.2002;
- akte willen nemen van het feit dat (de verweerster) nu reeds (de eiseres) in gebreke stelt voor alle schade die zij heeft ondergaan door het uitvoeren van het vonnis, meer bepaald het inpalmen van het cliënteel van (de verweerster);
- ondergeschikt overeenkomstig artikel 1066, 6°, GW (de verweerster) toe te laten over te gaan tot het kantonneren van de som van 28.461,29 euro en (de eiseressen) te veroordelen tot het terugbetalen van een som van 28.461,29 euro, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 30.8.2002.

Zij betuigt dat het vonnis de rechten van verdediging schendt, dat ultra petita werd beslist en verder dat er kennelijke onregelmatigheden werden begaan.

Uit haar ondergeschikte verwijzing naar artikel 1066, 6°, Gerechtelijk Wetboek en de middelen die zij ontwikkelt in haar conclusie blijkt dat zij ook opkomt tegen de uitsluiting van haar recht om te kantonneren voor het geval de uitvoerbaarheid niet wordt geschorst.

15. (De eiseressen) besluiten tot verwerping van de desbetreffende grieven.
Voor het geval het (hof van beroep) zou oordelen dat de uitsluiting van het kantonnement onterecht werd beslist, wegens gemis aan motivering, vragen zij dat het (hof van beroep) alsnog (de verweerster) van het recht om te kantonneren zou uitsluiten.

16. Het bepaalde in artikel 1402 Gerechtelijk Wetboek, dat de appelrechter verbiedt om de tenuitvoerlegging te verbieden of te doen schorsen, dient aldus te worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de appelrechter de opportuniteit van een in eerste aanleg besliste tenuitvoerlegging zou toetsen, maar niet dat deze zou worden ongedaan gemaakt wanneer zij op een onregelmatige wijze werd beslist.

De rechtsleer neemt aan dat dergelijke onregelmatigheid voorhanden is wanneer ultra petita werd beslist, wanneer een procedurevoorschrift of - beginsel werd geschonden of wanneer de wet de voorlopige tenuitvoerlegging verbiedt (cfr. E. Dirix & K. Broeckx, Beslag, APR, 2001, nrs; 71-73 en 350-352; E. Dirix & K. Broeckx, Overzicht van rechtspraak, Beslagrecht (1991-1996), T.P.R., 1996, 1411, nr 23).

17. In de inleidende dagvaarding evenals in de conclusies die voor het tussenvonnis van 10 januari 2001 werden genomen heeft (de eiseres) als onderdeel van haar vordering ook verzocht om het vonnis voorlopig uitvoerbaar te verklaren én om (de verweerster) uit te sluiten van het recht om te kantonneren.

Dit verzoek werd niet nader gestaafd.
(De verweerster) heeft geconcludeerd tot verwerping van de vordering.

18. Krachtens artikel 1398 Gerechtelijk Wetboek kan de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van zijn beslissing toestaan, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt.

De ruimte die aldus aan de rechter wordt gelaten om over de voorlopige tenuitvoerlegging te beslissen ontslaat hem evenwel niet van de grondwettelijke verplichting om zijn beslissing op dit punt te motiveren.

Uit de motivering dient met name te blijken dat de concrete omstandigheden van het geval de toegestane tenuitvoerlegging kunnen wettigen en in het licht van de ernst van het gevoerde verweer en de omzichtige afweging van de belangen van de partijen.

19. In het bestreden vonnis wordt evenwel geen enkele motivering verstrekt inzake de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging. De beslissing is in dit opzicht dan ook niet naar recht verantwoord.

20. Het (hof van beroep) besluit zodoende dat er grond bestaat om de toegestane voorlopige uitvoerbaarheid te schorsen" (bestreden arrest, bladzijden 7, 8 en 9).

Grieven

Eerste onderdeel
Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van procespartijen in het burgerlijk geding, zoals vastgelegd in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bepalen de partijen de grenzen van het burgerlijk geding. De rechter mag dan ook geen betwisting aanvoeren die tussen de partijen in het geding niet bestaat.

Overeenkomstig artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging dient de rechter de debatten te heropenen alvorens een vordering in te willigen op grond van een middel dat partijen voor hem niet hadden aangevoerd en waarover partijen geen discussie hebben kunnen voeren.

De appelrechters verklaren het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis van de eerste rechter gegrond, op grond dat het beroepen vonnis geen enkele motivering verstrekt inzake de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging.

De verweerster voerde in conclusie niet aan dat de beslissing waarbij de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan niet gemotiveerd was en om die reden onregelmatig was en eiseres kon op dit punt geen verweer voeren.

Hieruit volgt dat de appelrechters, door het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis van de eerste rechter gegrond te verklaren, op grond dat het beroepen vonnis geen enkele motivering verstrekt inzake de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging, een betwisting aanvoeren die tussen partijen niet bestond (schending van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van partijen in het burgerlijk geding, het beschikkingsbeginsel) en door aldus de beslissen zonder aan de eiseres de mogelijkheid te geven op dit punt verweer te voeren, schenden zij het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel
Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de regel van artikel 1414, verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging daarvan schorsen.

Overeenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek kan, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt, de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen toestaan.

De rechters in hoger beroep kunnen in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid (artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek).

Het in artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte verbod om de tenuitvoerlegging van vonnissen te schorsen, is absoluut.

Hieruit volgt dat, door de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging te schorsen, de appelrechters voormelde bepalingen, en in het bijzonder artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek, schenden.

Derde onderdeel
Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de regel van artikel 1414, verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging daarvan schorsen.

Overeenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek kan, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt, de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen toestaan.

De rechters in hoger beroep kunnen in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid (artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek).

In zoverre aangenomen moet worden dat het in artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte verbod tot schorsing van de tenuitvoerlegging niet absoluut is, dient niettemin te worden aangenomen dat de tenuitvoerlegging slechts in uitzonderlijke gevallen geschorst kan worden. De tenuitvoerlegging kan enkel geschorst worden ingeval de voorlopige tenuitvoerlegging op manifest onregelmatige wijze is toegestaan. Dit is met name het geval wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan zonder dat dit gevraagd werd, wanneer dit gebeurde in een geval waarin dit door de wet verboden wordt of wanneer dit gebeurde met miskenning van het recht van verdediging.

Artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek laat de rechter in hoger beroep evenwel niet toe de tenuitvoerlegging te schorsen om de enkele reden dat de beslissing van de eerste rechter waarbij de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan niet gemotiveerd is.

Hieruit volgt dat, door de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging te schorsen op grond van de enkele overweging dat de eerste rechter geen enkele motivering verstrekt inzake de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging, de appelrechters de artikelen 1397, 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek schenden.

Vierde onderdeel
Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de regel van artikel 1414, verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging daarvan schorsen.

Overeenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek kan, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt, de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen toestaan.

De rechters in hoger beroep kunnen in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid (artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek).

Zelfs in zoverre aangenomen moet worden dat het in artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte verbod tot schorsing van de tenuitvoerlegging niet absoluut is, en daarenboven aangenomen moet worden dat de rechter in hoger beroep de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging kan schorsen ingeval de beslissing die de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat een motiveringsgebrek bevat, is de beslissing van de appelrechters niet naar recht verantwoord.
Artikel 149 van de Grondwet schrijft voor dat elk vonnis met redenen omkleed is. De motiveringsverplichting houdt enerzijds in dat een rechterlijke beslissing redenen moet bevatten en houdt anderzijds in dat de rechter moet antwoorden op de conclusies van partijen.

Een rechterlijke beslissing moet redenen bevatten om de wettigheidstoetsing ervan mogelijk te maken.
Artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen kan toestaan. De wet maakt deze mogelijkheid niet afhankelijk van het vervuld zijn van een aantal voorwaarden. De rechter kan de voorlopige tenuitvoerlegging toestaan op grond van een loutere beoordeling van de opportuniteit ervan.

Nu de beslissing tot het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging een loutere opportuniteitsbeoordeling inhoudt, en de rechter in hoger beroep de opportuniteit van de voorlopige tenuitvoerlegging niet mag beoordelen, dient de eerste rechter in de beslissing waarbij hij de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat niet aan te geven welke concrete omstandigheden van het geval de toegestane tenuitvoerlegging kunnen wettigen.

De motiveringsplichting verplicht de rechter in dit verband enkel te antwoorden op de door partijen aangevoerde verweermiddelen.

Nu eiseressen voor de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging eisten en verweerster hieromtrent geen verweer voerde, diende de eerste rechter in zijn beslissing waarbij de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan niet aan te geven welke concrete omstandigheden de toegestane tenuitvoerlegging konden wettigen.

Hieruit volgt dat de appelrechters, door te beslissen dat de eerste rechter zijn beslissing met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging diende te motiveren en dat diende te blijken dat de concrete omstandigheden van het geval de toegestane tenuitvoerlegging konden wettigen in het licht van de ernst van het gevoerde verweer en de omzichtige afweging van de belangen van partijen, geven de appelrechters aan de motiveringsverplichting een draagwijdte die deze niet bevat (schending van artikel 149 van de Grondwet), en schenden zij de artikelen 1397, 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek.

In zoverre de appelrechters, door te overwegen dat diende te blijken dat de concrete omstandigheden van het geval de toegestane tenuitvoerlegging konden wettigen in het licht van de ernst van het gevoerde verweer en de omzichtige afweging van de belangen van partijen, beslissen dat verweerster voor de eerste rechter verweer voerde met betrekking tot de door de eiseres gevorderde voorlopige tenuitvoerlegging, schenden zij de bewijskracht van alle door de verweerster voor de eerste rechter ingediende conclusies, nu in deze conclusies op geen enkel punt verweer werd gevoerd omtrent de door de eiseres gevorderde voorlopige tenuitvoerlegging (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Derde onderdeel
1. Krachtens artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de rechters in hoger beroep in geen geval de tenuitvoerlegging verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid.
Die bepaling strekt ertoe te verhinderen dat de appelrechter de opportuniteit van de in eerste aanleg toegestane voorlopige tenuitvoerlegging opnieuw in vraag stelt.

2. Die bepaling staat er niet aan in de weg dat de appelrechter de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging teniet doet wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging niet werd gevorderd, wanneer zij niet door de wet is toegestaan of nog wanneer de beslissing is tot stand gekomen met miskenning van het recht van verdediging.

Een motiveringsgebrek in de beslissing van de eerste rechter over de tenuitvoerlegging laat de appelrechter niet toe die voorlopige tenuitvoerlegging te verbieden of te schorsen.

3. De appelrechters stellen vast dat in het bestreden vonnis met betrekking tot het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging "geen enkele motivering wordt verstrekt" en oordelen dat deze beslissing teniet moet worden gedaan wegens het gebrek aan motivering.
Door aldus te oordelen schendt het arrest artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek.

4. Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Relevante wetgeving middels een uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

HOOFDSTUK III. - Voorlopige tenuitvoerlegging.

Art. 1397. Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de regel van artikel 1414, schorsen verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen daarvan de tenuitvoerlegging.

Art. 1398. Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt, kan de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen toestaan.
De tenuitvoerlegging van het vonnis geschiedt niettemin alleen op risico van de partij die daartoe last geeft en onverminderd de regels inzake kantonnement.

Art. 1398/1. [1 § 1. Behalve specifieke bepalingen zijn de beslissingen genomen door de rechter van de familierechtbank uitvoerbaar bij voorraad. Niettemin wordt het vonnis enkel uitgevoerd op risico van de partij die de tenuitvoerlegging ervan vordert en onverminderd de regels inzake kantonnement.
§ 2. De rechter die zitting houdt in de familierechtbank kan, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, de uitvoerbaarheid bij voorraad weigeren indien een van de partijen hem daarom verzoekt.
§ 3. De uitvoerbaarheid bij voorraad vindt evenwel niet plaats voor de beslissingen met betrekking tot de staat van personen, behalve wat de tussenbeslissingen of beslissingen alvorens recht te doen betreft.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 237, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 1398/2. [1 Behalve wanneer zij betrekking hebben op geschillen inzake formaliteiten betreffende de voltrekking van het huwelijk, de opheffing van het verbod op het huwelijk tussen minderjarigen en de toestemming daartoe, zijn de vonnissen uitgesproken door de rechter van de familierechtbank die zitting neemt in het kader van zaken die worden geacht spoedeisend te zijn of zaken waarvoor de spoedeisendheid wordt aangevoerd in de zin van artikel 1253ter/4, uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande verzet of hoger beroep en zonder borgstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 238, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 1399.De voorlopige tenuitvoerlegging van de eindvonnissen kan niet worden toegestaan inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed [1 ....]1 of nietigverklaring van het huwelijk.
(Zij kan ook niet worden toegestaan wanneer de beschikking, bedoeld in artikel 1342, een verzoekschrift dat overeenkomstig artikel 1340 is ingediend, geheel of gedeeltelijk inwilligt.) <W 1987-07-29/32, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 1-10-1987>
----------
(1)<W 2009-02-19/36, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 21-03-2009>

Art. 1400. § 1. De rechter die de voorlopige tenuitvoerlegging voor de gehele veroordeling of voor een deel ervan uitspreekt, kan daaraan de voorwaarde verbinden dat een zekerheid wordt gesteld, die hij bepaalt en waarvoor hij, zo nodig, de modaliteiten vaststelt.
§ 2. De zekerheid is van rechtswege bevrijd wanneer de consignatie door de veroordeelde partij gedaan is overeenkomstig artikel 1404.

Art. 1401. De voorlopige tenuitvoerlegging kan altijd worden verzocht bij het hoger beroep, hetzij de partij nagelaten heeft zulks te verzoeken vóór de eerste rechters, hetzij dezen verzuimd hebben over een dergelijk verzoek uitspraak te doen of het hebben afgewezen.

Art. 1402. De rechters in hoger beroep kunnen in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid.

(Uitzondering dient gemaakt indien de voorlopige tenuitvoerlegging niet werd gevorderd, zij niet door de wet is toegestaan of wanneer het recht van verdediging werd miskend. Een motiveringsgebrek in de beslissing van de eerste rechter over de tenuitvoerlegging laat de appèlrechter niet toe die voorlopige tenuitvoerlegging te verbieden of te schorsen)

HOOFDSTUK IV. - Kantonnement.

Art. 1403. De schuldenaar tegen wie bewarend beslag is gedaan of toegestaan, kan in elke stand van het geding het beslagene bevrijden of het beslag verhinderen door in de Deposito- en Consignatiekas of in handen van een erkende of aangestelde sekwester een bedrag in bewaring te geven, toereikend om tot waarborg te strekken voor de schuld in hoofdsom, intrest en kosten.
Is het beslag gedaan op geldsommen, dan kan deze bewaargeving geschieden met het in beslag genomen geld; is het op andere goederen gedaan, dan kan de bewaargeving geschieden met de opbrengst van de verkoop van al die goederen of van een deel ervan.
De schuldenaar wendt zich vooraf tot de beslagrechter, die bepaalt op welke wijze en onder welke voorwaarden de gelden in bewaring worden gegeven en, indien daartoe grond bestaat, de in beslag genomen goederen geheel of ten dele worden verkocht.

Art. 1404. Met uitzondering van schuldvorderingen tot levensonderhoud, komt hetzelfde recht op dezelfde wijzen, onder dezelfde voorwaarden, volgens dezelfde rechtspleging toe aan de schuldenaar die veroordeeld is bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing waartegen verzet of hoger beroep is ingesteld, alsook wanneer schorsing van die vervolgingen is bevolen.
De storting heeft plaats met bijzondere bestemming van de som tot afdoening van de schuldvordering van de beslaglegger en geldt als betaling voor zover de beslagene erkent schuldenaar te zijn of als zodanig wordt erkend.

Art. 1405. In de gevallen van de artikelen 1403 en 1404, en met de eraan verbonden gevolgen, kan de schuldenaar in handen van de optredende gerechtsdeurwaarder een toereikend bedrag in consignatie geven om tot waarborg te strekken voor de oorzaken van het beslag in hoofdsom, interesten en kosten.
De deurwaarder maakt proces-verbaal op van de bewaargeving der gelden in zijn handen en overhandigt een afschrift ervan aan de schuldenaar.
Hij is ertoe gehouden deze gelden binnen drie dagen op een rekening te storten, die hij bij de Deposito- en Consignatiekas voor zich laat openen en waarop de naam van de beslagene wordt vermeld.
Van deze storting maakt de ambtenaar van de Deposito- en Consignatiekas melding op het origineel van het exploot houdend het proces-verbaal van de bewaargeving der gelden, waarvan de deurwaarder de minuut bewaart.
Opvraging van de gelden door de deurwaarder kan niet geschieden dan met toestemming van de schuldenaar tegen wie het beslag is gedaan of krachtens een beslissing die niet meer vatbaar is voor een gewoon rechtsmiddel.

Art. 1406. De rechter die uitspraak doet over de vordering zelf, kan beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt.

Art. 1407. In alle gevallen dat bewarend of uitvoerend beslag is gedaan op gelden of roerende goederen die in handen van een andere persoon dan de schuldenaar zijn, kunnen deze, de derde die ze onder zich heeft, en de schuldeiser die ze in beslag genomen heeft, zich wenden tot de beslagrechter om te doen bevelen dat de gelden of roerende goederen in bewaring zullen worden gegeven aan een erkende of aangestelde sekwester, dan wel, wanneer het vaststaande of te vervallen bedragen betreft, aan de Deposito- en Consignatiekas.

Art. 1407bis. <Ingevoegd bij W 2000-05-29/36, art. 4; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Wanneer bij loonoverdracht tussen de schuldeisers-overnemers een rangconflict ontstaat, moet de gecedeerde schuldenaar hetzij op eigen initiatief, hetzij ten laatste op het eerste verzoek van de belanghebbende partijen, de overdraagbare gelden storten in de handen van een gerechtsdeurwaarder aangezocht krachtens artikel 1390ter of in de handen van een erkende of aangestelde sekwester.
 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: za, 01/11/2014 - 14:38
Laatst aangepast op: di, 19/06/2018 - 13:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.