-A +A

Het recht op vertolking en vertaling in strafzaken & de omzetting van de EU-richtlijnen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Yolanda VANDEN BOSCH
Tijdschrift: 
Tijdschrift voor Strafrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
79
Samenvatting

Tolkbijstand en vertaling van stukken zijn voor anderstalige procespartijen essentieel voor de toegang tot justitie en participatie in het strafproces. De Belgische wetgever timmert aan de omzetting van de EU-richtlijnen 2010/64/EU inzake vertolking en vertaling in strafzaken en 2012/29/EU inzake rechten van slachtoffers in strafzaken. Specifieke aandacht gaat ook naar bijstand van personen die lijden aan gehoor- of spraakstoornissen en slachtoffers.

Eindelijk op weg naar een nationaal register van beëdigd vertalers - tolken

De wetgever maakt stapsgewijs werk van een nationaal register. Een kwaliteitsgarantie betekent een degelijke opleiding en een effectieve screening van professionele vaardigheden, juridische en deontologische kennis. De uitwerking laat nog op zich wachten. Onduidelijk is het vereiste kennisniveau van het Nederlands en de vreemde taal, en van juridische en deontologische kennis. Een kwaliteitsgarantie vereist een specifieke opleiding in tolk/vertaaltechnieken in een juridische omgeving, kennis van rechtstaal en -procedures, deontologie, juridische internetbronnen, …. En uiteraard moet een opleiding een eindscreening bevatten. Een voortdurende betrouwbaarheidscontrole is nodig.

Enkel een transparant, efficiënt oproepingssysteem zowel tijdens de normale werkuren als daarbuiten draagt bij tot een efficiënte justitie. Hoe dit praktisch kan, is nog niet duidelijk.

De omzetting is laattijdig en onvolledig

Anderstalige verdachten die van hun vrijheid zijn beroofd, hebben enkel indien de advocaat hen niet begrijpt, recht op een beëdigd tolk tijdens het voorafgaand overleg. Tijdens het verhoor hebben zij, al dan niet op vrije voeten recht op een beëdigd tolk.

De richtlijn verplicht de staten spontaan te zorgen voor de vertaling van de essentiële stukken. Een verplichte aanvraag tot vertaling van essentiële stukken, houdt dus een schending in van de richtlijn, van de regressieclausule in de richtlijn en de taalwet. Betrokkene als zijn raadsman kunnen wel andere dan essentiële stukken aanvragen.

Een duidelijke klachtenprocedure in elke fase van een strafprocedure ontbreekt. Hierbij rijst ook de vraag naar een vorm van een onmiddellijke en preventieve schorsing voor tolken/vertalers die evident slecht presteren.

Onduidelijk is waar de wetgever de grens bepaalt van wat al dan niet strafprocedures zijn, zoals met betrekking tot het jeugdrecht en tot “licht strafbare feiten”.

Volledige kosteloosheid voor overleg met de raadsman in strafzaken blijft een probleem.
De wetgever ging over tot een fragmentaire omzetting van de EU-richtlijnen, die volgens de Raad van State moeilijk uitsluitsel geeft over de volledigheid.
bron KU Leuven Lirias 

Inhoudstafel tekst: 

1. Begrijpelijke rechtstaal en het recht op vertolking/vertaling als toegang tot justitie 79
2. België en het recht op vertolking en vertaling in strafzaken 80
3. De VN en de Raad van Europa en het recht op vertolking en vertaling in strafzaken 81
4. De Europese Unie en het recht op vertolking en vertaling in strafzaken 84
4.1. Algemeen 84
4.2. Richtlijn 2010/64/EU – vertolking/vertaling in strafprocedures 84
4.3. Richtlijn 2012/29/EU – slachtoffers van strafbare feiten 85
5. De omzetting van de richtlijnen 2010/64/EU en 2012/29/EU 85
5.1. Algemeen 85
5.2. Toepassingsgebied 86
5.3. Recht op vertolking 87
5.4. Recht op vertaling van essentiële processtukken 93
5.5. Kwaliteit van de vertolking en vertaling, vertrouwelijkheid en klachtrecht 96
5.6. Kosteloosheid 105
6. Enkele slotbeschouwingen 106

28 oktober 2016 - Wet houdende verdere omzetting van de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en van de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ
Publicatie datum :
28-10-2016

Numac 2016009563
Originele tekst

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

Art. 2. Deze wet vervolledigt de omzetting van de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en van de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.

HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering

Art. 3. Artikel 145 van het Wetboek van strafvordering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
" De beklaagde die de taal van de procedure niet verstaat, heeft het recht om de vertaling van de relevante passages van de dagvaarding te vragen in een taal die hij verstaat, zodanig dat hij geïnformeerd is over de hem ten laste gelegde feiten en hij zich effectief kan verdedigen. Het verzoek dient ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn. De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat.
De procureur des Konings deelt de plaats, de dag en het uur van verschijning met alle passende middelen aan de gekende slachtoffers mee. De slachtoffers die de taal van de procedure niet verstaan, hebben het recht een vertaling van die inlichtingen te verkrijgen in een taal die zij verstaan. Het verzoek dient ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn. De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. ".

Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 152bis ingevoegd, luidende :
" Art. 152bis. Indien de beklaagde of de burgerlijke partij de taal van de procedure niet verstaat of spreekt of indien de beklaagde of de burgerlijke partij lijdt aan gehoor- of spraakstoornissen, benoemt de rechtbank ambtshalve een beëdigd tolk. Indien de betrokkene lijdt aan gehoor- of spraakstoornissen, heeft hij het recht te vragen dat die bijstand wordt aangevuld met de bijstand door de persoon die het meest gewoon is met hem om te gaan. Het proces-verbaal van de terechtzitting maakt melding van de bijstand door de beëdigd tolk, van diens naam en hoedanigheid, alsmede, in voorkomend geval, van de naam van de derde die de bijstand heeft verleend. De kosten van vertolking zijn ten laste van de Staat. ".

Art. 5. Artikel 164 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld als volgt :
" Art. 164. § 1. De beklaagde die de taal van de procedure niet verstaat, heeft het recht om een vertaling van de relevante passages van het vonnis te vragen in een taal die hij verstaat, zodanig dat hij geïnformeerd is over de feiten waarvoor hij veroordeeld is en hij zich effectief kan verdedigen, tenzij hem een mondelinge vertaling werd verstrekt. Het verzoek dient ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn.
Indien een mondelinge vertaling aan de beklaagde werd verstrekt, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal van de terechtzitting.
De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat.
§ 2. Tenzij haar een mondelinge vertaling werd verstrekt, heeft de burgerlijke partij die de taal van de procedure niet verstaat, het recht om een vertaling van de relevante passages van het vonnis of een samenvatting ervan te vragen in een taal die zij verstaat, zodanig dat zij geïnformeerd is over het beschikkend gedeelte van het vonnis en over de motivering ervan en zij haar rechten effectief kan uitoefenen. Het verzoek dient door de burgerlijke partij ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn.
Indien een mondelinge vertaling aan de burgerlijke partij werd verstrekt, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal van de terechtzitting.
De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. ".

Art. 6. In artikel 182 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, wordt het tweede lid aangevuld met de volgende zinnen :
" De slachtoffers die de taal van de procedure niet verstaan, hebben het recht een vertaling van die inlichtingen te verkrijgen in een taal die zij verstaan. Het verzoek dient ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn. De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. ".

Art. 7. In artikel 189 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, worden de woorden "152, 157, 158, 158bis, 158ter, 158quater, 159, 160 en 161" vervangen door de woorden "145, vijfde lid, 152, 152bis, 157, 158, 158bis, 158ter, 158quater, 159, 160, 161 en 164".

Art. 8. Artikel 211 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 21 april 2007, wordt aangevuld met de volgende zin :
" De artikelen 145, vijfde en zesde lid, 152bis en 164 zijn eveneens van toepassing. ".

Art. 9. In artikel 216quater, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1994, vervangen bij de wet van 13 april 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
" De beklaagde die de taal van de procedure niet verstaat, heeft het recht om de vertaling van de relevante passages van de kennisgeving te vragen in een taal die hij verstaat, zodanig dat hij geïnformeerd is over de hem ten laste gelegde feiten en hij zich effectief kan verdedigen. Het verzoek dient ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn. De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. ";
2° het vijfde lid, waarvan de bestaande tekst het zesde lid zal vormen, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
" De slachtoffers die de taal van de procedure niet verstaan, hebben het recht een vertaling van die inlichtingen te verkrijgen in een taal die zij verstaan. Het verzoek dient ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn. De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. ".

Art. 10. In artikel 223 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2009, wordt vóór het eerste lid een lid toegevoegd, luidende :
" De procureur-generaal deelt de plaats, de dag en het uur van verschijning met alle passende middelen aan de gekende slachtoffers mee. De slachtoffers die de taal van de procedure niet verstaan, hebben het recht een vertaling van die inlichtingen te verkrijgen in een taal die zij verstaan. Het verzoek dient ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn. De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. ".

Art. 11. Artikel 275 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, wordt aangevuld met vijf nieuwe leden, luidende :
" De beschuldigden die de taal van de procedure niet verstaan, hebben het recht om de vertaling van de relevante passages van de akte van beschuldiging te vragen in een taal die zij verstaan, zodanig dat zij geïnformeerd zijn over de hen ten laste gelegde feiten en zij zich effectief kunnen verdedigen.
De burgerlijke partijen die de taal van de procedure niet verstaan, hebben het recht een vertaling van de inlichtingen betreffende de plaats, de dag en het uur van de verschijning te verkrijgen in een taal die zij verstaan.
De verzoeken om vertaling dienen ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd.
De vertalingen worden verstrekt binnen een redelijke termijn.
De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. ".

Art. 12. In artikel 282 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 10 april 2014, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" Ingeval de beschuldigde, de burgerlijke partij, de getuigen of een van hen niet dezelfde taal spreken, benoemt de voorzitter ambtshalve een beëdigd tolk. Het proces-verbaal van de terechtzitting maakt melding van de bijstand door de beëdigd tolk, alsmede van diens naam en hoedanigheid. De kosten van vertolking zijn ten laste van de Staat. ".

Art. 13. In artikel 283 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Indien de beschuldigde of de burgerlijke partij lijdt aan gehoor- of spraakstoornissen, benoemt de voorzitter ambtshalve een beëdigd tolk. De betrokkene heeft het recht te vragen dat die bijstand wordt aangevuld met de bijstand door de persoon die het meest gewoon is met hem om te gaan. In voorkomend geval maakt het proces-verbaal van de terechtzitting melding van de naam van de derde die de bijstand heeft verleend. De kosten van vertolking zijn ten laste van de Staat. ";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" Hetzelfde geschiedt ten aanzien van de getuige die lijdt aan gehoor- of spraakstoornissen en die niet kan schrijven. ";
3° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
" Ingeval de getuige die lijdt aan gehoor- of spraakstoornissen kan schrijven, worden de tot hem gerichte vragen en opmerkingen door de griffier op schrift gesteld; zij worden overhandigd aan de getuige, die zijn of haar antwoord of verklaring schriftelijk geeft. De griffier leest alles voor. ".

Art. 14. Artikel 285 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 21 december 2009, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3. De beschuldigden en de burgerlijke partijen die de taal van de procedure niet verstaan, hebben het recht om de vertaling van de relevante passages van die documenten te vragen in een taal die zij verstaan, zodanig dat zij zich effectief kunnen verdedigen. De verzoeken om vertaling dienen ter griffie van de bevoegde rechtbank te worden neergelegd. De vertalingen worden verstrekt binnen een redelijke termijn. De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. ".

Art. 15. Artikel 353 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, wordt aangevuld met een lid, luidende :
" Artikel 164 is van toepassing op de arresten van het hof van assisen. ".

HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken

Art. 16. Artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 april 2003, wordt vervangen als volgt :
" Art. 22. De verdachte, de beklaagde, de veroordeelde of de burgerlijke partij die de taal van de procedure niet verstaat, kan de onderzoeksrechter of het openbaar ministerie, naargelang van de stand van de procedure, verzoeken om de vertaling naar een taal die hij of zij verstaat van andere documenten dan deze waarvan reeds in de vertaling wordt voorzien in het Wetboek van strafvordering.
Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg of op het secretariaat van het parket en wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. Het verzoekschrift is enkel ontvankelijk indien de stukken waarvan de vertaling wordt gevraagd, erin worden vermeld en het ondertekend is door de betrokkene of door zijn advocaat.
De onderzoeksrechter of het openbaar ministerie doet uitspraak uiterlijk vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift in het register. De met redenen omklede beslissing wordt per faxpost, bij een ter post aangetekende brief of langs elektronische weg ter kennis gebracht van de verzoeker of van zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing.
Het verzoek kan geheel of gedeeltelijk worden toegestaan. De vertaling wordt beperkt tot de passages van het dossier die essentieel zijn om te waarborgen dat de verzoeker zijn rechten effectief kan uitoefenen. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn.
Het verzoekschrift is niet meer ontvankelijk na verloop van acht dagen, hetzij na de betekening van het arrest tot verwijzing naar het hof van assisen of van de dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van de politierechtbank of van de correctionele rechtbank zitting houdend in eerste aanleg, hetzij na de oproeping bij proces-verbaal overeenkomstig artikel 216quater van het Wetboek van strafvordering.
Hetzelfde recht wordt erkend, voor de rechtscolleges in hoger beroep, voor stukken waar nog geen vertaling voor werd gevraagd.
De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat. ".

Art. 17. Artikel 31, derde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 3 mei 2003, wordt aangevuld met de volgende zin :
" De noodzaak van de vertolking wordt geëvalueerd door de bevoegde overheid volgens de fase van de procedure. ".

HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel

Art. 18. In hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 1, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, wordt een artikel 10/2 ingevoegd, luidende :
" Art. 10/2. De gezochte persoon die de taal niet verstaat waarin het aanhoudingsbevel is opgemaakt of waarnaar het werd vertaald door de uitvaardigende lidstaat ontvangt, vooraleer de raadkamer overeenkomstig artikel 16 uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel en uiterlijk vooraleer een definitieve beslissing wordt gewezen met betrekking tot die tenuitvoerlegging, ofwel een schriftelijke vertaling van het Europees aanhoudingsbevel naar een taal die hij verstaat, ofwel een mondelinge vertaling van het Europees aanhoudingsbevel of een mondelinge samenvatting van de essentiële processtukken, in een taal die hij verstaat. De mondelinge vertaling of de mondelinge samenvatting moet het eerlijke verloop van de procedure onverlet laten en moet in het proces-verbaal worden vermeld. "

HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding

Art. 19. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand na die waarin de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken in werking getreden is.

 

RICHTLIJN 2010/64/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 20 oktober 2010

betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 2, alinea 2, onder b),
Gezien het initiatief van het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (1),
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
De Unie stelt zich ten doel een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen. Volgens de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 33, moet het beginsel van wederzijdse erkenning van vonnissen en andere beslissingen van rechterlijke instanties de hoeksteen van de justitiële samenwerking in burgerlijke en in strafzaken binnen de Unie worden, omdat een versterkte wederzijdse erkenning en de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de wetgevingen de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en de rechterlijke bescherming van de rechten van het individu ten goede zouden komen.
(2)
Op 29 november 2000 heeft de Raad, in overeenstemming met de conclusies van Tampere, een programma van maatregelen goedgekeurd om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen (3). In de inleiding van dit programma werd gesteld dat wederzijdse erkenning is „bedoeld om de samenwerking tussen de lidstaten en de bescherming van de rechten van het individu te versterken”.
(3)
De toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen veronderstelt wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtstelsels. De omvang van die wederzijdse erkenning hangt nauw samen met het bestaan en de inhoud van bepaalde parameters, waaronder regelingen voor de bescherming van de rechten van verdachten en beklaagden en gemeenschappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken.
(4)
Wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken kan alleen effectief functioneren in een geest van vertrouwen, waarbij niet alleen de gerechtelijke autoriteiten, maar alle bij de strafprocedure betrokken actoren beslissingen van de gerechtelijke autoriteiten van de andere lidstaten als gelijkwaardig aan hun eigen beslissingen beschouwen; daarbij gaat het niet alleen om het vertrouwen dat de regels van de andere lidstaten adequaat zijn, maar ook om het vertrouwen dat die regels correct worden toegepast.
(5)
In artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna het „EVRM”) en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna „het Handvest”) is het recht op een eerlijk proces vastgelegd. Artikel 48, lid 2, van het Handvest garandeert de eerbiediging van de rechten van verdediging. Deze richtlijn eerbiedigt deze rechten en moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd.
(6)
Hoewel al de lidstaten partij zijn bij het EVRM, heeft de ervaring geleerd dat dit gegeven alleen niet altijd zorgt voor voldoende vertrouwen in de strafrechtstelsels van andere lidstaten.
(7)
Voor een versterking van het wederzijdse vertrouwen is een consistentere toepassing van de in artikel 6 van het recht EVRM vastgelegde rechten en waarborgen nodig. Middels deze richtlijn en andere maatregelen, is evenzeer een verdere ontwikkeling nodig binnen de Unie van de in het EVRM en in het Handvest vastgelegde minimumnormen.
(8)
Artikel 82, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten van toepassing zijn, ter bevordering van wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie. Artikel 82, lid 2, tweede alinea, onder b), verwijst naar „de rechten van personen in de strafvordering” als een van de gebieden waarop minimumvoorschriften kunnen worden vastgesteld.
(9)
Gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten leiden tot meer vertrouwen in de strafrechtstelsels van alle lidstaten, dat op zijn beurt zou moeten leiden tot efficiëntere justitiële samenwerking in een klimaat van wederzijds vertrouwen. Dergelijke gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten worden vastgesteld op het gebied van vertolking en vertaling in strafprocedures.
(10)
Op 30 november 2009 keurde de Raad een resolutie over een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures (4) goed. In de routekaart, waarin een stapsgewijze benadering wordt voorgestaan, werd opgeroepen tot de vaststelling van maatregelen met betrekking tot het recht op vertaling en vertolking (maatregel A), het recht op informatie over de rechten en informatie over de beschuldiging (maatregel B), het recht op juridisch advies en rechtsbijstand (maatregel C) en het recht op communicatie met familie, werkgever en consulaire autoriteiten (maatregel D) en met betrekking tot bijzondere waarborgen voor kwetsbare verdachten of beklaagden (maatregel E).
(11)
In het programma van Stockholm, dat werd goedgekeurd op 10 december 2009, verklaarde de Europese Raad zich ingenomen met de routekaart en maakte hij deze tot onderdeel van het programma van Stockholm (punt 2.4). De Europese Raad onderstreepte het feit dat de routekaart niet uitputtend is, door de Commissie uit te nodigen te onderzoeken welke minimale procedurele rechten verdachten en beklaagden verder kunnen worden toegekend, en te beoordelen of andere vraagstukken, bijvoorbeeld het vermoeden van onschuld, dienen te worden aangepakt om op dit gebied tot een betere samenwerking te komen.
(12)
Deze richtlijn heeft betrekking op maatregel A van de routekaart. Er worden gemeenschappelijke minimumregels in vastgesteld die op het gebied van vertolking en vertaling in strafprocedures moeten gelden, om het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten.
(13)
In deze richtlijn wordt geput uit het voorstel van de Commissie voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures van 8 juli 2009, en het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures van 9 maart 2010.
(14)
Het recht op vertolking en vertaling ten behoeve van personen die de taal van de procedure niet spreken of verstaan, is vastgelegd in artikel 6 van het EVRM, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens. De bepalingen van deze richtlijn vergemakkelijken de toepassing van dit recht in de praktijk. Te dien einde strekt deze richtlijn ertoe het recht van een beklaagde of verdachte op vertolking en vertaling in strafprocedures te garanderen, met het oog op het verzekeren van zijn recht op een eerlijk proces.
(15)
De rechten waarin in deze richtlijn is voorzien, moeten tevens gelden, als noodzakelijke begeleidende maatregelen, voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel (5) binnen de bij deze richtlijn gestelde grenzen. De lidstaten van tenuitvoerlegging dienen vertolking en vertaling te verstrekken ten behoeve van de gezochte persoon die de taal van de procedure niet spreekt of verstaat, en de kosten daarvoor te dragen.
(16)
In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank bevoegd tot het opleggen van sancties met betrekking tot relatief lichte strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van een verkeerscontrole. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Als de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie worden opgelegd door een dergelijke autoriteit, en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij een in strafzaken bevoegde rechtbank kan worden ingesteld, moet deze richtlijn derhalve alleen van toepassing zijn op de procedure die bij deze rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dit beroep.
(17)
Deze richtlijn dient kosteloze en toereikende taalkundige bijstandsverlening te waarborgen, zodat verdachten of beklaagden die de taal van de strafprocedure niet spreken of verstaan, hun recht van verdediging volledig kunnen uitoefenen en het eerlijke verloop van de procedure wordt gewaarborgd.
(18)
Vertolking voor de verdachte of beklaagde moet onverwijld worden verstrekt. Er kan echter enige tijd verstrijken voordat vertolking wordt verstrekt, zonder dat dit een schending oplevert van de vereiste dat de vertolking onverwijld moet worden verstrekt, zolang deze termijn redelijk is in de gegeven omstandigheden.
(19)
Communicatie tussen de verdachte of beklaagde en zijn raadsman moet worden uitgelegd in overeenstemming met deze richtlijn. De verdachte of beklaagde moet onder meer zijn versie van de feiten aan zijn raadsman kunnen uitleggen, zijn raadsman kunnen wijzen op verklaringen waarmee hij het niet eens is en zijn raadsman kunnen informeren over feiten die tot zijn verdediging zouden moeten worden aangevoerd.
(20)
Om de voorbereiding van de verdediging mogelijk te maken, dient communicatie tussen de verdachte of beklaagde en zijn raadsman die rechtstreeks verband houdt met een zitting of ondervraging tijdens de procedure, met de instelling van een beroep of met andere procedurele verzoeken, bijvoorbeeld een verzoek om vrijlating op borgtocht, te worden vertolkt, indien dit nodig is om het eerlijke verloop van de procedure te garanderen.
(21)
De lidstaten zorgen ervoor dat er een procedure of mechanisme bestaat om te controleren of de verdachte of beklaagde de taal van de strafprocedure spreekt en verstaat en of hij de bijstand van een tolk nodig heeft. Deze procedure of dit mechanisme houdt in dat de bevoegde autoriteit op welke adequate wijze ook, inclusief door de verdachte of beklaagde te raadplegen, verifieert of deze de taal van de strafprocedure spreekt en verstaat en of hij de bijstand van een tolk nodig heeft.
(22)
De vertolking en vertaling die uit hoofde van deze richtlijn wordt verstrekt, dient te geschieden in de moedertaal van de verdachte of beklaagde of in een andere taal die hij spreekt of verstaat, zodat hij zijn recht van verdediging volledig kan uitoefenen en zodat het eerlijke verloop van de procedure wordt gegarandeerd.
(23)
De eerbiediging van het recht op vertolking en vertaling waarin deze richtlijn voorziet, mag niet ten koste gaan van andere procedurele waarborgen waarin de nationale wet voorziet.
(24)
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat controle kan worden uitgeoefend over de adequaatheid van de verstrekte vertolking en vertaling, wanneer de bevoegde autoriteiten in een gegeven geval gewaarschuwd zijn.
(25)
De verdachte of beklaagde of de persoon tegen wie een procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel loopt, moet het recht hebben de vaststelling dat er geen vertolking nodig is, aan te vechten, overeenkomstig procedures in het nationale recht. Dit recht houdt niet in dat de lidstaten verplicht zijn te voorzien in een afzonderlijk mechanisme of een afzonderlijke klachtenprocedure om deze vaststelling aan te vechten en het mag geen afbreuk doen aan de tijdslimieten die gelden voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel.
(26)
Wanneer de kwaliteit van de vertolking onvoldoende wordt geacht om het recht op een eerlijk proces te garanderen, moeten de bevoegde autoriteiten de aangestelde tolk kunnen vervangen.
(27)
De zorgplicht ten aanzien van verdachten of beklaagden die in een mogelijk zwakke positie verkeren, met name vanwege enige lichamelijke beperking waardoor hun vermogen om doeltreffend te communiceren is aangetast, ligt ten grondslag aan een eerlijke rechtsbedeling. De vervolgende instantie, de rechtshandhavingsautoriteiten en de gerechtelijke autoriteiten moeten daarom garanderen dat die personen de rechten waarin deze richtlijn voorziet, daadwerkelijk kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld door rekening te houden met elke mogelijke kwetsbaarheid waardoor zij de procedure niet goed kunnen volgen en zich niet goed verstaanbaar kunnen maken, en door passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat die rechten gewaarborgd worden.
(28)
Wanneer voor vertolking op afstand gebruik wordt gemaakt van videoconferenties, moeten de bevoegde autoriteiten gebruik kunnen maken van instrumenten die ontwikkeld worden in het kader van de Europese e-justitie (bijvoorbeeld informatie over rechtbanken met videoconferentieapparatuur of -handboeken).
(29)
Deze richtlijn moet in het licht van de in de praktijk opgedane ervaring worden geëvalueerd. Indien nodig moet zij worden gewijzigd om de waarborgen die erin worden vastgelegd, te verbeteren.
(30)
Het garanderen van een eerlijk verloop van de procedure vereist dat essentiële processtukken, of ten minste de relevante onderdelen daaruit, ten behoeve van de verdachte of beklaagde vertaald worden overeenkomstig deze richtlijn. Bepaalde stukken moeten in dit opzicht altijd worden beschouwd als essentiële processtukken en moeten bijgevolg worden vertaald, zoals beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen. Het behoort de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toe om uit eigen beweging of op verzoek van de verdachte of beklaagde of van diens raadsman te besluiten welke andere processtukken essentieel zijn om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen en bijgevolg eveneens moeten worden vertaald.
(31)
De lidstaten moeten de toegang tot nationale gegevensbanken van gerechtsvertalers en -tolken faciliteren, waar deze gegevensbanken bestaan. In verband hiermee moet met name aandacht worden besteed aan de doelstelling toegang te verlenen tot bestaande gegevensbanken via de e-justitie-portaalsite, als gepland in het meerjarenactieplan 2009-2013 voor de Europese e-justitie van 27 november 2008 (6).
(32)
Met deze richtlijn moeten minimumvoorschriften worden vastgesteld. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om de in deze richtlijn vastgestelde rechten uit te breiden, om ook in situaties die niet in deze richtlijn aan bod komen, een hoger beschermingsniveau te bieden. Het beschermingsniveau mag nooit lager zijn dan de normen die zijn opgenomen in het EVRM of het Handvest, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens of het Hof van Justitie van de Europese Unie.
(33)
De bepalingen van deze richtlijn die met door het EVRM en door het Handvest gewaarborgde rechten overeenkomen, moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met deze rechten, zoals deze zijn ontwikkeld in de desbetreffende rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie.
(34)
Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het vaststellen van gemeenschappelijke minimumregels, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(35)
Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hebben deze lidstaten kennis gegeven van hun wens deel te nemen aan de vaststelling en toepassing van deze richtlijn.
(36)
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn; deze richtlijn is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1

Voorwerp en werkingssfeer

1. Deze richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel.
2. Het in lid 1 bedoelde recht geldt voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen er door middel van een officiële kennisgeving of anderszins van in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.
3. Als de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie wordt opgelegd door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij deze rechtbank kan worden ingesteld, is deze richtlijn alleen van toepassing op de procedure voor deze rechtbank als gevolg van dit beroep.
4. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de nationale regelgeving betreffende de aanwezigheid van een raadsman in welke fase van de strafprocedure ook en evenmin aan de nationale regelgeving betreffende het recht van een verdachte of beklaagde om kennis te nemen van processtukken in een strafprocedure.
Artikel 2

Recht op vertolking

1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet spreekt of verstaat, onverwijld door een tolk wordt bijgestaan tijdens de strafprocedure voor onderzoeks- en gerechtelijke autoriteiten, onder meer tijdens politieverhoren, alle zittingen van het gerecht en alle noodzakelijke tussentijdse zittingen.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat, waar dit nodig is om het eerlijke verloop van de procedure te garanderen, vertolking beschikbaar is voor communicatie tussen de verdachte of beklaagde en zijn raadsman die rechtstreeks verband houdt met een verhoor of zitting tijdens de procedure, met de instelling van een beroep of met andere procedurele verzoeken.
3. Het recht op vertolking uit hoofde van de leden 1 en 2 omvat passende bijstand aan personen met gehoor- of spraakstoornissen.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat er een procedure of mechanisme bestaat om te controleren of de verdachte of beklaagde de taal van de strafprocedure spreekt en verstaat en of hij de bijstand van een tolk nodig heeft.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachte of beklaagde, overeenkomstig de procedures in het nationale recht, het recht heeft een besluit aan te vechten waarbij wordt vastgesteld dat er geen vertolking nodig is en, wanneer vertolking is verstrekt, de mogelijkheid heeft om een klacht te formuleren omdat de kwaliteit hiervan onvoldoende is om het eerlijke verloop van de procedure te garanderen.
6. In voorkomend geval kan gebruik worden gemaakt van communicatietechnologie zoals videoconferentie, telefoon of het internet, tenzij de aanwezigheid van de tolk ter plaatse vereist is om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.
7. In een procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel zorgt de lidstaat van tenuitvoerlegging ervoor dat door zijn bevoegde autoriteiten aan personen tegen wie die procedure wordt gevoerd en die de taal van de procedure niet spreken of verstaan, tijdens die procedure vertolking wordt aangeboden overeenkomstig dit artikel.
8. Vertolking die overeenkomstig dit artikel wordt verstrekt, is van voldoende kwaliteit om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, met name door ervoor te zorgen dat de verdachte of beklaagde geïnformeerd is over de zaak tegen hem en in staat is zijn recht van verdediging uit te oefenen.
Artikel 3

Recht op vertaling van essentiële processtukken

1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.
2. De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen.
3. De bevoegde autoriteiten besluiten per geval of andere processtukken essentieel zijn. De verdachte of beklaagde of zijn raadsman kan een met redenen omkleed verzoek met deze strekking indienen.
4. Onderdelen van essentiële processtukken die niet relevant zijn om de verdachte of beklaagde in staat te stellen van de zaak tegen hem kennis te laten nemen, hoeven niet te worden vertaald.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachte of beklaagde, overeenkomstig de procedures in het nationale recht, het recht heeft een besluit aan te vechten waarbij wordt vastgesteld dat er geen vertaling van processtukken of onderdelen daarvan nodig is en, wanneer een vertaling is verstrekt, de mogelijkheid om een klacht te formuleren dat de kwaliteit ervan onvoldoende is om het eerlijke verloop van de procedure te garanderen.
6. In procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel zorgt de lidstaat van tenuitvoerlegging ervoor dat zijn bevoegde autoriteiten aan eenieder tegen wie die procedure wordt gevoerd en die de taal waarin het Europese aanhoudingsbevel is gesteld of waarin het door de uitvaardigende lidstaat is vertaald niet verstaat, een schriftelijke vertaling van dat stuk verstrekken.
7. Als uitzondering op de in de leden 1, 2, 3 en 6 opgenomen algemene regels kan, in plaats van een schriftelijke vertaling een mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting van de essentiële processtukken worden verstrekt, op voorwaarde dat deze mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting het eerlijke verloop van de procedure onverlet laat.
8. Van het in dit artikel bedoelde recht op vertaling van processtukken kan alleen afstand worden gedaan, als de verdachte of beklaagde vooraf juridisch advies heeft gekregen of anderszins volledig is geïnformeerd over de gevolgen van deze afstand en als de afstand op ondubbelzinnige wijze en vrijwillig is gedaan.
9. Vertaling die overeenkomstig dit artikel wordt verstrekt, is van voldoende kwaliteit om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, met name door ervoor te zorgen dat de verdachte of beklaagde geïnformeerd is over de zaak tegen hem en in staat is zijn recht van verdediging uit te oefenen.
Artikel 4

Kosten van de tolk- en vertaaldiensten

De lidstaten nemen de kosten van vertolking en vertaling die uit de toepassing van de artikelen 2 en 3 voortvloeien, voor hun rekening, ongeacht de uitkomst van de procedure.
Artikel 5

Kwaliteit van vertolking en vertaling

1. De lidstaten nemen concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat de verstrekte vertolking en vertaling voldoen aan de kwaliteitsvereisten in artikel 2, lid 8, en artikel 3, lid 9.
2. Om adequate vertolking en vertaling en efficiënte toegang hiertoe te bevorderen, streven de lidstaten naar de instelling van een register of registers van onafhankelijke vertalers en tolken die naar behoren zijn gekwalificeerd. Als dit register of deze registers eenmaal zijn ingesteld, krijgen raadslieden en bevoegde autoriteiten er, in voorkomend geval, toegang toe.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat tolken en vertalers verplicht worden de vertrouwelijkheid in acht te nemen ten aanzien van overeenkomstig deze richtlijn verstrekte vertolking en vertaling.
Artikel 6

Opleiding

Onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en verschillen in gerechtelijke organisatie binnen de Unie, verzoeken de lidstaten degenen die verantwoordelijk zijn voor de opleiding van rechters, aanklagers en justitieel personeel betrokken bij strafprocedures, om bijzondere aandacht te besteden aan de bijzondere kenmerken van communicatie met bijstand van een tolk, teneinde voor efficiënte en doeltreffende communicatie te zorgen.
Artikel 7

Registratie

De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een verdachte of beklaagde door onderzoeks- of gerechtelijke autoriteiten is ondervraagd of verhoord met bijstand van een tolk overeenkomstig artikel 2, wanneer in de aanwezigheid van deze autoriteiten een mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting van essentiële processtukken is verstrekt overeenkomstig artikel 3, lid 7, of wanneer een persoon afstand van het recht op vertaling heeft gedaan overeenkomstig artikel 3, lid 8, hiervan registratie wordt gedaan, volgens de registratieprocedure waarin de wet van de lidstaat in kwestie voorziet.
Artikel 8

Non-regressie

Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die voortvloeien uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, uit andere relevante bepalingen van het internationale recht of uit de wetten van de lidstaten die een hoger beschermingsniveau bieden.
Artikel 9

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 27 oktober 2013 aan deze richtlijn te voldoen.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van deze bepalingen mee.
3. Wanneer de lidstaten deze bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 10

Verslag

De Commissie dient uiterlijk op 27 oktober 2014 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.
Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 12

Geadresseerden

Deze richtlijn is gericht aan de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Straatsburg, 20 oktober 2010.

Rechtspraak:

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

15 oktober 2015 ( * )

„Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Richtlijn 2010/64/EU — Recht op vertolking en vertaling in strafprocedures — Taal van de procedure — Strafbeschikking houdende veroordeling tot een boete — Mogelijkheid tot het instellen van verzet in een andere taal dan de taal van de procedure — Richtlijn 2012/13/EU — Recht op informatie in het kader van strafprocedures — Recht om informatie te ontvangen over de ingebrachte beschuldiging — Betekening van een strafbeschikking — Regeling — Verplichte aanwijzing van een gemachtigde door de verdachte — Termijn voor het instellen van verzet die loopt vanaf de betekening aan de gemachtigde”

In zaak C‑216/14,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Laufen (rechtbank van het kanton Laufen, Duitsland) bij beslissing van 22 april 2014, ingekomen bij het Hof op 30 april 2014, in de strafrechtelijke procedure tegen
Gavril Covaci
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano (rapporteur), vicepresident, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, F. Biltgen, A. Borg Barthet, M. Berger en S. Rodin, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 maart 2015,
gelet op de opmerkingen van:

G. Covaci, vertegenwoordigd door U. Krause en S. Ryfisch, Rechtsanwälte,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Georgiadis en S. Lekkou als gemachtigden,

de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas en F.–X. Bréchot als gemachtigden,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door M. Salvatorelli, avvocato dello Stato,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Eberhard als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Bogensberger en R. Troosters als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 mei 2015,
het navolgende
Arrest

1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, lid 2, en 2, leden 1 en 8, van richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB L 280, blz. 1), alsmede van de artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB L 142, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen G. Covaci wegens door hem gepleegde verkeersovertredingen.
Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2010/64

3
De overwegingen 12, 17 en 27 van deze richtlijn luiden als volgt:
„(12)
[In d]eze richtlijn [...] worden gemeenschappelijke minimumregels [...] vastgesteld die op het gebied van vertolking en vertaling in strafprocedures moeten gelden, om het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten.
[...]
(17)
Deze richtlijn dient kosteloze en toereikende taalkundige bijstandsverlening te waarborgen, zodat verdachten of beklaagden die de taal van de strafprocedure niet spreken of verstaan, hun recht van verdediging volledig kunnen uitoefenen en het eerlijke verloop van de procedure wordt gewaarborgd.
[...]
(27)
De zorgplicht ten aanzien van verdachten of beklaagden die in een mogelijk zwakke positie verkeren, met name vanwege enige lichamelijke beperking waardoor hun vermogen om doeltreffend te communiceren is aangetast, ligt ten grondslag aan een eerlijke rechtsbedeling. De vervolgende instantie, de rechtshandhavingsautoriteiten en de gerechtelijke autoriteiten moeten daarom garanderen dat die personen de rechten waarin deze richtlijn voorziet, daadwerkelijk kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld door rekening te houden met elke mogelijke kwetsbaarheid waardoor zij de procedure niet goed kunnen volgen en zich niet goed verstaanbaar kunnen maken, en door passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat die rechten gewaarborgd worden.”
4
Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift „Voorwerp en werkingssfeer”, bepaalt in de leden 1 en 2, ervan:
„1. Deze richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures [...]
2. Het in lid 1 bedoelde recht geldt voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen er door middel van een officiële kennisgeving of anderszins van in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben gepleegd, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.”
5
Artikel 2 van deze richtlijn, met het opschrift „Recht op vertolking”, bepaalt:
„1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet spreekt of verstaat, onverwijld door een tolk wordt bijgestaan tijdens de strafprocedure voor onderzoeks- en gerechtelijke autoriteiten, onder meer tijdens politieverhoren, alle zittingen van het gerecht en alle noodzakelijke tussentijdse zittingen.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat, waar dit nodig is om het eerlijke verloop van de procedure te garanderen, vertolking beschikbaar is voor communicatie tussen de verdachte of beklaagde en zijn raadsman die rechtstreeks verband houdt met een verhoor of zitting tijdens de procedure, met de instelling van een beroep of met andere procedurele verzoeken.
3. Het recht op vertolking uit hoofde van de leden 1 en 2 omvat passende bijstand aan personen met gehoor- of spraakstoornissen.
[...]
8. Vertolking die overeenkomstig dit artikel wordt verstrekt, is van voldoende kwaliteit om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, met name door ervoor te zorgen dat de verdachte of beklaagde geïnformeerd is over de zaak tegen hem en in staat is zijn recht van verdediging uit te oefenen.”
6
Artikel 3 van deze richtlijn, met het opschrift „Recht op vertaling van essentiële processtukken”, luidt als volgt:
„1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.
2. De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen.
3. De bevoegde autoriteiten besluiten per geval of andere processtukken essentieel zijn [...]
[...]”
Richtlijn 2012/13

7
Overweging 27 van richtlijn 2012/13 luidt:
„Een persoon die ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, dient alle informatie over de beschuldiging te ontvangen die hij nodig heeft om zijn verdediging te kunnen voorbereiden en die met het oog op een eerlijk verloop van de procedure is geboden.”
8
Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift „Onderwerp”, bepaalt:
„Deze richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging [...]”
9
Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn, bakent haar werkingssfeer als volgt af:
„Deze richtlijn geldt voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen ervan in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.”
10
Artikel 3 van deze richtlijn, met het opschrift „Recht op informatie over rechten”, bepaalt in lid 1 ervan:
„De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden onverwijld informatie krijgen over ten minste de volgende procedurele rechten, zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht, opdat deze rechten daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend:
[...]
c)
het recht op informatie over de beschuldiging overeenkomstig artikel 6;
[...]”
11
Artikel 6 van richtlijn 2012/13, met het opschrift, „Recht op informatie over de beschuldiging”, luidt:
„1. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze informatie wordt onverwijld verstrekt en is zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen.
2. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, in kennis worden gesteld van de redenen voor hun aanhouding of detentie, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.
3. De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde.
4. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden onverwijld in kennis worden gesteld van wijzigingen in de overeenkomstig dit artikel verstrekte informatie, indien dit nodig is om een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen.”
Duits recht

12
§ 184 van het Gerichtsverfassungsgesetz (hierna: „wet op de rechterlijke organisatie”), bepaalt:
„De taal van de gerechten is het Duits [...]”
13
§ 187 van de wet op de rechterlijke organisatie, zoals gewijzigd naar aanleiding van de omzetting van de richtlijnen 2010/64 en 2012/13, bepaalt:
„1) Indien de verdachte of veroordeelde het Duits niet beheerst of zijn hoor- of spreekvermogen beperkt is, roept de rechter een tolk of vertaler op, voor zover dit vereist is voor de uitoefening van de procedurele rechten van de eerstgenoemde in de strafprocedure. De rechter wijst de beklaagde er in een voor hem begrijpelijke taal op dat hij in dat verband tijdens de volledige strafprocedure kan verzoeken om kosteloze bijstand van een tolk of vertaler.
2) Voor de uitoefening van de procedurele rechten van de verdachte die het Duits niet beheerst, is als algemene regel de schriftelijke vertaling van bevelen tot vrijheidsbeneming, tenlasteleggingen, strafbeschikkingen en nog niet onherroepelijk geworden vonnissen vereist [...].”
14
§ 132 van de Strafprozessordnung (hierna: „wetboek van strafvordering”), dat betrekking heeft op de borgstelling en de benoeming van gemachtigden ten behoeve van de betekening, bepaalt in lid 1 ervan:
„Indien de verdachte tegen wie een ernstige verdenking van een strafbaar feit bestaat, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft binnen het toepassingsgebied van deze wet, maar de voorwaarden voor een aanhoudingsbevel niet zijn vervuld, kan ter verzekering van de afwikkeling van de strafprocedure worden gelast dat de beklaagde
1.
een passende zekerheid stelt voor de te verwachten geldboete en de procedurekosten en
2.
een in het arrondissement van het bevoegde gerecht wonende persoon volmacht verleent om betekeningen in ontvangst te nemen.”
15
§ 410 van het wetboek van strafvordering betreffende het verzet tegen een strafbeschikking en de kracht van gewijsde, bepaalt:
„1. De beklaagde kan binnen twee weken vanaf de betekening verzet doen tegen de strafbeschikking bij de rechterlijke instantie die deze heeft uitgevaardigd, schriftelijk dan wel bij een in een proces-verbaal van de griffier op te nemen verklaring [...]
2. Het verzet kan beperkt zijn tot bepaalde grieven.
3. Voor zover niet tijdig verzet is gedaan, staat de strafbeschikking gelijk aan een in kracht van gewijsde gegaan vonnis.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16
Bij een politiecontrole op 25 januari 2014 is ten eerste vastgesteld dat Covaci, een Roemeens staatsburger, een voertuig bestuurde zonder geldige verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen en ten tweede dat het verzekeringsbewijs (groene kaart) dat door betrokkene was overgelegd aan de Duitse autoriteiten, was vervalst.
17
Covaci werd, toen hij over deze feiten door de politie werd gehoord, bijgestaan door een tolk.
18
Daarenboven heeft Covaci, die geen vaste woon- of verblijfplaats had in het toepassingsgebied van de Duitse wet, schriftelijk een onherroepelijke volmacht voor het in ontvangst nemen van aan hem verzonden gerechtelijke documenten verleend aan drie ambtenaren van het Amtsgericht Laufen (rechtbank van het kanton Laufen). Volgens deze volmacht begonnen de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen tegen iedere gerechtelijke beslissing te lopen vanaf het moment dat deze aan deze gemachtigden werd betekend.
19
Op 18 maart 2014 heeft de Staatsanwaltschaft Traunstein (openbaar ministerie te Traunstein), na afsluiting van het onderzoek, het Amtsgericht Laufen verzocht om uitvaardiging van een zogeheten „Strafbefehl” (door de rechter gegeven strafbeschikking; hierna: „strafbeschikking”), waarbij Covaci een boete werd opgelegd.
20
Voor het geven van een dergelijke strafbeschikking wordt een vereenvoudigde procedure gevolgd, die zonder terechtzitting en zonder contradictoire behandeling plaatsvindt. De strafbeschikking wordt op verzoek van het parket door een rechter gegeven voor kleinere strafbare feiten en is een voorlopige beslissing. Zij verkrijgt overeenkomstig § 410 van het wetboek van strafvordering kracht van gewijsde na een termijn van twee weken vanaf de betekening ervan, in het voorkomende geval aan de gemachtigden van de beklaagde. Deze kan zijn zaak enkel contradictoir laten behandelen door binnen deze termijn verzet tegen de strafbeschikking in te stellen. Verzet kan schriftelijk dan wel bij een in een proces-verbaal van de griffier op te nemen verklaring worden ingesteld en leidt tot het houden van een terechtzitting.
21
In het onderhavige geval heeft het openbaar ministerie te Traunstein verzocht de strafbeschikking aan Covaci te betekenen via zijn gemachtigden en daarenboven dat eventuele schriftelijke opmerkingen van de betrokkene, met inbegrip van het verzet tegen de strafbeschikking, in het Duits werden opgesteld.
22
In de eerste plaats vraagt het Amtsgericht Laufen, waarbij het verzoek tot het geven van de strafbeschikking was ingediend, zich af of de uit § 184 van de wet op de rechterlijke organisatie voortvloeiende verplichting om in de Duitse taal verzet tegen de strafbeschikking in te stellen, in overeenstemming is met de bepalingen van richtlijn 2010/64 die voorzien in een kosteloze taalkundige bijstand voor verdachten in strafprocedures.
23
In de tweede plaats betwijfelt de verwijzende rechter of de procedure van betekening van de strafbeschikking in overeenstemming is met richtlijn 2012/13, en meer bepaald met artikel 6 ervan, op grond waarvan lidstaten erop moeten toezien dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie over de beschuldiging wordt verstrekt.
24
Hierop heeft het Amtsgericht Laufen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moeten de artikelen 1, lid 2, en 2, leden 1 en 8, van richtlijn 2010/64 aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een rechterlijk bevel dat overeenkomstig § 184 van de wet op de rechterlijke organisatie van verdachten verlangt dat zij, op straffe van niet-ontvankelijkheid, enkel in de taal van de procedure, in casu de Duitse taal, rechtsmiddelen instellen?
2)
Moeten de artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een beklaagde een gemachtigde voor de ontvangst van betekeningen moet aanwijzen, indien de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen reeds begint te lopen vanaf de betekening aan de ontvangstgemachtigde en het uiteindelijk irrelevant is of de beklaagde überhaupt kennis heeft genomen van de beschuldiging?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

25
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 2010/64 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die, in het kader van een strafprocedure, degene jegens wie een strafbeschikking is gegeven, niet toestaat schriftelijk verzet te doen tegen deze beschikking in een andere taal dan de taal van de procedure, ofschoon deze persoon deze laatste taal niet beheerst.
26
Om deze vraag te beantwoorden moet worden opgemerkt dat artikel 1, lid 1, van richtlijn 2010/64 voorziet in het recht op vertolking en vertaling in met name strafprocedures. Daarenboven wordt in artikel 1, lid 2, van deze richtlijn benadrukt dat dit recht op vertolking en vertaling geldt voor personen vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen ervan in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.
27
Derhalve valt de situatie van iemand als Covaci, die verzet wil instellen tegen een strafbeschikking die nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en tot hem is gericht, duidelijk binnen de werkingssfeer van deze richtlijn, zodat deze persoon van het door de richtlijn gewaarborgde recht op vertolking en vertaling gebruik moet kunnen maken.
28
Wat de vraag betreft of iemand in een situatie als die van Covaci zich op dit recht kan beroepen om verzet tegen een dergelijke beschikking in te stellen in een andere taal dan de taal van de procedure die voor de bevoegde nationale rechter van toepassing is, moet worden verwezen naar de inhoud van de artikelen 2 en 3 van richtlijn 2010/64. Deze twee artikelen regelen namelijk, respectievelijk, het recht op vertolking en het recht op vertaling van bepaalde essentiële processtukken, dus de twee aspecten van het in artikel 1 van deze richtlijn geformuleerde recht, dat in het opschrift van dit artikel is bedoeld.
29
Hiertoe moet eraan worden herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest Rosselle, C‑65/14, EU:C:2015:339, punt 43en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Wat artikel 2 van richtlijn 2010/64 betreft, dat het recht op vertolking regelt, vloeit uit de bewoordingen ervan voort dat dit, in tegenstelling tot artikel 3 van deze richtlijn, dat betrekking heeft op de schriftelijke vertaling van bepaalde essentiële processtukken, betrekking heeft op de mondelinge vertolking van mondelinge uitlatingen.
31
Zo hebben, overeenkomstig artikel 2, leden 1 en 3, van de genoemde richtlijn enkel verdachten of beklaagden die niet in staat zijn zichzelf uit te drukken in de taal van de procedure, of dit nu is omdat zij deze taal niet spreken of verstaan, dan wel gehoor- of spraakstoornissen hebben, recht op vertolking.
32
Dit is overigens de reden dat in artikel 2, leden 1 en 2, van richtlijn 2010/64, waarin wordt vermeld onder welke omstandigheden verdachten en beklaagden de bijstand van een tolk moet worden aangeboden, alleen, zij het niet exhaustief, wordt verwezen naar situaties waarin mondeling wordt gecommuniceerd, zoals politieverhoren, alle zittingen van het gerecht en alle noodzakelijke tussentijdse zittingen, alsook de communicatie met de raadsman die rechtstreeks verband houdt met een verhoor of een zitting tijdens de procedure, of met de instelling van een beroep of met andere procedurele verzoeken.
33
Met andere woorden, om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen en ervoor te zorgen dat de betrokkene zijn rechten van de verdediging kan uitoefenen, verzekert deze bepaling dat deze persoon in met name een strafprocedure, in zijn eigen taal zijn mondelinge verklaringen mag afleggen voor de bevoegde gerechtelijke autoriteiten dan wel bij zijn raadsman.
34
Een dergelijke uitlegging wordt gestaafd door de doelstellingen die door richtlijn 2016/64 worden nagestreefd.
35
In dat verband zij eraan herinnerd dat deze richtlijn is vastgesteld op basis van artikel 82, lid 2, tweede alinea, onder b), VWEU, op grond waarvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, voor zover nodig ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, minimumvoorschriften kunnen vaststellen die betrekking hebben op de rechten van personen in de strafvordering.
36
Zo worden er, overeenkomstig overweging 12 van richtlijn 2010/64, in deze richtlijn gemeenschappelijke minimumregels vastgesteld die op het gebied van vertolking en vertaling in strafprocedures moeten gelden, om het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten.
37
Dergelijke regels dienen, overeenkomstig overweging 17 van deze richtlijn, kosteloze en toereikende taalkundige bijstandsverlening te waarborgen, zodat verdachten of beklaagden die de taal van de strafprocedure niet spreken of verstaan, hun recht van de verdediging volledig kunnen uitoefenen en het eerlijke verloop van de procedure wordt gewaarborgd.
38
Het zou echter verder strekken dan de doelstellingen die door richtlijn 2010/64 zelf worden nagestreefd, indien van de lidstaten wordt vereist dat zij, zoals met name door Covaci en de Duitse regering wordt gesuggereerd, niet alleen de betrokkenen in staat stellen volledig en in hun taal in kennis te worden gesteld van de strafbare feiten waarvan zij worden verdacht en hun versie van deze feiten te geven, maar tevens systematisch zorgdragen voor de vertaling van elk beroep dat door de betrokkenen tegen een tot hen gerichte rechterlijke beslissing wordt ingesteld.
39
Zoals tevens blijkt uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, is voor eerbiediging van de vereisten in verband met een eerlijk proces alleen nodig dat wordt verzekerd dat de verdachte weet wat hem wordt verweten en verweer kan voeren, zonder dat een schriftelijke vertaling van ieder gedocumenteerd bewijsstuk of officieel processtuk is vereist (EHRM, Kamasinski/Oostenrijk, 19 december 1989, serie A vol. 168, § 74).
40
Het doel van het recht op vertolking in artikel 2 van richtlijn 2010/64 is dus om de mondelinge communicatie tussen de verdachten of de beklaagden en de onderzoeks- en gerechtelijke autoriteiten of, in het voorkomende geval, de raadsman te laten vertalen door een tolk, met uitsluiting van ieder schriftelijk stuk dat door deze verdachten of beklaagden wordt overgelegd.
41
Wat betreft de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, komt uit de stukken waarover het Hof beschikt naar voren, dat de in het Duitse recht voorziene strafbeschikking wordt gegeven op basis van een procedure sui generis. Deze procedure bepaalt namelijk dat de verdachte alleen recht heeft op een contradictoire behandeling, waarin hij zijn recht te worden gehoord volledig kan uitoefenen, wanneer hij verzet tegen deze strafbeschikking instelt. Dit verzet, dat schriftelijk of, wanneer het mondeling wordt gedaan, rechtstreeks bij de griffie van het bevoegde gerecht moet worden ingesteld, hoeft niet te worden gemotiveerd, moet binnen een zeer korte termijn van twee weken na de kennisgeving van deze strafbeschikking worden ingesteld en vereist geen bijstand van een advocaat, zodat het door de verdachte zelf kan worden ingesteld.
42
In deze omstandigheden waarborgt artikel 2 van richtlijn 2010/64 iemand die in een situatie zoals die van Covaci verkeert, het recht op de kosteloze bijstand van een tolk wanneer hij zelf mondeling verzet tegen de tegen hem gerichte strafbeschikking instelt bij de griffie van het nationale bevoegde gerecht, opdat de griffie dit verzet optekent in een proces-verbaal, of wanneer deze persoon schriftelijk verzet instelt, van het recht op bijstand van een raadsman, die het bijbehorende processtuk in de taal van de procedure zal opstellen.
43
Wat betreft de vraag of artikel 3 van richtlijn 2010/64, dat het recht op vertaling van bepaalde essentiële procestukken regelt, het recht op bijstand op het gebied van vertaling toekent aan iemand die in een situatie zoals die van Covaci verkeert, die zonder de bijstand van een raadsman schriftelijk verzet wil instellen tegen een strafbeschikking, moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen van deze bepaling voortvloeit dat dit recht in het leven is geroepen met het doel de betrokkenen in staat te stellen hun rechten van verdediging uit te oefenen en het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.
44
Zoals de advocaat-generaal in punt 57 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft dit artikel 3 in beginsel slechts betrekking op de schriftelijke vertaling in de taal die de betrokkene verstaat, van bepaalde processtukken die door de bevoegde autoriteiten in de taal van de procedure zijn opgesteld.
45
Deze uitlegging wordt overigens ten eerste bevestigd door de lijst processtukken die volgens artikel 3, lid 2, van richtlijn 2010/64 essentieel zijn en derhalve moeten worden vertaald. Op deze lijst worden namelijk, zij het niet uitputtend, beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen genoemd.
46
Deze uitlegging wordt ten tweede ook gerechtvaardigd door het feit dat de vertaling als bedoeld in artikel 3 van deze richtlijn, blijkens lid 4 van dat artikel tot doel heeft „de verdachte of beklaagde in staat te stellen van de zaak tegen hem kennis te [...] nemen”.
47
Hieruit volgt dat de schriftelijke vertaling in de taal van de procedure van een processtuk, zoals het verzet dat tegen een strafbeschikking wordt ingesteld en door de betrokkene is opgesteld in een taal die hij beheerst en die niet de taal van de procedure is, in beginsel niet onder het recht op vertaling van artikel 3, leden 1 en 2, van richtlijn 2010/64 valt.
48
Richtlijn 2010/64 stelt echter alleen minimumvoorschriften vast en laat, zoals in overweging 32 ervan wordt benadrukt, de lidstaten vrij, de in deze richtlijn vastgestelde rechten uit te breiden om ook in situaties die niet expliciet in deze richtlijn zijn voorzien een hoger beschermingsniveau te bieden.
49
Voorts moet worden opgemerkt dat de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 3, lid 3, van richtlijn 2010/64, uitdrukkelijk per geval mogen besluiten of enig ander dan de in artikel 3, leden 1 en 2, van deze richtlijn bedoelde stukken essentieel is in de zin van deze bepaling.
50
Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om vast te stellen of het verzet dat schriftelijk tegen een strafbeschikking wordt ingesteld, moet worden beschouwd als een essentieel processtuk waarvan de vertaling is vereist, waarbij hij met name rekening houdt met de kenmerken van de op de strafbeschikking in het hoofdgeding toepasselijke procedure, die in punt 41 van dit arrest in herinnering zijn geroepen, en met de kenmerken van de zaak die hem is voorgelegd.
51
Uit een en ander vloeit voort dat op de eerste vraag moet worden geantwoord dat de artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 2010/64 in die zin moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die, in het kader van een strafprocedure, degene jegens wie een strafbeschikking is gegeven niet toestaat om tegen deze beschikking schriftelijk verzet in te stellen in een andere taal dan de taal van de procedure, ofschoon deze persoon deze laatste taal niet beheerst, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten, overeenkomstig artikel 3, lid 3, van deze richtlijn, een dergelijk verzet, gelet op de betreffende procedure en de omstandigheden van het geval, niet beschouwen als een essentieel processtuk.
Tweede vraag

52
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan, in het kader van een strafprocedure, een beklaagde die niet in deze lidstaat verblijft, een gemachtigde moet aanwijzen voor de betekening van een hem betreffende strafbeschikking, waarbij een termijn voor het instellen van verzet tegen deze strafbeschikking begint te lopen zodra zij aan deze gemachtigde is betekend.
53
Om deze vraag te beantwoorden moet worden opgemerkt dat artikel 1 van richtlijn 2012/13 voorziet in het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging.
54
Zoals blijkt uit artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 6, van deze richtlijn, heeft het in artikel 1 ervan genoemde recht betrekking op ten minste twee afzonderlijke rechten.
55
Ten eerste moeten verdachten of beklaagden overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 2012/13, informatie krijgen over, ten minste, bepaalde procedurele rechten, waaronder, volgens een lijst in deze bepaling, het recht op toegang tot een advocaat, het recht op kosteloze bijstand en de voorwaarden waaronder deze bijstand kan worden verkregen, het recht op informatie over de beschuldiging, het recht op vertolking en vertaling en het zwijgrecht.
56
Ten tweede worden in artikel 6 van deze richtlijn de regels vastgesteld betreffende het recht op informatie over de beschuldiging.
57
Daar de vraag van de verwijzende rechter meer bepaald betrekking heeft op de omvang van dit laatste recht, moet worden nagegaan of artikel 6 van richtlijn 2012/13, waarin dit recht is vastgesteld, van toepassing is in het kader van een bijzondere procedure, zoals die aan de orde in het hoofdgeding, die leidt tot de vaststelling van een strafbeschikking.
58
In dat verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 2012/13 volgens de tekst van artikel 2 ervan, geldt voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen ervan in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.
59
Aangezien, zoals in punt 27 van dit arrest is vastgesteld, de strafbeschikking waarom voor de verwijzende rechter is verzocht als sanctie jegens Covaci, niet in kracht van gewijsde gaat totdat de voor het instellen van verzet gestelde termijn is verstreken, valt de situatie van iemand als Covaci duidelijk binnen de werkingssfeer van richtlijn 2012/13, zodat de betrokkene gedurende de gehele procedure recht heeft op informatie over de beschuldiging.
60
Ofschoon een strafbeschikking zoals die aan de orde in het hoofdgeding vanwege het beknopte en vereenvoudigde karakter van de betreffende procedure pas wordt betekend nadat de rechter inhoudelijk uitspraak heeft gedaan over de beschuldiging, doet de rechter in deze beschikking niettemin slechts voorlopig uitspraak en vormt de betekening ervan de eerste gelegenheid voor de verdachte om over de beschuldiging te worden geïnformeerd. Dit wordt overigens bevestigd door het feit dat deze persoon niet bij een andere rechter tegen deze strafbeschikking kan opkomen, maar verzet kan instellen, waardoor hij voor dezelfde rechter de gewone contradictoire procedure mag volgen, in het kader waarvan hij zijn rechten van verdediging volop kan uitoefenen voordat deze rechter opnieuw over de gegrondheid van de beschuldiging uitspraak doet.
61
De betekening van een strafbeschikking moet dus, overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 2012/13, worden beschouwd als een soort mededeling van de beschuldiging aan de betrokkene, zodat zij aan de vereisten van dit artikel moet voldoen.
62
Zoals de advocaat-generaal in punt 105 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bevat richtlijn 2012/13 geen regeling voor de wijze waarop de informatie over de beschuldiging als bedoeld in artikel 6 ervan, aan deze persoon moet worden verstrekt.
63
Deze regeling mag echter niet afdoen aan de doelstelling die meer bepaald met artikel 6 wordt nagestreefd, namelijk, zoals tevens naar voren komt uit overweging 27 van deze richtlijn, verdachten of beklaagden van een strafbaar feit in staat te stellen om hun verdediging voor te bereiden en een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen.
64
Blijkens de verwijzingsbeslissing wordt de strafbeschikking volgens de nationale regeling betekend aan de gemachtigde van de beklaagde en moet deze laatste binnen een termijn van twee weken verzet tegen deze strafbeschikking instellen, welke termijn begint te lopen op het moment dat de strafbeschikking aan deze gemachtigde wordt betekend. Bij het verstrijken van deze termijn gaat de strafbeschikking in kracht van gewijsde.
65
Zonder dat voor de beantwoording van de vraag van de verwijzende rechter behoeft te worden beoordeeld of een dergelijke vervaltermijn van twee weken al dan niet passend is, moet worden vastgesteld dat zowel de doelstelling om de beklaagde in staat te stellen zijn verdediging voor te bereiden, als de noodzaak om iedere discriminatie te vermijden tussen enerzijds de beklaagden die op het toepassingsgebied van de betreffende nationale regeling verblijven en anderzijds diegenen die hier niet verblijven, die als enigen een gemachtigde moeten benoemen voor de betekening van gerechtelijke beslissingen, vereisen dat de beklaagde over de volledige termijn beschikt.
66
Indien de termijn van twee weken die in het hoofdgeding aan de orde is, ingaat op het tijdstip dat de beklaagde daadwerkelijk kennis heeft genomen van de strafbeschikking die informatie over de beschuldiging in de zin van artikel 6 van richtlijn 2012/13 bevat, wordt verzekerd dat deze persoon over de volledige termijn beschikt.
67
Indien deze termijn daarentegen, zoals in het onderhavige geval, ingaat zodra de strafbeschikking is betekend aan de gemachtigde van de beklaagde, kan deze laatste zijn rechten van verdediging niet daadwerkelijk uitoefenen en verloopt de procedure alleen eerlijk indien hij over de volledige termijn beschikt, dat wil zeggen zonder dat de termijn wordt verkort met de tijd die de gemachtigde nodig heeft om de strafbeschikking aan de geadresseerde te doen toekomen.
68
Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan, in het kader van een strafprocedure, een beklaagde die niet in deze lidstaat verblijft, een gemachtigde moet aanwijzen voor de betekening van een tot hem gerichte strafbeschikking, mits die beklaagde daadwerkelijk gebruik kan maken van de volledige termijn om tegen deze strafbeschikking verzet in te stellen.
Kosten

69
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)
De artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, moeten in die zin worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die, in het kader van een strafprocedure, degene jegens wie een strafbeschikking is gegeven niet toestaat om tegen deze beschikking schriftelijk verzet in te stellen in een andere taal dan de taal van de procedure, ofschoon deze persoon deze laatste taal niet beheerst, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten, overeenkomstig artikel 3, lid 3, van deze richtlijn, een dergelijk verzet, gelet op de betreffende procedure en de omstandigheden van het geval, niet beschouwen als een essentieel processtuk.

2)
De artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan, in het kader van een strafprocedure, een beklaagde die niet in deze lidstaat verblijft, een gemachtigde moet aanwijzen voor de betekening van een tot hem gerichte strafbeschikking, mits die beklaagde daadwerkelijk gebruik kan maken van de volledige termijn om tegen deze strafbeschikking verzet in te stellen.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: do, 03/08/2017 - 17:28
Laatst aangepast op: do, 03/08/2017 - 17:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.