-A +A

Het duel als onderwerp van wetgeving

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Mr. T. M. Roest van Limburg,
Jaargang: 
1836 (tweede uitgave)
Samenvatting

Deze uitzonderlijke rede is een pleidooi voor de wettellijke regeling van het duel in Nederland. Niettegenstaande wij de mening van de auteur niet delen, achten wij het belangrijk om het denken van een negentiende eeuwse rechtsgeleerde in volle retoriek te volgen.

Zijn stelling is dat de mens een zelfbeschikkingsrecht heeft over zijn eigen leven en dat hij aldus het recht heeft om zijn eer hoger te achte dan zijn leven en aldus op een fatsoenlijke hofeelijke wijze een duel aan te gaan met een partij die hem beledigde. Want een rechtbank kan niet oordelen over eer en een volk zonder eergevoel of waar men de eer niet kan verdedigen is een zwak en waardeloos land dat nooit een vijand zal kunnen verslaan.

Het duel verhindert vetes en boedwraak en is te herleiden tot slechts 2 personen die aan het gevecht deelnemen, waardoor de maatschappij het minst geschaad wordt. Dat de onschuldige het leven kon laten dienen we erbij te nemen omdat wetten niet perfect zijn, niet kunnen zijn , maar wel zo perfect mogelijk of juist het minst nadelig.

Juridisch interssant is hoe hij het kerkelijk gebod omzeilt met de inquisitie als voorbeeld en de macht van de staat beperkt met de ideeën van de verlichting. Humanistische overwegingen laat hij niet aan het woord.

Het duel als onderwerp van wetgeving
Mr. T. M. Roest van Limburg, tweede druk, 1836, het duel als onderwerp van wetgeving

Terwijl wij in het aanstaande wetboek bepalingen omtrent het duel verwachten, en naar dezelve verlangens als iets, hetwelk aan de weifeling van menigen rechter een einde zal maken, en de betrokkenen van het onzeker gevoelen eener rechtbank ontheffen, om hem onder den arm der wet te plaatsen, schijnt het mij niet ongepast, enige bedenkingen nopens het duel, in betrekking tot de wetgeving, aan te; voeren ten einde daardoor wellicht de aandacht meer bijzonder op een onderwerp te doen vallen, hetwelk mijn bedunkens, dikwerf uit een verkeerd oogpunt eenzijdig beschouwd wordt.

Het duel, de vrijwillige overeenkomst van twee personen, om, volgens gegevene bepalingen, hun leven aan mekaar te wagen, is naar mijn oordeel, geen overblijfsel der middeleeuwse godsgerichten.

Geheel onafhankelijk van dezelve, ontmoet men bij de vrije volken van het ruwe Noorden bestond het tweegevecht als een wettig middel van handhaving der persoonlijke eer.

Lex Uplandica pagina 76: "Indien een man eenen anderen verwijtend toevoegt: "Gij hebt het hart niet van een man" en de andere antwoordt: "Ik ben goed een man als gij;" laten zij elkander naar de vlakte bescheiden. En indien de belediger verschijnt, en de beledigde niet, laat de laatste voor een slechter man nog gehouden worden, dan men hem noemde, laat zijn getuigenis voor man of vrouw voor genen rechterstoel worden ontvangen en laat hij uitgesloten zijn van het recht om een testament te maken.

Doch indien de belediger verschijnt afwezig blijft, en alleen de beledigde verschijnt, laat hij den anderen driemaal met luider stem roepen, en een teken maken aan den grond; en laat hij die afwezig bleef voor eerloos worden gehouden omdat hij woorden sprak die hij niet handhaven dorst. Indien beiden voldoende gewapend verschijnen en de beledigde valt in den strijd, laat er ene halve afkoop voor zijnen dood betaald worden. Maar indien de belediger valt, zoo zij zulks aan zijne eigen voorbarigheid geweten , de roekeloosheid van zijne tong was hem noodlottig. Ook voor zijne dood wordt niets betaald.

Ook volgens de Lombardische wet, , mocht iemand, die door eenen anderen “arga”, een nietswaardige, genoemd was hem dadelijk ten tweestrijd vorderen (Leg. Longob. likI. tit. V. sekt 1).

Soortgelijke gebruiken werden wel is waar door het Christendom aanvankelijk gestuit; doch keerden spoedig versterkt weder, versterkt door de zuidelijker verfijning. De Moren, in het bezit van de beschaving van Europa, het verwijfde Grieksche rijk uitgezonderd, kenden geen hogere wet dan het gevoel van eer: het was niet de deugd, hetgeen bij hen den mensch adelde; het was de dapperheid in de man, de kuischheid in de vrouw, trouw in beiden.

Niet om de Godheid over zijn recht of onrecht te laten beslissen, maar om te tonen dat hij de moed bezat en de krachten, wierp de Moorse ridder den belediger zijnen handschoen toe; en het tweegevecht was doelmatig, omdat de strijder zijnen moed wilde doen blijken, daar door zijne eer handhaven en zich tegen verdere beledigingen beschermen. Aan dit punt van eer leverde, en hechtte zich, vooral in Spanje en Italië het van oudsher overeengekomen denkbeeld, dat men zich verlaagde door, zonder genoegzame voldoening, ene zware belediging te vergeven; men streed dus niet slechts voor zijne verdediging, maar ook voor zijne wraak; en hoe bloediger, onverwachte die wraak kwam, des te luistererlijker scheen zij.

Italië leverde er ontzettende voorbeelden van. Vergiffenis daarentegen beschouwde men als een blijk van zwakheid. Dit afgrijselijke denkbeeld, nog in Corsica te vinden, werd door de noordelijker volken Duitsers Fransen en Engelsen, zeer gewijzigd en door te toenemende een invloed der christelijke zedeleer allengs verdrongen.

De wraakzucht werd verworpen; maar de eerzucht bleef. De trotse, krijgslustige edelen hadden steeds hun leven veil voor hetgeen zij in jaren noemden, en dreven dit gevoelen zover dat zij zelfs de minste vermijding van een duel schandelijk oordeelden. In dier voege kwam het gebruik tot ons, wederom even wel gewijzigd. Onze eeuw beschouwt het duel niet meer als ene roemrijke wedstrijd, maar als ene onaangename noodzakelijkheid, een middel om een groter kwaad te vermijden.

Men wil niet in minachting vervallen; men wil zich tegen verdere krenking beveiligen.

Gedurende de middeleeuwen ontmoet men genen wetten tegen het eigenlijke duel. Tevergeefs zelfs poogden de vorsten aan de edelen het recht van de bijzondere oorlog te ontwringen; een gebruik evenwel dat alle orde, alle veiligheid onmogelijk maakte. Nog in 1413 in Frankrijk, in 1519 in Spanje, verbieden Karel VI en Karel V slechts bijzondere oorlogen

 

En tussen die (bijzondere) oorlogen en het duel, welk verschil! Dee oorlog verstoorde de algemene rust, werd onwillenden, dikwerf onschuldigen aangedaan, vernielde gehele geslachten: het duel stoort de rust geenszins, wordt vrijwillig aangegaan, en bepaalt zich bij de strijders. Dat het in gevallen van persoonlijke belediging als eervol beschouwd werd en de koningen niet schroomden er voorbeelden aan te geven, blijkt uit de uitdaging van Frans I, door Karel V aangenomen.

Maar toen de vorsten hun almacht tot in het willekeurige hadden uitgebreid en de adel in aantal en macht evenredig was verminderd zag de Monarch met afgunstige ogen dat enige edelen over een leven beschikten, hetwelk hij als zijn eigendom beschouwde; en het was geen wonder, dat hij die een mens de beschikking over zijn eigen leven ontnam, die hem de te dienen godheid voorschreef, op straffe van een galg en vuur; het was geen wonder, dat de tiran zijn onderhorigen ook verbood hun eer zelf te handhaven; hij verbood dus het duel op straffe des doods; maar zijne wetten waren ommatig tegen de algemene mening.

Tevergeefs, zegt Beccaria, poogden doodvonnissen tegen degenen, die een duel aan namen, dit gebruik te vernietigen; een gebruik ontstaan uit hetgeen sommigen meer vrezen dan de dood, de schande; de gevolgen waarvan de man van eer, door de algemene achting verlaten, zich gedwongen ziet om een diepe afzondering te schuilen, onleefbare toestand voor de gezellige mens ofwel te doen te staan aan bespotting en krenkingen, die door hare herhaalde prikkels al vrees voor de straf doen zwijgen.

Talloze voortreffelijke mannen evenwel verhieven hunne stem tegen het duel: met recht verontwaardigd te zijn zich over de duellist die in vroegere tijden het tweegevecht als een spel, als ene roemrijk een wedstrijd beschouwden, met recht gruwde de predikers ener godsdienst die lijdzaamheid voorschrijft, van bloedige wraak; met recht waarschuwden zedenleeraars tegen toorn en overijling; maar het is mijn doel niet, hier te onderzoeken wat ener godsdienst haren belijders in dergelijke gevallen voorschrijft; niet in hoeverre de zedenwet toelaat, dat de mens een vrijwillig een tweestrijd zijn bloed of dat zijns medemensen storte; hier is de vraag slechts of de staat en wel een staat gelijk onze eeuw zich die denkt, het duel met strafwetten behoort te verbieden, of dergelijke wetten doelmatig zijn zouden. Godsdienstige noch zedelijke beschouwingen zouden hier iets beslissen dewijl in geen mens gerechtigd is om een andere voor te schrijven wat hij te dien aanzien te geloven heeft; anders zou alle menselijke vrijheid en bijgevolg al deugd ophaalden.

Dichterlijke beelden, hoe schoon ook en nutteloos, van de vaders, wien men den enigen zoon stervende tehuis gebracht; van vrouwen, door het dodelijk ijzer tot weduwe gemaakt, van kinderen, bedelende in de hoed des verslagen; uitroepingen wat wilt gij met het bloed doen! Wilt gij het drinken? Zouden hier ondoelmatig zijn; hier waar het om recht, niet om gevoeligheid te doen is; waar men de inlichting van de wetgever niet die van den duelist beoogt; waar men wetten beheert, rechtvaardig, en onvermijdelijk als het noodlot; waar gejammer, hoe gegrond ook, hetgeen rechtmatig was niet strafbaar maken kan. Ik zeg wat rechtmatig was; want het zou wel rechtmatig kunnen wezen, dat de burger dien men het recht toekende om zijn leven, zijn bezittingen te verdedigen, ook het recht bezat om te verdedigen hetgeen hij meer dan zijn leven waardeert: en dat menigeen zijner vrijheid, zijn eer (het staat niet aan een ander, die dit gevoel hersenschimmige mocht willen noemen, hem voor te schrijven hoe hij daar omtrent te denken heeft) meer waardeert dan zijn leven, dit blijkt uit het tweegevecht zelf, waarin men geheel vrijwillig zijn leven waagt.

Wetgevers, gewoonlijk mannen van jaren en macht, die niet licht krenkingen hadden te wachten en zekerder wapenen tegen dezelve bezaten dan lood en staal, mogen het duel waarvan zij niets te hopen, wel te vrezen hadden, hebben verboden en deszelfs behoefte ontkent;

maar hij, die minder door de jaren en de rang gedekt wordt die dikwerf in niets bezit dan zijne eer, waarop hij dus des te jaloerser is; jongelingen, welke geene bezittingen van de rang of goed, maar andere toch en die zij hoger waarderen, te verdedigen hebben, welke genen krenkingen nog geweld willen dulden, hebben nimmer van hun, dikwerf enig wapen, het duel, afstand gedaan; de wetten mogen de rijkdom en macht beveiligen, beschermen tegen de schender des gezag, tegen den dief des gouds; wat doen zij, wat kunnen zij doen tegen den dief der achting, der rust, des geluk van het harte?

Denkbeeldige goederen zegt gij – walg over u, die ze denkbeeldig noemt.

Maar hervat men, ten gevolge van het duel lijden de betrekkingen des verslagenen. Omdat een lasteraar, een baldadige snoever een ellendige verleider een leven heeft, waaraan zijn vader, zijne vrouw of zijne kinderenwaarde hechten; daarom zou de onschuldigen, de man van eer die hem nimmer mis deed, zijne verguizingen moeten dulden? Welnu, dan stellen men ook den gewone dief, den gifmenger, die kinderen heeft of ene vrouw of eenen grijze vader boven de wet; want de straf der wet treft die vrouw en kinderen zwaarder nog dan de straf van de degen.

Indien de mens het recht niet heeft, om, wanneer er onschuldigen door lijden mochten, zich te verdedigen, kan de maatschappij het ook niet hebben; want het aantal schept geen rechten, wat voor éénen onrecht is, blijft het voor twee, voor 10, voor 1000, voor miljoenen. Zal men zeggen: in de maatschappij wordt de burger gerekend zich voorwaardelijk aan de straf te hebben onderworpen? Welnu de duelleerder onderwerpt zich eveneens aan de kans der wapenen; men duelleert. “Mens gij moogt niet over uw leven beschikken”. Staat, waarop grondt gij dan uw doodsrecht?

Na derhalve te hebben aangetoond dat de mens oorspronkelijk, in de natuurstaat gelijk men gewoon is te zeggen, het recht heeft om, ook ten koste van bloed, zijn veiligheid, zijne eer te verdedigen; willen wij onderzoeken, of hem in de staat dit recht mag worden benomen.

Hij die zich de volkeren voorstelt als door de godheid aan de vorsten gegeven, gelijk weleer aan Adam de dieren des paradijs, kan in een dergelijk onderzoek niet treden, maar moet alles rechtvaardig heten wat de vorst goed vond te gebieden; doch wanneer men met Willem van Oranje de oppermacht uit te wil der er mensen ontleent en dezelfde dan slechts rechtmatig genoemd, indien zij aan haar doel beantwoordt; wanneer men in de bescherming der rechten van alle zover die bestaanbaar zij met de instandhouding van de staat, haar hoofddoel vindt, moet men besluiten dat oppermacht niet alleen rechten, maar ook plichten heeft, dat zij die van de onderdaan vorderen mag, en vorderen moet wat tot instandhouding van de staat vereist wordt, dien onderdaan daarentegen in niets verbieden mag, wat met het bestaan van de staat niet strijdig is; want de burger wilde van zijn de menselijke rechten slechts zoveel afstaan, als volstrekt noodzakelijk zijn zou.

Elke straf die niet uit de noodzakelijkheid voortvloeit zegt terecht Montesquieu is hieraan is tirannisch. Want zeker de algemene wil gaf den wetgever niet de opdracht om naar willekeur, maar slechts, naar noodzakelijkheid oorspronkelijke rechten der mensen te beperken. Toen de, in Frankrijk, bij vorm van de wet van uitgegevene verklaring der rechten van de mens, artikel 16, gezegd had: de wet moet geen straffen bepalen, dan die volstrekt noodzakelijk zijn: noemde eveneens onze hoogleraar Kluit in een werk waarin hij beweert, dat de rechten van de mens in Frankrijk, bij het volk van Nederland in volle kracht genoten werden, dien grondregel een inderdaad kostelijk, en de vrijheid en zekerheid beschermend voorschrift.

En hoewel men nog verder zou kunnen gaan, en beweren, dat daar, waar de staat de onderhorige niet meer beveiligen kan, de burger wederom vrij mens wordt; wil ik mij bij de gegeven grondstelling bepalen, en aantonen, dat de straf tegen hem, die, in vrijwillig een tweestrijd, het bloed zijn medeburgers stortte, niet noodzakelijk is, ja, ondoelmatig zij zou. Noodzakelijk zal dan slechts de straf kunnen wezen, voor eerst, wanneer de bescherming van een rechten der onderdanen, ten tweede, wanneer de instandhouding van de staat die vorderde.

Wat de bescherming van een persoonlijk recht aangaat, kan men zeggen, dat de wetgever door de duel te verbieden, in stede van een persoonlijk recht te beveiligen, het krenken zou: want het duel is geheel vrijwillig; die duelleerde, wilde zijn leven wagen en wilde door gene wet tegen zijn begeerte naar eenen tweestrijd beveiligd worden, evenmin als hij wil, dat eene wet hem beveiligen tegen ene begeerte naar spijs en drank, die hem willens en wetens eens de dood zou kunnen berokkenen. En tenzij de burger, bij het aangaan van een huwelijk, het recht op zijn leven en zijne eer aan zijne vrouw of aanstaande kinderen verpachte, dan men hier geen rechten van betrekkingen aan voeren; in geen geval die tegen den gekrenkten te doen gelden, welke door de verbintenissen van derden nimmer in zijne rechten kan worden verminderd.

Tot instandhouding van den staat is het straffen des duels evenmin nodig: want het vrijwillig sneuvelen van enige onderdanen, wier getal altoos gering zijn zou, brengt de staat geen gevaar toe. Nadelig moge het hem in enig opzicht gerekend worden; doch hieruit volgt nog geenszins, dat strafwetten gerechtigd zijn het te verbieden.

Zoals ik reeds heb aangemerkt, leveren zich de mensen niet als slaven aan de maatschappij over. Dit is dan ook zozeer door de wetgever gevoeld, datgene andere dan despotische staten de burger het recht ontnemen, om, met zijne bezittingen het land te verlaten; en dit toch is de staat veel nadeliger dan een burger, door vrijwillig te sterven, slechts zichzelf een, niet zijne goederen, uit de maatschappij terug neemt.

Zeer gevaarlijk daarentegen zou zijn, de burgers in stede van een middel, waardoor de openbare rust een algemene veiligheid volstrekt niet gestoord wordt, naar andere middelen gegrepen, verraderlijke aanvallen, gif, dolken, waardoor gehele geslachten tegen elkander worden opgehitst; terwijl nu de vrijwillige dood van ene enigen de vijandschap eindigt.

Eveneens als de wetgever toelaat dat de burgers hun geldelijke geschillen buiten ene rechtbank afdoende, en slechts tussen beiden treedt wanneer er bedrog of dwang plaatsgreep, eveneens late hij hen, des verkiezende, hun geschillen van eer behandelen, en bemoeien er zich dan eerst mede, wanneer een verraad of geweld zijn roede vordert.

Want er zijn krenkingen waarvoor geen rechtbank geschikt is.

Of zullen de verwanten eener misleide, de schande (want het is nu eenmaal zo, al behoorde het anders te wezen) de schande van hun huis bekendmaken, ten einde den belediger te doen straffen? Zal de door woorden of gebaren gekrenkte van de rechter ene voldoening vorderen? Zal de wet deze in staat stellen om beledigingen op een onvoldoende wijze te straffen? Het schijnt dat de wetgevers in het algemeen dit laatste voor onmogelijk houden; want zij hebben het zeer zelden gepoogd. Hoe straffen onze hedendaagse wetten bijvoorbeeld beledigende uitdrukkingen, beschimpingen? Met ene boete van enige stuivers. Zal de gekrenkte daardoor tegen verdere beledigingen worden beveiligd? – Zelfverdediging is de mens ingeschapen: men zegge wat men wil, hij zal gevoelen, dat het geen onrecht is zich tegen krenkingen te beveiligen dat zijn leven, of hetgeen hij boven zijn leven stelt, zoveel waarde heeft als dat van een ander.

Neemt het duel weg, en men zal moorden. De gehele geschiedenis getuigt het. Waar vindt men thans moord onder de hogere standen; en waar vond men die niet toen er geen duel bestond? Veeleer dan op dit gebruik te schimpen, danke men den riddergeest, die het ons naliet; het moge nu onlogisch zijn, gelijk sommigen beweren; het zij zo; maar moet daarom de wet leren, dat moord veel logischer is? Het duel is wellicht uit te roeien; zelfverdediging en wraaknemer: niet voor mensen, zoals die zouden behoren te zijn maar voor mensen, zoals die zijn moet de wetgever wetten maken. Doch niet allen zijn Solon’s.

Dikwerf heeft men aangevoerd dat de beschaafde volken der oudheid, wier kennis tot ons kwam, en niet duelleerden; doch wat zou dit, ware het zo, bewijzen? Grieken en Romeinen, in hun een vroegere toestand, waren aan onze ruwe volksklassen gelijk, die hunne vechtpartijen hebben, bij geklommener beschaving vindt men menigvuldige moorden: zullen onze wetten die toestand herroepen? Ware het duel bekend geweest, noch Grieken, noch Romeinen zouden het (tijden van tirannie daargelaten) verboden hebben; immers, de Romeinen lieten de burger het recht om over zijn eigen leven te beschikken, en de Atheense wetten gaven de beledigde en in sommige gevallen, de vrijheid om de belediger te doden: hoe zouden dan de eerste ene beschikking van twee personen onderling over hun leven, de tweede een zachter en edele middel dan moord, om zich over beledigingen te wreken en zijne veiligheid te handhaven, hebben gestraft?

Maar velen wellicht zullen nog aandringen dat de wetgever, tot handhaving der godsdienstige gevoelens, de sterkste zuilen van het maatschappelijk leven, het duel behoort te verbieden. Ofschoon ik dit punt reeds heb aangeraakt, wil ik het nog nader behandelen. Den zoodanigen zei dus, voor eerst ten antwoord gegeven dat hoezeer de staat gehouden is, het godsdienstig gevoel zoveel mogelijk aan te kweken, de wetgever evenwel zijne strafwetten niet op godsdienstige inzichten mag gronden.

Want door hem dit recht in te ruimen, opent men de deur voor de afschuwelijke tirannie. Zo worden de gruwelen der inquisitie, de bloedige vervolgingen van Filips II, van Lodewijk XIV, gegrond op hunne overtuiging dat zij dan godsdienst handhaven en aankweken, rechtvaardig; zoo wordt de moord aan Willem van Oranje, en Hendrik IV, die de moordenaars pleegden uit overtuiging dat zij voor de godsdienst streden een heldenfeit. Men dringe toch zijne godsdienstige inzichten aan anderen niet op. Men verbeelde zich toch niet, dat de godheid menselijke hulp behoeft. Deorum injurias Diis curae. De staat tone immers de hoogste eerbied voor de godheid, en geven aan een ieder bescherming zijner godsdienstige gevoelens, in zover die de rechten van anderen niet krenken; dit is genoeg; wat meer opgedrongen of af gevorderd wordt is tirannisch.

Ten tweede, geldt hier insgelijks mijn boven aangevoerde argument: wat onrecht is voor éénen is het voor twee, voor 10, voor miljoenen; wat de godsdienst verbiedt aan een en, verbiedt zij aan twee, aan 10, aan miljoenen; indien een mens te zijner beveiliging, geen bloed mag storten mogen 2,10, miljoenen het evenmin: waarop grond dan de staat zijn doodsrecht.

Ter zijner beveiliging zeide ik: want nogmaals het duel is bij de meesten tenminste, niets anders dan een middel van verdediging hunner vrijheid, hunner eer, die zij bewijzen meer te waarderen dan hun leven.

Behalve het vermijden van moord en familievete, heeft het duel nog vele heilzame gevolgen, waarvan elk het geringe verlies, dat het der maatschappij veroorzaakt, ruim opweegt. Welk eene nooit gekende beleefdheid, een genot van alle oogenblikken, voerde het niet in? Bij hoevelen deed het niet, wat de opvoeding niet vermocht? Hoe menigeen, die door gene wet zou zijn weerhouden, wordt nu niet door de vrees voor een duel beteugeld? Voor hoe menigeen was niet de schande van een geweigerd duel straf genoeg? Hoe menig een beveiligde zich niet door de verklaring, dat hij, ingeval men hem niet met vrede liet, zijne toevlucht zou nemen tot zijnen degen, en den beleediger blootstellen om in het bloedschuld op zich te laden?

Ik heb horen vragen, of het niet verkieslijk zijn zou, dat de wet onderscheid makende tussen te beledigen en de beledigde, slechts den eersten wegens in éénen twee strijd gepleegde manslag strafte?

De vraag is niet logisch. In dat geval toch zal de wet niet het duel, of de in hetzelfde gepleegde nederlaag, maar de belediging straffen. Het duel of de nederlaag zal zijn niet straffen; want de beledigde, die zich vrijwillig in hetzelfde begaf, laat zij vrij. Zij zou dus inderdaad slechts de belediging, de oorzaak deze duels straffen. Indien zij dit kan, behoort zij het te doen; maar dan behoort zij zulks ook zonder dat de belediging den gekrenkten zijn leven gekost heeft. Dan bepalen zij de straf die men begeert, dat zij den beledigt hebben de doodslager opleggen zou, ene zware straf natuurlijk, op de enkele belediging. Maar kan de wet dit? Kan zij de duizenderlei soorten van beledigingen opnoemen? Kan zij bepalen, wat men als belediging te beschouwen heeft, wat niet? Kan zij van iedereen hetzelfde gevoel van eer en krenking vorderen? Of zal zij de maatstaf van beledigingen aan de rechter overlaten, en daardoor de onderdanen afhankelijk maken van het onzeker gevoelen ener rechtbank.

Zeer weinig kennen zij de mensheid, die vermeden, dat ene dergelijke bepaling doelmatig zijn zou. Zij zou het duel verminderen, ja; maar om veel erger onheil aan misdaden te vermeerderen. Menige gekrenkten, en zwaar gekrenkten, voorziende, dat hij na het duel en de nederlaag zijn beledigingen zou moeten openbaren, of ene zware straf ondergaan, zal afzien van het vorig hem in alle gevallen noodlottig duel. Zal hij daarom vergeven? Menigeen die zich zwaar gekrenkt rekent, die in veiligheid leven wil, doch niet weet of de rechter zijne krenking wel als ene belediging afmeten zou, zal afzien van het duel.

Maar allen zullen gevoelen dat wanneer de staat recht geeft om mensen aan zijn behoud, aan zijn rust, zijne veiligheid op te offeren (en wat doet de wetgever anders, wanneer hij een doodsvonnis neerschrijft), ook zij dat recht hebben want het geen recht is voor 10, voor 1000, voor miljoenen is ook recht voor enen; dit zullen zij gevoelen, en geen ander middel ter hunner beveiliging meer over hebbende, zullen zij moorden, - wetgevers; en met minder onrecht dan gij die het duel verbiedt op straf van dood of van hetgeen men evenzeer vreest. Want uwe straf is niet noodzakelijk; het tweegevecht schendt noch uwe rechten, noch die van het algemeen. Niemand duelleert dan vrijwillig; en het duel stoort de algemene rust niet.

Indien de booswicht, na de rechtvaardigen te hebben gekrenkt, hem vervolgens nog in een tweegevecht dood; welnu, zo zegeviert de boosheid – is dit zo vreemd op aarde – doch zegeviert in dat geval slechts op hem weer zich vrijwillig aan blootstellen. Ik ontken niet, dat zelfs hierin iets zeer onaangenaams en aanstotend ligt; maar elke wetgeving moet het algemene heil te doen hebben, en het algemene heil is de bescherming der rechten van alle. Aan een gevoelen van medelijden of billijkheid, mag geen menselijk recht worden opgeofferd. En dit zou het geval wezen, indien men de burger, daar waar de wetten hem niet beveiligen, verbood zichzelf een te helpen. Het mogelijk wetgever ondoenlijk zijn, ene volmaakte wet te maken; men vraagt hem die niet; men vraagt hem slechts de best mogelijke wet.

Zelden, zegt Machiavelli, vermijd men een kwaad, zonder in een ander te vallen; men kieze dus de partij, die de minste nadelen oplevert; want zonder enige zwarigheid, zonder enige tegenwerping vindt men er geen een.

Om iets af te schaffen is het niet genoeg aan te tonen, dat het in enig opzicht schadelijk is; men moet bewijzen, dat de afschaffing geen zwaardere nadelen opleveren zal. En gebruik staat dikwerf in verband met den volksgeest, met éénen geest, wiens instandhouding van het hoogste gewicht is, en dien men door het gebruik tegen te gaan, zou kunnen krenken. Er zijn vooroordelen, denkbeelden, die, ofschoon overdreven en voor gene nauwkeurige ontwikkeling vatbaar, op den zoo weinig logische mensch, heilzamer werken dan de logische waarheid. Zo was het wel leren met de vaderlandsliefde, waaraan men alles opofferde; zo is het thans met de eer. Ieder tijdvak kenmerkt zich door eigen regerende beginsel.

De Republikeinse oudheid over de mens op aan de burger; onze constitutionele eeuw zoekt in te burger de mens.

Men weet wel een sterke drijfveer tot grote daden de eerzucht is, welken moed het trotse gevoel van eigenwaarde de mens inboezemt.

Zwitserse troepen, huurlingen voor de vreemdeling strijdend die zij nauwelijks kenden, werden hun gevoel van eer, alleenlijk tengevolge, nergens door eigen krijgsvolk overtroffen. Omdat het gevoel van eer van den Italiaan geen wapenstrijd vordert, is Italië wellicht tegen gene troepen meer bestand. Men wane niet, dat de aanhankelijkheid van eenen vorst (la loyauté), omdat zij somwijlen schitterende daden teweegbracht, bij volk evenveel vermag als vaderlandsliefde of zelfgevoel. Men bemint zijn een eigen roem geheel anders dan die van zijnen veldheer of vorst; zijn land, het land waaraan men deel heeft, waarop men invloed uitoefent, geheel anders dan een land waar de vorst vaderlandsliefdegebied.

Men doet oneindig meer voor hetgeen men zelf wilde dan voor hetgeen een andere beval. Hoe verdedigden zich Gallië en Spanje tegen Rome; hoe verdedigden zij zich onder Rome, tegen de barbarenhorden? Nederland, dat onder Spanjes wapenen had gebloed, niet gebogen, wat deed het, o schande! Toen het geene republiek meer was dan in naam nog zich zelf gevoelend, Fransche benden half volwassen, half gewapend, zonder tucht, voor zijne poorten zag!

In de staten waar men den burger weinig of geen deel geeft in de regering zorge men vooral voor het gevoel van eer. Moge in despotische rijken, op theocratie gevestigd, de eer gesteld worden in blinde gehoorzaamheid; in constitutionele staten stelt men in iets anders; daar verwacht men niet, dat een man, die krenkingen en schande heeft leren verdragen, die zijn leven niet waagde voor zijn eigen beveiliging, voor de verdediging van zijne eer, zijne vrienden of magen, het veil zal hebben voor de verdediging van een land waar hij niet heerst, wiens wetten hem dwongen krenkingen te verduren, hem predikte dat schande slechts denkbeeldig is. Hoe toch zal men, zonder zichzelf tegen te spreken beweren, dat indien er geen schande in ligt voor de mens, door enen anderen te worden overheerst, het voor een volk schande zou zijn, zich door een ander te laten overheersen?

Wat geen schande is voor enen is het evenmin voor twee, voor 10, voor miljoenen. Indien men niet naar wapenen mag grijpen om zijn eigen menselijke rechten te verdedigen, mag men het ook niet om zijn het burgerlijke, om die van zijn land. Indien slechts geweld geen recht, de uitoefening van het verdedigingsrecht aan een volk kan ontnemen, eveneens is het met een mens daar, waar gene wet hem beveiligt. Wellicht zegt een der beroemdste geschiedschrijvers van onze tijd, wellicht zelfs wordt het duel te weinig gehandhaafd, en is men niet streng genoeg tegen degenen,, door de zwaarste belediging te verduren, doen onderstellen, niet dat zij die vergaven, maar dat zij geen voldoening vragen dorsten.

Indien men nu het duel, een verdedigingsmiddel, naar ik meen aangetoond te hebben, met natuurrecht nog staatskunde strijdig, in al de zelfde uitwerkselen beschouwd, en de menigvuldige nadelen, die je doet vermijden, vergelijkt met het geringe verlies, hetwelk het der maatschappij veroorzaakt; indien men in aanmerking neemt, dat de wetgever niet uit bijzondere inzichten, van welke aard ook, maar slechts overeenkomstig alle rechten, en ten algemene nutte iets bevelen nog verbieden mag, zal men hem, geloof ik, bezwaarlijk gerechtigd vinden om de mens een aangeboren recht welks uitoefening vele heilzame dan schadelijke gevolgen voor de staat heeft, door strafwetten te ontzeggen; en alzo de maatschappij aan de grotere nadelen bloot te stellen.

Daarbij moeten de wetten, zullen zij geëerbiedigd worden, hetgeen ongetwijfeld baar van het hoogste belang is, met het algemene gevoelen overeenstemmen. Ene strafwet, waaraan dit gevoelen geen schande hecht, verliest haar grootste kracht; en vermindert, inzonderheid, wanneer zij als onbillijk beschouwd wordt, de eerbied voor de wetten in het algemeen. “Daar immers,” zegt onze beroemde Kemper, “het oogmerk der straffen niet alleen is om door hare gestrengheid maar ook door hare schande af te schrikken, begrijpt men van zelve, hoeveel er aan gelegen is, dat dezelve door het algemene gevoelen ondersteund, en zo algemene voor rechtvaardig gehouden worden, dat zelfs het slachtoffer der wet de zelfde rechtmatigheid niet ontkennen kan. Ene enkele onrechtvaardigheid der rechters toch is genoegzaam om alle gezag aan de straffen in dit opzicht te benemen; zoo dat de slachtoffers der wet, welke nog korte voren van alle veracht werden, daardoor een voorwerp van medelijden en beklag al worden.” Engeland’s grootste kanselier noemt ene werd dan eerst goed, wanneer zij zich bepaald hij trekt, dat is duidelijk voor eenieder en zo weinig mogelijk aan het oordeel des rechters overlaten; wanneer hetgeen zij voorschrijft rechtvaardig is; wanneer zij zonder bezwaar ten uitvoer kan gebracht worden; wanneer zij met de staatsinrichting overeenkomstig is; en, eindelijk, wanneer zij onderdanen tot het goede leidt.

Een rechtvaardig strafwetboek moet derhalve het verval van verwondingen manslag in de vrijwillige tweestrijd, bepaald behandelen; bij het ontbreken hiervan is de straf, die er naderhand op mocht toegepast worden, tiranisch; de vraag of ene strafwet te dien aanzien rechtvaardig zijn zou, heb ik behandeld; verder behoort die wet zonder groot bezwaar uitvoerbaar te zijn en uitgevoerd te worden, tegen een ieder namelijk; want deze te straffen, genen vrij te laten zonder al te onrechtvaardig wezen, en den burger niet meer van de wet maar van willekeur afhankelijk maken. Vervolgens moet zijn met de staatsinrichting overeenstemmen.

Dat is met de geest des staats, met de overige wetten, en het ware belang der maatschappij. Behalve het door mij te dien aanzien aangevoerde, behoort men hier dus wel te overwegen waartoe men zich door het bepalenene straf verbinden zou. Engeland, Frankrijk en België hebben in de laatste jaren bijvoorbeeld een duel opgeleverd van twee gevechten onder de aanzienlijkste mannen des lands. Gesteld, de wet verbood het duel, of slechts de manslag in een duel, op straffe van ballingschap; zou de wet tegen dergelijke mannen ligt uitvoerbaar zijn, zou het staatskundig gewezen, dezelve te verbannen?

 

Secondanten? Die dan toch nodig zijn om te bewijzen dat de twee gevechten regelmatig toeging, en er geen moord gepleegd werd. Wat zal men winnen door al deze, soms hoogst nuttige mannen te bannen? Het duel beletten? Maar de ondervinding heeft bewezen dat de algemene mening sterker is dan de bedreiging ener wet. Of zal men ene vorstelijke gratie aan abolitie of dispensatie telkens als een Deus ex-machina tussen beiden laten treden? ten koste van de achting voor de wet of de tussen beiden treder. Kan eindelijk een wet die, uitgeoefend, verraderlijke aanslagen, moord of lafheid voortbrengen zou; die, niet uitgeoefend, de achting voor de wetten in het algemeen zou verzwakken; kan zulks eene wet gezegd worden, de onderdanen tot het goede te leiden?

Ik hoop dat men mij niet verkeerd zal begrijpen, dat men mij niet als ene lofrede naar van de dueleerder zal beschouwen; en daartoe diene de verklaring, dat ik, zoveel als iemand een afschuw heb van hem, die nodeloos bloedvergieten en onschuldigen in de rampenstaf: maar dit neemt niet weg, dat men het duel in sommige gevallen, als een droevige noodzakelijkheid mag beschouwen en als een gebruik, hetwelk in onze tegenwoordige burgersstaten, de onder volmaakte mensen natuur in aanmerking genomen voor het algemeen heilzaam wezen kan en dus voor de wetgever niet behoort te worden gestraft. Ook bedriegt men zich, geloof ik, wanneer men vreest dat de wetgever, door duel vrij te laten, het zelve vermenigvuldigen zou. Het schijnt mij integendeel te wachten, dat wanneer de wet tweegevecht ongestraft niet, het algemene gevoelen zich sterker tegen de aanrander zowel als tegen de nodeloos bloedvergietenden n zou verheffen; omdat zij minder waagden: hoe groter toch het gevaar aan de misdaad verbonden, des te geneigd er de mensen om haar te vergeven. In alle gevallen is het verkeerd, de wet als eenen vogelverschrikker te gebruiken; en tirannisch , ze tegen de enen toe te passen, tegen den anderen niet. Wee de staat waar met wetten gespot wordt

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: zo, 05/06/2016 - 15:15
Laatst aangepast op: ma, 06/06/2016 - 17:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.