-A +A

Het begrip “bestuurder” (art. 29bis WAM) verder uitgeklaard door het Hof van Cassatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Verschaffel S
Tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/2
Pagina: 
125
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

Bronverwijzingen

• Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (BS 8 december 1989, p. 20.122).
• D. Simoens, “De nieuwe vergoedingsregel ten voordele van voetgangers en fietsers”, RW 1994-95, (114) 115. Zie algemeen: C. Van Schoubroeck en T. Meurs, Vergoedingsregeling zwakke weggebruiker (art. 29bis WAM-wet), Mechelen, Kluwer, 2013, xi + 90 p.
• Over de kwalificatie bestaat discussie, zie daarover: H. De Rode, L'indemnisation des victimes faibles d'accidents de circulation
• l'article 29bis, Louvain-la-Neuve, Anthémis, 2008, 9-11.
• C. Van Schoubroeck en T. Meurs, Vergoedingsregeling zwakke weggebruiker (art. 29bis WAM-wet), Mechelen, Kluwer, 2013, 11-13).
• Cass. 17 mei 2000, JLMB 2000, 1502
• J.-L. Fagnart, “Article 29bis. Vingt ans de controverses” in B. Dewit, B. Didier, J.-L. Fagnart, P. Galand, P.-A. Lazarski, A. Rondao Alface, C. Van Gheluwe en J. Van Rossum, L'assurance R.C. Auto. Les 25 ans de la loi du 21 novembre 1989, Limal, Anthémis, (45) 57.
• C. Van Schoubroeck en T. Meurs, Vergoedingsregeling zwakke weggebruiker (art. 29bis WAM-wet), Mechelen, Kluwer, 2013, 14.
• B. Kohl en L. Sauvier, “Le point sur l'indemnisation des victimes d'accidents de la circulation” in M. Dambre en P. Lecocq (eds.), Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters, Brugge, die Keure, 2013, (239) 261
• N. Estienne, noot onder Pol. Luik 20 september 2001, RGAR 2002, nr. 13.621, (2r°) 2v°
• B. Dubuisson, “Questions diverses: l'application de la loi dans le temps et dans l'espace, le préjudice par répercussion, la situation du conducteur” in B. Dubuisson en P. Jadoul (eds.), L'indemnisation des usagers faibles de la route, Brussel, Larcier, 2002, (139) 163.
• nCass. 20 december 2007, C.06.0301.N.
• H. De Rode, L'indemnisation des victimes faibles d'accidents de circulation: l'article 29bis, Louvain-la-Neuve, Anthémis, 2008, 74.
• D. Simoens (“Schendt het verkeersongevallenartikel 29bis W.A.M. de grondwettelijke gelijkheidsbepalingen?”, TBBR 2001, 604-612)
• J. Bogaert, “Het Hof van Cassatie over het begrip bestuurder” (noot onder Pol. Gent 22 oktober 2007), De Verz. 2008, (70) 71).
• Arbitragehof 23 januari 2002, nr. 23/2002.
• D. Simoens, “Is een copiloot een bestuurder?” (noot onder Cass. 13 april 2007), RW 2007-08, (1078) 1079.
• C. Van Schoubroeck en T. Meurs, Vergoedingsregeling zwakke weggebruiker (art. 29bis WAM-wet), Mechelen, Kluwer, 2013, 20
• J.M. Genicot, Concl. onder Cass. 18 mei 2012, C.11.0628.F-C.11.0791.F, nr. 2, www.juridat.be
• B. Dubuisson, “Questions diverses: l'application de la loi dans le temps et dans l'espace, le préjudice par répercussion, la situation du conducteur” in B. Dubuisson en P. Jadoul (eds.), L'indemnisation des usagers faibles de la route, Brussel, Larcier, 2002, (139) 165
• L. Cornelis, “De objectieve aansprakelijkheid voor motorrijtuigen”, RW 1998-99, (521) 528, die de discussie over de restrictieve interpretatie “irrelevant” noemt
• D. Simoens, “De gewijzigde vergoedingsregel ten voordele van voetgangers, fietsers en passagiers”, RW 1995-96, 220
• Rb. Nijvel 29 september 2010, RGAR 2011, nr. 14.719
• Rb. Brussel 27 september 2006, T.Pol. 2008, 37
• Rb. Brussel 12 april 2002, RGAR 2003, nr. 13.715
• Pol. Nijvel 19 januari 2009, JLMB 2010, 790
• Pol. Gent 22 oktober 2007, De Verz. 2008, 79, noot J. Bogaert
• Pol. Antwerpen 25 september 2007, VAV 2008, 284
• Pol. Charleroi 19 februari 2004, JLMB 2005, 75
• Pol. Brugge 23 november 1998, RGAR 2000, nr. 13.314. Contra: J. Bogaert, Tien jaar praktijk artikel 29bis: de regeling ten voordele van zwakke weggebruikers, Mechelen, Kluwer, 2004, 59 et seq.
• Cass. 13 april 2007, C.05.0399.N.
• Beneluxhof 8 december 1994, A/93/5, Concl. B. Janssens De Bisthoven.
• Cass. 7 juni 2012, T.Verz. 2012, 478.
• Cass. 18 mei 2012, C.11.0628.F-C.11.0791.F, Concl. J.M. Genicot.
• D. Simoens, “De gewijzigde vergoedingsregel ten voordele van voetgangers, fietsers en passagiers”, RW 1995-96, 220.
• B. Dubuisson, “Questions diverses: l'application de la loi dans le temps et dans l'espace, le préjudice par répercussion, la situation du conducteur” in B. Dubuisson en P. Jadoul (eds.), L'indemnisation des usagers faibles de la route, Brussel, Larcier, 2002, (139) 166.
• E. Van Den Hout, “Art. 29bis WAM. Heeft een bestuurder bij het uitstappen nog de controle over het voertuig?” (noot onder Cass. 7 juni 2012), T.Verz. 2012, (481) 483.
• B. Dubuisson, “Questions diverses: l'application de la loi dans le temps et dans l'espace, le préjudice par répercussion, la situation du conducteur” in B. Dubuisson en P. Jadoul (eds.), L'indemnisation des usagers faibles de la route, Brussel, Larcier, 2002, (139) 167. Zie bv. Pol. Nijvel 19 januari 2009, JLMB 2010, 790.
• L. Cornelis, “De objectieve aansprakelijkheid voor motorrijtuigen”, RW 1998-99, (521) 528.
• Cass. 7 juni 2012, T.Verz. 2012, 478
• Pol. Dinant 24 juni 2013, VAV 2015, 29. Contra: Rb. Brussel 23 juni 2009, De Verz. 2010, 197.
• B. Dubuisson, “Questions diverses: l'application de la loi dans le temps et dans l'espace, le préjudice par répercussion, la situation du conducteur” in B. Dubuisson en P. Jadoul (eds.), L'indemnisation des usagers faibles de la route, Brussel, Larcier, 2002, (139) 167.
• J.-L. Fagnart, “Article 29bis. Vingt ans de controverses” in B. Dewit e.a., L'assurance R.C. Auto. Les 25 ans de la loi du 21 novembre 1989, Limal, Anthémis, (45) 60.
• In dit verband is er rechtspraak die stelt dat iemand in een dergelijk geval geen bestuurder meer is: Rb. Brussel 9 december 2011, RGAR 2012, nr. 14.893
• Pol. Veurne 4 maart 2004, TGR 2004, 248. Andere feitenrechters waren het tegengestelde oordeel toegedaan: Pol. Dinant 9 januari 2001, Verkeersrecht 2001, 67.
• Cass. 18 mei 2012, C.11.0628.F-C.11.0791.F.
• J. Bogaert en L. Brewaeys, “De zwakke weggebruiker (schadevergoeding)” in SCHD 2010, afl. 32, (G.I.1/1) G.I.4/10
• B. Dubuisson, “Questions diverses: l'application de la loi dans le temps et dans l'espace, le préjudice par répercussion, la situation du conducteur” in B. Dubuisson en P. Jadoul (eds.), L'indemnisation des usagers faibles de la route, Brussel, Larcier, 2002, (139) 169.
• B. Dubuisson, “Questions diverses: l'application de la loi dans le temps et dans l'espace, le préjudice par répercussion, la situation du conducteur” in B. Dubuisson en P. Jadoul (eds.), L'indemnisation des usagers faibles de la route, Brussel, Larcier, 2002, (139) 169.
• Cass. 19 juni 2015, hier geannoteerd
• Cass. 18 mei 2012, C.11.0628.F-C.11.0791.F
• Rb. Brussel 9 december 2011, RGAR 2012, nr. 14.893.
• Rb. Nijvel 29 september 2010, RGAR 2011, nr. 14.719 en het vonnis a quo: Pol. Nijvel 19 januari 2009, JLMB 2010, 790
• Pol. Charleroi 19 februari 2004, JLMB 2005, 75.
• J.M. Genicot, Concl. onder Cass. 18 mei 2012, C.11.0628.F-C.11.0791.F, nr. 5, www.juridat.be.
• Cass. 18 mei 2012, C.11.0628.F-C.11.0791.F.
• Rb. Brussel 9 december 2011, RGAR 2012, nr. 14.893
• Rb. Nijvel 29 september 2010, RGAR 2011, nr. 14.719
• Rb. Brussel 27 september 2006, T.Pol. 2008, 37.
• Het is aan het slachtoffer om aan te tonen dat het geen bestuurder meer was op het ogenblik van het ongeval, niet aan de verzekeraar om dat op te werpen als exceptie: Cass. 20 december 2007, C.06.0301.N.
• C. Van Schoubroeck en T. Meurs, Vergoedingsregeling zwakke weggebruiker (art. 29bis WAM-wet), Mechelen, Kluwer, 2013, 25.
• M. Kruithof, “Oorzaak of aanleiding? Geen causaal verband zonder causale bijdrage” in T. Vansweevelt en B. Weyts (eds.), Actuele ontwikkelingen in het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 139-208.
• Rb. Leuven 25 april 2007, VAV 2008, 19
• Rb. Brussel 12 april 2002, RGAR 2003, nr. 13.715
• Rb. Brugge 13 januari 2000, Verkeersrecht 2000, 365
• Pol. Brugge 20 mei 2009, VAV 2010, 18
• Pol. Antwerpen 25 september 2007, VAV 2008, 284
• Pol. Brugge 23 november 1998, RGAR 2000, nr. 13.314
• J.-L. Fagnart, “Article 29bis. Vingt ans de controverses” in B. Dewit e.a., L'assurance R.C. Auto. Les 25 ans de la loi du 21 novembre 1989, Limal, Anthémis, (45) 62
• J. Bogaert, Tien jaar praktijk artikel 29bis: de regeling ten voordele van zwakke weggebruikers, Mechelen, Kluwer, 2004, 56.
• Cass. 18 mei 2012, C.11.0628.F-C.11.0791.F.
• Zie bv. Rb. Kortrijk 2 september 2003, RW 2005-06, 675. Zie ook L. Cornelis, “De objectieve aansprakelijkheid voor motorrijtuigen”, RW 1998-99, (521) 528.
• Supra, nrs. 5 et seq.
• D. Simoens, “De gewijzigde vergoedingsregel ten voordele van voetgangers, fietsers en passagiers”, RW 1995-96, 220.
• Rb. Leuven 25 april 2007, VAV 2008, 19
• Rb. Brussel 12 april 2002, RGAR 2003, nr. 13.715
• Rb. Brugge 13 januari 2000, Verkeersrecht 2000, 365
• Pol. Brugge 20 mei 2009, VAV 2010, 18
• Pol. Antwerpen 25 september 2007, VAV 2008, 284
• Pol. Brugge 23 november 1998, RGAR 2000, nr. 13.314
• J.-L. Fagnart, “Article 29bis. Vingt ans de controverses” in B. Dewit e.a., L'assurance R.C. Auto. Les 25 ans de la loi du 21 novembre 1989, Limal, Anthémis, (45) 62
• J. Bogaert, Tien jaar praktijk artikel 29bis: de regeling ten voordele van zwakke weggebruikers, Mechelen, Kluwer, 2004, 56.
• Cass. 13 april 2007, C.05.0399.N.
• Beneluxhof 8 december 1994, A/93/5, Concl. B. Janssens De Bisthoven.
• Cass. 23 oktober 1973, Arr.Cass. 1974, 221.
• Rb. Ieper 17 april 2013, T.Verz. 2014, 407,
• Rb. Brussel 12 april 2002, RGAR 2003, nr. 13.715.
• Beneluxhof 8 december 1994, A/93/5, Concl. B. Janssens De Bisthoven, nr. 17.
 

 

• Cass. 07:06:2015, Juridat

Samenvatting

De bestuurder in de zin van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, is de persoon die het motorrijtuig bestuurt op het tijdstip van het ongeval, namelijk diegene die op dat tijdstip het meesterschap erover heeft

Tekst arrest

Nr. C.14.0209.F
N. R.,
tegen
ETHIAS nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 4 september 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989, wordt, bij een verkeersonge-val waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

De bestuurder in de zin van het voornoemde artikel 29bis is de persoon die het motorrijtuig bestuurt op het tijdstip van het ongeval, namelijk diegene die op dat tijdstip het meesterschap erover heeft.

Volgens het bestreden vonnis heeft de eiser, die als passagier in het rijtuig dat door G.S. bestuurd werd had plaats genomen, plotseling het stuur genomen en ge-draaid waardoor G.S. het meesterschap over het rijtuig heeft verloren, aangezien hij het onmogelijk nog kon besturen en de eiser de besturing van het rijtuig had overgenomen.

Het bestreden vonnis heeft uit die overwegingen waaruit blijkt dat de eiser, vol-gens de appelrechters, het meesterschap over het rijtuig had, naar recht kunnen af-leiden dat de eiser de hoedanigheid van bestuurder had op het tijdstip van het on-geval.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel
(...)

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer,


C.14.0209.F
Conclusions de l'avocat général Genicot:

Sur le premier moyen, quant au fond.

Au sens de l'article 2 d'assurance sur la base de l'article 29bis de la loi du 21 novembre 1989 le conducteur est la personne qui "conduit le véhicule automoteur au moment de l'accident, c'est-à-dire celle qui, à ce moment, en exerce le contrôle par l'utilisation des moyens mécaniques donnant la possibilité d'imprimer une direction au véhicule et qui maîtrise ainsi la puissance du moteur".(1)

Comme l'évoque le demandeur en son pourvoi, le professeur Dubuisson précise que:

"Le conducteur est la personne qui conduit le véhicule automoteur au moment de l'accident, c'est-à-dire celui qui, à ce moment en exerce le contrôle effectif au moyen du volant et des pédales et maîtrise ainsi la puissance du moteur. Selon une autre définition, le conducteur est celui qui, au moment de l'accident a effectivement la possibilité d'imprimer une direction au véhicule par l'utilisation des moyens mécaniques prévus à cet effet, sans qu'il soit requis nécessairement qu'il occupe le siège conducteur".(2)

La seconde définition complète à mon sens d'un point de vue plus dynamique, la notion de conducteur que caractérise celle de maîtrise du véhicule.

Tout conducteur imprime nécessairement à son véhicule une force tant motrice (boitier de vitesse - pédalier) que directionnelle (volant).

La combinaison de ces deux aspects donne au véhicule sa force cinétique que maîtrise nécessairement - en règle - le conducteur assis à la place du pilote.

Le passager qui vient à se saisir soudainement du volant du véhicule en mouvement auquel il imprime délibérément par un coup brusque une orientation qui le conduit immédiatement à l'accident, ne doit-il pas être considéré comme s'étant approprié à ce moment non seulement la maîtrise directionnelle du véhicule mais aussi, par la surprise et l'instantanéité de son geste, la force motrice que lui avait imprimée jusqu'alors le conducteur originaire qui s'en est vu soudain dépossédé par son passager dont la maîtrise soudaine du volant lui assure alors l'appropriation exclusive des forces directionnelle et motrice, même s'il n'a pas accès au pédalier dès lors qu'il est en mesure d'assujettir à sa seule discrétion la puissance du véhicule en mouvement?

J'incline à le penser:

1. La négative conduirait à mon sens au paradoxe d'un véhicule sans conducteur, alors qu'il ne pourrait être contesté qu'un geste de conduite délibéré serait cependant à l'origine de l'accident.

2. L'hypothèse d'un passager se saisissant du volant pour tenter de suppléer à la déficience du conducteur et éviter un accident, se distinguerait à mon sens fondamentalement de la précédente hypothèse:

- d'une part, en ce dernier cas ce passager entend, non pas contrarier la conduite du conducteur en "s'appropriant" l'allure imprimée dans le sens qu'il lui imprime, mais au contraire tente d'en poursuivre la conduite en l'adaptant aux circonstances,

- d'autre part, rien ne permet d'indiquer a priori que ce passager fût effectivement dans les conditions de pouvoir assurer la maîtrise du véhicule, dans le but particulièrement difficile qui est alors le sien de se substituer au conducteur défaillant.

Il me paraît en effet bien plus aisé de "maîtriser" un véhicule pour provoquer une embardée que pour tenter de la redresser ou de l'éviter.

3. Une autre hypothèse, évoquée ici par le demandeur, "d'un geste brusque perturbant la conduite du conducteur sans pour autant toucher directement le volant (par exemple bousculant son bras ou lui coupant la vie provisoirement)", me paraît relever d'une éventualité dont les éléments ne permettraient précisément pas de déduire un lien suffisant entre le geste du passager et une quelconque capacité de maîtrise du véhicule.

L'analyse de ces hypothèses relève dès lors d'une casuistique dont l'appréciation de fait revient au pouvoir des juges du fond, sans qu'il puisse selon moi être exclu en soi et par principe qu'un passager ne puisse être conducteur au sens de la loi au seul motif qu'il n'aurait pas eu accès au pédalier du véhicule.

En l'espèce.

Il ressort des constatations du jugement attaqué et plus précisément les déclarations du conducteur que:

"... A un moment donné [le demandeur] a saisi le volant et lui a fait brusquement faire un quart de tour, la voiture est alors partie en dérapage et je n'ai pu la contrôler, la voiture est alors sortie de la chaussée et s'est immobilisée dans un champ en contrebas".

Les juges d'appel poursuivent en ces termes:

"Le conducteur du véhicule et celui qui en assure la direction (article 2.13 du code de la route).

En prenant le volant, [le demandeur] a pris les commandes du véhicule et par là même la qualité de conducteur.

Lors de l'accident, G. F., n'avait que la maîtrise du véhicule, étant dans l'impossibilité d'assurer la direction, [le demandeur] ayant pris possession de l'instrument de conduite". (page 6 du jugement attaqué)

Sur base de leurs constatations et des développements exposés ci-dessus, il m'apparaît que les juges d'appel ont légalement justifié leur décision, sans méconnaître la notion de conducteur au sens de l'article 29bis précité.

Le premier moyen ne peut être accueilli.

Subsidiairement, dans l'hypothèse où cette motivation s'avérerait erronée et où le premier moyen pourrait s'avérer dès lors fondé à son encontre: quant à la fin de non-recevoir opposée au premier moyen par la défenderesse et déduite de ce qu'il est dénué d'intérêt, la décision attaquée s'avérant justifiée par un motif substitué au motif critiqué.

En vertu de l'article 29bis de la loi du 21 novembre 1989, les assureurs couvrant la responsabilité du propriétaire, du conducteur ou détenteur du véhicule impliqué en cas d'accident de circulation engageant plusieurs véhicules automoteurs, sont tenus de réparer les dommages résultant de lésions corporelles de toutes les victimes de l'accident, à l'exclusion de ceux subis par les conducteurs de ces véhicules ou par les victimes âgées de plus de 14 ans qui ont voulu l'accident et ses conséquences (article 29bis, § 1er, alinéa 6)

Pour refuser au demandeur la couverture d'assurance sur la base de cet article 29bis, le jugement attaqué déduit la qualité de conducteur de ce qu'"en prenant le volant (...) (il) a pris les commandes du véhicule", déduction que conteste précisément le moyen.

Or par une motivation distincte le jugement attaqué, en son 7ème feuillet, précise également que le demandeur "a causé volontairement l'accident et ses conséquences" en prenant "subitement le volant du véhicule et en lui faisant faire un quart de tour... Il ne pouvait en effet ignorer qu'en tournant le volant en pleine ligne droite il allait provoquer la sortie de route du véhicule et causer un dommage, le seul fait que les conséquences précises de l'accident telles qu'elles sont survenues n'aient le cas échéant pas été voulues n'excluant pas la faute intentionnelle. En effet, pour qu'il y ait faute intentionnelle, il suffit qu'un dommage ait été voulu quand bien même la nature ou l'ampleur du sinistre n'ont pas été recherchées comme telles".

Cette dernière motivation - même si elle figure sous le titre "2. Couverture conducteur" suffit à elle seule à exclure la garantie sur la base de la faute intentionnelle visée à l'article 29bis, § 1er, alinéa 6, et à justifier ainsi la décision querellée, en sorte que le moyen, fût-il fondé, dirigé contre une motivation devenue surabondante s'avère irrecevable à défaut d'intérêt.

Cette motivation m'apparaît bien remplir toutes les conditions d'une substitution de motifs, dès lors que reposant entièrement sur les faits constatés par la décision attaquée elle s'avère être de pur droit tandis que, propre à suppléer le motif critiqué et - en cette hypothèse - erroné, elle ne modifie aucunement la décision elle-même.(3)

La fin de non-recevoir est fondée.

Quant au second moyen portant sur la "couverture conducteur" et son exclusion en raison de la faute intentionnelle de ce dernier.

Comme rappelé ci-dessus, les juges d'appel énoncent que le demandeur "a causé volontairement l'accident et ses conséquences" en prenant "subitement le volant du véhicule et en lui faisant faire un quart de tour... Il ne pouvait en effet ignorer qu'en tournant le volant en pleine ligne droite il allait provoquer la sortie de route du véhicule et causer un dommage, le seul fait que les conséquences précises de l'accident telles qu'elles sont survenues n'aient le cas échéant pas été voulues n'excluant pas la faute intentionnelle. En effet, pour qu'il y ait faute intentionnelle, il suffit qu'un dommage ait été voulu quand bien même la nature ou l'ampleur du sinistre n'ont pas été recherchées comme telles".

Par ces motifs ils considèrent que "la faute intentionnelle du demandeur est par conséquent établie."

Le second moyen fait grief au jugement attaqué d'avoir, ce faisant, "uniquement constaté que le demandeur a voulu créer le risque [sans constater qu'il] a volontairement et sciemment causé le dommage".

Or les juges d'appel m'apparaissent avoir clairement exposé, contrairement à ce que suppose le moyen, l'existence avérée selon eux d'une volonté du demandeur de causer le dommage et non pas seulement d'en avoir généré le risque.

Le moyen qui procède d'une lecture incorrecte de l'arrêt me paraît manquer en fait.

Conclusion.
Je conclus au rejet.
____________________
(1) Cass. 18 mai 2012, RG C.11.0628.F-C.11.0791.F, Pas. 2012, n° 314 avec concl. MP.
(2) BERNARD DUBUISSON, "Le champ d'application de la loi dans le temps et dans l'espace". "L'exclusion du conducteur", in Cinq années d'application de la loi sur l'indemnisation des usagers faibles de la route, Ed. Fac. Univ. Saint-Louis, 2001, p. 21.
(3) C. PARMENTIER, Comprendre la technique de cassation, Larcier 2011, JLMB Opus 8, p. 143.

Noot: Revue de Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles [JLMB] DUBUISSON, Bernard; Observations 'Le passager impétueux qui devient conducteur... deux fois puni' 2015, n° 42, p. 1998-2008.


Snelheidswedstrijden:

Cass. 12/06/2014, AR C.13.0349.N, juridat

samenvatting

De wetgever heeft bij de invoering van artikel 29bis van de WAM 1989 niet willen afwijken van de wetsbepaling die toelaat de schade van de inzittende in een motorrijtuig dat deelneemt aan een van overheidswege toegelaten snelheidsrit of -wedstrijd uit de dekking van de bijzondere verzekering te sluiten

Tekst arrest

Nr. C.13.0349.N
H.,
eiser,

tegen
AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,
verweerster,
woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 23 november 2012.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 8, eerste lid, WAM bepaalt dat geen snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsrit of -wedstrijd voor motorrijtuigen mag worden georganiseerd dan met schriftelijke toestemming van een door de Koning aan te wijzen overheid, die moet vaststellen of de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de organisatoren en van de in artikel 3, § 1, WAM bedoelde personen gedekt is door een bijzondere verzekering die aan de bepalingen van deze wet voldoet.

Artikel 8, derde lid, WAM bepaalt dat voor snelheidsritten en -wedstrijden de schade aan bestuurders en andere inzittenden van de eraan deelnemende motorrij-tuigen en de schade aan die motorrijtuigen zelf van de bijzondere verzekering kunnen worden uitgesloten.

2. Artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in arti-kel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed wordt door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

3. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepalingen blijkt niet dat de wetgever bij de invoering van artikel 29bis WAM heeft willen afwijken van artikel 8, derde lid, WAM, dat toelaat de schade van de inzittende in een motorrijtuig dat deelneemt aan een van overheidswege toegelaten snelheidsrit of -wedstrijd, uit de dekking van de bijzondere verzekering te sluiten.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 578,02 euro en voor de verweerster op 209,71 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


C.13.0349.N
Conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal:
Situering en procedurevoorgaanden

1. De huidige procedure heeft betrekking op een verkeersongeval dat op 2 oktober 2005 plaatsvond tijdens een rallywedstrijd te H.
Volgens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan was slechts één voertuig hierbij betrokken, namelijk een voertuig Honda Integra, bestuurd door F.D. Eiser was copiloot in dit voertuig. De bestuurder verloor de controle over het voertuig waardoor dit in een veld naast het parcours belandde; eiser liep hierbij verwondingen op.

De organisator van de rally had met verweerster een aansprakelijkheidsverzekering gesloten, zoals voorzien in artikel 8 van de WAM 1989.

2. Op 29 september 2010 dagvaardde eiser verweerster voor de politierechtbank te Turnhout teneinde deze verzekeraar, op grond van artikel 29bis van de WAM 1989, te horen veroordelen tot betaling van een provisionele vergoeding voor de naar aanleiding van het verkeersongeval van 2 oktober 2005 geleden schade, en een medische expertise te horen bevelen.

3. Bij vonnis van 4 oktober 2011 veroordeelde de politierechtbank te Turnhout verweerster tot betaling van een provisionele vergoeding van 2.500 EUR aan eiser en beval zij een medische expertise.

4. Verweerster tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis. De rechtbank van eerste aanleg te Turnhout verklaarde dit hoger beroep bij vonnis van 23 november 2012 gegrond en wees de oorspronkelijke vordering van eiser als ongegrond af.

5. Het cassatieberoep van eiseres maakt het voorwerp uit van huidige cassatieprocedure.

Het enig cassatiemiddel

6. In het enig cassatiemiddel komt eiser op tegen de beslissing van de appelrechters volgens welke de bedongen uitsluiting in de polis, luidens welke de passagiers van de aan de wedstrijd deelnemende voertuigen van het genot van de verzekering uitgesloten zijn, geldig is in toepassing van artikel 8, derde lid, van de WAM 1989 en bijgevolg niet strijdig is met artikel 29bis van deze wet.

Volgens eiser kan de contractuele uitsluiting in de polis geen afbreuk doen aan de verplichting van de bijzondere verzekeraar om, op grond van artikel 29bis van de WAM 1989, de inzittenden van de deelnemende voertuigen te vergoeden. Een contractuele clausule in de bijzondere verzekering, waarbij inzittenden van de deelnemende motorrijtuigen van de verzekering worden uitgesloten, is immers, in zoverre ze betrekking heeft op de vergoeding op grond van artikel 29bis van de WAM 1989, volstrekt nietig daar zij strijdig is met deze wetsbepaling die, in tegenstelling tot artikel 8, derde lid, van de WAM 1989, de openbare orde raakt en die bovendien van latere datum is dan artikel 8, derde lid.

Bespreking van het enig cassatiemiddel

7. Een eerste vraag die door het middel aan de orde wordt gesteld betreft de toepasselijkheid van artikel 29bis van de WAM 1989 op snelheidswedstrijden.

8. Krachtens artikel 29bis, §1, eerste lid, van de WAM 1989 wordt bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, §1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

De vraag rijst aldus of artikel 29bis van de WAM 1989 ook geldt voor verkeersongevallen die zich voordoen tijdens snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten en -wedstrijden waartoe van overheidswege verlof is verleend.

9. Uw Hof heeft die vraag reeds positief beantwoord: "Een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet is het ongeval dat zich voordoet op de openbare weg en op de terreinen, zij het privé, die toegankelijk zijn voor een aantal personen die het recht hebben om er te komen. Uit de omstandigheid dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens een snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsrit of -wedstrijd op een afgesloten circuit kan niet worden afgeleid dat het ongeval geen verkeersongeval is in de zin van voornoemde bepaling."(1)

10. Het Benelux Gerechtshof heeft zich reeds uitgesproken over de vraag of deelname aan een snelheidswedstrijd kan worden beschouwd als deelname aan het wegverkeer in de zin van artikel 2 van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Volgens het prejudicieel arrest van het Benelux-Gerechtshof van 9 okt. 2012 dient die vraag bevestigend te worden beantwoord(2). In zijn antwoord op de door de rechter gestelde prejudiciële vraag stelde dit Hof inderdaad: "Indien het de bedoeling van artikel 2, §1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen was geweest de schade uit te sluiten die voortvloeit uit een ongeval dat tijdens een wedstrijd door een motorrijtuig wordt veroorzaakt, was het niet nodig geweest in artikel 4, §2, van die Gemeenschappelijke Bepalingen te voorzien in de mogelijkheid van een dergelijke uitsluiting. Daaruit volgt dat een ongeval dat tijdens een wedstrijd door een motorrijtuig wordt veroorzaakt behoort tot de verkeersongevallen voor de aansprakelijkheid waarvoor artikel 2, §1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen een verzekeringsplicht oplegt."

11. Uit voormelde rechtspraak volgt dat de schade die wordt toegebracht aan zwakke weggebruikers in het kader van een snelheidswedstrijd in principe gedekt wordt door de bijzondere verzekeraar, conform art. 8, eerste lid, van de WAM 1989, zonder dat de zwakke weggebruiker de aansprakelijkheid van de bestuurder moet aantonen, conform artikel 29bis, §1 van dezelfde wet.

12. Voor de toepassing van artikel 29bis van de WAM 1989 vallen onder meer de inzittenden van motorrijtuigen, voetgangers en fietsers onder de definitie van de zwakke weggebruiker. Zij kunnen zich in principe beroepen op de toepassing van dit wetsartikel.

13. Artikel 29bis, §2, van de WAM 1989 maakt echter een uitzondering voor de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden. Zij kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel, tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt.

14. De reden waarom de wetgever het systeem van de objectieve aansprakelijkheid niet heeft ingevoerd ten voordele van de bestuurder is omdat "de wet bedoeld is om het lot van de slachtoffers te verbeteren en niet dit van personen waarvoor men mag stellen dat zij het risico scheppen, noch van de personen die schade lijden ten gevolge van de lichamelijke letsels of het overlijden van de bestuurder"(3).

Daaruit volgt dat de schade die wordt toegebracht aan de bestuurder van een motorrijtuig in het kader van een snelheidswedstrijd slechts gedekt wordt door de bijzondere verzekeraar wanneer hij, krachtens het gemeen recht, recht heeft op schadevergoeding en die schade niet is uitgesloten van de bijzondere verzekering.

15. Een tweede vraag die aan de orde is betreft de verhouding tussen artikel 8, derde lid, en artikel 29bis van de WAM 1989.

16. Krachtens artikel 8, eerste lid, van de WAM 1989 mag een snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsrit of -wedstrijd voor motorrijtuigen niet worden georganiseerd zonder de schriftelijke toestemming van een door de Koning aan te wijzen overheid, die moet vaststellen of de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de organisatoren en van de in artikel 3, §1, bedoelde personen gedekt is door een bijzondere verzekering die aan de bepalingen van de WAM 1989 voldoet.
Voor snelheidsritten en -wedstrijden, kunnen de schade aan de bestuurders en andere inzittenden van de eraan deelnemende motorrijtuigen en de schade aan die motorrijtuigen zelf evenwel volgens artikel 8, derde lid, van de WAM 1989 worden uitgesloten van de bijzondere verzekering.

17. De vraag rijst of de wetgever met artikel 29bis van de WAM 1989 heeft willen afwijken van het bepaalde in artikel 8, derde lid, van dezelfde wet, in zoverre die laatste bepaling toelaat dat de schade aan de inzittenden van de bijzondere verzekering kan worden uitgesloten.

18. Uit de wetsgeschiedenis blijkt naar mijn mening niet dat dit het geval zou zijn. Nergens blijkt uit de parlementaire voorbereiding van voornoemd artikel 29bis dat de wetgever met de invoering of wijziging van die wetsbepaling heeft willen afwijken van de regeling van artikel 8, derde lid.

19. De bedoeling van voornoemd artikel 29bis, dat werd ingevoegd bij artikel 45 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, was om slachtoffers van een verkeersongeval waarbij één of meer motorrijtuigen betrokken zijn automatisch te vergoeden voor de schade die ze hebben geleden, zonder dat zij de aansprakelijkheid van de bestuurder moeten kunnen aantonen. Artikel 29bis voerde met andere woorden een objectieve aansprakelijkheid in.(4) Hierdoor wordt afgeweken van het gemeen aansprakelijkheidsrecht. Er werd daarmee een tweevoudig doel nagestreefd: enerzijds een verlichting van de uitgaven voor het RIZIV(5) en anderzijds de bespoediging van de schadeloosstelling van bepaalde slechtoffers van verkeersongevallen(6).

20. Die wetsbepaling heeft een algemeen toepassingsgebied, met name voor verkeersongevallen op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen. Zoals hierboven uiteengezet dient het systeem van de objectieve aansprakelijkheid ook toegepast te worden in het kader van snelheidswedstrijden.

21. In tegenstelling tot voornoemd artikel 29bis heeft artikel 8 een bijzonder toepassingsdomein: de bijzondere verzekeraar staat slechts in voor de schade geleden door slachtoffers in het kader van snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden.

22. Ook wat de bescherming van de slachtoffers betreft, heeft deze bepaling een beperkter toepassingsdomein dan artikel 29bis. Zo kan bij snelheidsritten of -wedstrijden niet alleen de schade aan de bestuurder, maar ook de schade aan de inzittenden en de schade aan de motorrijtuigen zelf worden uitgesloten van de bijzondere verzekering.

23. Deze mogelijkheid tot uitsluiting was reeds voorzien in het wetsontwerp betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen dat de toenmalige ministers van Justitie en van Economische Zaken VERMEYLEN en SPINOY op 6 juli 1964 indienden en dat tot doel had de bestaande WAM 1956 te vervangen(7).

In de Memorie van Toelichting bij dit wetsontwerp werden de motieven voor de mogelijkheid tot uitsluiting als volgt verwoord: "Die uitsluiting is ten volle gewettigd. Het doel van de wet is te voorzien in de herstelling van schade die aan derden is veroorzaakt. Het zou buitensporig zijn te beweren dat zij die, in welke hoedanigheid ook, aan een snelheidsrit of -wedstrijd deelnemen en zich wetens aan de daaraan verbonden gevaren blootstellen, als derden kunnen worden beschouwd, die uitzonderlijke risico's zouden in bepaalde gevallen tot een niet te betalen verzekeringspremie aanleiding geven en grote moeilijkheden opleveren inzake herverzekering. De deelnemers kunnen trouwens altijd zelf een verzekering aangaan die de risico's dekt waaraan zij zich blootstellen."(8)

24. In de oorspronkelijke tekst van artikel 29bis, zoals die bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen in de WAM 1989 werd ingevoegd, waren de inzittenden aanvankelijk ook van de toepassing van die bepaling uitgesloten. De toenmalige tweede paragraaf van dit wetsartikel bepaalde immers dat "de bestuurder en de passagiers van een motorrijtuig en hun rechthebbenden" zich niet konden beroepen op de bepalingen van dit artikel.

De reden daarvoor was dat die regeling niet gold voor de personen die een risico teweegbrachten doordat ze ofwel een voertuig in het verkeer brachten (de bestuurders), ofwel ermee instemden dit gevaar te delen door in het voertuig te stappen (de passagiers).(9)

25. Bij wet van 13 april 1995 heeft de wetgever artikel 29bis, §2 gewijzigd en de inzittenden toch onder de toepassing van artikel 29bis, §1, gebracht door het schrappen van die categorie slachtoffers uit de personen die zich niet op de bepalingen van artikel 29bis, §1, kunnen beroepen(10). Ook de inzittenden worden voortaan automatisch vergoed wanneer zij schade lijden door een verkeersongeval waarbij één of meer motorrijtuigen betrokken zijn. Volgens de wetgever liggen zij immers niet aan de basis van het objectieve risico dat (de eigenaar van) het motorrijtuig creëert.(11)

26. Uit die wijziging van artikel 29bis kan echter naar mijn mening niet de bedoeling van de wetgever worden afgeleid om ook bij snelheidswedstrijden af te wijken van de mogelijkheid om de schade aan de inzittenden van de bijzondere verzekering uit te sluiten. Hoewel de inzittenden van een motorrijtuig onder normale omstandigheden niet aan de basis liggen van het risico dat de bestuurder creëert door een motorrijtuig in het verkeer te brengen, geldt dat niet voor snelheidswedstrijden, waarbij de inzittenden zich immers bewust blootstellen aan de gevaren die dergelijke snelheidswedstrijd met zich meebrengt. Het gaat om uitzonderlijke risico's die eigen zijn aan snelheidswedstrijden.

Bijgevolg kan de ratio legis om de inzittenden van motorrijtuigen toe te laten zich te beroepen op de objectieve aansprakelijkheid naar mijn mening niet per analogie worden toegepast om de inzittenden van motorrijtuigen die deelnemen aan snelheidswedstrijden uit te sluiten van de toepassing van artikel 8, derde lid. Dat blijkt ook uit het feit dat de wetgever bij de wijziging van artikel 29bis die wetsbepaling ongewijzigd heeft gelaten.

27. Er kan naar mijn mening dan ook worden besloten dat beide bepalingen niet onverenigbaar zijn met elkaar.

28. Artikel 8 voorziet dat bij snelheidswedstrijden en -wedstrijden een bijzondere verzekering moet worden gesloten en dat de schade aan de bestuurders en andere inzittenden van de eraan deelnemende motorrijtuigen contractueel kan zijn uitgesloten van de polis.

Bijgevolg zal de vergoedingsregeling in het kader van snelheidswedstrijden verschillen naargelang de hoedanigheid van het slachtoffer:
- wanneer het gaat om een toeschouwer, dan zal die zich kunnen beroepen op artikel 29bis en kan zijn schade niet worden uitgesloten van de bijzondere verzekering;
- wanneer het gaat om een bestuurder, dan zal die zich niet kunnen beroepen op artikel 29bis en kan zijn schade worden uitgesloten van de bijzondere verzekering ingevolge artikel 8, derde lid.
- wanneer het gaat om een inzittende, dan zal die zich kunnen beroepen op artikel 29bis, maar zal zijn schade wel kunnen worden uitgesloten van de bijzondere verzekering ingevolge artikel 8, derde lid.

29. In tegenstelling tot wat de eiser aanvoert, is een contractuele clausule in de bijzondere verzekering, waarbij inzittenden van de aan de snelheidswedstrijd deelnemende motorrijtuigen van de verzekering worden uitgesloten, conform artikel 8, derde lid, van de WAM 1989, naar mijn mening niet strijdig met artikel 29bis van dezelfde wet.

30. Het middel, dat uitgaat van de tegenovergestelde rechtsopvatting, lijkt mij naar recht te falen.

31. Conclusie: verwerping
________________
(1) Cass. 15 mei 2008, AR C.07.0306.N, AC 2008, nr. 297; Cass. 25 jan. 2008, AR C.07.0261.F, AC 2008, nr. 64.
(2) Beneluxhof 9 okt. 2012, nr. A 2011/1, www.courbeneluxhof.be.
(3) Mvt bij het Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, Parl.St. Senaat 1993-94, nr. 980-1, 33-34.
(4) Verslag over het Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen (artikelen 47 en 48), namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de heer ARTS, Parl. St. Senaat 1993-94, nr. 980-3, 4.
(5) Mvt bij het Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, Parl. St. Senaat 1993-94, nr. 980-1, 35.
(6) Mvt bij het Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, Parl. St. Senaat 1993-94, nr. 980-1, 9.
(7) Wetsontwerp betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, Parl.St. Kamer 1963-64, 851-1.
(8) Mvt bij het Wetsontwerp betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, Parl. St. Kamer 1963-1964, nr. 851-1, 10.
(9) Verslag bij Wetsontwerp houdende sociale bepalingen, Parl. St. Kamer 1993-94, nr. 1343/6, 3 en 11. Zie ook Verslag bij Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de heer ARTS, Parl. St. Senaat 1993-94, nr. 980-3, 5: "Het is enigszins onlogisch passagiers te behandelen als zwakke weggebruikers aangezien zij deel hebben aan het risico ten gevolge van het in het verkeer brengen van het voertuig." Een andere reden waarom inzittenden werden uitgesloten van het recht om zich te beroepen op de objectieve aansprakelijkheid was omdat er weinig gevallen waren waarbij inzittenden, slachtoffers van een verkeersongeval, niet werden vergoed: Verslag bij Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de heer ARTS, Parl. St. Senaat 1993-94, nr. 980-3, 21.
(10) Wet van 13 april 1995 tot wijziging van artikel 29bis en tot opheffing van artikel 29ter van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, BS 27 juni 1995.
(11) Mvt bij het Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, Parl. St. Kamer 1993-94, nr. 1422/1, 2.

 

Gerelateerd
Nog dit: 

De bestuurder die uit het voertuig werd geworpen

Cass. 19/06/2015, RABG 2016/2, 120

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 20 december 2013.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres in de zaak C.14.0403.N voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiseres in de zaak C.14.0474.N voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
A. Voeging
1. De cassatieberoepen in de zaken gekend onder algemeen rolnrs. C.l4.0403.N en C.14.0474.N zijn gericht tegen hetzelfde vonnis. Zij dienen gevoegd te worden.

B. In de zaak C.14.0403.N
Tweede onderdeel
2. Krachtens artikel 29bis, § 1, eerste lid WAM wordt, bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

Artikel 29bis, § 2 WAM bepaalt dat de bestuurder van een voertuig en zijn rechthebbenden zich niet kunnen beroepen op de bepalingen van dit artikel, tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt.

3. De bestuurder, in de zin van voormeld artikel 29bis, is de persoon die het motorrijtuig bestuurt op het ogenblik van het ongeval, dat wil zeggen de persoon die, op dat ogenblik, het meesterschap over dat motorrijtuig heeft via mechanische middelen waardoor hij het voertuig in een bepaalde richting kan sturen en die zodoende het vermogen van de motor beheerst. De omstandigheid alleen dat een bestuurder van zijn voertuig wordt geworpen en de grond, een hindernis of een ander voertuig raakt tijdens het ongeval zelf, ontneemt hem niet de hoedanigheid van bestuurder. Hij verliest die hoedanigheid pas wanneer hij, na van het voertuig te zijn geworpen, getroffen wordt door een verkeersongeval dat niet met het eerste ongeval samenvalt.

4. De appelrechters oordelen dat:

de verweerster bestuurster was van haar motorvoertuig en de controle erover uitoefende op het ogenblik van de aanrijding met het voertuig W.;
de verweerster geen bestuurster van haar motorvoertuig meer was op het ogenblik van de aanrijding met de bus;
niet kan betwist worden dat er sprake was van twee fases in het ongevalsgebeuren die op elkaar aansluiten;
er een kort tijdsverloop was tussen de aanrijding met het voertuig W. en de bus.
5. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de verweerster op het ogenblik van de aanrijding met de bus de controle over haar bromfiets had verloren en bijgevolg het statuut van zwakke weggebruiker had verworven, verantwoorden niet naar recht hun beslissing dat de eiseres gehouden is tot vergoeding van de verweerster op grond van artikel 29bis WAM.

Het onderdeel is gegrond.

C. In de zaak C.14.0474.N
Middel in zijn geheel
6. De appelrechters oordelen vooreerst dat het niet duidelijk is waar de eiseres reed in de aanloop van het ongeval, eerst op het fietspad of van meet af aan op de rijbaan.

Zij oordelen vervolgens niet-bekritiseerd dat indien de eiseres eerst op het fietspad reed, de verzekerde van de verweerster wel degelijk om veiligheidsredenen is gestopt teneinde de eiseres doorgang te verlenen en hem geen inbreuk op artikel 10.2 wegverkeersreglement kan worden verweten.

Die redenen dragen de beslissing van het bestreden vonnis dat in hoofde van de verzekerde van de verweerster geen inbreuk op het wegverkeersreglement kan worden aangenomen.

7. Het middel dat in zijn beide onderdelen de appelrechters verwijt dat zij niet wettig vaststellen dat de verzekerde van de verweerster ook geen inbreuk op artikel 10.2 wegverkeersreglement heeft begaan in de veronderstelling dat de eiseres van meet af aan op de rijbaan reed, komt op tegen overtollige redenen.

Het middel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Voegt de zaken C.14.0403.N en C.14.0474.N.

In de zaak C.14.0403.N:

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de vordering van de verweerster tegen de eiseres op grond van artikel 29bis WAM en over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep.

In de zaak C.l4.0474.N:

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 854,02 EUR.

Aangemaakt op: zo, 13/11/2016 - 14:08
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 14:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.