-A +A

Diversiteit, verdraagzaamheid en handhavingsbeleid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Titel van het boek: 
Mercuriale: Rede uitgesproken door de procureur-generaal op de plechtige openingszitting van het Hof van Beroep te Antwerpen op 1 september 2015
Publicatie
Auteur: 
Vandenbruwaene P
Auteur: 
De Keyzer F
Auteur: 
Van der Veken B
Samenvatting

De vrijheid van mening is absoluut. De vrijheid van meningsuitingsuiting kan starfbaar zijn. In deze mercuriale wordt gepeleit om in de strafvervolging de nadruk te leggen op de overtuigingsdaders, zij die door hun aanspraken anderen aanzetten tot het stellen van strafbare daden of gevaarlijke onnozelheden.

Het openbaar ministerie moet streven naar een proportioneel en maatschappelijk verantwoorde reactie, rekening houdend met de aard van het gepleegde misdrijf, de belangen van de slachtoffers, alsook het profiel van de dader.

Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding

«Onverdraagzaamheid is een van de slechtste eigenschappen van de mens, het leidt tot racisme en fanatisme die elke dag slachtoffers maken» gaf premier Charles Michel als boodschap mee aan de afstuderende masters in de rechten bij de proclamatie aan de KULeuven op 5 juli 2015.

Verdraagzaamheid als waarde die binnen onze samenleving samen met de waarden van de Verlichting – Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap – moet zorgen voor de waardigheid van de mens en uitsluiting dient te bannen, tekende ik op in mijn beleidsplan van 5 juli 2013 voor het ambt van procureur-generaal als één van de belangrijkste contexten waarbinnen ik mijn beleid zou dienen te ontplooien.

Ik stel vast dat onze samenleving steeds meer geconfronteerd wordt met onverdraagzaamheid en extremisme dat aanzet tot haat en het gebruik van geweld. Deze fenomenen zetten de fundamenten van de rechtstaat op verschillende vlakken onder druk en installeren een gevoel van onveiligheid.

De handhaving van de rechtsorde zal, naast andere maatregelen die niet tot de bevoegdheid van het openbaar ministerie behoren, de vraag doen rijzen naar een aangepast strafrechtelijk beleid binnen een integrale en geïntegreerde aanpak, vervolgde ik in mijn beleidsplan.

Ik zou na een jaar ambtsuitoefening, op het ogenblik dat de menselijke waardigheid op de meest gruwelijke wijze publiekelijk wordt vernederd en de vrijheid van meningsuiting op ernstige wijze wordt bedreigd, enkele kanttekeningen willen maken bij de mogelijkheden van het strafrechtelijk beleid en het wettelijk arsenaal dat verdraagzaamheid en gelijkheid zou moeten handhaven, de antidiscriminatiewetten.

Voor alle duidelijkheid geef ik onmiddellijk mee dat de analyse niet zal gaan over feiten die door de strafwet als terroristische misdrijven worden omschreven en die de onmenselijke uitwassen zijn van radicalisering en extremisme en die verschillende oorzaken hebben. Het zou binnen het bestek van een openingsrede de toehoorders te ver verwijderen van mijn betoog.

Wel wens ik de kanttekeningen te maken vanuit het perspectief dat het strafrechtelijk beleid moet zorgen voor rechtsgelijkheid en rechtszekerheid om het hele spectrum van discriminatie, haatmisdrijven of haatboodschappen, gaande van het extreemrechtse haatdiscours tot het islamitisch extremisme zo nodig te kunnen beteugelen. Of met de woorden van Bilal Benyaich: «Elke extremist, uit welke ideologische hoek ook, die haat predikt en oproept tot geweld, moet op dezelfde manier worden aangepakt». 1

De optimistische blik van professor P. Popelier 2 dat de antidiscriminatiewetten niet gereduceerd worden tot symboliek, maar dat zij expliciet vorm geven aan de nagestreefde waarden die nadrukkelijk normerend geformuleerd werden, maar wel ruimte geven voor interpretatie, moet ik wat het strafrechtelijk beleid en de strafrechtelijke beteugeling betreft even temperen.

Hiervoor ontwaar ik twee factoren: het juridisch spanningsveld tussen de vrijheid van meningsuiting en de zogenaamde haatspraak als opinie- en uitingsdelict en de grondwettelijke regeling betreffende de drukpersmisdrijven.

Zo zorgt de probleemstelling van de drukpersmisdrijven, waarvan de beoordeling volgens art. 150 Gw. tot de bevoegdheid van de assisenhoven behoort én de ongelijkheid die de (Grond)wetgever tot stand bracht door énkel de drukpersmisdrijven ingegeven door racisme en xenofobie te onttrekken aan de bevoegdheid van de juryrechter, voor een spanningsveld in de toepassing van de antidiscriminatiewetten.

Ik heb moeten vaststellen dat sommigen niet nalaten de limieten van het strafrecht en de rechtsbedeling inzake drukpersmisdrijven doelbewust op te zoeken om hun discriminerende of haatboodschap te brengen, maar dan op basis van de andere door de antidiscriminatiewetten beschermde criteria dan de antiracismewet. Hierdoor wordt straffeloosheid nagestreefd door handig gebruik te maken van de grenzen en achterpoortjes van het strafsysteem.

Nu de regering en de minister van Justitie de herziening van het Strafwetboek in het vooruitzicht hebben gesteld en er voorstellen geformuleerd zullen worden aan de wetgever betreffende de strafbaarstelling, is het mijns inziens opportuun binnen het bestek van het beschermen van de verdraagzaamheid als maatschappelijke waarde binnen onze samenleving de volgende bedenkingen mee te geven.

II. Vrijheid van meningsuiting en opiniedelicten

«Ik weiger om het woord mening te gebruiken voor een doctrine die bepaalde personen uitdrukkelijk viseert en die hun rechten wil intrekken of die hen wil uitroeien ...» (J.P. Sartre, «Réflexions sur la question juive» Parijs, Gallimard, 1954, 10).

A. Inleiding

Als het over gelijkheid van kansen en racisme gaat, kunnen drie fenomenen worden onderscheiden, namelijk discriminatie, haatmisdrijven en haatboodschappen.

Voor de aanpak van de eerste twee fenomenen zal in het merendeel van de gevallen snel een maatschappelijk draagvlak gevonden worden. Wie kan immers iets hebben tegen een gelijke behandeling op het vlak van werk, huisvesting of tegen een strenge aanpak van door racisme geïnspireerde moordenaars van het type Hans Van Themsche.

Anders en veel moeilijker wordt het echter wanneer het debat gevoerd wordt over «wat een racistische of homofobe belediging is» of wanneer er al dan niet sprake is van «aanzetten tot haat of discriminatie».

Net zoals andere overheidsinstellingen die eveneens bevoegd zijn om op te treden tegen haatboodschappen, stelt ook het openbaar ministerie zich bloot aan mogelijke kritiek op zijn strafrechtelijk beleid inzake door racisme of haat ingegeven uitspraken. De eventuele kritische houding kunnen echter sterk uiteenlopend zijn. Terwijl de ene het openbaar ministerie zou kunnen verwijten de rol op te nemen van «gedachtenpolitie», zou de andere van oordeel kunnen zijn dat het parket niet accuraat of doortastend genoeg handelt tegen vermeende wetsovertreders. Niet zelden luidt het verwijt dat «met twee maten en twee gewichten wordt gemeten.» 3 , 4

Omdat het openbaar ministerie in eerste instantie de rol op zich neemt van «hoeder van de wet», is het goed even stil te staan bij het juridische spanningsveld tussen de vrijheid van meningsuiting en de zgn. haatspraak, niet in het minst omdat het vooral de zgn. uitingsdelicten zijn waarmee de politie, inspectiediensten en parketten vandaag geconfronteerd worden.

Vervolgens zal worden ingegaan op het strafrechtelijke onderdeel van het «discriminatierecht» in het federale België en zal ook worden gekeken naar de realisaties van en de uitdagingen voor de gemeenschappelijke omzendbrief 13/2013 op het vlak van het opsporings- en vervolgingsbeleid. Er zal tevens een bescheiden poging worden ondernomen om de dossiermagistraat een methodologie aan te reiken wanneer hij of zij geconfronteerd wordt met strafdossiers inzake discriminatie.

Op een moment waarop het openbaar ministerie zich ingevolge Europese en federale justitie- en andere plannen dient te buigen over het ontwikkelen van efficiënte afhandelingsstandaarden in strafzaken, zal op het einde van deze tekst worden ingegaan op de mogelijke afhandelingswijze van strafrechtelijk beteugelde schendingen van de discriminatiewetgeving. Een dergelijke reflectie past ten andere ook in de realisatie van mijn beleidsplan.

B. De vrijheid van meningsuiting en haar limieten 5

a) Ook wanneer het gaat om uitspraken die aanzetten tot haat, discriminatie of geweld, dienen gerechtelijke overheden bij hun juridische analyse te allen tijde te vertrekken vanuit het beginsel van de vrijheid van meningsuiting, die steeds de algemene regel uitmaakt.

Ontegensprekelijk is dit een staaltje van opmerkelijke, maar ook bijzonder relevante, juridische logica. Immers, terwijl bij discriminatoire «handelingen» de gelijke behandeling (d.w.z. het verbod op discriminatie) de regel is en de discriminatie de uitzondering, is bij de beoordeling van discriminatoire «uitspraken» de vrijheid van meningsuiting de regel en de censuur op haatboodschappen (d.w.z. het verbod van vrije meningsuiting) de uitzondering. Een aantal fundamentele rechtsgronden dwingt de rechterlijke macht een dergelijke houding aan te nemen.

Zo luidt art. 19 Gw.: «De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd».

Art. 10 EVRM bepaalt:

«1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, en bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

«2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen».

Eenzelfde verplichting is eveneens terug te vinden in art. 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) alsook in art. 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De vrijheid van meningsuiting én de vrijheid om te communiceren vormen aldus één van de meest fundamentele pijlers van onze democratische samenleving. Zij gelden niet enkel voor de «ideeën» die gunstig worden onthaald of die als onschuldig of onverschillig worden beschouwd, maar ook voor die standpunten die de Staat of één of andere groep van de bevolking schokken, verontrusten of kwetsen. Zo willen het het pluralisme, de verdraagzaamheid en de geest van openheid, zonder welke er geen democratische samenleving kan bestaan. 6

Uitzonderingen op de vrijheid van meningsuiting en communicatie dienen dan ook op een strikte wijze te worden geïnterpreteerd. Er zal telkens moeten worden aangetoond dat de opgelegde beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving, aan een dwingende noodwendigheid beantwoordt en evenredig is aan de wettige doelstellingen die ermee worden nagestreefd. 7

Er kunnen derhalve niet zomaar limieten worden opgelegd aan het recht van burgers om, zelfs op de polemische toon die het openbaar debat kenmerken, hun mening te uiten over maatschappelijke fenomenen, zelfs niet wanneer die meningen choquerend of kwetsend zouden zijn.

Samen met het hierboven vermelde art. 19 Gw. waarborgt art. 25 Gw. bovendien een verbod op preventieve maatregelen én een verbod op censuur. 8

b) Hoewel fundamenteel in onze samenleving, is de vrijheid van meningsuiting echter – net zo min als andere gewaarborgde vrijheden – niet absoluut. Andere grondrechten kunnen deze vrijheid immers aan banden leggen. In dat verband kan gedacht worden aan o.a. het recht op een gelijke behandeling, het gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid, het respect voor de privacy, de rechten en vrijheden van anderen.

(i) Uit art. 10.2 EVRM en art. 19.3 BUPO volgt dat de vrijheid van meningsuiting kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties die bij wet zijn vastgesteld en die in een democratische samenleving nodig zijn tot bescherming van de in deze verdragsbepalingen uitdrukkelijk vermelde doelstellingen.

In het verleden werden deze uitzonderingen eerst ingegeven door de belangen van de Staat en van de Staatsmachten zoals de Koning. In de tweede helft van de twintigste eeuw vooral werden de uitzonderingen aangenomen ter bescherming van het individu of van kwetsbare groepen (racisme, revisionisme ...). De vraag rijst of thans de bescherming van onze samenleving gebaseerd op de waarden van de Verlichting, namelijk Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, niet door de wetgever in overweging zou moeten worden genomen om de uitzonderingen vast te leggen op de vrijheid van meningsuiting en communicatie waarbij de vernedering van de menselijke waardigheid als uitgangspunt wordt genomen.

Een aanzet kan worden teruggevonden in art. 17 EVRM: «Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten welke ten doel heeft de rechten of vrijheden welke in dit Verdrag zijn vermeld, te vernietigen of deze rechten en vrijheden meer te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien».

Art. 17 EVRM verleent aldus een basis om beperkingen of sancties te legitimeren tegen meningsuitingen die een bedreiging vormen voor de rechten en de vrijheden van anderen of voor de basisvoorwaarden van de democratie. 9 In de zaak-Refah Partisi e.a. beklemtoonde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat «no one must be authorised to rely on the Convention’s provisions in order to weaken or destroy the ideals and values of a democratic society». 10

(ii) Artikel 14 EVRM voorziet daarenboven expliciet in een verbod op discriminatie door te bepalen: «Het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status». Bepalingen met een gelijkluidende boodschap zijn art. 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie van 7 maart 1966, alsook art. 20.2 en art. 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Het in dit laatste artikel vervatte gelijkheidsbeginsel is eveneens terug te vinden in art. 10 Gw. dat bepaalt dat de Belgen gelijk zijn voor de wet.

«Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden», zo bepaalt art. 11 Gw. en art. 191 Gw. voegt daaraan toe dat «iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, de bescherming geniet die hier verleend wordt aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen».

(iii) Uit de rechtspraak van het Europees Hof en van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens blijkt dat ook haatdragende uitlatingen in bepaalde omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden, uitgesloten worden van de bescherming van art. 10 EVRM. 11

Uitspraak doende in een zaak over de wet van 18 februari 2013 inzake de invoering van de zgn. terroristische misdrijven in het Strafwetboek, oordeelde het Grondwettelijk Hof, hierbij uitdrukkelijk verwijzend naar rechtspraak van het EHRM, dat het in een democratische samenleving noodzakelijk is de waarden en de beginselen die aan het EVRM ten grondslag liggen, te beschermen tegen personen of groeperingen die de waarden en de beginselen trachten te ondergraven, door het aanzetten tot het plegen van geweld en bijgevolg het plegen van terroristische handelingen. «Ingeval een uitgedrukte mening het stellen van terroristische handelingen rechtvaardigt, teneinde de doelstellingen van degene die deze mening erop nahoudt te bereiken, vermag de nationale overheid beperkingen op te leggen aan de vrije meningsuiting». 12

Terwijl sommigen pleiten voor het behoud van «de fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren», 13 zijn de hoogste nationale en internationale rechtscolleges dus alvast van oordeel dat de noodzaak om discriminaties, haat(speech) en geweld te bestrijden kan worden beschouwd als een maatregel die in een democratische samenleving nodig is in de zin van art. 10.2 EVRM. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is immers één van de grondslagen van een democratische rechtsstaat. 14

Uiteraard zal de normgever, maar niet in het minst ook de rechtspracticus, doordrongen dienen te zijn en te blijven van de idee dat: «Democratie ... geen systeem (is) dat op stilzwijgen en consensus berust, maar een plek waar meningen worden geuit en geschillen worden bijgelegd. Het is een vorm van bestuur en politiek die burgeroorlogen en bloedvergieten wil voorkomen door belangen- en waardenconflicten die binnen de maatschappij leven, bespreekbaar te maken. Conflicten mogen niet ontkend worden en politiek geweld mag niet onder de mat worden geveegd, maar moet een uitlaatklep krijgen. Deze risicovolle uitdaging ligt aan de basis van het politieke en juridische onderscheid dat democratische regimes tussen woorden en daden maken». 15

Wie de vrijheid van meningsuiting te ver inperkt, hakt dus in de wortels van de democratische samenleving. Hierdoor wordt niet enkel de tak afgezaagd, maar dreigt ook de boom zelf te worden neergehaald. 16

C. Een noodzakelijk correlatief van het recht op vrije meningsuiting: de bevoegdheid van de assisenhoven in drukpersmisdrijven?

De vrijheid van meningsuiting gaat gepaard met de vrijheid om te communiceren, met onder andere de vrijheid van pers.

a) Een van de meest efficiënte wijzen om de vrijheid van mening in werkelijkheid om te zetten, is de mogelijkheid zijn mening te kunnen uiten door middel van de drukpers. De Grondwetgever heeft dan ook uitdrukkelijk in art. 25 Gw. de vrijheid van drukpers vermeld en gewaarborgd door te stellen dat de drukpers vrij is.

Om historische redenen heeft de Grondwetgever de beoordeling van drukpersmisdrijven toevertrouwd aan de bevoegdheid van de hoven van assisen en voorziet art. 25, § 2 Gw. in een trapsgewijze verantwoordelijkheid bij persmisdrijven.

Op de bevoegdheidsregel inzake drukpersmisdrijven heeft de Grondwetgever één uitzondering gemaakt op 7 mei 1999 door de wijziging van art. 150 Gw. Drukpersmisdrijven ingegeven door racisme en xenofobie werden vanaf dan onttrokken aan de volksjury. Een strafbaar discours ingegeven door raciale gronden betreft dus een misdrijf dat voorgelegd wordt aan de correctionele rechtbank.

b) Ook de wetgeving bevat enkele bepalingen die de persvrijheid (indirect) moeten beschermen. Zo kan verwezen worden naar het decreet op de drukpers van 20 juli 1931 dat onder meer bepaalt dat wanneer het om drukpersmisdrijven gaat, voorlopige hechtenis niet mogelijk is en dat een korte verjaringstermijn geldt voor de wanbedrijven van belediging of laster begaan door middel van de drukpers gericht tegen de Koning en lichamen, dragers of agenten van het gezag.

c) Bij de redactie van onze Grondwet, in tijden waarin van massacommunicatie en informatiesnelwegen nog geen sprake was, werd door de rechtspraak en de rechtsleer op volgende klassieke wijze invulling gegeven aan het begrip drukpers en drukpersmisdrijf: «Met drukpers wordt bedoeld elke wijze van publicatie waarbij de reproductie van geschriften mogelijk is door middelen die met de drukpers een gelijkenis vertonen». 17 «Onder persmisdrijf verstaat men de openbaring van een misdadige gedachte door middel van een middel dat de weergave toelaat van die gedachte in een groot aantal exemplaren». 18 De grondwetgever van 1831 bedoelde dus bij het bepalen van het begrip «drukpersmisdrijf» het verspreiden van een strafbare mening door het persen van inkt op papier. 19

Verschillende rechtstakken zijn de laatste jaren verplicht geworden om na te gaan of de klassieke juridische begrippen in staat waren om de nieuwe technologische evoluties in onze samenleving op te vangen. De vraag die moest worden beantwoord bij de interpretatie van het begrip «vrijheid van drukpers» was of de Grondwetgever bescherming wilde verlenen aan de verspreiding van denkbeelden en de vrije meningsuiting in al haar vormen met de weergave van het begrip «drukpers» of had men eerder het «instrumentum», zijnde de «drukpers», voor ogen. Anders gezegd, bij de hedendaagse interpretatie van de begrippen «drukpers», «vrijheid van drukpers» en «drukpersmisdrijf», zoals geformuleerd in 1831, dienen we oog te hebben voor de wil van de Grondwetgever.

We moeten op zoek gaan naar een aanvaardbare teleologische interpretatie van het begrip «drukpers» en erover waken dat we ons niet bezondigen aan een verboden analogische interpretatie van begrippen waarbij gedragingen strafbaar worden gesteld die niet stroken met de oorspronkelijke wil van de wetgever. Hierbij vormt het begrip «geschrift» de demarcatielijn om in het interpretatiedebat te bepalen wat in onze geïnformatiseerde samenleving een drukpersmisdrijf uitmaakt en wat niet.

Het is evident dat aan het begrip «drukpers» en het ermee samenhangende begrip «geschrift» een ruime betekenis dient te worden gegeven. Uiteraard kon de Grondwetgever de evolutie in de communicatiemedia niet inschatten en dient het begrip «geschrift» te worden aangepast aan de moderne tijd. In dit kader kan worden gerefereerd aan twee relatief recente arresten van het Hof van Cassatie die de bepalingen uit de Belgische Grondwet met betrekking tot de vrijheid van drukpers hebben geactualiseerd. Ingevolge deze rechtspraak genieten internetmedia thans dezelfde grondwettelijke waarborgen als de klassieke «drukpers», zodat strafbare meningen geuit via of bijvoorbeeld websites, internetflora of weblogs enkel nog vervolgd en bestraft kunnen worden door de hoven van assisen. 20

Strafbare meningen geuit via geïnformatiseerde communicatielijnen, zoals weblogs, websites en twitter, worden beschouwd als een drukpersmisdrijf, aangezien het geschrift geuit via leesbare tekens wordt aangebracht op een papieren dan wel immateriële, lees geïnformatiseerde drager. 21 Het toepassingsgebied van het begrip «drukpersmisdrijf» dient dus te worden beperkt tot voorstellingen van informatica bij wijze van geschreven taal, met uitsluiting van «beeld» en «spraak». 22

Recentelijk werd wellicht ingevolge de hierboven vermelde rechtspraak naast art. 150 Gw. alleszins ook art. 25 Gw. voor herziening vatbaar verklaard, dit «om een lid toe te voegen teneinde de waarborgen van de drukpers uit te breiden tot de andere informatiemiddelen». 23 Dit brengt me tot de vraag of in deze context geen maatschappelijk debat nodig is over de grondwettelijke bepalingen die betrekking hebben op uitings- en persvrijheid. Een eerste aanzet om een antwoord te bieden op deze pertinente vragen kan erin bestaan de huidige juridische regeling betreffende drukpersmisdrijven en de opsporings- en vervolgingsmogelijkheden van het openbaar ministerie op een kritische wijze onder de loep te nemen.

D. De Belgische wetgeving inzake racisme en discriminaties

a) In het federale België van vandaag zijn op het vlak van racisme en discriminatie vooral de volgende wetten van belang:

(i) de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden, zoals gewijzigd door de wet van 10 mei 2007 (de zgn. Antiracismewet)

In de oorspronkelijke versie van deze wet lag de nadruk op het aanpakken van discriminerende daden. Meningsuitingen moesten zoveel mogelijk worden ontzien. Latere wetgevende initiatieven gingen echter ook opinies en uitspraken viseren, waardoor werd voorzien in zgn. uitingsdelicten en maatregelen tegen (leden van) racistische groepen en verenigingen. Het feit dat die nieuwe aanpak de vrijheden – de vrijheid van meningsuiting in de eerste plaats – in toenemende mate beperkte, zorgde voor een aantal opmerkelijke arresten van het Grondwettelijk Hof, waarbij het Hof vanaf het einde van de jaren 90 van de vorige eeuw een steeds kritischer houding ging aannemen ten aanzien van het antiracismebeleid van de wetgever. 24

Volgens sommige commentatoren was het Hof hierbij zelfs meermaals strenger dan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Ook inzake de voorhanden zijnde strafrechtelijke bepalingen stond het Grondwettelijk Hof in het recente verleden een eerder restrictieve benadering voor, in tegenstelling tot onder meer het Hof van Cassatie. 25 Een dergelijke tweespalt tussen de twee hoogste rechtscolleges van het land komt de rechtszekerheid in dit delicate domein uiteraard niet ten goede.

De Antiracismewet beschermt de volgende criteria: het zogenaamde ras, de afkomst, de nationale of etnische afstamming, de huidskleur en de nationaliteit.

Het Grondwettelijk Hof achtte deze zgn. gesloten lijst van «beschermde criteria» in overeenstemming met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Minstens even belangrijk was echter dat het Hof oordeelde dat de lijst(en) 26 niet tot gevolg had(den) dat slachtoffers van een «andere discriminatiegrond» geen rechtsbescherming zouden genieten. Het Hof beklemtoonde dat élke onverantwoorde ongelijke behandeling discriminerend werkt en dus foutief gedrag inhoudt dat aanleiding kan geven tot een burgerrechtelijke sanctie, namelijk een schadevergoeding. 27

Op strafrechtelijk vlak zijn (kort weergegeven) de volgende misdrijven in deze Antiracismewet terug te vinden:

– in de omstandigheden bedoeld in art. 444 Sw. (openbaarheidsvereiste): aanzetten tot discriminatie of haat of geweld of segregatie, tegen een persoon of een groep, een gemeenschap of leden ervan omwille van één van bovenvermelde beschermde criteria (art. 20);

– in de omstandigheden bedoeld in art. 444 Sw. (openbaarheidsvereiste): het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat (art. 21);

– in de omstandigheden bedoeld in art. 444 Sw. (openbaarheidsvereiste): behoren tot een groep of tot een vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie wegens één van de beschermde criteria verkondigt (art. 22);

– medewerking verlenen aan een groep of vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie wegens één van de beschermde criteria verkondigt (art. 22, in fine);

– bij de uitoefening van een openbaar ambt, een persoon, groep, gemeenschap of leden ervan, discrimineren of onderwerpen aan daden van willekeur wegens één van de beschermde criteria (art. 23);

– de in de vorige alinea vermelde daden van willekeur plegen door een valse handtekening van een openbaar ambtenaar, maakt de dader van de valsheid strafbaar alsook zij die er kwaadwillig of bedrieglijk gebruik van maken (art. 23 in fine);

– bij het leveren van goederen en/of diensten, bedoeld in art. 5 van de wet, een persoon, groep, gemeenschap of leden ervan, discrimineren op basis van één van de beschermde criteria (art. 24);

– op het vlak van arbeidsbetrekkingen een persoon, groep, gemeenschap of leden ervan discrimineren op basis van één van de beschermde criteria (art. 25);

– zich niet voegen naar een vonnis of arrest dat met toepassing van art. 18 een vordering tot staking heeft gewezen (art. 26).

Inzake schendingen van de Antiracismewet door middel van de drukpers dient te worden verwezen naar de grondwetswijziging van 1999, waardoor, zoals hierboven reeds werd geschetst, art. 150 Gw. thans luidt: «De jury wordt ingesteld voor criminele zaken, alsmede voor politieke- en drukpersmisdrijven behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie zijn ingegeven». Schendingen van de Antiracismewet via de «drukpers» 28 zullen dus voor de correctionele rechtbank worden gebracht.

Naast de vaststelling dat het niet meteen duidelijk is waarom de (grond)wetgever het sedert 1999 niet meer nodig heeft geacht om ook de andere beschermde criteria – die evenzeer een bedreiging vormen voor de democratische rechtsstaat 29 – uit het domein van de juryrechtspraak te halen wanneer ze via de «drukpers» gepleegd worden, 30 kan alleen geconcludeerd worden dat dit in de praktijk zal leiden tot ernstige ongelijkheden in de behandeling van deze persmisdrijven. 31 In een volgend onderdeel zal dit verder aan bod komen.

(ii) de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (de zgn. Antidiscriminatiewet)

Deze wet beschermt de volgende criteria: geloof of levensbeschouwing, handicap, leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, fysieke of genetische eigenschap, sociale afkomst.

Op strafrechtelijk vlak zijn de hierboven in het eerste, vijfde, zesde en negende streepje van de Antiracismewet opgesomde misdrijven terug te vinden in art. 22 tot 24 van de Antidiscriminatiewet.

(iii) de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen (de zgn. Genderwet).

Hier is het beschermde criterium het geslacht, maar ingevolge rechtspraak worden ook de zwangerschap, de bevalling, het moederschap, de geslachtsverandering, de genderidentiteit of de genderexpressie hiermee gelijkgesteld. De wet geeft aan het bij de wet van 16 december 2002 opgerichte Instituut voor Gelijkheid van Mannen en Vrouwen de bevoegdheid om in rechte op te treden, dit naar analogie met wat de Antidiscriminatiewet bepaalt voor het huidige Interfederaal Gelijkekansencentrum. 32

Op strafrechtelijk vlak zijn de hierboven in het eerste, vijfde, zesde, zevende, achtste en negende streepje van de Antiracismewet opgesomde misdrijven ook terug te vinden in art. 27 tot 29 van de Genderwet.

(iv) Om het rijtje te vervolledigen dient, tevens melding gemaakt van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaalsocialistische regime is gepleegd (de zgn. Negationismewet). Deze wet stelt het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die door het Duitse nationaalsocialistische regime werd gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog strafbaar.

Ten slotte dient nog aangestipt te worden dat het Strafwetboek in verzwarende omstandigheden (en een zwaardere strafmaat) voorziet voor een beperkt aantal misdrijven van gemeen strafrecht wanneer deze gepaard gaan met één van de hierboven vermelde wettelijke discriminatiegronden 33 (zie art. 377bis, 405quater, 422quater, 438bis, 442ter, 444, 453bis, 514bis, 525bis, 532bis, 534quater Sw.).

De Antiracismewet, de Algemene Antidiscriminatiewet en de Genderwet vormen aldus sedert 2007 de ruggengraat van de federale wetgeving ter bestrijding van discriminatie. De destijds doorgevoerde hervorming strekte er in de eerste plaats toe de richtlijnen van de Europese Gemeenschap inzake de strijd tegen discriminatie op een meer adequate wijze dan voorheen om te zetten in de bevoegdheidsdomeinen van de federale overheid. 34

Bij de redactie van deze wetten van 10 mei 2007 hield de wetgever echter ook rekening met de bezwaren die het Grondwettelijk Hof in 2004 had geformuleerd naar aanleiding van beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding.

Een andere doelstelling was het verhogen van de effectiviteit en de efficiëntie van de discriminatiewetgeving, omdat «afgaande op het aantal gerechtelijke procedures niet alle federale wetten even doeltreffend waren», aldus de regering. De hervorming van de wetgeving moest de wetten dan ook duidelijker en zelfs pedagogischer maken om «deze situatie geheel of gedeeltelijk te kunnen verhelpen». 35

De drie wetten gelden zowel in de overheidssector als in de particuliere sector. Ze beogen tevens het verbod van discriminatie te laten doorwerken in de private rechtsverhoudingen teneinde de gelijkwaardigheid van eenieder te doen eerbiedigen en de gelijke kansen te bevorderen. Zij voeren in verschillende domeinen van het maatschappelijk leven een principieel verbod van discriminatie in, zowel direct als indirect, op basis van op één of meer van de in de wetten vermelde gronden, en voorzien in een aantal (burgerrechtelijke) maatregelen teneinde dat verbod afdwingbaar te maken. Zoals reeds aangegeven, wordt echter ook voorzien in strafrechtelijk beteugelbare misdrijven. 36

De in de wetten opgenomen strafbaarstellingen doen volgens het Grondwettelijk Hof niet op onevenredige wijze afbreuk aan de vrijheid van meningsuiting. De door de wetgever omschreven inmengingen in de vrijheid van meningsuiting zijn niet onevenredig met het doel dat ermee wordt nagestreefd. 37

Opmerkelijk is echter dat uit de parlementaire voorbereidingsstukken blijkt dat de wetgever aanvankelijk vooral aanstuurde op het zoveel mogelijk depenaliseren van «het discriminatierecht». De opzet bestond erin het accent in de bestrijding van discriminatie en racisme (verder) te verschuiven naar een civielrechtelijke aanpak, omdat uit onderzoek in landen met een langere traditie inzake discriminatiebestrijding was gebleken dat vooral van het burgerlijk recht positieve effecten verwacht konden worden. Uiteindelijk haalde deze stelling het slechts gedeeltelijk. 38

Het gamma aan mogelijke burgerrechtelijke maatregelen is nochtans opmerkelijk in de drie wetten:

– de nietigheid van bepalingen of contractuele bedingen die strijdig zijn met de wetten;

– het verbod «nadelige maatregelen» te treffen tegen diegene die klacht neerlegt wegens overtreding van de wetten;

– het vorderen van een schadevergoeding overeenkomstig het contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht;

– de betaling van een dwangsom;

– het vorderen van een bevel tot staking (o.a. door het openbaar ministerie).

b) Ook de Gemeenschappen en Gewesten dienden in het kader van hun bevoegdheden de Europese richtlijnen om te zetten. Om één en ander af te stemmen op de staatsstructuur van ons land, werd het voormalige federale Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding ondertussen omgevormd tot enerzijds het Interfederaal Gelijkekansencentrum en anderzijds het Federaal Migratiecentrum.

Zowel op het niveau van Vlaanderen, de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Duitstalige Gemeenschap zijn vandaag tal van decreten of ordonnanties terug te vinden die betrekking hebben op de aanpak van discriminatie en de strijd voor gelijke kansen. Niet zelden zijn de domeinen van deze regelgeving te situeren op het vlak van tewerkstelling, sociale gelijkstelling, opleiding en huisvesting. 39

Op enkele uitzonderingen na zijn de «beschermde criteria» dezelfde als die welke zijn opgenomen in de hierboven vermelde federale wetgeving. Ook de regionale normen bevatten zowel een burgerlijk als een strafrechtelijk onderdeel.

Ingevolge de zesde staatshervorming is het te verwachten dat een en ander er kortelings toe zal leiden dat ook de gemeenschappen en de gewesten hun regelgeving inzake discriminatie verwoord zullen willen zien in het door het openbaar ministerie te voeren strafrechtelijke beleid. De eerste vergadering desbetreffend tussen het College van Procureurs-generaal onder voorzitterschap van de minister van Justitie en de verantwoordelijke ministers van de deelstaten had het afgelopen jaar reeds plaats. Kortom, moet niet erkend worden dat een gezamenlijke aanpak van de problematiek door de diverse overheden van ons land de meeste kans biedt om onverdraagzaamheid, racisme en discriminatie te bestrijden? Bevordering van diversiteit, verdraagzaamheid en respect voor het «zijn» van een ander wordt nu eenmaal niet bereikt met een zuiver repressieve aanpak.

c) Op het vlak van dit strafrechtelijk beleid kan vandaag nuttig verwezen worden naar de gemeenschappelijke omzendbrief 13/2013 van de minister van Justitie, de minister van Binnenlandse Zaken en het College van Procureurs-generaal van 21 juni 2013. Deze richtlijn kreeg als titel: «Omzendbrief betreffende het opsporings- en vervolgingsbeleid inzake discriminatie en haatmisdrijven (met inbegrip van discriminaties op grond van het geslacht)».

(i) De belangrijkste verdienste van omzendbrief 13/2013 is ongetwijfeld dat hij duidelijk vermeldt welke taken er vervuld moeten worden bij het gezamenlijk aanpakken van discriminatie. 40

Er wordt bovendien ingezet op het verbeteren van de samenwerking tussen politie, magistratuur, het Interfederaal Gelijkekansencentrum en het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, onder meer op het vlak van informatiedoorstroming en het organiseren van opleidingen.

Politie, inspectiediensten en magistraten worden voor de problematiek en de bestaande wetgeving gesensibiliseerd via het aanduiden van ressortelijke en arrondissementele referentiemagistraten en – wat de politie en inspectiediensten betreft – referentieambtenaren.

Er wordt door de richtlijn ook ingezoomd op het efficiënter identificeren en registreren van feiten alsook op een grotere doeltreffendheid inzake het opsporen en vervolgen van misdrijven. Bijzondere aandacht wordt gevraagd voor het opsporen van misdrijven via het internet, namelijk de zgn. «cyberhaat» in de vorm van racistische en/of discriminerende uitlatingen. 41

Globaal genomen wordt de omzendbrief positief geëvalueerd door de betrokken actoren. Hoewel de circulaire relatief recent is, blijkt dat – voor zover ze al niet eerder bestonden – ondertussen binnen de parketten, de auditoraten en de parketten-generaal referentiemagistraten zijn aangeduid. Op het vlak van de opleidingen worden vandaag door het Instituut voor Gerchtelijke Opleiding vormingen georganiseerd ten behoeve van de magistraten. Ook het Interfederaal Gelijkekansencentrum geeft opleidingen, zowel aan magistraten als aan politiediensten. Ten slotte kan nog vermeld worden dat bepaalde politiezones (onder meer die van de stad Antwerpen) gebruik maken van zgn. checklisten wanneer het gaat om haatmisdrijven. Deze documenten bevatten onder meer «richtvragen» die nuttig gebruikt kunnen worden bij het afnemen van verhoren en houden ook een oplijsting in van eventueel te stellen onderzoeksdaden.

Desondanks blijven op het terrein een aantal aandachtspunten bestaan die zonder meer als kritische succesfactoren kunnen worden beschouwd voor het welslagen van de opzet van de omzendbrief, namelijk een betere beeldvorming en een accurate aanpak van de geviseerde fenomenen. De meest in het oog springende knelpunten zijn:

– de ongelijkheid inzake de mogelijkheden tot vervolging voor drukpersmisdrijven;

– het gebrek aan afdoende technische en/of juridische middelen om doeltreffend op te treden in de talrijke dossiers betreffende cyberhaat;

– de nog steeds onvolledige en/of onjuiste registratie van de statistische gegevens inzake discriminatie en haatmisdrijven wegens hetzij technische hetzij organisatorische factoren;

– het nog steeds ontbreken van goed opgeleide referentieambtenaren in een behoorlijk aantal politiezones 42 (interzonale samenwerking kan hierin soelaas brengen).

(ii) Een vaak gehoorde kritiek op de parketten is dat er inzake schendingen van de discriminatiewetgevingen nog steeds (te) veel geseponeerd wordt om opportuniteitsredenen.

Uit nazicht begin 2015 door de statistische analisten van het parket-generaal te Luik, portefeuillehouder in deze materie, blijkt dat voor de strafdossiers die in jaren 2013 en 2014 aan de Belgische parketten werden toegezonden ten laste van meerderjarige verdachten, gemiddeld genomen 65,09% geseponeerd werd. 43 Dit is ontegensprekelijk een (te) hoog percentage.

Nadere lectuur wijst uit dat ongeveer 67,49% daarvan wordt geseponeerd om technische redenen, in casu vooral omdat het onderzochte feit volgens de parketmagistraat hetzij geen misdrijf uitmaakt (12,85%), hetzij omdat de magistraat het beweerde misdrijf niet bewezen acht (43,89%).

28,48% van de in 2013 en 2014 bij de parketten aangebrachte misdrijven wordt geseponeerd om redenen van opportuniteit. Dit echter niet zozeer – zoals zo vaak gedacht – omdat de parketten er beleidsmatig niet voldoende aandacht aan zouden willen/kunnen besteden (5,73%), maar wel wegens «redenen eigen aan de overtreder» die veelal in de sociale context te situeren zijn.

Hoewel er uiteraard ook voor moet worden geijverd om het vermelde percentage van 5,73% nog meer naar beneden te krijgen, is het toch vooral het hoge percentage aan sepots om technische redenen (67,49%) dat in het oog springt.

De mogelijke invloed van het hierboven vermelde gebrek aan goed opgeleide referentie-ambtenaren op politieniveau op dit cijfer dient evident nader te worden onderzocht. Voorts dient te worden nagedacht over de vraag of er ondanks alle reeds gedane inspanningen nog verder dient te worden gesensibiliseerd m.b.t. deze nochtans maatschappelijk bijzonder relevante materie.

Met de nodige voorzichtigheid kan echter vanuit de strafrechtelijke praktijk ook gesteld worden dat ook (of is het «vooral») de complexiteit van het strafrechtelijke onderdeel van de wetgeving én het ontbreken van eenduidige interpretaties van sommige constitutieve bestanddelen van bepaalde misdrijven een belangrijke rol blijven spelen in het percentage aan parketsepots om technische redenen.

Een dergelijke problematiek is in veel mindere mate aanwezig bij de civielrechtelijke aanpak van discriminatie, niet in het minst omdat de wetgever daar in een omkering/verschuiving van bewijslast heeft voorzien, indien tenminste aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan door de klager. Volgens het Grondwettelijk Hof wordt door deze omkering/verschuiving geen afbreuk gedaan aan het recht op een eerlijk proces.

Evident voorzien de «Antidiscriminatiewetten» niet in een dergelijke omkering/verschuiving van bewijslast als het over strafrechtelijk beteugelbare fouten gaat. Anders oordelen zou immers neerkomen op een schending van het vermoeden van onschuld. 44

In het geval dat de omkering/verschuiving van de bewijslast, toegepast in een burgerlijke zaak, later het bewijs in een strafzaak zou kunnen beïnvloeden, is de strafrechter ertoe gehouden «de bewijsstukken in concreto te beoordelen en het vermoeden van onschuld van de beklaagde te eerbiedigen». 45 Voorwaar geen gemakkelijke opdracht voor de parketmagistraat tot wiens taak het in eerste instantie behoort toe te zien op het eerlijke verloop van het strafproces.

d) Hoe dient de parketmagistraat nu – doorheen de complexe wetgeving en de niet steeds even consistente rechtspraak – na te gaan of een bepaalde haatuitspraak al dan niet laakbaar is, d.w.z. een strafrechtelijk beteugelbaar misdrijf uitmaakt?

In het Jaarverslag 2011 van het toenmalige CGKR is hierover alleszins te lezen dat het vaak bijzonder moeilijk is om aan te tonen dat een dader bewust wilde aanzetten tot haat (moreel element en het daaraan verbonden «opzet»). Het Centrum beklemtoont echter ook – terecht – dat het niet zozeer de overgebrachte mening is waarop dient te worden gefocust (de zgn. «representatieve dimensie»), maar wel de daad die met de uitspraak wordt gesteld (de zgn. «performatieve dimensie»).

Het Centrum beschouwt uitspraken die aanzetten tot haat en geweld als bijzondere «daden» van haat en geweld. Het worden «uitingen die iets doen, die iets teweegbrengen». Men kijkt hierbij naar de intentie van de spreker (wat wil hij/zij ermee bereiken?), alsook de context waarin hij/zij de uitspraak deed en het eventueel voorhanden zijn van systematische herhalingen, die zouden kunnen wijzen op een doelbewuste strategie. Een uitspraak die aanzet tot haat, is met andere woorden «een taaldaad» die met dat opzet wordt gedaan binnen een context die de uitwerking van deze woorden op het publiek waarvoor ze bestemd zijn, gunstig beïnvloedt. Als de wetgeving het aanzetten tot haat verbiedt, verbiedt ze dus niet bepaalde meningen, maar wel bepaalde daden, gedragingen of houdingen die de taal als middel gebruiken om geweld in welke vorm ook uit te lokken, aldus nog vermeld Jaarverslag. 46

Een mooie toepassing van deze werkwijze is terug te vinden in het cassatiebestendig gebleken arrest van het Hof van Beroep te Gent van 21 april 2004 47 dat onder meer oordeelde: «Er wordt in de aldus naar het grote publiek toe gevoerde propaganda permanent een hatelijk beeld van de «vreemdelingen» opgehangen, teneinde bij de bevolking (al dan niet latent reeds aanwezige) gevoelens van vreemdelingenhaat aan te wakkeren, te onderhouden en op de spits te drijven, met als achterliggende bedoeling het behalen van stemmen en, na een desgevallend overweldigend electoraal succes, de op het vlak van de «vreemdelingenpolitiek» voorgestelde zeer verstrekkende discriminerende voorstellen ook in de praktijk te kunnen omzetten».

Ook de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijken eenzelfde methodologie te hanteren. Het Hof bekijkt het voorwerp en de inhoud van de uiting en plaatst deze vervolgens binnen de toepasselijke context (wat is het nagestreefde doel? wat is de hoedanigheid van de spreker? wat is de vorm en de impact van de uiting? is er sprake van een evenredige sanctie?). 48

E. Over de drukpersmisdrijven

Het verspreiden van geschreven strafbare meningen en haatboodschappen via het internet is volgens de rechtspraak te beschouwen als een drukpersmisdrijf.

Enkel een hof van assisen kan een oordeel vellen over deze misdrijven. Op deze bevoegdheidsregel bestaat, zoals reeds gezegd, één uitzondering, namelijk indien het ongeoorloofde discours is ingegeven door raciale gronden. Op 7 mei 1999 werd art. 150 Gw. immers gewijzigd. Drukpersmisdrijven ingegeven door racisme en xenofobie werden vanaf dan onttrokken aan de bevoegdheid van de volksjury. Een ongeoorloofd discours geuit via de drukpers en ingegeven door raciale gronden is een misdrijf dat voortaan aan de correctionele rechtbank ter beoordeling dient te worden voorgelegd.

Deze uitzonderingsregel valt zeker toe te juichen. Indien personen door middel van publiekelijk gemaakte geschreven racistische haatboodschappen willen aanzetten tot haat en onverdraagzaamheid in onze democratische samenleving, behoort het tot de kerntaak van het openbaar ministerie hiertegen adequaat op te treden. Dergelijke uitlatingen kunnen we in een fatsoenlijke samenleving niet gedogen. Het verspreiden van kwetsende en verwerpelijke boodschappen op basis van racisme kan leiden tot dramatische gebeurtenissen en een klimaat van onverdraagzaamheid.

Elk lid in onze samenleving mag vrij zijn mening uiten, zijn religie beleven en er een levensbeschouwing op na houden. Dit is een verrijking, op voorwaarde dat men zich houdt aan een basisafspraak die geldt in onze maatschappij en waar we onder geen enkel beding van mogen afwijken en dat is het fundamentele respect voor het «zijn» van een medeburger. Het gaat hem immers om ieders menselijke waardigheid.

De huidige strafrechtelijke regeling inzake drukpersmisdrijven vormt voor het openbaar ministerie echter een struikelblok om een coherent beleid te voeren betreffende publieke schriftelijke boodschappen die erop gericht zijn om burgers aan te zetten tot haat en onverdraagzaamheid ten aanzien van bepaalde personen of bevolkingsgroepen in onze samenleving.

Indien een drukpersmisdrijf aanzet tot geweld, haat of discriminatie wegens één van de criteria vermeld in art. 4, 4o van de Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007, zoals burgerlijke staat, geloof, levensbeschouwing, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, blijkt vervolging enkel mogelijk voor het hof van assisen. Dit brengt met zich mee dat in de praktijk drukpersmisdrijven ingegeven door bijvoorbeeld religieuze of homofobe drijfveren, feitelijk onbestraft blijven. 49

Volgende bedenkingen liggen mee aan de basis van de overtuiging dat de huidige bevoegdheidsregeling en het strafbaar stellen van bepaalde vormen van vrije meningsuiting via de drukpers aan herziening toe zijn.

De historische redenen waarom het Nationaal Congres destijds oordeelde om drukpersmisdrijven te laten beoordelen door een volksjury, zijn reeds lang achterhaald. De invulling van het begrip «drukpersmisdrijf» is vandaag veel ruimer dan een beperking van de journalistieke vrijheid.

Sinds het cassatiearrest van 6 maart 2012 50 is het duidelijk dat het uiten van een strafbare mening via het internet in beginsel een drukpersmisdrijf uitmaakt, wat met zich meebrengt dat de beoordeling ervan ook tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoort. Ook beelden en geluiden die verankerd zijn in een publiekelijk geschreven strafbare mening, vallen onder het begrip «drukpersmisdrijf».

Voorts is een procedure voor het hof van assisen duur, tijdrovend en complex, wat ertoe leidt dat in ons land drukpersmisdrijven nagenoeg nooit ter beoordeling aan een volksjury worden voorgelegd.

Daarenboven zal de beschuldigde, gelet op de persaandacht voor een assisenproces, vaak een bijkomend publiek forum verkrijgen dat hij beoogde.

Aldus ontstaat een feitelijke depenalisering van drukpersmisdrijven, behalve uiteraard die welke zijn ingegeven door racisme of xenofobie. Een dergelijk strafrechtelijk beleid verdient geen schoonheidsprijs op het vlak van maatschappelijke doeltreffendheid .

Het verschillend statuut en de verschillende afhandelingswijze van racistische en discriminerende drukpersmisdrijven doorstaat bovendien mijns inziens de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel niet.

Bovendien merken we helaas dat sommige personen of groeperingen in onze samenleving zeer goed op de hoogte zijn van deze lacune in de wet en hiervan dienstig gebruik maken om via geschreven boodschappen, pamfletten of sociale media onverdraagzaamheid te verspreiden op basis van geloofsovertuiging, taal, geboorte of seksuele geaardheid.

Een maatschappelijk debat over de grondwettelijke regeling van de drukpersmisdrijven is dan ook nodig in het belang van de rechtshandhaving. Een mogelijk uitgangspunt is de moeilijke evenwichtsoefening om uit te maken vanaf wanneer de uitoefening van de vrije meningsuiting als strafbare gedraging dient te worden beschouwd.

Er is reeds op gewezen dat de vrije meningsuiting geen absolute vrijheid is en dat deze onderworpen kan worden aan bepaalde uitzonderingen. Misschien is de tijd aangebroken bij het vastleggen van de beperkingen op de vrijheid op communicatie, de negentiende-eeuwse te beschermen waarden of belangen tegen het licht te houden van de in onze huidige eenentwintigste eeuw geglobaliseerde en gepolariseerde informatiemaatschappij waar geweld en uitsluiting worden gepredikt.

De vraag rijst of de beperkingen ingegeven in het belang van de Staat en van het individu en waarbij ter bescherming van deze belangen beledigingen, laster en eerroof strafbaar worden gesteld 51 nog langer door het strafrecht dienen te worden gehandhaafd en of er nog behoefte is aan strafrechtelijk optreden ten aanzien van deze drukpersmisdrijven. 52

Door de feitelijke depenalisering van de meeste drukpersmisdrijven om te zetten in een wettelijke depenalisering zal de persvrijheid zeker niet in het gedrang komen, integendeel. Het verbod op censuur of borgstelling blijft immers grondwettelijk verankerd. De persvrijheid kan evengoed worden begrensd door burgerrechtelijke initiatieven, uitgaande van personen die zich gegriefd voelen door de inhoud van bijvoorbeeld een krantenartikel, wat nu ook het geval is. Dient elke vorm van belediging, laster, eerroof en onverdraagzaamheid te worden beschouwd als een autonoom misdrijf of is een doordachte selectiviteit hier op haar plaats?

In deze discussie valt de stelling te verdedigen dat meningen die beledigingen en laster inhouden openbaar geuit via drukpers, inclusief internet, uit het strafrecht worden gehaald en de verantwoordelijken voor het uiten van deze meningen en opinies enkel ter verantwoording kunnen worden geroepen via civielrechtelijke weg. In deze optiek zou de vrije meningsuiting enkel nog strafrechtelijk worden gehandhaafd wanneer misdrijven worden gepleegd die aanzetten tot de absolute vernedering van de menselijke waardigheid door discriminatie, haat, geweld en uitsluiting. 53 Zij die aldus een strafbare mening, ingegeven door racisme en/of discriminatie uiten via alle vormen van «communicatiemedia», inclusief via audiovisuele kanalen, zouden zich bezondigen aan een misdrijf waarvoor de correctionele rechtbank bevoegd is. Enkel dan zal het openbaar ministerie op een gelijkwaardige wijze een repressieve dam kunnen opwerpen tegen openbaar geuite strafbare meningen die aanzetten tot onverdraagzaamheid, intolerantie en discriminatie.

F. Welke (strafrechtelijke) aanpak voor de haatmisdrijven?

a) De Europese richtlijnen die in 2007 aan de basis lagen van de Belgische antidiscriminatiewetgeving, schreven voor dat de lidstaten ervoor moesten zorgen dat er inzake racisme en discriminatie toegang zou bestaan tot gerechtelijke en/of administratieve procedures en «wanneer de lidstaten zulks passend achten» ook tot bemiddelingsprocedures. Eventuele sancties dienden «doeltreffend, evenredig en afschrikkend» te zijn.

Een en ander lag in het verlengde van bepaalde rechtspraak van het einde van jaren 90 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof oordeelde destijds immers dat strafrechtelijke sancties dienden te worden vermeden wanneer andere maatregelen, zoals burgerrechtelijke sancties, het eveneens mogelijk maakten de nagestreefde doelstelling te bereiken. 54

Volkomen terecht wees het Grondwettelijk Hof er in zijn arrest van 6 oktober 2004 dan ook op dat geen enkele internationaalrechtelijke bepaling verplichtte om strafrechtelijke sancties op te leggen bij discriminerend gedrag.

Zoals reeds gemeld, had de Belgische wetgever in 2007 aanvankelijk ook wel oren naar een verregaande depenalisering. Hoewel deze visie het uiteindelijk niet haalde, werd er toch een hele reeks aan maatregelen van niet-strafrechtelijke aard opgenomen in het wetgevend drieluik (cf. supra). 55 Dit alles lag volledig in de lijn van bovenvermelde Europese richtlijnen die er vooral op aanstuurden dat de lidstaten «de meest geëigende procedures» zouden uitwerken.

b) Eenzelfde «gediversifieerd inzicht» is ook terug te vinden in de beleidsvisie die het openbaar ministerie reeds in zijn beleidsplan van 2007 neerschreef en die onder meer luidde: «Het openbaar ministerie streeft, met het oog op de handhaving van de democratische Rechtstaat, voor elk strafbaar feit een proportionele en maatschappelijk relevante gerechtelijke reactie na, binnen een maatschappelijk aanvaardbare termijn, en bovendien rekening houdend met het belang van de slachtoffers. ... ». 56

In zijn dagdagelijkse zoektocht naar zo een proportioneel antwoord, beschikt het openbaar ministerie over een aantal mogelijkheden.

(i) Binnen de limieten van de wet kan het parket aan de meerderjarige overtreder de betaling voorstellen van een geldsom. Dit kan in de vorm van een gewone minnelijke schikking (art. 216bis, § 1 Sv.), 57 dan wel via de zgn. verruimde minnelijke schikking (art. 216bis, § 2 Sv.).

Deze vorm van bestraffen biedt voor schendingen van de antiracisme- en discriminatiewetgeving echter weinig mogelijkheden om de onderliggende motivatie van de dader aan te pakken en lijkt dus minder aangewezen. 58

(ii) De meest gekende afhandelingswijze uit het strafrecht is wellicht de «klassieke» behandeling voor de correctionele rechtbank.

Beleidsmatig kan de procureur des Konings in overleg met de voorzitter opteren voor het organiseren van zgn. themazittingen, waarbij hij/zij verschillende dossiers wegens schendingen van de discriminatiewetten gelijktijdig voor de strafrechter brengt. Dergelijke themazittingen hebben een niet te onderschatten maatschappelijke signaalfunctie.

Indien de feiten door de rechter vervolgens bewezen worden geacht, kan er – rekening houdend met de aard van de feiten, de context, de persoonlijkheid van de beklaagde, zijn strafrechtelijk verleden en evident binnen de limieten van de toepasselijke strafwet – een gevangenisstraf en/of een geldboete worden opgelegd. 59

Op dit ogenblik kan de bodemrechter – wanneer daartoe aan de wettelijke voorwaarden voldaan is – een straf met uitstel (al dan niet met probatievoorwaarden) of opschorting van straf (al dan niet met probatievoorwaarden) opleggen of hij kan opteren voor de autonome werkstraf. In het geval van probatie-opschorting, probatie-uitstel of werkstraffen beschikt de rechter over de mogelijkheid hier therapieën, leertrajecten, opleidingen en bepaalde vormen van dienstverlening aan te koppelen, wat in studies als bijzonder waardevol en nuttig wordt omschreven. 60 Deze «afhandelingswijze» maakt het mogelijk om in te spelen op stereotyperingen, vooroordelen en attitudes die bij haatmisdrijven veelal aanwezig zijn en die hen onderscheiden van andere misdrijven. Deze «toekomst- en herstelgerichte maatregelen» dienen dus alleszins te worden afgestemd op de aard van het gepleegde misdrijf 61 willen ze finaal enig effect sorteren. Dit blijkt in de praktijk echter niet altijd mogelijk om tal van praktische redenen. 62

(iii) Nog steeds te weinig bekend bij het grote publiek, en volgens bepaalde studies en statistieken 63 ook in mindere mate gebruikt in het kader van vervolgingen van racisme- en discriminatie-inbreuken, is de figuur van de strafbemiddeling zoals uitgewerkt in art. 216ter Sv. Deze bepaling schrijft voor dat de procureur des Konings (dan wel de arbeidsauditeur) de dader van een misdrijf – wanneer de magistraat meent dat het niet raadzaam is om deze te bestraffen met een gevangenisstraf van meer dan twee jaar – kan oproepen om de door hem veroorzaakte (materiële en/of morele) schade te voldoen. In voorkomend geval zal de procureur hierbij ook het slachtoffer oproepen en zal hij bemiddelen over de schadevergoeding of de regeling ervan. Een belangrijke rol in deze procedure is ontegensprekelijk weggelegd voor de justitie-assistenten, die de voorbereidende regie voor hun rekening nemen. De procedure van strafbemiddeling is niet mogelijk als de zaak reeds hangende is bij de rechter ten gronde en wanneer een gerechtelijk onderzoek werd gevorderd.

Naast de betaling van de schadevergoeding kunnen aan de dader bijkomende (en aan de feiten of dader aangepaste) voorwaarden worden opgelegd, zoals het volgen van een therapie of medische behandeling (maximum zes maanden), de uitvoering van een dienstverlening of het volgen van een opleiding of cursus (maximum 120 uur). 64 Wanneer de dader voldoet aan alle door hem aanvaarde en in een overeenkomst vastgelegde voorwaarden, vervalt de strafvordering.

Het voordeel van de strafbemiddeling is dat ze aan het openbaar ministerie de gelegenheid biedt om kort op de bal te spelen. Tevens lijkt art. 216ter Sv. een bijzonder geschikt instrument te zijn om in te zetten op zowel de «opvoedkundige rol» van het strafrecht als op de herstelgerichte tussenkomst ten voordele van het slachtoffer.

Wat de daders betreft, valt in eerste instantie echter op dat, met uitzondering van enkele beperkte initiatieven, in ons land vooralsnog geen structurele leertrajecten en opleidingsprogramma’s voorhanden zijn die ten volle rekening houden met de specificiteit van de haatmisdrijven en het profiel van hun plegers (cf. supra). 65 Een ander groot nadeel is dat deze vrijwillige procedure enkel openstaat voor daders die de hen ten laste gelegde feiten bekennen, wat niet altijd zo evident is wanneer het gaat om overtreders van discriminatiewetten.

Wil men de procedure van strafbemiddeling optimaal gebruiken, zal het er dus op aankomen de juiste «profiling» te doen van het «type dader» en zijn of haar werkelijke bedoelingen te achterhalen (cf. infra sub c).

Inzake de slachtoffers dient te worden geconcludeerd dat zij bij haatmisdrijven en discriminaties een cruciale rol spelen; zij werden immers «uitgekozen» door de daders wegens de persoon die ze zijn. Slachtoffers van haatmisdrijven en discriminaties zouden volgens onderzoek hierdoor in grotere mate gevoelens van angst, depressie en onveiligheid ervaren dan slachtoffers van andere misdrijven. Herstelmaatregelen en procedures zouden dus alleszins voldoende aandacht moeten schenken aan de «slachtofferkant» van het verhaal. Het slachtoffer zou de gelegenheid moeten kunnen krijgen om uit de schaduw te stappen en actief mee te werken aan het herstel. 66

De praktijk leert echter dat de strafbemiddeling op het vlak van slachtoffergerichte participatie niet altijd een succesverhaal blijkt te zijn.

Allereerst is de «identificeerbaarheid» van slachtoffers niet altijd mogelijk. Wie is immers het te individualiseren «slachtoffer» wanneer hele bevolkingsgroepen of geloofsgemeenschappen geviseerd worden?

Daarnaast dient de betrokkenheid van individuele slachtoffers ook niet te worden overroepen, omdat zij in het gros van de dossiers slechts in beperkte mate participeren aan de procedure. Slachtoffers hebben ook geen stem in het bepalen van de bijkomende voorwaarden, noch enig zicht op de uitvoering ervan. Hoewel het in theorie ook anders kan, gebeurt de regeling van de schade vaak via een indirecte dialoog tussen dader en slachtoffer 67 Voor sommige slachtoffers zal deze beperkte vorm van inspraak voldoende zijn om zich gewaardeerd te voelen. Anderen zullen ongetwijfeld gefrustreerd achterblijven.

c) De daders van haatmisdrijven en discriminaties worden nog te vaak gezien als een ongedifferentieerde groep. Onderzoek bracht echter aan het licht dat deze ongenuanceerde visie niet overeenstemt met de praktijk. 68

In zijn handboek Van haat gesproken? Een rechtsantropologisch onderzoek naar de bestrijding van rasgerelateerde uitingsdelicten in België, onderscheidt J. Vrielink drie categorieën daders, namelijk de zgn. «overtuigingsdaders», «de instrumentalisten of activisten» en «de incidentalisten». 69

De eerste groep schendt de wettelijke bepalingen «uit overtuiging». Het gaat hier vaak over personen die nazistisch of extreem religieus geïnspireerd zijn. Deze eerder beperkte groep gaat de wet bewust (en vaak ruimschoots) overtreden, meestal vanuit een (extremistische) ideologie.

Ook de instrumentalisten of activisten overtreden de wet doelbewust. Ze doen dit echter meer berekend, omdat zij met hun uitlatingen de rand van het toegestane willen opzoeken om vervolgens een eventuele klacht tegen hen te gebruiken om hun eigen (vaak politieke) doelstellingen te dienen. In de regel willen ze provoceren en choqueren.

Beide groepen staan opvallend positief tegenover hun vervolging, onder andere vanwege de media-aandacht die die met zich meebrengt. Ze gaan er zelfs actief naar op zoek omdat ze de vervolging zien als een soort «kwaliteitslabel», een legitimiteit van hun eigen gelijk. De vervolging versterkt hun radicale ideeën en het aanzien dat ze hebben binnen hun groep. Een strafrechtelijke aanpak blijkt bij hen veelal geen ontradend effect te hebben noch een mentaliteitswijziging met zich mee te brengen.

De incidentalisten ten slotte vormen de grootste groep. Zij zijn veelal geen tegenstander van de wet. Hun uitingen zijn in de regel het minst verregaand, kaderen meestal niet in een groter achterliggend gedachtegoed en zij «opereren» meestal ook niet vanuit een groter georganiseerd verband. Ze gaan met hun uitingen de grens van de wet niet opzoeken noch zullen ze deze moedwillig overtreden. Het gaat om personen wier uitlatingen vaak eenmalig zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld over personen die een e-mailbericht hebben verstuurd met daarin een «grap» of een liedje of om personen die zich tijdens een ruzie verbaal hebben laten gaan. Voor deze mensen hebben een klacht en een vervolging vaak opvallend zware gevolgen, zoals werkverlies en maatschappelijke isolatie. Bij hen is er wel sprake van ontrading, maar deze slaat dan volgens voormeld onderzoek over in extreme zelfcensuur.

In zijn studie spreekt J. Vrielink ook nog van twee types klagers. De auteur differentieert naargelang de klager al dan niet rechtstreeks en persoonlijk incidenten van «hate speech» heeft meegemaakt.

Opvallend was dat in de groep die rechtstreeks slachtoffer was van feiten velen niet op een strafrechtelijke veroordeling uit waren. Zij uitten hun voorkeur voor een vorm van bemiddeling omdat ze dachten op die manier in dialoog te kunnen treden met de dader. 70

Diegenen in deze groep die dan toch een gerechtelijke afhandeling voorstonden, wensten vooral een «symbolische» sanctie. Het erkennen van het feit dat er schade en leed was aangericht, met daar bovenop een excuus, bleek voor velen onder hen als compensatie te volstaan. Uitgesproken repressieve straffen werden nagenoeg niet gevraagd door deze slachtoffers. Educatieve straffen en taakstraffen daarentegen wel.

In de groep van klagers die niet persoonlijk of direct slachtoffer waren van haatspeech, bleek men in de meeste gevallen geen voorstander te zijn van enige sanctie, om uiteenlopende redenen. Ook binnen deze groep zag men bemiddeling (al dan niet binnen een formeel kader) als een degelijk alternatief voor rechtszaken. Diegenen die wel een gerechtelijke afhandeling voorstonden, hechtten vooral belang aan de veroordeling op zich. De sanctie bleek minder belangrijk voor hen.

d) Een openbaar ministerie dat in zijn beleidsplan aangeeft te zullen streven naar een proportionele en maatschappelijk relevante gerechtelijke reactie, rekening houdend met de belangen van de slachtoffers, kan niet anders dan de bevindingen van voormeld onderzoek meenemen in zijn analyse. Uiteraard wordt een goed strafrechtelijk beleid niet louter opgebouwd rond de verwachtingspatronen van daders en slachtoffers, en uiteraard dient te worden nagegaan wat ter zake de ratio legis is geweest alsook wat op het terrein de eventuele praktische bezwaren zouden kunnen zijn, maar minstens is het gepast de conclusies van het onderzoek in overweging te nemen.

(i) Aldus dient prima facie te worden besloten dat een gedifferentieerde aanpak in casu nodig is, waarbij de procedure voor de strafrechter dient gereserveerd te worden voor de hierboven genoemde «overtuigingsdaders» en «instrumentalisten/activisten». De gerechtelijke onderzoeken en opsporingsonderzoeken tegen deze extremisten dienen zorgvuldig te worden opgebouwd, hun maatschappij-ondermijnend discours dient te worden aangetoond, geldstromen dienen onderzocht te worden en de ontbinding van eventuele rechtspersonen die zouden functioneren als vehikel om de strafwet te overtreden dient te worden nagestreefd.

De te vorderen sanctie dient alleszins aangepast te zijn aan de aard van het misdrijf en de aard van de overtreders. Volgens wetenschappers zou het ontradend effect van het strafrecht geen invloed hebben op deze personen. Op enige mentaliteitswijziging dient dus niet gehoopt te worden, wat maakt dat het er vooral op aan zal komen de democratische rechtsstaat te beschermen tegen deze dadergroep en dit op een wijze die «doeltreffend, evenredig en afschrikkend» genoeg is (cf. supra).

Anders ligt het echter bij de grote groep van «incidentalisten». Bij hen dient de gerechtelijke tussenkomst er vooral op gericht te zijn om «hen te herinneren aan de norm». Zoals hierboven aangegeven, bleken zowel daders als slachtoffers het er veelal over eens te zijn dat dit beter niet gebeurde via een gerechtelijke procedure. Een vaak gehoorde wens bij zowel daders als slachtoffers was het voorzien in een vorm van bemiddeling of dialoog, die in de plaats zou treden van het klassieke juridische afhandelingstraject. Beide partijen bleken aan de gerechtelijke procedure vooral het gevoel over te houden dat ze «niet gehoord waren» en meenden dat dit best zou kunnen verholpen worden via een buitengerechtelijke vorm van bemiddeling.

Voornoemde auteur J. Vrielink meende dan ook dat het niet de strafbemiddeling van art. 216ter Sv. was die in casu het meest geschikt zou zijn, maar wel de herstelbemiddeling zoals omschreven in art. 553 Sv. e.v.

Dienaangaande kan worden opgemerkt dat het in 2007 finaal de wil van de wetgever is geweest om schendingen van de «discriminatiewetgevingen» niet te depenaliseren. Er werd voorzien in specifieke misdrijven en verzwarende omstandigheden werden opgenomen in het Strafwetboek. De tussenkomst en de beoordeling van het openbaar ministerie werden aldus expliciet in diverse wetten verankerd.

Er bestaat dan ook op zijn minst een democratisch draagvlak om te stellen dat het geenszins raadzaam is – want niet in overeenstemming met de wens van de wetgever – om het bestraffen van discriminatie- en haatmisdrijven enkel nog buitengerechtelijk af te handelen en aldus een strafrechtelijk beleid uit te tekenen dat er in eerste instantie op gericht is als openbaar ministerie niet meer tussen te komen bij racisme, discriminatie of haatmisdrijven.

Een dergelijke houding zou volkomen uit den boze zijn wanneer het gaat om misdrijven gepleegd door de zgn. «hardliners», zoals de «overtuigingsdaders» en de «instrumentalisten». Hun georkestreerde en bewust gepleegde overtredingen van de strafwetgeving zijn immers maatschappij-ontwrichtend en verdienen een harde aanpak, evident binnen de grenzen van het strafrecht.

Een louter buitengerechtelijke afhandeling van de misdrijven gepleegd door de zgn. «incidentalisten» is echter evenmin wenselijk. Niet zelden zijn deze overtreders immers actief op allerhande sociale media en kan pas worden overgegaan tot hun lokalisering en identificatie na tussenkomst van politie en parket. Een bemiddeling heeft uiteraard pas zin als elke betrokken actor bekend is.

Bovendien is het spuien van cyberhaat de afgelopen jaren dermate geëxplodeerd dat het College van Procureurs-generaal zich aansloot bij de gemeenschappelijke visie van omzendbrief 13/2013 om cyberhaat voortaan als een prioriteit te beschouwen.

Voor de volledigheid dient er trouwens nog op te worden gewezen dat de herstelbemiddeling van art. 553 e.v. Sv. niet «buitengerechtelijk» functioneert. Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt immers dat elkeen die een direct belang heeft in elke fase van de strafprocedure en tijdens de strafuitvoering, om bemiddeling kan verzoeken.

(ii) Een en ander neemt evident niet weg dat het openbaar ministerie – samen met de andere betrokken partners – dient te streven naar een «op maat gestileerd» beleid.

Omdat «het in dialoog kunnen treden met elkaar» een terugkerende vraag is bij zowel daders als slachtoffers, dient hiermee rekening te worden gehouden. Deze bekommernis dient gecombineerd te worden met een aangepast leertraject en/of dienstverlening. Wegens het nagenoeg onbestaande aanbod ter zake in ons land (cf. supra), dient het openbaar ministerie dit onontgonnen terrein te betreden en hieromtrent samen te werken met zijn wettelijke partners, namelijk het Interfederaal Gelijkekansencentrum (voor wat de Antiracismewet en de Antidiscriminatiewet betreft) en het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (wat de Genderwet betreft). Aldus dient in een structureel en aangepast aanbod te worden voorzien.

Tevens kan gedacht worden aan een partnership met externe partners uit de academische wereld, alsook het Memoriaal Museum en Documentatiecentrum over de Holocaust en de Mensenrechten, beter bekend als de Kazerne Dossin in Mechelen.

Met de Vlaamse overheid, die ingevolge de zesde staatshervorming in de toekomst regelmatig rond de tafel van het strafrechtelijk beleid zal zitten, dienen afspraken te worden gemaakt m.b.t. de inzet en de capaciteit van de justitiehuizen en justitie-assistenten. Deze diensten zijn immers van wezenlijk belang voor het welslagen van de gestructureerde aanpak.

(iii) Op verzoek van het College van Procureurs-generaal is korte tijd geleden binnen het expertisenetwerk «misdrijven tegen personen» een werkgroep «discriminatie» opgericht die een voorbereidende rol zal spelen bij het uitwerken van een globaal en gestructureerd antidiscriminatiebeleid.

Een scenario dat deze specialisten wellicht nader zullen moeten onderzoeken, is ontegensprekelijk de toepassing van de strafbemiddeling, voor de door meerderjarige «incidentalisten» begane overtredingen van de discriminatiewetten.

Dezelfde experts zullen de nodige aandacht moeten besteden aan het uitwerken van leertrajecten en/of mogelijkheden tot dienstverlening die aangepast zijn aan de specifieke «discriminatiemisdrijven» en de plegers van die misdrijven.

Ook de mogelijkheid tot dialoog tussen dader en slachtoffer dient verder uitgewerkt te worden. Om dit concreet gestalte te geven, zou overwogen kunnen worden om binnen de strafbemiddeling systematisch een moment van rechtstreekse dialoog in te bouwen tussen dader en slachtoffer/klager.

Een andere optie is om binnen de strafbemiddeling toepassing te maken van de herstelbemiddeling. Nu reeds bepaalt art. 553, § 2 Sv. dat het parket de slachtoffers en de verdachten van haatmisdrijven systematisch in kennis zal stellen van de mogelijkheid tot herstelbemiddeling. Op die manier zouden de slachtoffers, wanneer zij dit wensen, een beter zicht kunnen krijgen op de besluitvorming en de uitvoering van de binnen de strafbemiddeling uitgewerkte maatregelen.

Wat de minderjarige daders betreft, is het alleszins zo dat ook de wet op de jeugdbescherming in de mogelijkheid voorziet om een dienstverlening of een leermaatregel op te leggen en hieraan bijkomend een herstelbemiddeling of een herstelgericht groepsoverleg te koppelen. 71

Het lijkt raadzaam periodieke evaluatiemomenten te koppelen aan de finaal gekozen beleidsoptie, waarbij telkens zal moeten worden nagegaan of de geviseerde, onverantwoorde schendingen van de vrijheid van meningsuiting inderdaad kunnen worden bestreden met gelijke wapens.

Anders gezegd, of praten inderdaad helpt.

1 B. Benyaich, Essay Radicalisme, Extremisme, Terrorisme, Uitgeverij Van Halewyck, 2015, 85.

2 P. Popelier, Rechtszekerheid als beginsel van behoorlijke regelgeving, Antwerpen, Intersentia, 1997, 387-388.

3 B. Benyaich, o.c., 85 en 86.

4 Deze korte inleiding is geïnspireerd op het Jaarverslag 2011 van het toenmalige Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding, 13-14.

5 Onderwerp dat ook ter sprake kwam op «Middag van het recht, FOD Justitie, Vrijheid van meningsuiting: Mogen wij alles zeggen, alles schrijven?» op 22 mei 2015.

6 EHRM 7 december 1976, Handyside t/Verenigd Koninkrijk, § 49; EHRM 23 september 1998, Lehideux en Isorni t/Frankrijk, § 55; EHRM 28 september 1999, Oztürk t/Turkije, § 64.

7 Zie o.a. GwH 6 oktober 2004, 157/2004, § 73; GwH 28 januari 2015, 9/2015, B.24, alsook het in vorige voetnoot vermelde arrest van het EHRM 7 december 1976, Handyside t/Verenigd Koninkrijk.

8 O.a. GwH 6 oktober 2004, 157/2004, B.75; GwH 12 februari 2009, 17/2009, overweging 68.1 e.v.; GwH 11 maart 2009, nr. 40/2009.

9 D. Voorhoof, «De wet bestrijding discriminatie als beperking op de expressievrijheid: ultieme realisatie van gelijkheidsbeginsel of veelkoppig monster» in De wet bestrijding discriminatie in de praktijk, Antwerpen, Intersentia, 2004, nr. 4.

10 EHRM 13 februari 2003, Refah Partisi t/ Turkije, §§ 98-99. In het Jaarverslag van het CGKR wordt m.b.t. art. 17 EVRM nochtans aangegeven dat deze bepaling ter discussie staat en dat het EHRM zich daar ook bewust van is. Het Hof zou zich dan ook met de nodige omzichtigheid op deze bepaling beroepen en dit enkel wanneer er een duidelijk risico bestaat voor de democratie (cf. EHRM 6 juli 2006, Erbadakan t/Turkije, § 56).

11 Zie o.a. EHRM 10 oktober 2000, Ibrahim Aksoy t/Turkije, § 63; EHRM 24 juni 2003, Roger Garaudy t/Frankrijk; EHRM 4 december 2003, Gündüz t/Turkije, § 41; EHRM 16 november 2004, Norwood t/V.K.; ECRM 11 oktober 1979, nrs. 8348/78 en 8406/78, Glimmerveen en Hagenbeek t/Nederland, D.R., 18, p. 187.

12 GwH 28 januari 2015, nr. 9/2015, overweging B.25.4.

13 M.E. Storme, «De fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren». Dit is de in 2007 geactualiseerde versie van de Molinarilezing n.a.v de ontvangst van de «Prijs voor de vrijheid» – Antwerpen 27 januari 2005.

14 GwH 6 oktober 2004, nr. 157/2004, overweging B.45.2; GwH 12 februari 2009, nr. 17/2009, overwegingen B.10.3 en B.65.

15 B. Frydman, «Gevaarlijke of fatale koers: van het beteugelen van haatspraak tot de gevaren van politieke correctheid voor de democratie» in Jaarverslag 2011, CGKR, 39.

16 D. Voorhoof, o.c., nr. 5.

17 Cass. 25 oktober 1909, Pas. 1909, I, 416.

18 J. Simon, Belgisch strafrecht, p. 93, nr. 94.

19 J. Rubbrecht, Inleiding tot het Belgisch strafrecht, Leuven, Wouters, 1958, 90: «Een drukpresmisdrijf bestaat in het strafbaar uiten van een mening door middel van de drukpers», «par délits de presse on entend les atteintes portées aux droits soit de la société, soit des individus, par l’abus de la manifestation des opinions en des écrits imprimés et publiés» (Cass. 10 juli 1871, Pas. 1872, 1, 17, RDP 1937, 671, met conclusie procureur-generaal Hayoit de Termicourt).

20 Cass. (2e k.) 6 maart 2012, AR P.11.1374.N en Cass. (2e k.) 6 maart 2012, AR P.11.0855.N, NJW 2012, 343, noot E. Brewaeys, «Drukpersmisdrijven op internet». Zie ook: D. Voorhoof, «Weblogs en websites zijn voortaan ook «drukpers»», De Juristenkrant 2012, afl. 246, 4-5.

21 In een arrest van 15 april 2008 interpreteert het Hof van Beroep te Gent het begrip «drukpers» als volgt: «Het is duidelijk dat met het internet de mogelijkheden tot verspreiding van deze berichten optimaal zijn en dat zodoende een zeer ruim publiek kan worden bereikt, veel ruimer zelfs dan via klassieke drukpers die immers steeds beperkte oplagen drukt (...). Het is overigens begrijpelijk en zelfs evident dat – gelet op de evolutie in de communicatiemedia, welke in 1831 noch gekend was, noch zelfs kon worden vermoed – aan het begrip «drukpers» mettertijd een veel ruimere betekenis moet worden toegekend dan wat destijds slechts mogelijk was door middel van inkt en papier en dit precies teneinde ook op heden nog steeds de bekommernis van de grondwetgever te respecteren. Forums op internet hebben vandaag inderdaad de klassieke kranten en tijdschriften verdrongen, zeker voor wat betreft het uiten van meningen en opinies, en zijn daartoe zelfs de eenvoudigste, snelste en meest efficiënte transmissiekanalen geworden».

22 Cass. (2e k.) 29 oktober 2013, AR P13.1270.N, «Persmisdrijf via internet», NJW 2014, 406-408, noot E. Brewaeys. In dit arrest hanteert het Hof een enge interpretatie van de Grondwet in verband met de drukpersvrijheid door te oordelen dat de vermenigvuldiging van strafbare mondelinge of audiovisuele meningsuitingen via internetmedia geen persmisdrijf oplevert, aangezien dat geen geschreven teksten zijn. Zie ook: D. Voorhoof, «Recente rechtspraak belaagt expressievrijheid op internet», De Juristenkrant 2013, afl. 278; J. Vrielink, «Beging Belkacem toch een persmisdrijf?», De Juristenkrant 2013, afl. 278, 10. Bij arrest van 6 maart 2012 (zie de verwijzing in voetnoot 20) oordeelde het Hof van Cassatie daarentegen dat het uiten van een strafbare mening via internet, inclusief de ermee verankerde beelden en geluiden, in beginsel een drukpersmisdrijf uitmaakt.

23 BS 28 april 2014.

24 J. Vrielink, «De juridische bestrijding van racistische meningsuitingen onderzocht» Panopticon, 2011, 61.

25 J. Vrielink, Van haat gesproken? Een rechtsantropologisch onderzoek naar de bestrijding van rasgerelateerde uitingsdelicten in België, Antwerpen, Maklu, 2010, nrs. 402-410, 548 e.v., 624.

26 De meervoudsvorm werd hier gekozen omdat ook de hierna te bespreken wetten werken met een lijst van «beschermde criteria». Het standpunt van het Grondwettelijk Hof had betrekking op elk van deze wetten.

27 GwH 12 februari 2009, nr. 17/2009, overweging B.14.7.

28 «Er is ook sprake van een persmisdrijf telkens als er een strafbare mening op het internet wordt geuit in een vorm die gelijkgesteld kan worden aan een schriftelijk medium, m.a.w. op een site die door iedereen kan bezocht worden».

29 Zo kan verwezen worden naar o.a. EHRM 9 februari 2012, 1813/07, Vejdeland e.a. t/ Zweden, waarin het Europese Hof aangaf dat discriminatie op grond van seksuele geaardheid even ernstig is als op grond van ras, afkomst of huidskleur.

30 In een antwoord op een parlementaire van 13 maart 2000 verklaarde de toenmalige minister van Justitie nochtans dat een analoge uitbreiding op grond van een teleologische interpretatie niet raadzaam was wegens de complexiteit van het debat, maar dat nader onderzoek vooral t.a.v. de elektronische pers en het internet noodzakelijk was (Vr. en Antw. Senaat 1999-2000, 2-23, vraag 538).

31 Sommige auteurs stellen dan ook openlijk de vraag of de ongelijke behandeling van daders van racistische drukpersmisdrijven vergeleken met daders van andere misdrijven te verantwoorden is en geen discriminatie inhoudt (zie: J. Velaers, «Vrijheid en verantwoordelijkheid: twee grondwettelijke waarden. Enkele beschouwingen over de artikelen 25 en 150 van de Grondwet» in Justitie en Media. Referaten van het colloquium georganiseerd door de Senaatscommissie van Justitie, 7-8-9 december 1995, p. 93).

32 Voorheen het Centrum voor de Gelijkheid van Kansen en voor de Racismebestrijding.

33 Uitgezonderd geslachtsverandering en genderexpressie/identiteit.

34 Het betreft hier voornamelijk Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000, Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000, Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 en Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006.

35 J. Vrielink, o.c., nr. 347.

36 GwH 12 februari 2009, nr. 17/2009, overweging B.2.5.

37 GwH 12 februari 2009, nr. 17/2009, overwegingen B.66 e.v.

38 J. Vrielink, o.c., nr. 349.

39 Voor een eventuele exhaustieve opsomming, zie omzendbrief 13/2013.

40 Jaarverslag 2014 Interfederaal Gelijkekansencentrum, 47.

41 Omzendbrief 13/2013, p. 18.

42 Zie in die zin ook het memorandum van het toenmalige CGKR aan de Belgische politieke partijen n.a.v. de verkiezingen 2014: «De prioriteiten van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding».

43 Dit onder voorbehoud van de door de statistische analisten gemaakte methodologische bedenkingen. Analyse van 20 januari 2015. Wat de minderjarigen betreft, blijken de richting of de afhandelingswijze van de dossiers ten laste van deze minderjarigen niet overal te lande even consequent te worden ingevuld in het PJP-systeem. Bijgevolg kunnen geen betrouwbare cijfers/conclusies worden getrokken.

44 GwH 12 februari 2009, nr. 17/2009, overweging B.93.6.

45 GwH 11 maart 2009, nr. 40/2009, overweging B.100.2.

46 Zie ook de hierboven geciteerde passus uit de bijdrage van B. Frydman, die eveneens het onderscheid maakt tussen woorden en daden.

47 Terug te vinden op p. 29 van het arrest ten laste van de drie vzw’s die nauw samenwerkten met de toenmalige politieke partij «Vlaams Blok».

48 Cf. Jaarverslag 2011 CGKR, 32 en de daar vermelde rechtspraak (zie o.a. EHRM, drie arresten (Grote Kamer) van 8 juli 1999, inzake Karatas, Sürel en Sürel Ozdemir t/ Turkije; EHRM 6 juli 2006, Erbakan t/ Turkije; EHRM 16 november 2014, Norwood t/ Verenigd Koninkrijk; EHRM 19 december 2006, Erdal Tas t/ Turkije; EHRM 20 februari 2007, Ivanov t/ Rusland; EHRM 16 juli 2009, Féret t/ België; EHRM 20 april 2010, Le Pen t/ Frankrijk; EHRM 1 februari 2011, Faruk Temel t/ Turkije).

49 Zie ook Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme, Jaarverslag 2013, p. 50.

50 P.11.0855.N/1.

51 Decreet op de drukpers van 20 juli 1831.

52 De voorstanders om art. 150 Gw. niet te wijzigen, verwijzen vaak naar het feit dat de loodzware procedure voor het hof van assisen met feitelijke niet-vervolging tot gevolg, juist een waarborg is voor de persvrijheid.

53 Een rechtsfilosofische benadering van deze begrippen kan worden teruggevonden in A. Margalit, De fatsoenlijke samenleving, Amsterdam, van Gennep, 1996.

54 Zie o.a. EHRM 9 juni 1998, Incal t/ Turkije, § 54; EHRM 8 juli 1999, Sürek nr. 2 t/ Turkije, § 34.

55 Naast de reeds vermelde burgerrechtelijke maatregelen, bestaan in België ook verschillende wetteksten die het zgn. «recht van antwoord» in de media regelen, dit naar gelang van het type van media (pers, radio, televisie, internet) en de plaats van publicatie of uitzending.

56 Beleidsplan Openbaar Ministerie van 21 juni 2007, p. 2.

57 Uit de hierboven reeds vermelde cijfers van de statistisch analisten blijkt dat de gewone minnelijke schikking nagenoeg niet gebruikt wordt wanneer het gaat om schendingen van de discriminatiewetten. Er is sprake van 1, 42% in 2013 en 1, 06% in 2014.

58 Zie de in opdracht van het CGKR uitgevoerde studie van de KULeuven en het LINC met als titel «Naar alternatieve maatregelen in de strijd tegen discriminatie en haatmisdrijven», september 2012, p. 17.

59 In de drie «discriminatiewetten» is bepaald dat een celstraf en/of een geldboete kan worden opgelegd.

60 «Naar alternatieve maatregelen in de strijd tegen discriminatie en haatmisdrijven», september 2012, p. 5, 17 en 20 e.v.

61 Zo lijkt het bijzonder nuttig de plaats waar de prestatie dient geleverd te worden af te stemmen op de aard van het misdrijf.

62 «Naar alternatieve maatregelen in de strijd tegen discriminatie en haatmisdrijven», september 2012, 20-21.

63 De statistieken spreken van 1,42% in 2013 en 1,31% in 2014.

64 Voor minderjarigen voorziet ook de Jeugdbeschermingswet (art. 37, § 2, 4o en art. 37, § 2bis, 3o) in de mogelijkheid om een dienstverlening of een leermaatregel (art. 37, § 2, 6o en art. 37, § 2bis, 5o) op te leggen via de jeugdrechter.

65 In het kader van zijn bijdrage aan de Vlaamse Vredesweek 2014 maakte het huidige Interfederaal Gelijkekansencentrum melding van twee proefprojecten die het in dat verband opstartte. Zie artikel «De impact van alternatieve maatregelen bij haatdelicten: een bijdrage voor de Vlaamse Vredeweek» op www.diversiteit.be en het Jaarverslag 2014 van het Centrum, 45.

66 «Naar alternatieve maatregelen in de strijd tegen discriminatie en haatmisdrijven», l.c., 2.

67 «Naar alternatieve maatregelen in de strijd tegen discriminatie en haatmisdrijven», l.c., 18.

68 Zie de reeds vermelde bijdragen van J. Vrielink in zijn handboek op p. 381 e.v. alsook de eveneens reeds vermelde studie «Naar alternatieve maatregelen in de strijd tegen discriminatie en haatmisdrijven», l.c., 19 en de daar geciteerde studie van J. McDevitt, J. Levin en S. Bennet.

69 Nrs. 766 e.v.

70 Nrs. 684 e.v.

71 Art. 37bis, 37quater, 45quater, 52 e.v. Jeugdbeschermingswet.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: za, 02/04/2016 - 11:27
Laatst aangepast op: za, 02/04/2016 - 11:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.