-A +A

De verjaring van het misdrijf van het (fiscaal) gebruik van valse stukken: a never ending story?

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Lammens Kristof
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
986
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

Grondige analyse over de verjaringstermijn van het fiscaal gebruik van valse stukken mùet uitvoerige verwijzingen naar rechtsleer en rechtspraak

Rechtsleer:

• R. VERSTRAETEN, «Verjaring: algemene regeling» in De verjaring van de strafvordering voor rechtspractici, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2005, 25-26.

• R. DECLERCQ, Beginselen van rechtspleging, Mechelen, Kluwer, 4e editie, p. 117 e.v., nrs. 195 e.v.; A. DE NAUW,Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 6e editie, p. 46 e.v., nrs. 50 e.v.; S. VAN DYCK, «Sint-Juttemis en de verjaring in het leerstuk van valsheid in geschriften» in De verjaring van de strafvordering voor rechtspractici, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2005, 69 e.v.

• J. VANDENBRANDEN en D. JACQUES, Fiscale rechtspraakoverzichten fiscaal strafrecht 1980-2005, 34 e.v. en 55 e.v.; L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht in APR, Mechelen, Story-Scientia, 2002, 146 e.v.; A. DE NAUW, Fiscaal strafrecht en strafprocesrecht, p. 97.

• JVD, «Duurt gebruik valse stukken voort zolang belasting niet betaald is», Fiscoloog, nr. 1119, p. 3; S. VAN DYCK, «Een volgende stap op het pad naar de onverjaarbaarheid van (fiscale) valsheid en gebruik? Tijd voor een alternatieve analyse», TFR 2009, 182 e.v.

• Malfait, E., « Het gebruik van valse stukken, een onverjaarbaar misdrijf? », R.A.B.G., 2014/10, p. 644-646

Rechtspraak

• Cass. 7 februari 2007, A.R. P.06.1491.F;

• Cass. 12 februari 2002, A.R. P.01.1448.N;

• Cass. 6 maart 2001, A.R. P.00.1736.N;

• Cass. 23 december 1998, A.R. A940001.F.

• Bergen 27 november 1978, Bull.Bel., nr. 583, p. 621.

•. Corr. Kortrijk 7 mei 1984, Bull.Bel. 1985, nr. 643, p. 2279 e.v.

•.Corr. Brussel 25 juni 1986, FJF 87/29.

•. Brussel 18 december 1986, FJF 87/89 en 88/125.

•. Brussel 23 december 1987, Rev.prat.soc. 1988, 53.

•. Gent 14 december 1988, FJF 1990, 90/231.

•. Cass. 19 april 1994, Arr.Cass. 1994, 385.

•. Cass. 27 juni 1995, Arr.Cass. 1995, 679.

•. Gent 28 april 2005, Fiscale Koerier 2005, 05/475.

•. Brussel 19 december 2007, besproken in Fisc.Act. 2007, nr. 38, p. 7 door B. VERSTRAETEN.

•. Cass. 13 juni 2006, Pas. 2006, 1395, RGCF 2007, 418-427.

•. Cass. 7 februari 2007, nr. P061491F, www.cass.be.

• Cass. 13 mei 2008, nr. P.08.1732.F, www.cass.be.

• Cass. 13 mei 2008, nr. P.08.0167.N, www.cass.be.

• Grondwettelijk Hof 17/2010 25 februari 2010, RW 2010-2011,995

Arrest nr. 17/2010

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 18 maart 2009 heeft de Correctionele Rechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld: «Schenden de artikelen 193, 196 en 197 Sw., 73bis BTW-Wetboek en 450 WIB en de artikelen 21, 22 en 23 Voorafgaande Titel Sv. het grondwettelijke legaliteitsbeginsel zoals verwoord in art. 12 en 14 van de Grondwet en art. 7 van het EVRM in zoverre zij worden geïnterpreteerd in die zin dat het misdrijf van gebruik van valse stukken wordt gekwalificeerd als een voortdurend misdrijf doordat het gebruik blijft voortduren zelfs zonder een nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaald optreden, zolang het door hem beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttig gevolg heeft dat hij ervan verwachtte?».

...

In rechte

Wat de draagwijdte van de prejudiciële vraag betreft

B.1. De verwijzende rechter vraagt of de artikelen 193, 196 en 197 Sw., art. 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: BTW- Wetboek), art. 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 1992) en de artikelen 21, 22 en 23 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel Sv., in de interpretatie dat het «gebruik van valse stukken» een voortdurend misdrijf is – doordat het gebruik blijft voortduren, zelfs zonder een nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaald optreden, zolang het door hem beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte –, verenigbaar zijn met de art. 12 en 14 van de Grondwet en met art. 7 EVRM.

B.2. Het Hof wordt niet gevraagd de rechtspraak van het Hof van Cassatie te toetsen aan de in de prejudiciële vraag aangehaalde grondwets- en verdragsbepalingen, wel de in het geding zijnde bepalingen, in de aangegeven interpretatie, te toetsen aan die grondwets- en verdragsbepalingen.

Wanneer een rechter het Hof ondervraagt over de grondwettigheid van bepalingen in een bepaalde interpretatie, antwoordt het Hof, in de regel, op de vraag door die bepalingen in die interpretatie te onderzoeken.

Wat de in het geding zijnde bepalingen betreft

B.3. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en de wijze waarop de prejudiciële vraag is geformuleerd, blijkt dat die vraag in werkelijkheid enkel de wetsbepalingen betreft die het «gebruik van valse stukken» strafbaar stellen, namelijk art. 197 Sw., art. 73bis van het BTW-Wetboek en art. 450 van het WIB 1992.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die artikelen.

B.4.1. Uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat die artikelen aan het Hof worden voorgelegd in hun huidige redactie.

B.4.2. Art. 197 Sw. bepaalt:

«In alle gevallen in deze afdeling vermeld, wordt hij die gebruik maakt van de valse akte of van het valse stuk, gestraft alsof hij de dader van de valsheid was».

B.4.3. Art. 73bis van het BTW-Wetboek, laatst gewijzigd bij art. 49 van de programmawet (I) van 27 december 2006, bepaalt:

«Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van 250 euro tot 125.000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die, met het oogmerk om een van de in artikel 73 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid pleegt, of die van een zodanig vals geschrift gebruik maakt.

«Hij die wetens en willens een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van de Schatkist kan schaden of die van een dergelijk getuigschrift gebruik maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 125.000 euro of met één van die straffen alleen».

B.4.4. Art. 450 van het WIB 1992, laatst gewijzigd bij art. 36 van de programmawet (I) van 27 december 2006, bepaalt:

«Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van 250 euro tot 125.000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die, met het oogmerk om een van de in artikel 449 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid pleegt, of die van een zodanig vals geschrift gebruik maakt.

«Hij die wetens en willens een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van de Schatkist kan schaden of die van een dergelijk getuigschrift gebruik maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 125.000 euro of met één van die straffen alleen».

...

B.8.1. De artikelen 12 en 14 van de Grondwet bepalen:

«Art. 12. De vrijheid van de persoon is gewaarborgd.

«Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.

«Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren».

«Art. 14. Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet».

Art. 7 van het EVRM bepaalt:

«1. Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.

«2. Dit artikel staat niet in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen welke door de beschaafde volken worden erkend».

B.8.2. Op grond van art. 1, 2o, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, is het Hof bevoegd om wetgevende normen te toetsen aan de artikelen van titel II «De Belgen en hun rechten» en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet.

Wanneer evenwel een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is met die van een of meer van de voormelde grondwetsbepalingen, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen.

Daaruit volgt dat, wanneer een schending wordt aangevoerd van een bepaling van titel II of van de artikelen 170, 172 of 191 van de Grondwet, het Hof bij zijn onderzoek rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen.

In zoverre het het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgt, heeft art. 7.1 van het EVRM een draagwijdte die analoog is aan die van art. 12, tweede lid, en art. 14 van de Grondwet.

B.8.3. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen art. 12, tweede lid, en art. 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.

B.8.4. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat er evenwel niet aan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.

Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet, is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid meebrengen.

B.8.5. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel zouden schenden.

B.9. De kwalificatie van het «gebruik van valse stukken» als een voortdurend misdrijf vindt steun in de rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het gebruik voortduurt, zelfs zonder een nieuw feit van de dader van de valsheid en zonder herhaald optreden van zijnentwege, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte (zie onder meer: Cass. 4 juli 1932, Pas. 1932, I, 223; Cass. 11 januari 1960, Arr.Cass. 1960, 412; Cass. 6 februari 1979, Arr.Cass. 1978-79, 638; Cass. 4 maart 1986, Arr.Cass. 1985-86, nr. 423; Cass. 6 maart 2001, Arr.Cass. 2001, nr. 123; Cass. 7 februari 2007, P.06.1491.F). «Het strafbaar karakter van een gebruik van valse stukken voor de vervalser, vereist dus niet dat hij de duur ervan kon voorzien, het volstaat dat hij kon voorzien dat het valse stuk de door hem gewenste uitwerking zal hebben of zal kunnen hebben» (Cass. 7 februari 2007, voormeld).

B.10. De kwalificatie als voortdurend, dan wel als aflopend misdrijf, heeft op zichzelf geen invloed op het feit dat elke persoon weet dat hij kan worden vervolgd en veroordeeld indien zijn initiële gedraging samenvalt met de constitutieve elementen van het misdrijf dat door de in het geding zijnde bepalingen wordt bestraft.

B.11.1. Die kwalificatie heeft wel gevolgen op het vlak van de verjaring van de strafvordering, die begint te lopen te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd (art. 21 van de Voorafgaande Titel Sv.), wat bij een voortdurend misdrijf pas het geval is wanneer de delictuele toestand is beëindigd.

B.11.2. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de strafrechter om uit te maken, op grond van de strafrechtelijke bepalingen, wanneer een misdrijf ophoudt te bestaan en wanneer dienovereenkomstig de verjaringstermijn begint te lopen. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken verzet er zich niet tegen dat de strafrechter, naar gelang van de verwezenlijking of niet van het door de dader «nagestreefde doel» en het «nuttige gevolg» van zijn beginhandeling, het einde van het misdrijf van gebruik van valse stukken in feite bepaalt.

B.11.3. De onvoorspelbaarheid die te maken heeft met het feit dat een misdrijf dat strafbaar was op het ogenblik dat de initiële strafbare handeling werd gesteld, nog met dezelfde straf zou kunnen worden gestraft na het verstrijken van de door de dader verwachte termijn van verjaring, doordat het misdrijf, in tegenstelling tot wat de dader had gedacht, een voortdurend karakter heeft, is niet van die aard dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan art. 12 en art. 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 7 van het EVRM.

B.12. Rekening houdend met de in B.9 aangehaalde vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, kan te dezen bovendien niet staande worden gehouden dat de rechtzoekende zich in de onmogelijkheid zou bevinden om vooraf op afdoende wijze in te schatten of het desbetreffende misdrijf een voortdurend karakter heeft.

B.13. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

• Cass. 26/02/2013 Fiscale valsheid in geschrifte-verjaring

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 september 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de hem ten laste gelegde feiten A.I.b)2), A.II.b), A.III.b), B.I.b)2), B.II.b), B.III.b), C.I.a (deels), C.I.c), C.III.a) en b) en C.VII.a) en f).

Het tegen die beslissing gerichte cassatieberoep is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel
Eerste onderdeel
2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 145, 189 en 211 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat het gebruik van de valse stukken niet heeft geduurd tot de door het Openbaar Ministerie en de met verwijzingsbeschikking van de raadkamer bepaalde datum van 1 april 2000, maar wel tot en met 16 januari 2008 verwerpen de appelrechters ten onrechte eisers verweer dat de strafvordering voor de hem verweten feiten was vervallen door verjaring; zij gronden het oordeel dat het gebruik van de valse stukken tot die datum heeft geduurd op de loutere vaststelling dat ingevolge de betwisting van de op 29 april 2009 en op 5 juni 2009 verstuurde berichten van wijziging van aangifte de verschuldigde belastingen nog steeds niet volledig en definitief zijn bepaald, zij het dat de vervolging niet kan slaan op feiten daterend van na het verwijzingsarrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 17 januari 2008; de appelrechters steunen zich aldus op feiten die dateren van na het verwijzingsarrest en na de door hen in acht genomen incriminatie­periode; zij preciseren bovendien geenszins de concrete daden van gebruik in de periode tussen 1 april 2000 en 16 januari 2008; zodoende verklaren zij de eiser schuldig aan feiten van het gebruik van valse stukken gepleegd na 1 april 2000 en derhalve aan feiten waarvoor zij niet waren geadieerd en verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

3. De verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht maakt bij de strafrechter een bepaalde feitelijke gedraging aanhangig. Het staat aan de strafrechter om gelet op de bewoordingen van de verwijzingsbeslissing en in het licht van de gegevens van het strafdossier uit te maken welke feitelijke gedraging wordt bedoeld en daaraan de juiste omschrijving te geven met inbegrip van de datum of de tijdsperiode. Hij dient daarbij zo nodig de in de verwijzingsbeslissing voorlopig bepaalde datum of tijds­periode voor de bij hem aanhangige gedraging aan te passen.

De strafrechter mag de datum of de tijdsperiode echter niet zodanig aanpassen dat bij hem een andere feitelijke gedraging wordt aanhangig gemaakt dan die welke met de verwijzingsbeslissing werd bedoeld. Bovendien moet bij een aanpassing het recht van verdediging van partijen in acht worden genomen.

4. Indien de bij de strafrechter met een verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht aanhangig gemaakte feitelijke gedraging als een voortdurend misdrijf is te omschrijven, kan de door de rechter bepaalde tijdsperiode voor dit voortdurend misdrijf zich niet uitstrekken na de datum van de saisinebepalende verwijzingsbeslissing.

Dit sluit echter niet uit dat de rechter bij het bepalen van de juiste tijdsperiode van de bij hem aanhangige feitelijke gedraging, die als een voortdurend misdrijf is omschreven, rekening kan houden met gebeurtenissen die zich na de verwijzings­beschikking hebben voorgedaan, voor zover de rechter zich daardoor niet uitspreekt over andere feitelijke gedragingen dan die welke regelmatig bij hem zijn aanhangig gemaakt.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. De strafrechter bepaalt onaantastbaar de datum of de tijdsperiode van de door hem omschreven strafbare gedraging, die de verwijzingsbeslissing bij hem heeft aanhangig gemaakt. Het hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

6. De eiser werd met de telastlegging B, zoals verbeterd door de appelrechters wat betreft de opgesomde aanslagjaren, vervolgd voor het plegen van valsheid en het gebruik van valse stukken, met het bedrieglijk opzet de werkelijke door de vennootschappen NV FTI en SA IP verwezenlijkte inkomsten en de daaruit voortvloeiende belastbare winst te verdoezelen, derhalve de belastbare basis minstens voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 op bedrieglijke wijze te hebben verminderd teneinde aanzienlijke vennootschapsbelasting te ontduiken.

7. De appelrechters (arrest, ro 12-14) oordelen onder meer dat:

indien bewezen, het gebruik van de valse stukken gebeurde met hetzelfde bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden als de valsheid zelf;
het gebruik van valsheid in geschriften een voortdurend misdrijf is, waarvan de verjaring slechts een aanvang neemt op het ogenblik waarop de delictuele toestand die door het gebruik werd gecreëerd, heeft opgehouden te bestaan;
het gebruik van valse stukken voortduurt zolang het door de dader van de valsheid beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft gehad dat hij ervan verwachtte;
de hierbij bedoelde valsheden onder meer tot doel hadden de verschuldigde belastingen te ontduiken, dit wil zeggen ze niet te betalen of minstens de betaling ervan uit te stellen;
het gebruik van de valse stukken dus voortduurt totdat de door de valsheid ontdoken belastingen effectief en definitief betaald zijn;
op 29 april 2009 berichten van wijziging werden verstuurd aan FTI met betrekking tot de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999, de fiscale administratie voor de aanslagjaren 1997 en 1998 de boekhouding heeft verworpen en voor het aanslagjaar 1999 de compensatie met vorige verliezen werd verworpen;
de fiscale administratie op 29 mei 2009 vanwege de raadsman van FTI een antwoord van niet-akkoord heeft ontvangen;
op 19 februari 2010 opdracht werd gegeven tot inkohiering van de vennootschapsbelasting en op 22 februari 2010 de aanslagen met betrekking tot deze aanslagjaren uitvoerbaar werden verklaard;
er met betrekking tot de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 nog geen betaling gebeurde;
de vervolging niet kan slaan op feiten vanaf het verwijzingsarrest van 17 januari 2008.
8. Met die redenen passen de appelrechters de voor de telastlegging B in acht te nemen tijdsperiode aan, zonder dat zij bij hen een andere feitelijke gedraging aanhangig maken dan die welke met de verwijzingsbeslissing werd bedoeld. Met de redenen, eensdeels, dat op 29 april 2009 aan FTI berichten van wijziging werden toegestuurd, op 29 mei 2009 de administratie een bericht van niet-akkoord heeft ontvangen, op 19 februari 2010 opdracht werd gegeven tot inkohiering, op 22 februari 2010 de aanslagen werden uitvoerbaar verklaard en er nog geen betaling gebeurde, en, anderdeels dat de vervolging niet kan slaan op feiten vanaf het verwijzingsarrest van 17 januari 2008, oordelen de appelrechters bovendien dat de eiser ook tijdens de periode van 1 april 2000 tot en met 16 januari 2008, de valse belastingstukken is blijven gebruiken. Aldus verantwoorden zij hun beslissing dat de verjaring van de strafvordering voor de feiten der telastlegging B slechts een aanvang neemt op 16 januari 2008 en de verjaring van de strafvordering voor het geheel van de aan de eiser ten laste gelegde feiten nog niet is bereikt, naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 193, 196 en 197 Strafwetboek en de artikelen 449 en 450 WIB 1992: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het gebruik van de valse stukken heeft geduurd tot en met 16 januari 2008; het gebruik van een vals stuk in fiscalibu s eindigt wanneer het beoogde doel is bereikt, dit is de misleiding van de belastingadministratie met het oog op de berekening van de belasting, de ontwijking van die belasting of het uitstellen van de verplichting tot betaling van de belasting; het beoogde doel wordt bereikt bij een op de onjuiste aangifte en de valse stukken gesteunde onjuiste inkohiering; de mogelijkheid die de fiscus heeft om nadien een aanvullende aanslag te vestigen mag niet in rekening worden gebracht; deze aanvullende aanslag is immers per definitie niet gesteund op de door de beklaagde gebruikte stukken; met het oordeel dat het gebruik voortduurt tot en met de vestiging van de aanvullende aanslag verwarren de appelrechters eensdeels het nuttige gevolg van het delictueel gebruik bestaande uit de geslaagde misleiding van de fiscus dat wordt bereikt bij de vestiging van de oorspronkelijke aanslag op grond van de onjuiste stukken (doel) en anderdeels het financieel voordeel dat uit een onjuiste aanslag voortvloeit en dat bestaat in de niet-betaling van de verschuldigde belasting (gevolg); de beslissing van de appelrechters is gesteund op de loutere vaststelling dat in 2009 door de fiscus berichten van wijziging van aangifte werden verstuurd en dat die berichten en de daaruit voortvloeiende fiscale procedure zich volledig na 16 januari 2008 en dus na de incriminatieperiode situeren; het strafbare gebruik van de valse stukken kan dan ook onmogelijk betrekking hebben op het gebruik van deze stukken in een fiscale procedure die na 16 januari 2008 is gesitueerd; bovendien geven de appelrechters niet aan welke daden van gebruik van valse stukken de eiser zou hebben gesteld in de periode tussen 1 april 2000 en 16 januari 2008 noch wanneer de belasting op grond van de beweerde stukken werd ingekohierd en plaatsen ze aldus het hof in de onmogelijkheid de wettigheid van het arrest te toetsen.

10. Wanneer een beklaagde wordt vervolgd wegens valsheid en het gebruik van het valse stuk, begint de verjaring van de strafvordering voor wat betreft beide misdrijven eerst te lopen vanaf het laatste gebruik. Het gebruik duurt voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten oorspronkelijke handeling, zonder dat hij zich er tegen verzet, het nuttige gevolg blijft hebben die hij ervan verwachtte.

11. Met artikel 450 WIB 1992 bestraft de wetgever de valsheid die tot doel heeft de belastingadministratie te misleiden met het oog op de berekening van de inkomstenbelastingen, deze te ontwijken en de verplichting tot betaling ervan uit te stellen.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het gebruik van een vals stuk in de zin van artikel 450 WIB 1992 zijn doel heeft bereikt bij de inkohiering en het gebruik op dat ogenblik noodzakelijk ophoudt, faalt het dan ook naar recht.

12. Het staat aan de strafrechter om in feite uit te maken of, naargelang het al dan niet verwezenlijkt zijn van het door de dader van het misdrijf nagestreefde doel en het nuttige gevolg dat hij van de valse belastingstukken verwachtte, aan het gebruik ervan een einde is gekomen. Hij kan daarbij feitelijke gebeurtenissen in aanmerking nemen die zich na de verwijzingsbeschikking hebben voorgedaan. Het hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht heeft kunnen afleiden dat die valsheid al dan niet heeft opgehouden de door de vervalser gewenste uitwerking te hebben.

13. De eiser werd met de telastlegging B, zoals verbeterd door de appelrechters wat betreft de opgesomde aanslagjaren, vervolgd voor het plegen van valsheid en het gebruik van valse stukken, met het bedrieglijk opzet de werkelijke door de vennootschappen FTI NV en IP SA verwezenlijkte inkomsten en de daaruit voortvloeiende belastbare winst te verdoezelen, derhalve de belastbare basis minstens voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 op bedrieglijke wijze te hebben verminderd teneinde aanzienlijke vennootschapsbelasting te ontduiken.

14. Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel konden de appelrechters oordelen dat het met de telastlegging B bedoelde gebruik heeft geduurd tot en met 16 januari 2008, dat de verjaring van de strafvordering voor die feiten slechts een aanvang heeft genomen op die datum en dat de verjaring van de strafvordering voor het geheel van de aan de eiser ten laste gelegde feiten nog niet is bereikt. Met de redenen, eensdeels, dat op 29 april 2009 aan FTI berichten van wijziging werden toegestuurd, op 29 mei 2009 de administratie een bericht van niet-akkoord heeft ontvangen, op 19 februari 2010 opdracht werd gegeven tot inkohiering, op 22 februari 2010 de aanslagen werden uitvoerbaar verklaard en er nog geen betaling gebeurde, en, anderdeels dat de vervolging niet kan slaan op feiten vanaf het verwijzingsarrest van 17 januari 2008, oordelen de appelrechters bovendien dat de eiser ook tijdens de periode van 1 april 2000 tot en met 16 januari 2008, de valse belastingstukken is blijven gebruiken. Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 246,02 EUR.
 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: do, 17/02/2011 - 14:02
Laatst aangepast op: do, 06/07/2017 - 11:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.