-A +A

De Raad van State als cassatierechter. Overzicht van rechtspraak (2006-2011)

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Brewaeys Eric
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1406
Samenvatting

De wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft belangrijke wijzigingen aangebracht in de cassatieprocedure voor de Raad van State. Het cassatieberoep bij dit rechtscollege is nu onderworpen aan een voorafgaande toelaatbaarheidsbeoordeling. Dit vijfjarig bestaan biedt de gelegenheid om in de eerste plaats aan de hand van de rechtspraak 1 van de Raad van State een overzicht te geven van de belangrijkste knelpunten in dit bijzonder domein.

zie ook Grondwettelijk Hof, 27 januari 2011, RW 2011-2012, 1640 (geciteerd hierna)

Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding

A. Algemeen
B. Cijfergegevens

II. De specifieke aard van het cassatieberoep

A. De finaliteit van het cassatieberoep
B. De cassatierechter is geen feitenrechter

III. Administratieve rechtscolleges

A. Begrip
B. Een overzicht
C. Een aantal recente rechtscolleges
D. Beginselen van toepassing op de procedure voor de administratieve rechter

IV. De inleiding van het cassatieberoep

A. Het verzoekschrift

1° Ondertekening door een advocaat
2° Uiteenzetting van de middelen
3° Het optreden in rechte van rechtspersonen

B. De vormelijke controle door de griffie

V. Ontvankelijkheidsvereisten

A. De hoedanigheid

B. Belang

1° Algemeen
2° De evolutie van de zaak kan het belang beïnvloeden
3° Fraus omnia corrumpit

C. De aard van de bestreden beslissing

VI. De toelaatbaarheidsbeoordeling

A. Beginselen

B. De procedure

C. De criteria

D. Beoordeling
1° Het middel moet nauwkeurig en ter zake dienend zijn
2° Het middel moet betrekking hebben op de bestreden beslissing
3° Het middel moet betrekking hebben op een relevante rechtsvraag4° Het middel moet tot cassatie kunnen leiden
5° De beweerde onwettigheid moet de strekking van de bestreden beslissing hebben beïnvloed
6° Belang bij het middel
7° Nieuw middel / nieuwe exceptie
8° De eenheid van rechtspraak
9° Ambtshalve middel

E. De beschikkingspraktijk in vreemdelingenzaken

F. Gevolgen van de beschikking

VII. Knelpunten en verband met de verdere rechtspleging

A. De memories

1° De synthesememorie
2° Nieuw middel
3° Gevolg van het niet-indienen van een memorie
4° Geen laatste memorie

B. De terechtzitting

C. Vermoeden van afstand

VIII. De gevolgen van de cassatie

IX. Conclusies 

Aanvullende rechtsleer met gedetailleerde beschjrijving van de procedure: 

• E. Brewaeys, «De cassatieprocedure voor de Raad van State», RW 2007-08, 1228-1229 en 1233-1237.

• B. Van Dorpe, «De cassatieadvocaat in administratieve zaken» in Liber amicorum Jo Stevens, Brugge, Die Keure, 2011, 601.

Relevante rechtspraak:

• Grondwettelijk Hof, 27 januari 2011, RW 2011-2012, 1640

Samenvatting:

De Vlaamse decreetgever is bevoegd om op grond van art. 10 van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen de Raad voor Vergunningsbetwistingen op te richten, zolang de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State cassatierechter blijft.

Arrest nr. 8/2011

Onderwerp van de beroepen

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 augustus 2009 ter post aangetekende brief, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 36 en 40 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 mei 2009) door (...).

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 augustus 2009 ter post aangetekende brief, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van art. 36 van hetzelfde decreet door (...).

c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 augustus 2009 ter post aangetekende brief, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 36, 40, 58 en 104 van hetzelfde decreet door (...).

d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 november 2009 ter post aangetekende brief, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 36 en 40 van hetzelfde decreet door (...).

Deze zaken, ingeschreven onder de nrs. 4764, 4765, 4766 en 4799 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

...

In rechte

...

B.8.1. In het vierde middel in de zaak nr. 4765 voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 133/56 tot 133/86 van het decreet van 18 mei 1999, vervangen bij het bestreden art. 36, de artikelen 39, 143, 144, 145, 146, 160 en 161 van de Grondwet en de artikelen 6, 10 en 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zouden schenden, in zoverre die bepalingen de Raad voor vergunningsbetwistingen als administratief rechtscollege oprichten en de procedure ervan regelen.

B.8.2. Luidens art. 133/56, tweede lid van het decreet van 18 mei 1999 spreekt de Raad voor vergunningsbetwistingen zich als een administratief rechtscollege uit over de beroepen die worden ingesteld tegen:

“1o vergunningsbeslissingen, zijnde uitdrukkelijke of stilzwijgende bestuurlijke beslissingen, genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afleveren of weigeren van een vergunning;

2o valideringsbeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen houdende de validering of de weigering tot validering van een as-built-attest;

3o registratiebeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen waarbij een constructie als “vergund geacht” wordt opgenomen in het vergunningenregister, of waarbij een dergelijke opname geweigerd wordt”.

B.8.3. In zoverre de verzoekende partijen de decreetgever verwijten een administratief rechtscollege te hebben opgericht, zijn de in het middel aangehaalde artikelen 143 en 144 van de Grondwet te dezen niet relevant. De verzoekende partijen [voeren] aan dat de artikelen 133/56 tot 133/86 van het decreet van 18 mei 1999, vervangen bij het bestreden artikel 36, de artikelen 39, 143, 144, 145, 146, 160 en 161 van de Grondwet en de artikelen 6, 10 en 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zouden schenden, in zoverre die bepalingen de Raad voor vergunningsbetwistingen als administratief rechtscollege oprichten en de procedure ervan regelen.

B.8.4. Art. 145 van de Grondwet bepaalt:

“Geschillen over politieke rechten behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen”.

Art. 146 van de Grondwet bepaalt:

“Geen rechtbank, geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet. [...]”.

Art. 161 van de Grondwet bepaalt:

“Geen administratief rechtscollege kan worden ingesteld dan krachtens een wet”.

Die bepalingen behouden aan de federale overheid de bevoegdheid voor om administratieve rechtscolleges op te richten en hun bevoegdheden en de door hen na te leven procedureregels te bepalen.

B.8.5. Aangezien de Raad voor vergunningsbetwistingen een administratief rechtscollege is dat uitspraak doet over jurisdictionele beroepen, was de Vlaamse decreetgever in beginsel niet bevoegd om de bestreden bepalingen aan te nemen.

B.8.6. Op grond van art. 10 van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen kan het decreet evenwel bepalingen bevatten in aangelegenheden waarvoor de Parlementen niet bevoegd zijn. Opdat dit art. 10 toepassing kan vinden, is het vereist dat de aangenomen regeling noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, dat de aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en dat de weerslag van de betrokken bepalingen op die aangelegenheid slechts marginaal is.

...

B.8.7.2. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever de oprichting van een administratief rechtscollege noodzakelijk achtte, enerzijds, om het beroep bij de Vlaamse Regering te vervangen door een beroepsprocedure bij een onpartijdige en onafhankelijke instantie die over voldoende expertise zou beschikken om te kunnen oordelen of vergunningsbeslissingen in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening en, anderzijds, om een snelle afhandeling van dat beroep te kunnen verzekeren. Het blijkt niet dat die beoordeling onjuist is.

B.8.8. De aangelegenheid van de beroepsprocedure tegen een bestuurlijke beslissing waarbij een vergunning wordt uitgereikt of geweigerd, een as-built-attest wordt uitgereikt of geweigerd of een constructie al dan niet wordt opgenomen in een vergunningsregister leent zich tot een gedifferentieerde regeling, aangezien er op het federale niveau ook uitzonderingen zijn op de algemene bevoegdheid van de Raad van State, en de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State enkel uitspraak doet over beroepen tot nietigverklaring van de in art. 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vermelde akten en reglementen voor zover in geen beroep bij een ander administratief rechtscollege is voorzien.

B.8.9. De weerslag op de aan de federale wetgever voorbehouden bevoegdheid is ten slotte marginaal, omdat de bevoegdheid van de Raad voor vergunningsbetwistingen beperkt is tot beroepen die worden ingesteld tegen de individuele beslissingen vermeld in art. 133/56, tweede lid van het decreet van 18 mei 1999.

B.8.10.1. Luidens art. 160 van de Grondwet worden de bevoegdheid en de werking van de Raad van State door de wet bepaald. Op grond van art. 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak over “de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”.

B.8.10.2. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen werd uitdrukkelijk bevestigd dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met toepassing van het voormelde art. 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, als cassatierechter optreedt ten aanzien van de uitspraken van de Raad voor vergunningsbetwistingen (Parl.St., Vl.Parl., 2008-09, nr. 2011/1, p. 211), wat in dit geval noodzakelijk is in het licht van de beoordeling van het marginale karakter van de maatregel.

B.8.10.3. Bijgevolg beperken de bestreden bepalingen niet op overdreven wijze de bevoegdheden van de Raad van State, zodat de decreetgever slechts op marginale wijze is getreden op de ter zake aan de federale wetgever voorbehouden bevoegdheid.

NOOT July Mollin– De ruime impliciete bevoegdheid van de deelgebieden om administratieve rechtscolleges op te richten onder dit arrest in het RW 2011-2012, 1640

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: di, 17/04/2012 - 12:08
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 09:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.