-A +A

De Potpourri II-wet en de veralgemeende correctionaliseerbaarheid: een prefabbouwwerk met onstabiele fundamenten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Van Den Steen Leentje
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1604
Samenvatting

«Potpourri II»-maakt de correctionele rechtbank bevoegd voor alle wanbedrijven en misdaden correctionele rechtbank.

Dit kan evenwel niet met een pennentrek en vergde diverse aanpassingen van wetsbepalingen aangepast, onder meer:

• inzake de herhaling,

• de poging

• de verjaring van de strafvordering.

Het hof van assisen werd niet afgeschaft en zal gebruikt worden voor die misdrijven van een schrikkelijken aard en die eraan worden toevertrouwd.

De auteur wijst op zovele onvolledig en onwerkzaam bepalingen, dan wel bepalingen die of staan op gespannen voet met art. 10, 11 en 150 Gw.
 

Inhoudstafel tekst: 

I. Achtergrond

II. De veralgemeende correctionalisering van misdaden

A. De aanpassingen aan art. 80 Sw. en art. 25 Sw.

1° De invoering van een nieuwe categorie van criminele vrijheidsstraffen

2° De strafmaat na het aannemen van verzachtende omstandigheden door het hof van assisen

3° De strafmaat na correctionalisering

4° De invloed van de wetswijzigingen op de poging tot misdaad

B. De herhaling in het kader van de veralgemeende correctionalisering

C. De verjaring van de straf en van de strafvordering

D. De samenloop

III. Andere wijzigingen

IV. Procedurele aspecten

V. De inwerkingtreding van deze artikelen

VI. Besluit

Bronverwijzingen

• F. Deruyck, «Over de correctionalisering van misdaden: pleidooi voor een «intelligent design»» in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 124-125, nr. 4).

• K. Defoort, «De wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen: enkele veranderingen in de praktijk», T.Strafr. 2010, 17-25.

• Justitieplan van minister Geens,132, te consulteren op http://www.koengeens.be/justitieplan.

• C.J. Vanhoudt en W. Calewaert, Belgisch strafrecht, II, Gent, Story-Scientia, 1968, p. 267, nrs. 536-540.

• J. Rozie, «De werking van verzachtende omstandigheden in strafzaken doorgelicht», NC 2013, p. 2-3, nrs. 3-4.

• J.H.S.-G. Nypels, Le code pénal belge interprété, I, t. 1, Brussel, Bruylant, 1867, 167.

• F. Deruyck, o.c., in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, p. 124-131, nrs. 4-15.

• Cass. 24 april 2001, Arr.Cass. 2001, 707, conclusie advocaat-generaal T. Werquin.

• R. Declercq, «Verzachtende omstandigheden en correctionalisatie», T.Strafr. 2009, 247; C.J. Vanhoudt en W. Calewaert, II, o.c., p. 474, nrs. 892-901.

• M. Nolet De Brauwere, «Après la réforme de la Cour d’assises –Pour une abrogation de la correctionalisation», JT 2011, 391

• Cass. 28 mei 1997, Arr.Cass. 1997, 243; Cass. 24 april 2001, Arr.Cass. 2001, 707, conclusie advocaat-generaal T. Werquin;

• Cass. 5 februari 2003, Arr.Cass. 2003, 327; 21 F. Deruyck, o.c., in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, p. 129-132, nrs. 12-16; R. Declercq, «Het hof van assisen veroordeeld» in Om deze redenen. Liber Amicorum Armand Vandeplas, Gent, Mys & Breesch, 1994, 91-113.

• Memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer, DOC 54, nr. 1418/001, p. 112-115.

• P. Hartoch, «Over de effecten van een (niet-)correctionalisering en de voeging van stukken door de voorzitter van het hof van assisen» (noot onder Cass. 17 februari 2015), T.Strafr. 2015, p. 246, nr. 2.

• Cass. 18 oktober 1971, Arr.Cass. 1972, 176;

• J. Rozie, «Hof van assisen en correctionalisering na Potpourri II: kunst- en vliegwerk of dankbare ingreep van de wetgever?», NC 2016, p. 100, nr. 19.

• Raad van State, Advies nr. 57 792/1/V van 23 september 2015, Parl.St. Kamer, DOC 54, nr. 1418/001, p. 273, nr. 23.

• A. Masset en D. Vandermeersch, «La loi du 21 décembre 2009 relative à la réforme du cour d’assises: première lecture critique», JT 2010, 222-223, voetnoot 18; D. Dillenbourg, «La réforme de la cour d’assises et ses incidences sur les juridictions correctionnelles», RDP 2010, 404-405.

• Memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer, DOC 54, nr. 1418/001, p. 6.

• GwH 15 december 2011, nr. 2011/193, NJW 2012, 105-107, noot C. Conings, T.Strafr. 2012, 149, noot F. Schuermans;

• GwH 22 december 2011, nr. 2011/199; zie ook:

• D. De Beco en C. Guillain, «Commentaire des arrêts de la Cour constitutionnelle des 15 et 22 décembre 2011 à propos de la loi du 21 décembre 2009 relative à la réforme de la cour d’assises», RDP 2012, 671-691.

• Gent 4 februari 2013, TGR 2014, 59.

• A. De Sloovere, «Artikel 56 van het Strafwetboek opnieuw onder vuur», RABG 2015, 476-479;

• J. Rozie, «Recidive bij straftoemeting en strafuitvoering: een wet van communicerende vaten?» (noot onder GwH 18 december 2014, nr. 185/2014), NC 2015, p. 186, nr. 9;

• M. Bouhon, «La récidive en matière de libération conditionnelle: le compte à rebours est lancé!», JT 2015, 282-283.

• GwH 18 december 2014, nr. 185/2014, JT 2015, 279, noot M. Bouhon, NC 2015, 182, noot J. Rozie, RABG 2015, 465, noot A. De Sloovere, RW 2014-15, 1014.

• F. Schuermans noot in T.Strafr. 2012, 151)

• T. Decaigny, «Ongrondwettigheid wettelijke herhaling: wetgever aan zet», Juristenkrant 2015, afl. 303, 1 en 3.

• Memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer DOC 54, nr. 1418/001, p. 7.

• R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, p. 110, nr. 193; R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 134, nr. 217.

• Enkel art. 377quater Sw. is een wanbedrijf; de overige in art. 21 eerste lid, 2o, tweede streepje V.T.Sv. opgesomde bepalingen zijn misdaden.

• Zie: C. Van Deuren, «Eén plus één is niet altijd twee. De regels van de samenloop besproken, vergeleken en empirisch onderzocht», NC 2012, 358 e.v.

• R. Declercq, o.c., T.Strafr. 2009, 250-251; zie tevens: J. Rubbrecht, «De correctionalisatie van misdaden», RW 1937-38, 609.

• W. Ganshof Van Der Meersch, «Un projet de réforme de la compétence de la cour d’assises en matière de droit commun (1937)», RDP 1939, 1415; de verwijzingen vermeld in Raad van State, Advies nr 57 792/1/V van 23 september 2015, Parl.St. Kamer, DOC 54, nr. 1418/001, p. 268, nr. 12.

• J. Du Jardin, «Motivering van vonnissen en arresten in strafzaken» in Artikelsgewijze commentaar Strafrecht en Strafvordering, Mechelen, Kluwer, 2008, losbl, 60.

• A. Monsieurs, «De zwaarte van de straf volgens het Hof van Cassatie, het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens», NC 2008, p. 228, nr. 14; E. Maes, «Is een effectieve straf altijd zwaarder dan een straf met uitstel? De invloed van bestraffingsmodaliteiten op de relatieve zwaarte van straffen» (noot onder Cass. 13 mei 2015), T.Strafr. 2015, p. 252 e.v., nrs. 4 e.v.

• A. Masset en D. Vandermeersch, «La loi du 21 décembre 2009 relative à la réforme du cour d’assises: première lecture critique», JT 2010, 223.

• M. Colette, «Verruimde correctionalisatie van onvrijwillige doodslag bij diefstal sluit retroactieve toepassing strengere correctionele straffen niet uit» (noot onder Cass. 14 juni 2011), T.Strafr. 2012, 85-90.

• GwH 5 oktober 2005, nr. 153/2005.

•Cass. 7 februari 2012, NC 2013, 59, conclusie advocaat-generaal P. Duinslaeger; Cass. 9 februari 2011, Arr.Cass., 2011, 439, Pas. 2011, 458.

• Juristenkrant 2015/315, 10-11, «Moorden correctionaliseren is een garantie voor gerechtelijke dwalingen»

• Juristenkrant 2015/319, 8-9, «Potpourri II? Dan nog liever twee jaar wachten op echte hervorming»;

• S. Van Overbeke, «Assisen in de potpourri: een aperitief voor het galgenmaal?», RW 2015-16, 602.
 

Vernietigingsarrest Grondwettelijk Hof 21/12/2017, AR 148/2017, juridat

Dispositief:

Het Hof

1. vernietigt in de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie :
- de artikelen 6 en 121 tot 123, alsmede de artikelen 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 151, 155 en 170, 2°;
- artikel 63, 1°;
- de artikelen 127 en 137;
- artikel 132, 1°, in zoverre het de raadkamer, uitspraak doende in het stadium van de regeling van de rechtspleging, niet toelaat aan de inverdenkinggestelde die tijdens de voorlopige hechtenis in een strafinrichting verblijft, het voordeel van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht toe te kennen;
- de artikelen 148, 153 en 163;

2. handhaaft de gevolgen van :
- de artikelen 6, 15, 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2°, van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;
- artikel 63, 1°, van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de huiszoekingen die zijn uitgevoerd vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;
- de artikelen 127 en 137 van de wet van 5 februari 2016 tot de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;

3. verwerpt de beroepen voor het overige,
- onder voorbehoud van de in B.39.2 en in B.39.3 vermelde interpretatie van artikel 187, § 6, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 83 van de wet van 5 februari 2016;
- rekening houdend met hetgeen in B.44.4 en in B.45 is vermeld inzake artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 89 van de wet van 5 februari 2016.

OMZENDBRIEF NR. 02/2018 VAN HET COLLEGE VAN PROCUREURS-GENERAAL BIJ DE HOVEN VAN BEROEP

Mijnheer de Procureur-generaal, Mijnheer de Federale Procureur, Mevrouw/Mijnheer de Procureur des Konings, Mevrouw/Mijnheer de Arbeidsauditeur,

BETREFT:"Flashrichtlijn" - Arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof n° 02/2018

Brussel, 18 januari 2018

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, Voorzitter van het College van Procureurs-generaal,

Patrick VANDENBRUWAENE

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik,

Christian DE VALKENEER

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent,

Erwin DERNICOURT

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel,

Johan DELMULLE

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Bergen,

lgnacio de la SERNA

I INLEIDING

Tegen de wet van 5 februari 2016 (potpourriwet II) werden meerdere beroepen tot vernietiging ingesteld. Bij arrest van 21 december 2017 heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over 11 aspecten van bovenvermelde wet die door de verzoekers in strijd werden geacht met de Grondwet. Het arrest werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatblad van 12 januari 2018 en heeft uitwerking vanaf die datum. In deze omzendbrief wordt stilgestaan bij de vernietigde bepalingen, de gevolgen daarvan vanaf de publicatie van het arrest in het Belgisch Staatsblad, en enkele interpretaties van het Grondwettelijk Hof. De vernietiging van sommige bepalingen is gepaard gegaan met de vernietiging van daarmee onlosmakelijk samenhangende bepalingen waardoor het effect van het arrest veel ingrijpender is geworden. Ook dat aspect wordt belicht.

Il SAMENVATTING RICHTLIJNEN VAN HET OPENBAAR MINISTERIE - FLASHRICHTLIJN

1. Vernietiging van de veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden

De vernietiging van de artikelen 6, 121, 122, 123 van de wet van 5 februari 2016 heeft tot gevolg dat artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden wordt hersteld in zijn vorige toestand, namelijk deze zoals vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 14 januari 2013.

Vanaf de publicatie van het bovenvermeld arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad dient bijgevolg opnieuw toepassing te worden gemaakt van de lijst correctionaliseerbare misdaden geldend voor de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016. Er wordt verwezen naar de omzendbrief COL 6/2010 herwerkte versie 28 november 2013 waarin deze lijst grondig wordt geanalyseerd bij de bespreking van de bevoegdheid van het hof van assisen. Deze omzendbrief herwint wat dit aspect betreft zijn volledige kracht vanaf 12 januari 2018, datum van publicatie van het bovenvermeld arrest van het Grondwettelijk Hof.

Gelet op de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof op 12 januari 2018 kan geen verwuzmq of rechtstreekse dagvaarding met aanneming van verzachtende omstandigheden meer gevorderd of beslist worden met betrekking tot misdaden die krachtens voornoemde lijst tot de exclusieve bevoegdheid van het hof van assisen behoren.

2. De strafmaat en de handhaving van de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen

Het Grondwettelijk Hof vernietigt de volgende straffen welke bij artikel 6 van de wet van 5 februari 2016 in artikel 25 SW werden ingevoegd:

"Hij is ten hoogste achtentwintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste achtendertig jaar voor een met opsluiting van dertig tot veertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

Hij is ten hoogste veertig jaar voor een met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is".

Ten aanzien van feiten gepleegd vanaf 12 januari 2018 - datum van de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof - is de hoogste correctionele vrijheidsbenemende straf bijgevolg 20 jaar gevangenisstraf.

Voor de periode tussen de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016

[Artikel 143 van de wet van 5 februari 2016 bepaalde dat art. 121 van toepassing is op de zaken die nog niet in beraad zijn genomen inzake de regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling op de datum van de inwerkingtreding van artikel 143, zijnde op 29 februari 2016 (tiende dag na publicatie van de wet van 5 februari 2016 in het B.S.) ]

en vóór 12 januari 2018 geldt hetgeen volgt: de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling of de beschikkingen van de Raadkamer waarbij misdaden die vroeger niet correctionaliseerbaar waren bij toepassing van de vernietigde wetsbepalingen gecorrectionaliseerd en verwezen werden naar de correctionele rechtbank, evenals de dagvaarding van het openbaar ministerie met mededeling van verzachtende omstandigheden, behouden "als beslissing" hun gevolg zowel wat betreft de vatting van de correctionele rechtbank, als de toepasbare straf.

Het Grondwettelijk Hof handhaaft immers de gevolgen van de artikelen 6, 15. 17, 1 ° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 121 tot 123, 151, 155 en 170, 2° van de wet van 5 februari 2016 ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór de datum van bekendmaking van het arrest in het Staatsblad, namelijk vóór 12 januari 2018.

Het Grondwettelijk Hof stelde bovendien met betrekking tot de vernietiging (B.15.2): "Aangezien de artikelen 15. 17, 1° en 2°, 18, 1° en 2°, 19, 2°, 36, 122, 151, 155 en 170, 2° van de wet van 5 februari 2016 onlosmakelijk verbonden zijn met de artikelen 6 en 121 van dezelfde wet, dienen zij eveneens te worden vernietigd". De handhaving van de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen ten aanzien van de beslissingen die erop gegrond zijn, kan niet anders begrepen worden dan als de handhaving van het onlosmakelijk geheel van wetsbepalingen waarop deze beslissingen gegrond zijn met inbegrip van de mogelijkheid hogere correctionele straffen uit spreken voor feiten die vóór de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016 tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoorden, en sinds de bekendmaking van het arrest van 21 december 2017 opnieuw tot de bevoegdheid van dit hof behoren.

Er wordt verwezen naar de meer omstandige redengeving opgenomen in deze omzendbrief. Het behoud van de mogelijkheid verhoogde correctionele straffen uit te spreken jegens de bovenvermelde gecorrectionaliseerde misdaden moet evenwel getemperd worden in het licht van het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en artikel 2 Sw. Het is niet aanvaardbaar dat de correctionele rechtbank een vrijheidsbenemende straf van langere duur zou kunnen uitspreken ten aanzien van misdaden die vóór de inwerkingtreding van de wet van 5 februari 2016 tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoorden dan deze die het hof van assisen zelf na aanneming van verzachtende omstandigheden zou kunnen uitspreken, te weten 20 jaar voor misdaden bestraft met 20 tot 30 jaar opsluiting, en 30 jaar voor misdaden bestraft met levenslange opsluiting.

Tegen een vonnis of een arrest dat een ander standpunt inneemt zal hoger beroep of voorziening in Cassatie ingesteld worden.

3. Handhaving van de gevolgen van de vernietigde wetsbepalingen versus de procedure van intrekking

Het Grondwettelijk Hof handhaaft bij algemene beschikking en zonder tijdsbeperking de gevolgen de vernietigde wetsbepalingen ten aanzien van de beslissingen genomen vóór de bekendmaking van het arrest. De procedure tot intrekking van in kracht gewijsde gegane 5 beslissingen van strafgerechten voorzien bij de artikelen 10 en volgende de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof kan daardoor niet aangewend worden.

Deze procedure beoogt immers bij toepassing van artikel 13, § 1 van de bovenvermelde bijzondere wet precies de veroordeling of opschorting van de veroordeling - of de gevolgen van de in kracht van gewijsde beslissing gegrond op de vernietigde wetsbepalingen - ongedaan te maken

[Zie eveneens artikel 14 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof: hetzelfde geldt voor de internering]

, wat strijdig is met het dictum van het arrest van het grondwettelijk Hof dat een absoluut gezag van gewijsde geniet.

Tegen een vonnis of een arrest dat een ander standpunt inneemt zal hoger beroep of voorziening in Cassatie ingesteld worden.

4. De huiszoeking kan niet meer gevraagd worden in het raam van een minionderzoek

Gelet op de vernietiging van artikel 63, 1 ° van de wet van 5 februari 2016 en het behoud van de gevolgen ervan voor de huiszoekingen die werden uitgevoerd vóór de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad - namelijk vóór 12 januari 2018 - kan vanaf die datum geen huiszoeking meer gevraagd worden bij mini-onderzoek.

Het is aangewezen indien praktisch haalbaar een gerechtelijk onderzoek te vorderen met het oog op het afleveren van een nieuw huiszoekingsbevel.

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: za, 11/06/2016 - 15:59
Laatst aangepast op: za, 03/02/2018 - 12:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.