-A +A

De onbetaalde advocaat handelt beter goed dan laat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Flo Jelle
Tijdschrift: 
Juristenkrant
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017
Pagina: 
9
Samenvatting

De auteur bespreekt de rechtsvraag in hoeverre en advocaat zijn dienstverlening kan opschorten op basis van de exceptio non adimpleti contractus, meer bepaald wegens niet betaling van zijn ereloonstaat. Ook een advocaat kan beroep doen op de exceptie van niet uitvoering.

Vanzelfsprekend kan deze exceptie enkel worden ingeroepen op een wijze conform met de goede trouw. Zo moet onder meer de cliënt over de gelegenheid beschikken om tijdig op een andere advocaat beroep te doen en mag de stopzetting van de dienstverlening geen onherroepelijke schade toebrengen aan de cliënt.

Het lijkt dan ook de evidentie zelf dat de cliënt verwittigd wordt van de opschorting van de dienstverlening en dat de cliënt ook voorafgaandelijk in gebreke wordt gesteld. De auteur verwijst naar de uitvoerige rechtspraak waarbij de voorwaarden van de exceptie van de exceptie van niet uitvoering ingeroepen door een advocaat worden bepaald.

De uitoefening van de exceptie dient evenredig te zijn met de wanbetaling en mag niet resulteren in onherstelbare schade. De exceptie kan niet worden ingeroepen voor een banale tekortkoming, zoals de discussie over een beperkt saldo.

De auteur verwijst naar tegenstrijdige rechtspraak inzake de exceptio timoris, zijnde een bijzondere vorm van de exceptie van niet uitvoering, waarbij de exceptio timoris niet wordt ingeroepen wegens niet uitvoering maar wel wegens de vrees van niet uitvoering (te dezen niet betaling). De auteur concludeert dat naast de principes van de goede trouw de feitelijke beoordeling door de rechter die de redelijkheidstoet maakt is. Zie ook het cassatiearrest van 13 januari 2017 C 15 0417 N
 

Inhoudstafel tekst: 

Rechtspraak:

Hof van Cassatie 13/01/2017, AR C.15.0417.N, juridat

Nr. C.15.0417.N
N.P.,
eiseres,
tegen
P.S.
verweerder,
woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 september 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. FEITEN

Uit het arrest blijkt dat:
- de eiseres een beroep deed op haar advocaat, de verweerder, om aangifte te doen van haar schuldvordering in het faillissement van haar werkgever;
- de verweerder een proces-verbaal van vrijwillige verschijning opstelde ten ein-de de schuldvordering te laten opnemen;
- de verweerder op 16 december 2005 een kopij hiervan opstuurde aan de eiseres met het verzoek om nog bepaalde stukken te bezorgen en om een provisie van 600,00 euro over te maken;
- de verweerder op 26 januari 2006 opnieuw een brief stuurde naar de eiseres met dezelfde verzoeken die onbeantwoord zijn gebleven;
- de curator op 20 februari 2006 aan de verweerder schreef akkoord te gaan met de opname van de vordering van de eiseres voor een bedrag van 9.845,16 euro;
- de verweerder geen verdere stappen heeft ondernomen en de curator op 7 april 2008 liet weten dat voor de eiseres geen tijdige aangifte werd gedaan van de schuldvordering in het faillissement;
- de eiseres de verweerder heeft gedagvaard op grond van diens professionele aansprakelijkheid wegens niet-tijdige aangifte.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Ingeval van samenhangende verbintenissen, zoals bij wederkerige overeen-komsten, is een schuldenaar gerechtigd om, zonder rechterlijke machtiging, de nakoming van de eigen verbintenis op te schorten zolang de schuldeiser de eigen verbintenis jegens hem niet nakomt.

Dit opschortingsrecht dient te goeder trouw te worden uitgeoefend.

2. De uitoefening van het opschortingsrecht bij samenhangende verbintenissen dient, in beginsel, niet vooraf te worden gegaan door een kennisgeving aan de schuldeiser. Niettemin kan onder omstandigheden, op grond van de goede trouw, van de schuldenaar worden gevergd dat deze vooraf zijn voornemen tot het opschorten van zijn verbintenis aan de schuldeiser ter kennis brengt en desgevallend op de gevolgen ervan wijst.

Zulks is het geval wanneer de nakoming binnen een bepaalde termijn dient te gebeuren waarna zij doelloos is geworden en de schul-denaar weet of hoort te weten dat zulks de schuldeiser blootstelt aan onherroepe-lijke schade.

3. De appelrechters oordelen dat:
- de verweerder de eiseres niet eerst erop moest wijzen dat hij zijn tussenkomst opschortte in afwachting van de betaling;
- de omstandigheid dat het proces-verbaal maar kon worden neergelegd tot de datum van het sluiten van het faillissement, geen afbreuk doet aan het voor-gaande;
- een tekortkoming van de verweerder aan zijn informatie- en adviesplicht als advocaat niet wordt aangenomen, aangezien deze laatste zijn prestaties van rechtswege mocht opschorten.

4. De appelrechters die vervolgens beslissen dat de verweerder zijn opschor-tingsrecht kon uitoefenen zolang de eiseres niet de gevraagde provisie betaalde en de "exceptie van niet-uitvoering van rechtswege geldt zodat [de verweerder] [de eiseres] niet eerst erop moest wijzen dat hij zijn tussenkomst opschortte in afwachting van de betaling" en aldus niet onderzoeken of de eisen van de goede trouw in de gegeven omstandigheden vanwege de verweerder niet een voorafgaande kennisgeving aan de eiseres vergden, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

5. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer in openbare rechtszitting van 13 januari 2017


VOORZIENING IN CASSATIE

 

VOOR: N.P.,

EISERES TOT CASSATIE,

TEGEN: P.S.,

VERWEERDER IN CASSATIE

 

 

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres heeft de eer hierbij het op 30 september 2013 door de 1e kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen arrest (rol nr. 2011/AR/2468; repertorium nr. 2013/7801) aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

 

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. Eiseres is ex-werkneemster van het failliete bvba Eurovolume en raadpleegde verweerder in die hoedanigheid om in haar naam een schuldvordering ten belope van 6.642,42 euro in het bevoorrecht passief te laten opnemen.

Verweerder stelde daartoe een proces-verbaal van vrijwillige verschijning voor de rechtbank van koophandel op. Dit proces-verbaal werd op 16 december 2005 aan de curator overgemaakt, alsook aan eiseres, met daarbij het bijkomend verzoek een provisie van 600 euro op zijn rekening over te maken.

In navolging van de vraag die hij daartoe van de curator ontving, verzocht verweerder eiseres bij schrijven van 26 januari 2006 de nodige loonbewijzen over te maken. Tevens werd eiseres herinnerd aan de gevraagde provisie van 600 euro .

Nadat de gevraagde loonattesten aan de curator werden overgemaakt, informeerde deze verweerder bij schrijven van 20 februari 2006 akkoord te gaan met een opname van een schuldvordering van 9.845,16 euro in het bevoorrecht passief en verzocht zij hem het proces-verbaal van vrijwillige verschijning in die zin aan te passen en neer te leggen.

2. Nadat gebleken was dat het proces-verbaal van vrijwillige verschijning niet werd neergelegd, betekende eiseres op 12 januari 2010 een dagvaarding in beroepsaansprakelijkheid aan verweerder.

Bij vonnis dd. 23 december 2010 oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren met eiseres dat verweerder een contractuele fout pleegde door "na de ontvangst van het schrijven van de curator van 20 februari 2006 waarin zij hem meldde akkoord te gaan met de opname van een schuldvordering van 9.845,16 EUR in het bevoorrecht passief, na te laten het proces-verbaal van vrijwillige verschijning in die zin aan te passen en neer te leggen" (cf. p. 2-3 van het vonnis dd. 23 december 2010).

De rechtbank stelde vast dat tussen partijen een overeenkomst gesloten werd waarbij verweerder er zich toe verbond aangifte te doen van de schuldvordering van eiseres in het faillissement van haar werkgever. Deze overeenkomst werd naar de mening van de rechtbank niet aangegaan onder de opschortende voorwaarde van betaling van een provisie.

Ook de zgn. ‘exceptio non adempleti contractus' kon volgens de rechtbank in hoofde van verweerder geen soelaas bieden nu hij eiseres nooit formeel in gebreke stelde om een provisie te betalen en nu hij haar niet meldde dat hij de uitvoering van zijn contractuele verbintenissen zou opschorten zolang de provisie hem niet werd betaald (cf. p. 2 van het vonnis dd. 23 december 2010).

Bij gebrek aan enige bewezen fout in hoofde van eiseres in oorzakelijk verband met de geleden schade, veroordeelde de rechtbank van eerste aanleg verweerder bij (eind)vonnis dd. 28 april 2011 tot betaling aan eiseres van de som van 9.845,16 euro , te vermeerderen met de gerechtelijke intrest aan de wettelijke intrestvoet, alsook tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.210 euro .

3. In het thans bestreden arrest oordelen de appelrechters met eiseres - en met de eerste rechter - dat partijen een overeenkomst sloten waarbij verweerder er zich toe verbond een aangifte van schuldvordering te doen, zonder dat deze overeenkomst zou zijn aangegaan onder de opschortende voorwaarde van provisiebetaling.

Anders dan de eerste rechter, oordelen de appelrechters echter dat verweerder "zich kan beroepen op de exceptie van niet-uitvoering" (cf. p. 7 van het bestreden arrest).

De vordering van eiseres wordt op die grond "ontvankelijk doch ongegrond" verklaard en eiseres wordt als "in het ongelijke gestelde partij" veroordeeld tot betaling aan verweerder van een rechtsplegingsvergoeding van 1.210 euro per aanleg.

 

Tegen dit arrest meent eiseres gerechtigd te zijn de volgende twee middelen tot cassatie te kunnen inroepen.

 

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen:

 het algemeen rechtsbeginsel van de exceptie van niet-uitvoering inzake wederkerige overeenkomsten;

 de artikelen 1102, 1134 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: B.W.);

 artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet (hierna: Grondwet).
Aangevochten beslissing:

De 1e kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart verweerders hoger beroep ontvankelijk en gegrond, hervormt het door verweerder bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, verklaart de oorspronkelijke vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt haar in betaling aan verweerder van een rechtsplegingsvergoeding van 1.210 euro per aanleg, op grond van onder meer volgende motieven:

"4.2.3.3. Bij brief van 26 januari 2006 werd [eiseres] herinnerd aan het betalen van de provisie : "Tevens ben ik zo vrij u te herinneren aan de gevraagde provisie ten bedrage van 600 EUR welke ik be-houdens vergissing van mijnentwege tot op heden niet mocht ont-vangen".

[Verweerder] beroept zich op de exceptie van niet-uitvoering.

Het is niet voor betwisting vatbaar dat het hier gaat om een weder-kerige overeenkomst.

Het algemeen rechtsbeginsel van de exceptie van niet-uitvoering bij wederkerige overeenkomsten laat toe dat de contractant, zonder tussenkomst van de rechter, de uitvoering van de eigen verbinte-nissen opschort (Cass. 2 november 1995, AR C.93.115.N Cass. 14 maart 1991, AR 8851; P. Van Ommeslaghe, Droit des Obliations, 2011, 856, nr. 570).

[Verweerder] mocht dan ook zijn prestatie opschorten tot [eiseres] de gevraagde provisie betaalde.

De exceptie van niet-uitvoering bij wederkerige contracten geldt van rechtswege zodat [verweerder] [eiseres] niet eerst erop moest wijzen dat hij zijn tussenkomst opschortte in afwachting van betaling. Dat het proces-verbaal maar kon worden neergelegd tot de datum van het sluiten van het faillissement kan dan ook geen afbreuk doen aan voorgaande. Een tekortkoming van [verweerder] aan zijn informatie- en adviesplicht als advocaat wordt niet aangenomen. Hij mocht immers zijn prestaties van rechtswege opschorten.

[Eiseres] heeft de provisie nooit betaald dan slechts na te zijn ge-dagvaard voor de vrederechter.

In tegenstelling tot wat [eiseres] voorhoudt, was de opschorting door [verweerder] van zijn prestaties niet onredelijk en in onderhavig geval evenmin strijdig met de uitvoering te goeder trouw. De echtgenoot van [eiseres] (die ook klaarblijkelijk contactpersoon was in het kwestieuze dossier) had klaarblijkelijk een historiek van slecht betalen. [Eiseres] mocht er niet zomaar van uitgaan dat [verweerder] wel het nodige zou doen, nu zij de gevraagde provisie (tot tweemaal toe gevraagd) niet had betaald. Het is deze fout (het in gebreke blijven om de gevraagde provisie te betalen) die de oorzaak is van de schade die zij nu lijdt.

Bovendien blijkt uit niets dat [eiseres] informeerde naar haar zaak. Het is pas jaren later - wanneer het faillissement was afgesloten - dat zij zich richt tot [verweerder] in betaling van schadevergoeding.

Het feitelijke gegeven dat de provisie werd herleid (na tussenkomst van de Orde van Advocaten te Hasselt), kan door [eiseres] niet als excuus voor niet-betaling/onredelijkheid worden aangewend. Te-recht laat [verweerder] gelden dat de provisie niet alleen de reeds verstreken prestaties dekte maar ook een voorschot was voor toe-komstige prestaties.

Kortom : [verweerder] kan zich beroepen op de exceptie van niet-uitvoering. "

(cf. p. 6-7, randnummer 4.2.3.3 van het bestreden arrest)

Grief:

1. Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van de exceptie van niet-uitvoering inzake wederkerige overeenkomsten, zoals dat o.m. vervat ligt in de artikelen 1102, 1134 en 1184 B.W., is de exceptie van niet-uitvoering een tijdelijk verweermiddel dat in wederkerige overeenkomsten van rechtswege geldt en dat aan de schuldeiser van een tegenprestatie die op een aan de schuldenaar toere-kenbare wijze niet is uitgevoerd, het recht verleent om, zonder voorafgaande rechterlijke machtiging, zijn verbintenissen op te schorten, totdat de schuldenaar zijn verbintenissen nakomt of aanbiedt na te komen.

Niettegenstaande de toepassing van de exceptie van niet-uitvoering geen voor-afgaande rechterlijke machtiging vereist, zal de rechter, in geval van betwisting, wel beoordelen of de exceptie niet werd ingeroepen in omstandigheden die strijdig zijn met de vereisten van de goede trouw.

Enerzijds dient de exceptie van niet-uitvoering door de schuldeiser te goeder trouw te worden aangewend, zowel in subjectieve als in objectieve zin. De uitvoe-ring te goeder trouw in subjectieve zin houdt in dat de wanprestatie van de schuldenaar niet te wijten mag zijn aan de eigen fout of nalatigheid van de schuldeiser. De objectieve aanwending te goeder trouw vereist dat er tussen de niet-nakoming en het eruit voortspruitende nadeel voor de schuldeiser, enerzijds, en de nadelige gevolgen van de opschorting, anderzijds, een zekere proportiona-liteit bestaat. De tekortkoming van de schuldenaar dient m.a.w. voldoende ernstig te zijn om het inroepen van de exceptie te rechtvaardigen.

Anderzijds dient de exceptie van niet-uitvoering ook te goeder trouw te worden uitgevoerd. Het inroepen van de exceptie van niet-nakoming vereist bijgevolg, naast het bestaan van een ernstige wanprestatie van de wederpartij die niet te wijten is aan de eigen fout of nalatigheid van de contractspartij die zich op de ex-ceptie beroept, principieel een voorafgaande kennisgeving door deze contracts-partij.

2. Te dezen voerde eiseres in haar regelmatig neergelegde synthesebe-roepsconclusie uitvoerig aan dat verweerder de op hem rustende ‘dubbele' - zo-wel bij de aanwending als bij de uitvoering van de exceptie van niet-uitvoering - goede trouw-vereiste niet heeft nageleefd.

Volgens eiseres "(blijkt) uit de briefwisseling van [verweerder] gewoon dat deze een provisie vroeg (van 600,00 EUR weliswaar), maar nergens de verdere voort-gang van de procedure afhankelijk maakte van de betaling van deze provisie, in-tegendeel:

Zo schreef [verweerder] op 16 december 2005 aan de RVA dat hij het nodige zou doen tot neerlegging van het PV van vrijwillige verschijning ter griffie:

‘Mters. Dehaese hebben mij reeds bevestigd het P.V. te zullen onderte-kenen, en het nadien aan mij over te maken opdat ik het nodige kan doen voor neerlegging ter griffie (stuk 2, wij onderlijnen).

Zo schreef [verweerder] op 16 december 2005 waarin voor het eerst sprake is van een provisie gewoon:

‘Mters Dehaese hebben mij reeds telefonisch bevestigd de schuldvorde-ring te zullen ondertekenen, zodat de zaak spoedig voor de Rechtbank kan behandeld worden ... Ik houd U op de hoogte van het verdere verloop van de procedure (stuk 3, wij onderlijnen).

In het schrijven van 26 januari 2006 (stuk 6) herinnerde [verweerder] wel aan een provisie, doch maakte [verweerder] ook in dit schrijven geen en-kele koppeling naar het al dan niet verder zetten van de werkzaamheden.

Meer nog in het schrijven van 15 februari 2006 (stuk 7) aan de curatele ging [verweerder] uitdrukkelijk akkoord dat het PV van vrijwillige verschij-ning zou worden neergelegd.

Terecht heeft de eerste rechter dan ook vastgesteld dat uit niets blijkt dat [verweerder] zijn werkzaamheden zou hebben opgeschort wegens niet betaling van de provisie, laat staan dat hij dit in voorkomend geval dan aan [eiseres] zou hebben meegedeeld, hetgeen alleszins vereist is in het kader van de uitvoering te goeder trouw van dergelijke opschorting"

(cf. p. 7-8 van eiseres' syntheseberoepsconclusie m.b.t. de goede trouw-vereiste bij de uitvoering van de exceptie van niet-uitvoering).

Bovendien was de "uitoefening van het eventueel recht om zijn prestaties niet uit te voeren in hoofde van [verweerder]" volgens eiseres "ofschoon nooit als dusdanig meegedeeld aan [eiseres], in casu minstens onredelijk te noemen (...) door aldus beweerdelijk de verderzetting van zijn activiteiten afhankelijk te maken van de betaling van een bedrag van 600 EUR dat geenszins gerechtvaardigd en dus overdreven was, heeft [verweerder] aldus kennelijk onredelijk gehandeld en de overeenkomst niet te goeder trouw uitgevoerd. Aldus kan [verweerder] zich thans niet op een dergelijk beweerd recht of rechtsuitoefening komen beroepen opzich-tens zijn medecontractante, zijnde [eiseres]" (cf. p. 10 van eiseres' synthesebe-roepsconclusie m.b.t. de goede trouw-vereiste bij de aanwending van de exceptie van niet-uitvoering).

3. Op pagina 7 van het bestreden arrest beoordelen de appelrechters ver-weerders goede trouw bij de aanwending van de exceptie van niet-uitvoering als volgt:

"[Eiseres] heeft de provisie nooit betaald dan slechts na te zijn gedag-vaard voor de vrederechter.

In tegenstelling tot wat [eiseres] voorhoudt was de opschorting door [ver-weerder] niet onredelijk en in onderhavig geval evenmin strijdig met de uitvoering te goeder trouw. De echtgenoot van [eiseres] (die ook klaarblij-kelijk contactpersoon was in het kwestieuze dossier) had klaarblijkelijk een historiek van slecht betalen. [Eiseres] mocht er niet zomaar van uit-gaan dat [verweerder] wel het nodige zou doen, nu zij de gevraagde pro-visie (tot tweemaal toe gevraagd) niet had betaald. Het is deze fout (het in gebreke blijven om de gevraagde provisie te betalen) die de oorzaak is van de schade die zij nu lijdt. Bovendien blijkt uit niets dat [eiseres] infor-meerde naar haar zaak. Het is pas jaren later - wanneer het faillissement was afgesloten - dat zij zich richt tot [verweerder] in uitvoering van scha-devergoeding.

Het feitelijk gegeven dat de provisie werd herleid (na tussenkomst van de Orde van Advocaten te Hasselt) kan door [eiseres] niet als excuus voor niet-betaling/onredelijkheid worden aangewend. Terecht laat [verweerder] gelden dat de provisie niet alleen de reeds verstrekte prestaties dekte maar ook een voorschot voor toekomstige prestaties.

Kortom: [verweerder] kan zich beroepen op de exceptie van niet-uitvoering."

(cf. p. 7, tweede t.e.m. vijfde alinea van het bestreden arrest)

Aldus oordelen de appelrechters dat de niet-betaling van de provisie niet aan verweerder gelegen is (cf. de subjectieve goede trouw bij het aanwenden van de exceptie van niet-uitvoering) en dat er geen disproportionaliteit (cf. de objectieve goede trouw bij het aanwenden van de exceptie van niet-uitvoering) bestaat tus-sen het nadeel voor verweerder, enerzijds, en de nadelige gevolgen van de op-schorting, anderzijds, nu de (uiteindelijk) geleden schade veroorzaakt is door het in gebreke ‘blijven' de provisie te betalen waarbij eiseres ‘er niet zomaar van mocht uitgaan dat de appellant wel het nodige zou doen' en nu uit niets blijkt dat eiseres informeerde naar haar zaak.

4. M.b.t. de - bijkomende - goede trouw-vereiste bij de uitvoering van de exceptie van niet-uitvoering oordelen de appelrechters (enkel) dat :

"de exceptie van niet-uitvoering bij wederkerige contracten van rechtswe-ge (geldt) zodat [verweerder] [eiseres] niet eerst erop moest wijzen dat hij zijn tussenkomst opschortte in afwachting van betaling. Dat het proces-verbaal maar kon worden neergelegd tot de datum van het sluiten van het faillissement, kan dan ook geen afbreuk doen aan voorgaande. Een te-kortkoming van [verweerder] aan zijn informatie- en adviesplicht als advo-caat wordt niet aangenomen. Hij mocht immers zijn prestaties van rechtswege opschorten."

(cf. p. 7, eerste alinea van het bestreden arrest)

5. Het door de appelrechters aangevoerde ‘van rechtswege' gelden van de exceptie van niet-uitvoering, betekent enkel en alleen dat deze exceptie niet uit-drukkelijk in de overeenkomst dient te zijn gestipuleerd opdat ze door één van de contractspartijen zou kunnen worden toegepast.

Dit ‘van rechtswege' gelden belet echter niet dat de exceptie niet enkel te goeder trouw dient te worden aangewend, maar - bovendien - ook te goeder trouw dient te worden uitgevoerd. Het inroepen van de exceptie van niet-nakoming vereist bijgevolg, naast het bestaan van een ernstige wanprestatie van de wederpartij die niet te wijten is aan de eigen fout of nalatigheid van de contractspartij die zich op de exceptie beroept, principieel een voorafgaande kennisgeving door deze contractspartij.

In zover de appelrechters louter uit het feit dat de exceptie van niet-uitvoering bij wederkerige contracten van rechtswege geldt afleiden dat verweerder de eiseres niet eerst erop moest wijzen dat hij zijn tussenkomst opschortte in afwachting van betaling, is het bestreden arrest derhalve niet naar recht verantwoord (schending van het algemeen rechtsbeginsel van exceptie van niet-uitvoering inzake wederkerige overeenkomsten en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 1102, 1134 en 1184 B.W.).

Minstens laten de appelrechters aldus de precieze grief van eiseres onbeantwoord volgens dewelke verweerder de door hem aangewende exceptie van niet-uitvoering niet te goeder trouw heeft uitgevoerd nu "uit niets blijkt dat [verweerder] zijn werkzaamheden zou hebben opgeschort wegens niet betaling van de provisie, laat staan dat hij dit in voorkomend geval dan aan [eiseres] zou hebben meegedeeld, hetgeen alleszins vereist is in het kader van de uitvoering te goeder trouw van dergelijke opschorting" (cf. p. 8 van eiseres' syntheseberoepsconclu-sie), en is het bestreden arrest - hoe dan ook - om die reden niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 Grondwet).

Toelichting

Voor een bespreking van het ‘van rechtswege' gelden van de exceptie van niet-uitvoering - er (enkel) in bestaande dat de exceptie niet uitdrukkelijk dient te zijn gestipuleerd opdat ze zou kunnen worden toegepast -, zie o.m. B. DEBUISSON en J-M TRIGAUX, "Exception d'inexécution", in M. FONTAINE en G. VINEY, Les sanctions de l'inexécution des obligations contractuelles, Brussel, Bruylant, 2001, p. 68; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, I, Brussel, Bruylant, 2010, p. 855; zie tevens W. VAN GERVEN, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, p. 209, met verwijzing naar Cass. 26 mei 1989, Arr.Cass. 1988-89, nr. 549; Cass. 14 maart 1991, Arr.Cass. 1990-91, nr. 367; Cass. 15 april 1993, Arr.Cass. 1993, nr. 182; Cass. 15 juni 2000, Arr.Cass. 2000-01, p. 372 en Cass. 22 april 2002, TBBR 2004, p. 399.

 

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

 de artikelen 557 tot 562, 618, 1017, 1018 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (hierna: Ger.W.);

 de artikelen 1, 2 en 8 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (hierna: het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007).

Aangevochten beslissing:

Het bestreden arrest verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt haar tot betaling aan verweerder van een rechtsplegingsvergoeding van 1.210 euro per aanleg.

Grief:

1. Uit de artikelen 1017 en 1018, 6° Ger.W. volgt dat de in het ongelijk gestelde partij in de gedingkosten wordt veroordeeld, die ook de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. omvatten.

Overeenkomstig artikel 1022, tweede lid Ger.W. stelt de Koning de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vast, rekening houdend met de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil.

De rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen wordt bepaald overeenkomstig artikel 2 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W..

2. Voor in geld waardeerbare vorderingen met een waarde tussen 5.000,01 EUR en 10.000,00 EUR bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding volgens artikel 2 juncto 1 en 8 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007, 990 EUR.

Voor in geld waardeerbare vorderingen met een waarde tussen 10.000,01 EUR en 20.000,00 EUR bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding volgens artikel 2 juncto 1 en 8 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007, 1.210 EUR.

3. Te dezen stelt het hof van beroep vast dat eiseres vorderde "[verweerder] te veroordelen tot betaling van een contractuele schadevergoeding, dan wel een extra-contractuele schadevergoeding van 9.845,16 EUR, meer de gerechtelijke intresten tot de datum van volledige betaling, ondergeschikt tot een bedrag van 6.516,77 EUR provisioneel, meer de gerechtelijke intrest tot de volledige betaling" (cf. p. 4 onderaan het bestreden arrest).

In zover de appelrechters de rechtsplegingsvergoeding begroten op 1.210 EUR, d.i. het (geïndexeerde) basisbedrag van in geld waardeerbare vorderingen met een waarde tussen 10.000,01 EUR en 20.000,00 EUR, terwijl eiseres (slechts) de betaling van een bedrag van 9.845,16 EUR vorderde, meer de gerechtelijke intresten, is het bestreden arrest dan ook niet naar recht verantwoord (schending van artikel 2 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 557 tot 562, 618, 1017, 1018 en 1022 Ger.W. en van de artikelen 1 en 8 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007).

 

 

OM DEZE REDENEN

Besluit ondertekenende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U behage, hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en over de kosten uitspraak te doen als naar recht.

Brussel, 22 september 2015

Voor eiseres,
haar raadsman
Bruno Maes

 

Bijgevoegd stuk

Origineel van de "pro fisco" verklaring van de waarde van de vordering voor het vaststellen van het bedrag van het rolrecht.

 

 

Bespreking van dit werk door de uitgever

Voor de Permanente Vorming in het gerechtelijk jaar 2010-2011 koos de Kortrijkse Balie als centrale thema “de advocaat”.
Terwijl in de voorbije cycli telkens geopteerd werd voor bijscholing in verschillende rechtstakken, ligt de nadruk nu op de eigen beroepsuitoefening als advocaat.
Niet alleen het beeld maar ook de dagelijkse praktijk en verantwoordelijkheid van de advocaat zijn enorm geëvolueerd. Er is nood aan zoveel meer dan ‘kennis van het recht’. Ook ‘de cliënt’ is veranderd en is van een loopbaanlange metgezel een kritische consument en zelfs ‘shopper’ geworden

Dit boek bundelt de diverse bijdragen, die telkens vanuit een bepaalde invalshoek het thema ontleden en zal dus een bijzonder nuttig werkinstrument vormen in de dagelijkse rechtspraktijk.
 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: do, 25/05/2017 - 12:06
Laatst aangepast op: do, 25/05/2017 - 12:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.