-A +A

De nieuwe modus vivendi voor de adviesverlening van het openbaar ministerie in sociale zaken na Potpourri I

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
F. SLACHMUYLDERS
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1443
Samenvatting

Rede uitgesproken door de waarnemend eerste advocaat-generaal op de plechtige openingszitting van het Arbeidshof te Antwerpen op 1 september 2016

In deze mercuriale wordt in eerste instantie de verantwoording voor de adviesverlening in «sociale zaken» door het openbaar ministerie in herinnering gebracht, om vervolgens de wijzigingen die door de Potpourri I m.b.t. deze adviesverlening werden doorgevoerd te verduidelijken.

Het belangrijke onderscheid dat in de nieuwe regelgeving wordt gemaakt tussen de «mededeelbaarheid» van een zaak van sociaal recht of socialezekerheidsrecht en de adviesverlening, wordt daarbij benadrukt, evenals de vaststelling dat deze adviesverlening grotendeels facultatief wordt. Ten slotte wordt ook aandacht besteed aan de zogenaamd «versterkt mededeelbare zaken».
 

I. De adviesverlening in sociale zaken door het openbaar ministerie

A. Het arbeidsauditoraat en het arbeidsauditoraat-generaal

In een ver verleden – we spreken hier al over een halve eeuw geleden – was de geschillenbeslechting m.b.t. het sociaal recht, het socialezekerheidsrecht, het recht op sociale bijstand en het sociaal strafrecht hopeloos verdeeld over verschillende rechtbanken: vredegerechten, administratieve rechtscolleges, werkrechtersraden als «verzoeningsorgaan» tussen werknemers en werkgevers en ten slotte ook nog de gewone strafrechtbanken.

Daar kwam verandering in met het nieuwe Gerechtelijk Wetboek. Na heel wat discussie over de talrijke ingediende wetsvoorstellen – waaronder dat van de Koninklijke commissaris Charles Van Reepinghen opvalt omdat zijn voorstel gefocust bleef op de eenheid van rechtsmacht, met weliswaar de erkenning van de eigenheid en de specificiteit van het sociaal recht, en ook een «eenheidsparket» met daarin verschillende specialisaties 1 – werd met de inwerkingtreding van het Gerechtelijk Wetboek op 1 november 1970 een nieuwe richting gegeven aan de socialegeschillenbeslechting, in die zin dat deze geschillen vanaf dan behoren tot de materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank, die op het niveau van eerste aanleg een autonoom bestaan kent naast de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel. In hoger beroep creëerde men naast het hof van beroep het arbeidshof als autonoom bestaande instantie voor de behandeling van alle beroepen die worden ingesteld tegen de uitspraken van deze arbeidsrechtbanken. Ten slotte werd er in de structuur van het Hof van Cassatie een gespecialiseerde sociale kamer toegevoegd.

Dit nieuwe Gerechtelijk Wetboek betekende ook de start voor een afzonderlijk en zelfstandig korps bestaande uit magistraten, gespecialiseerd in de al genoemde materies: het «arbeidsauditoraat», onder leiding van een arbeidsauditeur op het niveau van eerste aanleg en in hoger beroep het «arbeidsauditoraat-generaal» onder leiding van de procureur-generaal – die eveneens aan het hoofd staat van het «parket-generaal» – werden boven de doopvont gehouden.

Vanaf het ontstaan van dit gespecialiseerde korps bestaan de daaraan toegewezen bevoegdheden ook uit twee componenten, zoals bij het «gewone parket»: een strafrechtelijke opdracht, maar ook, en in belangrijkere mate dan dit het geval was voor het «gewone parket», een burgerlijke opdracht.

B. De verantwoording voor de adviserende functie van het openbaar ministerie in het algemeen

Geheel in het verlengde van wat van het openbaar ministerie in het algemeen in de uitoefening van zijn burgerlijke opdrachten verwacht wordt, kan voor de grondslag van deze opdracht bij de arbeidsgerechten voor het auditoraat en het arbeidsauditoraat-generaal verwezen worden naar het verzekeren van de toepassing van de wetten die de openbare orde betreffen. In art. 138, tweede lid (sinds de wijziging door de wet van 3 december 2006 is dit art. 138bis, § 1 geworden) Ger.W. – zoals van toepassing tot Potpourri I – werd dit basisprincipe voor het optreden van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken als volgt geformuleerd: «In burgerlijke zaken komt het openbaar ministerie tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of advies. Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt.»

De term «burgerlijk» dient hier begrepen te worden in zijn ruime betekenis, als het tegengestelde van de term «strafrechtelijk». Met burgerlijke zaken worden met andere woorden alle niet-strafrechtelijke zaken bedoeld. Het concept «openbare orde», dat gelijkenis vertoont met het concept «algemeen belang», dient in een functionele betekenis te worden begrepen die de tussenkomst van het openbaar ministerie in burgerlijke procedures rechtvaardigt. Zijn optreden heeft daar tot doel een bepaalde maatschappelijke orde te vrijwaren, en meer bepaald te beantwoorden aan het fundamentele vereiste van wettigheid en eenheid van de rechtspraak, die de conditio sine qua non is van de rechtszekerheid. Het berust tevens op de zeer belangrijke idee dat het algemeen belang niet in het gedrang mag worden gebracht door privébelangen, ook in zaken waarin op het eerste gezicht alleen die privébelangen tegenover elkaar staan. 2 Het ambtshalve optreden van het openbaar ministerie is vereist wanneer de miskenning van een regel van openbare orde een toestand schept die de openbare orde in reëel gevaar brengt en dus niet mag worden behouden. 3

De adviesbevoegdheid van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken, zoals bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, dankt zijn bestaan daarnaast ook aan de vrijwaring van de (private) belangen van de rechtzoekenden die zich in een maatschappelijk zwakkere positie bevinden (kinderen, gehandicapten, personen in een precaire situatie).

Het verlenen van een advies door het openbaar ministerie bestaat in het uiten van een mening over het geding dat de rechters moeten beslechten. Het openbaar ministerie is in dat geval, anders dan dat het optreedt bij wege van rechtsvordering dan wel tussenkomt bij wege van vordering, geen partij in het geding. Het openbaar ministerie wordt geacht een onpartijdige, juridische opinie te geven over de oplossing van het geschil. Daarbij bepaalt het ook vrij de inhoud van dit advies, met respect weliswaar voor de grenzen van de vordering en dus zonder het beschikkingsbeginsel te negeren. Dit betekent dat het zich dient te beperken tot het opwerpen van de middelen die de rechter ook ambtshalve dient in te roepen en tot het geven van een opinie over de door partijen aangevoerde middelen en argumenten. Daarbij kan het openbaar ministerie bijvoorbeeld wel een andere omschrijving van de feiten voorstellen of de toepassing van een andere wettelijke bepaling suggereren dan die welke door partijen ter sprake werd gebracht, dit alles voor zover daardoor het geschil niet uitgebreid wordt tot een vordering die niet bij de rechter aanhangig is gemaakt.

Dit illustreert duidelijk het belang dat het advies voor de rechtzoekenden kan hebben, te meer daar de partijen sinds de wet van 15 november 2000 de mogelijkheid hebben op dat advies te repliceren (artt. 766 en 767 Ger.W.).

Het openbaar ministerie vervult zijn adviserende opdracht niet op verzoek van de gedingvoerende partijen. Het doet dit ambtshalve of op verzoek van de rechter. Zijn optreden heeft de waarde van een jurisdictionele handeling: het bestaat in toezicht op de juiste draagwijdte van de wet in aangelegenheden die de openbare orde raken, zonder dat die orde daarom in gevaar dient te verkeren. Zijn advies, waarin het een juridisch vraagstuk uitdiept of een controverse beslecht, is slechts uiting van een onpartijdige juridische opinie, die de rechter niet bindt. Laatstgenoemde dient zelfs niet te antwoorden op dit advies in zijn vonnis, noch in de motivering noch in het dictum.

Bij het verlenen van een advies neemt het openbaar ministerie deel aan de uitoefening van de rechterlijke macht en is het aldus een volledig onafhankelijk orgaan. 4 In de uitoefening van zijn adviserende opdracht is het «de eerste magistraat die ertoe wordt geroepen een beoordeling te laten gelden in verband met de zaak», met dien verstande dat zijn mening niet bindend is voor de rechter die van de zaak kennisneemt. 5

C. De bijzondere verantwoording voor de adviesverlening door het openbaar ministerie in sociale zaken

Specifiek voor wat deze adviesverlening voor de arbeidsrechtscolleges betreft, bepaalde de wetgever dat de rol van het auditoraat nog een andere dimensie vertoonde. Wegens de aard van sommige conflicten waarmee deze rechtscolleges te maken krijgen, gaat het hier vaak om situaties waarin sprake is van ongelijke machtsverhoudingen. Het openbaar ministerie kan door de zaak voorafgaandelijk aan de zitting te onderzoeken, alsook via zijn specifiek gemotiveerde adviezen met een neutraal standpunt naar buiten treden, zodanig dat het conflict op een objectieve manier beoordeeld kan worden en de wet op een rechtvaardige manier toegepast wordt.

Het arbeidsauditoraat, met in zijn verlengde het arbeidsauditoraat-generaal, toch een van de meest markante vernieuwingen van de gerechtelijke hervorming, dankt zijn bestaan en opdracht aan de bijzondere kenmerken van de rechtspleging en de bevoegdheden die gelden bij de arbeidsgerechten. Zeker in de geschillen van sociale zekerheid en sociale bijstand bestaat immers de noodzaak om de gelijkheid van de partijen voor de arbeidsrechter te verzekeren tussen, enerzijds, de administraties of instellingen voor sociale tegemoetkomingen, die over alle onderzoeksmiddelen beschikken, en anderzijds, de veeleer hulpbehoevende sociaal verzekerde, die zijn weg moet zoeken in een vaak complexe en ingewikkelde regelgeving. Het arbeidsauditoraat heeft tot taak de «wapengelijkheid» tussen de rechtzoekende particulier en de betrokken overheids- of socialezekerheidsinstelling te bewaken.

Voor de arbeidsgerechten oefent het openbaar ministerie een essentiële civielrechtelijke opdracht uit en speelt het daardoor tevens een onvervangbare sociale rol. Het waakt bijvoorbeeld over de handhaving van het evenwicht in gerechtelijke conflicten tussen uitkeringsgerechtigden en instellingen, werkgevers en werknemers. 6

In het concept van het Gerechtelijk Wetboek heeft deze civiele opdracht van het openbaar ministerie betreffende sociale zaken twee aspecten: er is de tussenkomst bij wege van advies op de zitting, waarbij het ook gebruikelijk is dat het openbaar ministerie ten gepaste tijde nuttige vragen stelt aan de partijen teneinde de juiste informatie en bewijsstukken te verkrijgen om over het geschil een juist oordeel te kunnen vellen, maar er is ook de voorafgaande onderzoeksmogelijkheid. Art. 138, laatste lid Ger.W., sinds de wetswijziging van 3 december 2006 art. 138ter Ger.W., bepaalt immers dat in alle betwistingen die behoren tot de bevoegdheden van de arbeidsgerechten, het openbaar ministerie bij de arbeidsgerechten van de Minister of van de bevoegde openbare instellingen of diensten de nodige bestuurlijke inlichtingen kan vorderen en dat het daartoe om de medewerking kan verzoeken van de ambtenaren die door de bestuurlijke overheid belast zijn met het toezicht op de toepassing van de in artt. 578 tot 583 bedoelde wettelijke en verordenende bepalingen. Voor alle duidelijkheid moet worden opgemerkt dat het hier dus wel degelijk om een vorderingsrecht van het openbaar ministerie gaat ten aanzien van alle besturen die belast zijn met de in artt. 578 tot 583 Ger.W. vermelde wettelijke en verordenende bepalingen.

Deze bepaling geeft allereerst aan het auditoraat de mogelijkheid om bij het aanhangig maken van de betwisting inzake socialezekerheidsrecht of sociale bijstand het administratief dossier en de nodige inlichtingen op te vragen bij de overheidsdiensten die bij het concrete geschil betrokken zijn. Omdat art. 704 Ger.W. een eenvoudige, vormvrije en dus laagdrempelige wijze van rechtsingang bevat voor de arbeidsgerechten, is de hierboven omschreven aan het openbaar ministerie verschafte mogelijkheid van groot belang voor het efficiënt behandelen van het geschil in eerste aanleg.

Vervolgens kan het openbaar ministerie, met het oog op een volledige en adequate behandeling van het geschil door de rechtbank, nog altijd met toepassing van de besproken wetsbepaling bijkomende inlichtingen verkrijgen bij of aanvullende onderzoeken laten uitvoeren door de overheidsdiensten of de ambtenaren die belast zijn met toezicht op de betrokken socialezekerheidsbepalingen.

Het vorderingsrecht blijft in principe beperkt tot de bestuurlijke overheid die bij het geding betrokken is of die nuttige informatie kan geven over het hangende geschil. De wetsbepaling maakt het niet mogelijk inlichtingen te vorderen van besturen die niet met de vermelde sociale zaken zijn belast. Het vorderingsrecht geeft bijvoorbeeld in de regel niet de bevoegdheid inlichtingen te vorderen van de fiscale administraties. Het verschaft evenmin de mogelijkheid om bij de werkgever of collega’s inlichtingen in te winnen om na te gaan of iemand werkman of bediende was teneinde de opzeggingstermijn te kunnen bepalen.

De onderzoeksbevoegdheid van de auditeur is wel beperkt, omdat hij onder meer niet de plaats van de administratie kan innemen om andere dan louter administratieve inlichtingen in te winnen. Hij is magistraat en maakt dus deel uit van de rechterlijke macht; hij kan zich dus niet mengen in de eigen bevoegdheid van de administratie.

De auditeur beslist alleen, discretionair over het al dan niet gebruikmaken van deze mogelijkheid om inlichtingen in te winnen. Niemand, ook niet de rechter, kan de auditeur bevelen om van deze mogelijkheid gebruik te maken en een onderzoek in te stellen. Dit zou een miskenning van de onafhankelijkheid van de auditeur inhouden. 7

Het is duidelijk dat door deze in de wet aan het openbaar ministerie bij de arbeidsgerechten toegekende bevoegdheden betreffende de mededeling en adviesverlening in sociale zaken zijn opdracht daar actiever is dan die van het openbaar ministerie bij de andere burgerlijke rechtbanken.

Met de oprichting van een arbeidsauditoraat en arbeidsauditoraat-generaal had men een belangrijke maatschappelijke doelstelling voor ogen, namelijk een goede rechtsbedeling verzekeren, niet alleen op het vlak van de sociale zekerheid en sociale bijstand, maar ook in alle aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren.

D. De adviesverlening door het openbaar ministerie in sociale zaken sinds de invoering van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 764 Ger.W. is de algemene bepaling die sinds de inwerkingtreding van het Gerechtelijk Wetboek (1969) de basisregels bevat die van toepassing zijn op de mededeling en adviesverlening van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken.

In deze wettelijke bepaling werd steevast een onderscheid gemaakt tussen de wettelijk (verplichte) mededeling, de facultatieve mededeling en de rechterlijke mededeling van vorderingen.

De bij wettelijke bepaling verplicht mededeelbare vorderingen worden opgesomd in het eerste lid van art. 764 Ger.W. Voor wat de specifieke adviesverlening in sociale zaken betreft, dient daarbij gekeken te worden naar art. 764, 10o, 12o, 13o en 14oGer.W. Vrij algemeen kan gesteld worden dat het gaat om de vorderingen inzake het socialezekerheidsrecht, de sociale bijstand, de wetgevingen inzake discriminatie en racisme, alsook de geschillen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.

In de loop der tijden werd deze wettelijk verplichte mededeling in sociale zaken regelmatig uitgebreid.

Daarbij moet opgemerkt worden dat wanneer er sprake was van wettelijke mededeling, dit ook meteen een verplichte adviesverlening inhield: wanneer de wet bepaalde dat een zaak op straffe van nietigheid moest worden medegedeeld aan het openbaar ministerie, dan hield dit meteen in dat er door het openbaar ministerie ook verplicht advies moest worden verleend in de vorm zoals bepaald in het Gerechtelijk Wetboek. Herhaaldelijk werd door het Hof van Cassatie bevestigd dat wanneer in de zaken waarvoor de wet op straffe van nietigheid de mededeling voorschreef, een vonnis of arrest gewezen werd waarin niet vermeld wordt dat een magistraat van het openbaar ministerie een advies heeft gegeven of ook uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, zoals het zittingsblad en het proces-verbaal van de zitting, niet blijkt dat het advies werd gegeven, deze uitspraak nietig is. 8

De rechterlijke en facultatieve mededeling wordt beschreven in art. 764, tweede en laatste lid Ger.W. Met facultatieve mededeling wordt bedoeld dat het openbaar ministerie de mededeling kan vragen van alle andere zaken dan die bedoeld in het eerste lid van art. 764 Ger.W. en daarin ook kan zitting houden wanneer het dat dienstig acht. In de praktijk komt dit erop neer dat het openbaar ministerie aan de bevoegde kamer van de arbeidsrechtbank of het arbeidshof mededeelt dat het in een welbepaalde zaak wenst tussen te komen om een advies te verlenen. Ten slotte schrijft diezelfde wetsbepaling voor dat de rechtbank of het hof de mededeling ook ambtshalve kan bevelen (behalve voor wat één nader omschreven rechtsvordering betreft). Dit is de zogenaamde rechterlijke mededeling, die dus ook het dwingend verzoek om advies te verlenen in een welbepaalde zaak inhield. De rechtbank of het hof werd verondersteld gebruik te maken van deze mogelijkheid tot rechterlijke mededeling indien zij/het van oordeel is dat het proces van die aard is dat het het openbaar ministerie aanbelangt, in het kader van zijn algemene opdracht als bewaker van de openbare orde.

II. De nieuwe wettelijke bepalingen betreffende het advies van het openbaar ministerie in sociale zaken (Potpourri I)

A. Introductie

De wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijke procesrecht en houdende diverse bepalingen betreffende justitie – genoegzaam bekend als Potpourri I – werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 22 oktober 2015. Betreffende de adviesverlening van het openbaar ministerie bij de arbeidsgerechten zijn de wijzigende bepalingen van artt. 14 tot 17, evenals artt. 50 (overgangsbepalingen), 64 en 91 (inwerkingtreding art. 64) van deze wet van belang.

De volgorde van het Gerechtelijk Wetboek respecterend, is het eerste artikel dat aan bod komt art. 138bis Ger.W., waarin nu in § 1 te lezen valt: «In burgerlijke zaken komt het openbaar ministerie tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of, wanneer het zulks dienstig acht, bij wege van advies. Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt.» Het enige verschil met de vroegere versie is de toevoeging dat het openbaar ministerie tussenkomt bij wege van advies wanneer het dat dienstig acht. Hiermee wordt al meteen een van de essentiële wijzigingen geïntroduceerd, namelijk de facultatieve of eventuele adviesverlening door het openbaar ministerie.

In art. 14 van de wijzigende wet wordt dan art. 764 Ger.W. aangepakt, welke bepaling zoals bekend bij wijze van spreken de Bijbel vormt voor de burgerlijke adviesverlening van het openbaar ministerie.

Art. 15 wijzigt art. 765 Ger.W. betreffende de adviesverlening van het openbaar ministerie voor de familierechtbank en de familiekamers.

Art. 16 hervormt art. 766 Ger.W., dat de wijze van mededeling alsook het ogenblik waarop en de vorm waarin het advies wordt verleend, behandelt.

Art. 17 ten slotte vernieuwt de tekst van art. 767 Ger.W. betreffende de organisatie van de mogelijkheden tot repliek op het advies van het openbaar ministerie.

B. Wijzigingen van art. 764 Ger.W. m.b.t. de adviesverlening in sociale zaken

1o De inhoud van de nieuwe wettelijke bepaling

Art. 764, eerste lid Ger.W., waarin bepaald wordt dat, uitgezonderd voor de vrederechter, voor de rechter zitting houdende in kort geding en voor de beslagrechter, op straffe van nietigheid de vorderingen worden meegedeeld aan het openbaar ministerie die daarna opgesomd worden (van 1o tot 16o), wordt volledig ongemoeid gelaten.

Het tweede lid van deze bepaling wordt als volgt vervangen: «Het openbaar ministerie kan zich alle andere zaken laten meedelen wanneer het zulks dienstig acht. Met uitzondering van de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, bedoelde rechtsvordering, kan de rechtbank of het hof de mededeling ook ambtshalve bevelen.»

Naast de vorderingen die van rechtswege worden medegedeeld aan het openbaar ministerie, bepaalt het gewijzigde tweede lid van het artikel dat het openbaar ministerie zich alle andere zaken kan laten meedelen wanneer het dat dienstig acht en dat de rechtbank of het hof de mededeling in alle andere zaken, met uitzondering van de in art. 138bis, § 2, eerste lid bedoelde rechtsvordering 9 , ook ambtshalve kan bevelen.

Het is belangrijk erop te wijzen dat de nieuwe tekst niet langer voorziet in een automatische mededeling van alle andere zaken dan die bedoeld in het eerste lid van art. 764 Ger.W., terwijl dat wel het geval was in de vroegere wettekst. In de vroegere bepaling stond te lezen dat het «openbaar ministerie mededeling kreeg van alle andere zaken» terwijl in het nieuwe tweede lid bepaald wordt dat het «openbaar ministerie zich alle andere zaken kan laten meedelen wanneer het zulks dienstig acht». Terwijl voorheen dus werd bepaald dat het openbaar ministerie van rechtswege mededeling kreeg van alle andere zaken dan die bedoeld in art. 764, eerste lid Ger.W., maar daarin slechts advies moest verlenen wanneer het dit nuttig achtte, heeft de nieuwe wettekst tot gevolg dat het openbaar ministerie van deze andere zaken slechts de mededeling krijgt wanneer het daarom verzoekt omdat het dit dienstig acht. Zoals in het verleden, kan het openbaar ministerie daarna zelf beslissen over de opportuniteit van het verlenen van een advies in de zaak die het zich heeft laten meedelen.

Ten slotte worden nog de volgende drie leden aan de besproken wetsbepaling toegevoegd:

«Het openbaar ministerie verleent in de meest aangewezen vorm advies wanneer het zulks dienstig acht.

«In afwijking van het derde lid verleent het openbaar ministerie in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 10o, steeds advies wanneer de rechtbank hierom verzoekt.

«Het college van procureurs-generaal geeft richtlijnen in welke zaken bedoeld in het eerste lid advies wordt verstrekt. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied.»

Eén van de meest opvallende wijzigingen die uit deze toegevoegde bepalingen naar voor komt, is de andere invulling die daarmee aan het begrip «mededeling» wordt gegeven met betrekking tot de wettelijke en de rechterlijke mededeling. Zowel in de vroegere wetteksten met betrekking tot de adviesverlening van het openbaar ministerie, als in de nu gewijzigde teksten wordt gesproken over de mededeling van dossiers aan het openbaar ministerie. Maar het gaat daarbij duidelijk niet meer om hetzelfde.

Met het oog op het verlenen van een eventueel advies ligt het voor de hand dat het openbaar ministerie de bevoegdheid heeft in burgerlijke zaken om alle dossiers van de rechtspleging in te kijken en aanwezig te zijn op elke terechtzitting. Het begrip «mededeling» in zijn strikte of technische betekenis houdt de uitoefening van deze bevoegdheid in.

Onder de gelding van de oude versie van art. 764 Ger.W. werd met «mededeelbare zaak» bedoeld een zaak die niet alleen (ten laatste) bij het sluiten van het debat moest worden medegedeeld aan het openbaar ministerie, maar waarin vervolgens het openbaar ministerie ook het debat moest bijwonen en een advies moest uitbrengen. 10 Na de Potpourriwet dient hieronder begrepen te worden: een zaak die moet worden meegedeeld aan het openbaar ministerie, zodat dit laatste eventueel advies kan verstrekken, dan wel te kennen kan geven dat het verlenen van een advies niet dienstig wordt geacht.

Door de toevoeging van het nieuwe derde lid van art. 764 Ger.W. heeft de wetgever de «mededeling van de vordering» losgekoppeld van de «adviesverlening». Bijgevolg zal het openbaar ministerie zowel in de zaken die het op eigen initiatief laat mededelen als in die welke op verzoek van de rechtbank of het hof aan het openbaar ministerie worden medegedeeld, alsook in de zaken waarin de mededeling van rechtswege en op straffe van nietigheid is voorgeschreven, slechts advies verlenen wanneer het dat dienstig, opportuun acht. Dit leidt tot de vaststelling dat in de nieuwe wetgeving er voor de vorderingen die vermeld worden in art. 764, eerste lid Ger.W. sprake is van een verplichte, op straffe van nietigheid voorgeschreven mededeelbaarheid, maar met een optionele adviesverlening. Dit laatste geldt eveneens voor de rechterlijke mededeling. Deze ingreep heeft wel zijn gevolgen voor de sanctie van nietigheid van het vonnis of arrest die voortvloeit uit de aanhef van art. 764, eerste lid Ger.W., waarover hierna meer.

Aangezien voor wat de wettelijk mededeelbare zaken betreft steeds teruggegrepen wordt naar de opsomming van zaken die in het eerste lid van deze bepaling worden gegeven, is het van belang te beklemtonen dat daarin ook begrepen zijn alle vorderingen waarvan de mededeling aan het openbaar ministerie is voorgeschreven bij de bijzondere wetten. Dit geeft aan de besproken wetsbepaling een algemene draagkracht, waardoor ook voor de geschillen waarvoor in bijzondere wetten een wettelijk verplichte mededeling aan het openbaar ministerie wordt voorgeschreven, de optionele adviesverlening door het openbaar ministerie geldt, met dien verstande echter dat het bovenstaande niet opgaat wanneer de bijzondere wetgeving niet «de mededeling aan» maar wel «het advies van het openbaar ministerie» verplicht maakt. Met andere woorden, in zaken waarin de wet aan de rechter gebiedt enkel uitspraak te doen na het advies van het openbaar ministerie te hebben gehoord en dus mits het openbaar ministerie ter terechtzitting aanwezig is, blijft dit voorafgaande advies van het openbaar ministerie wettelijk verplicht voor de geldigheid van het vonnis of arrest. 11 12 In de omzendbrief van het College van Procureurs-generaal wordt in de exemplatieve lijst van gevallen waarin het advies van het openbaar ministerie wettelijk verplicht blijft, verwezen naar de procedure betreffende de incidenten m.b.t. de verdeling van burgerlijke zaken. Art. 88, § 2 Ger.W. bepaalt immers dat deze incidenten worden voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank en, bij uitbreiding als gevolg van art. 109, derde lid in fine Ger.W., de eerste voorzitter van het (arbeids)hof, die dan op advies van de procureur des Konings, de arbeidsauditeur of de procureur-generaal bij beschikking oordeelt aan welke afdeling, kamer of rechter de zaak moet worden toebedeeld. 13

Op het principe dat het openbaar ministerie zelf, op discretionaire wijze, oordeelt over de opportuniteit van de adviesverlening, wordt in het nieuwe art. 764 Ger.W. een uitzondering gemaakt. In de gevallen bedoeld in art. 764, eerste lid, 10o Ger.W. – in het nieuwe art. 765 Ger.W. wordt deze uitzondering ook gemaakt voor de zaken bedoeld in art. 765/1 Ger.W. 14, zijnde de zaken voor de familierechtbank of voor de familiekamers van het hof van beroep die minderjarigen aanbelangen – dient het openbaar ministerie wel advies te verlenen wanneer de rechtbank (of het hof) hierom verzoekt. In de rechtsleer spreekt men hier al van de «versterkt mededeelbare zaken» 15 , wat wellicht wel een goede benaming is om het onderscheid te maken tussen de gewone wettelijk mededeelbare zaken en die bedoeld in het vierde lid van art. 764 Ger.W. Het betreft hier grotendeels de vorderingen in de geschillen van socialezekerheidsrecht en sociale bijstand (veelal geschillen over de rechten en verplichtingen van de sociaal verzekerde).

Het onderscheid dat tussen wettelijke, rechterlijke en facultatieve mededeling wordt gemaakt, blijft behouden en ook relevant.

In de nieuwe wettelijke bepaling wordt in het laatste lid nog de opdracht gegeven aan het College van Procureurs-generaal om voor alle leden van het openbaar ministerie bindende richtlijnen uit te vaardigen m.b.t. de adviesverlening in de vorderingen die van rechtswege worden medegedeeld aan het openbaar ministerie. Aan de procureurs-generaal bij de hoven van beroep wordt vervolgens opgedragen om toe te zien op de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied.

Het College van Procureurs-generaal heeft zich met zijn omzendbrief van 10 december 2015 van zijn taak gekweten en de COL 13/2015 bekendgemaakt. 16 In de aanhef van deze richtlijnen worden de algemene principes naar voor geschoven om de opportuniteit van een advies van het openbaar ministerie te bepalen. Allereerst wordt eraan herinnerd dat het optreden van het openbaar ministerie moet worden georganiseerd vanuit het oogpunt van «het belang van het kind, de openbare orde, de inachtneming van de wettelijkheid, de uniforme toepassing van de wet, de fundamentele sociale rechten en, op het vlak van faillissementen, het belang van de werknemers en dat van particuliere en openbare schuldeisers». Vervolgens wordt de klemtoon gelegd op «de specifieke rol van de arbeidsauditoraten als toezichthouders op het goede gebruik van het overheidsgeld voor zowel de Belgische Staat als de begunstigden van deze middelen». In de omzendbrief leidt dit tot het besluit dat «het openbaar ministerie moet tussenkomen wanneer het algemeen belang dat de particuliere belangen overstijgt tijdens een zaak in het gedrang kan komen».

Rekening houdende met deze principiële overwegingen wordt in de omzendbrief een indeling gemaakt in drie categorieën van zaken op burgerrechtelijk vlak, namelijk:

– de zaken in het kader waarvan elke procureur des Konings, arbeidsauditeur of procureur-generaal voor zijn parket(-generaal) richtlijnen uitvaardigt met betrekking tot de opportuniteit van een advies van het openbaar ministerie volgens de door het College van Procureurs-generaal vastgelegde criteria;

– de zaken waarvoor het openbaar ministerie advies moet blijven verlenen;

– de zaken waarvoor het advies van het openbaar ministerie geen toereikende meerwaarde oplevert.

Onder de eerste categorie vallen alle op straffe van nietigheid door de familierechtbank en de familiekamers van het hof van beroep aan het openbaar ministerie medegedeelde zaken betreffende minderjarigen (art. 765/1 Ger.W.) evenals de in de omzendbrief vermelde zaken die enkel betrekking hebben op meerderjarigen (art. 764 Ger.W.), alsook bepaalde materies over de beslechting van de faillissementen en de gerechtelijke reorganisaties. Voor deze categorie worden in de omzendbrief een aantal suggesties gedaan inzake criteria die in aanmerking kunnen komen om op basis daarvan de selectie om al dan niet advies te verlenen te maken, zoals het feit dat nuttige, relevante of zelfs onontbeerlijke informatie kan worden meegedeeld of dat de situatie aanleiding geeft tot eventueel hevige conflicten of dat er op sociaal vlak aanwijzingen zijn van fraude of dat er eventueel een strafrechtelijk dossier bestaat. Deze categorie wordt daarenboven omschreven als de restcategorie ten opzichte van de andere twee. Dit betekent dat de daarna in de omzendbrief weergegeven lijst van zaken die onder deze categorie vallen, niet exhaustief is en dat, zoals in de omzendbrief zelf wordt gemeld, deze categorie ook onder voorbehoud alle aan het openbaar ministerie meegedeelde zaken bevat die niet in de tweede en de derde categorie van zaken worden vermeld.

De categorie van zaken waarin steeds een advies zal worden verleend door het openbaar ministerie (tweede categorie), zijn volgens de omzendbrief die waarbij essentiële belangen de particuliere belangen overstijgen, waarbij het belang van niet-vertegenwoordigde kinderen in de zaak aan bod komt en waarbij een risico op fraude bestaat en of waarin er sprake kan zijn van een omzeiling van de rechtsregels.

De laatste categorie betreft de zaken waarin volgens de omzendbrief geen advies meer zal worden gegeven omdat dit geen of weinig meerwaarde oplevert in de behandeling van deze vorderingen door de burgerlijke rechter.

De richtlijnen van de COL 13/2015 kunnen echter geen afbreuk doen aan datgene wat specifiek in art. 764, vierde lid Ger.W. wordt bepaald m.b.t. de vorderingen bepaald in art. 764, eerste lid, 10o Ger.W. Voor al de daarin vermelde zaken kan de discretionaire beslissingsmacht over het al dan niet dienstig zijn van een advies opzij worden geschoven door het verzoek van de arbeidsrechtbank of het arbeidshof om een advies te verlenen, zoals hierboven uiteengezet.

Dit laatste is van belang voor het ressort van het Arbeidshof te Antwerpen. Anticiperend op de inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke bepalingen en uit bezorgdheid voor de continuïteit van een goede dienstverlening alsook om de verdere kwaliteit van de rechtsbedeling te vrijwaren in een steeds complexer wordende wetgeving, werd zowel door de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Antwerpen, als door de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, als gevolg ook van een gezamenlijk overleg tussen de betrokken actoren van justitie, met toepassing van art. 764, vierde lid Ger.W., het algemeen verzoek gedaan aan respectievelijk de procureur-generaal bij het Hof van Beroep en het Arbeidshof te Antwerpen en de arbeidsauditeur te Antwerpen om advies te blijven verlenen in al de vorderingen bedoeld in art. 764, eerste lid, 10o Ger.W. Dit betekent dat de magistraten van het auditoraat-generaal en het auditoraat verplicht advies zullen blijven verlenen in al de zaken opgesomd in deze bepaling onder de gelding van de nieuwe wetgeving, zoals dat in het verleden het geval was.

2o De wettelijke mededeling of de van rechtswege verplicht mededeelbare zaken bepaald in art. 764, eerste lid Ger.W.

a) De vorderingen bepaald in art. 764, eerste lid, 10o Ger.W.

Deze bepaling heeft het over de vorderingen bepaald in de artt. 578, 11o 17 , 580, 2o 18 , 3o 19 , 6o 20 tot 18o 21 , 581, 2o 22 , 3o 23 , 9o 24 en 10o 25 , 582, 1o 26 , 2o 27 , 6o 28 , 8o 29 , 9o 30 en 12o 31 , 583 32 en 587septies 33 Ger.W., die dus op straffe van nietigheid medegedeeld dienen te worden aan het openbaar ministerie. Op basis van de nieuwe wettelijke bepalingen verleent het openbaar ministerie echter principieel in deze zaken enkel een advies wanneer het dat dienstig acht.

De richtlijnen van de COL 13/2015 leggen echter aan het openbaar ministerie op steeds een advies te verlenen in de zaken bedoeld in de artt. 580, 2o, 3o, 6o tot 18o, 581, 2o, 3o, 9o en 10o, 582, 1o, 2o, 6o, 8o en 9o, 583 en 587septies Ger.W., m.a.w. alle zaken bepaald in art. 764, eerste lid, 10o Ger.W., met uitzondering van die bedoeld in art. 578, 11o Ger.W. (geschillen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, die hun oorzaak vinden in hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk) en art. 582, 12o Ger.W. (zie voetnoot 29). Daar laatstgenoemde vorderingen ook niet terug te vinden zijn in de lijst met materies in het kader waarvan in principe geen advies meer zal worden gegeven, de categorie 3 van de omzendbrief, vallen deze zaken onder die van de categorie 1, waar ze trouwens ook voorkomen in de lijst van zaken betreffende deze categorie van materies.

Voor een goed begrip moet erop gewezen worden dat voor het ressort van het Arbeidshof te Antwerpen, gelet het algemeen verzoek dat schriftelijk werd gedaan door de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Antwerpen en de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen met toepassing van art. 764, vierde lid Ger.W., de verplichte adviesverlening geldt voor alle zaken die bedoeld worden in het eerste lid, 10o van diezelfde bepaling, d.w.z. ook voor de geschillen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, die hun oorzaak vinden in hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die bedoeld in art. 582, 12o Ger.W.

In deze context moet er ook nog aandacht geschonken worden aan het feit dat de zaken betreffende het statuut van de werknemer dan wel zelfstandige, in zoverre het gaat om een vordering die wordt ingesteld door de sociaal verzekerde tegen de beslissing genomen inzake dit statuut door de RSZ of de RSVZ, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie ook een vordering uitmaken zoals bedoeld in art. 764, eerste lid, 10o Ger.W. (geschil zoals bedoeld in art. 580, 2o Ger.W.). 34 Dergelijke zaken zijn in de nieuwe regeling van rechtswege verplicht mededeelbare zaken waarin op het verzoek van de rechtbank of het hof en alleszins gelet op de richtlijnen vervat in de COL 13/2015, advies moet worden verleend.

Er zijn ook nog de zaken die worden toebedeeld aan de kamers van de arbeidsrechtbank en het arbeidshof die bevoegd zijn voor de vorderingen m.b.t. de bijdrageregeling in het kader van de sociale zekerheid van de werknemers die slechts facultatief mededeelbaar zijn. Maar in de opsomming van art. 764, eerste lid, 10o Ger.W. kan men ook de vorderingen bepaald in art. 580, 16o Ger.W. – dit laatste artikel heeft het over de geschillen betreffende de verplichtingen van de hoofdaannemers en onderaannemers bedoeld bij art. 30bis van de RSZ-Wet – terugvinden, m.a.w. in dat geval geschillen die eveneens behoren tot de van rechtswege verplicht mededeelbare zaken. Deze vorderingen dienen niet alleen van rechtswege medegedeeld te worden aan het openbaar ministerie, maar zij behoren ook tot de zaken waarin door het openbaar ministerie advies moet worden verleend, gelet op het eventueel verzoek met toepassing van art. 764, vierde lid Ger.W., maar ook in opvolging van de richtlijnen vervat in de COL 13/2015.

b) De vorderingen bedoeld in art. 764, eerste lid, 11o, 12o, 13o en 14o Ger.W.

Voor deze zaken geldt ten volle het principe van wettelijk verplichte mededeling, maar met optionele adviesverlening door het openbaar ministerie zonder de mogelijkheid geboden door art. 764, vierde lid Ger.W. om het advies toch verplicht te maken. Bijgevolg behoort het aan het openbaar ministerie om te beslissen of het al dan niet een advies zal uitbrengen, daarbij dan wel rekening houdende met de richtlijnen vervat in de COL 13/2015.

De besproken vorderingen behoren alleszins niet tot de tweede (materies waarin er steeds advies zal worden gegeven) of de derde categorie van zaken (de materies in het kader waarvan in principe geen advies meer zal worden gegeven) van de omzendbrief, enkele uitzonderingen die behoren tot de vorderingen waarvan de mededeling is voorgeschreven bij bijzondere wetten buiten beschouwing gelaten 35 , zodat de magistraat van het openbaar ministerie zal moeten oordelen of het verlenen van een advies opportuun is.

De beoordeling of het verlenen van een advies opportuun is, zal gebeuren aan de hand van de algemene criteria om de opportuniteit van een advies te bepalen (zoals eveneens omschreven in de omzendbrief) 36 , alsook aan de hand van de bijzondere criteria/vragen die specifiek m.b.t. de in de omzendbrief gehanteerde eerste categorie van materies worden bepaald. 37 Er kan aan herinnerd worden dat in de omzendbrief gezegd wordt dat het de korpschef is die op eigen verantwoordelijkheid zal bepalen of het nuttig of dienend is dossiers te selecteren waarin een advies verleend moet worden, rekening houdende met de specifieke situatie van zijn arrondissement en de algemene criteria die in de omzendbrief vermeld worden. Voorts dient volgens diezelfde omzendbrief overeenkomstig de vermelde algemene principes advies gegeven te worden in de zaken die tot de eerste categorie behoren wanneer vastgesteld kan worden dat nuttige, relevante of zelfs onontbeerlijke informatie kan worden meegedeeld, dan wel dat de situatie aanleiding geeft tot eventueel hevige conflicten, of nog dat er op sociaal vlak aanwijzingen van fraude bestaan of dat er zelfs al een strafrechtelijk dossier bestaat.

In de omzendbrief worden overigens de vorderingen bedoeld in art. 764, eerste lid, 11o, 12o, 13o en 14o Ger.W., gemeenzaam omschreven als «vorderingen op basis van de wetten van 2007, meer in het bijzonder de wet van 30 juli 1981 betreffende bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen (artt. 578, 8o, 10o, 13o en 15o, 581, 3o, 9o, 10o en 11o, 583 en 587bis, 2o, 3o en 4o Ger.W.)», uitdrukkelijk opgenomen in de lijst van zaken van de eerste categorie. Dat is ook het geval voor wat gedefinieerd wordt in de omzendbrief als geschillen inzake «belaging of geweld op de werkplaats (zaken bedoeld in art. 578, 11o Ger.W.)», met andere woorden één van de zaken of vorderingen bedoeld in de aanhef van art. 764, eerste lid, 10o Ger.W.

Hierboven werd er al op gewezen dat ingevolge het algemeen verzoek van de eerste voorzitter van het arbeidshof en de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de laatstgenoemde categorie van zaken (geschillen bedoeld in art. 578, 11oGer.W.) met toepassing van art. 764, vierde lid Ger.W. verplicht adviseerbaar zijn en blijven in het ressort van het Arbeidshof te Antwerpen.

c) De vorderingen bedoeld in art. 764, eerste lid, 5o, 6o en 7o Ger.W.

Het gaat hier om de zaken 38 die niet specifiek als «sociale zaken» beschouwd kunnen worden maar die sporadisch ook aan bod kunnen komen bij de arbeidsgerechten.

De adviesverlening in deze vorderingen wordt uitdrukkelijk behandeld in de COL 13/2015, die bindend is voor de leden van het openbaar ministerie. De genoemde vorderingen zijn in de omzendbrief ondergebracht onder de derde categorie van materies, zijnde die in het kader waarvan in principe geen advies meer zal gegeven worden.

3o De rechterlijke mededeling of de op initiatief van de rechter medegedeelde zaken

Wanneer de rechter het opportuun acht dat het openbaar ministerie in een niet wettelijk mededeelbare zaak een advies zou uitbrengen, kan hij volgens het gewijzigde tweede lid van art. 764 Ger.W. de mededeling ervan aan het openbaar ministerie ambtshalve bevelen. Deze mogelijkheid bestond ook onder gelding van de vroegere wetgeving. Het verschil is wel dat met de nieuwe wettelijke bepalingen het openbaar ministerie niet meer verplicht is een advies te verlenen. Het facultatieve karakter van het advies in dat geval wordt trouwens beklemtoond in het nieuwe art. 766, § 2 Ger.W. De reden voor deze keuze van de wetgever dient niet ver gezocht te worden: de nieuwe wettelijke bepalingen om de beslissing over het nut van de adviesverlening in een bepaalde zaak over te laten aan het openbaar ministerie zelf, hebben de bedoeling om het openbaar ministerie in staat te stellen zijn tussenkomsten bij wege van advies zo efficiënt mogelijk te organiseren. Het openbaar ministerie dient wel de rechter tijdig in kennis te stellen van het feit dat het niet zal tussenkomen in het geding bij wege van advies.

d) De op verzoek van het openbaar ministerie medegedeelde zaken

Zoals hierboven al vermeld, wordt in het nieuw geformuleerde tweede lid van art. 764 Ger.W. de mogelijkheid geopend voor het openbaar ministerie om zich alle andere zaken, waarmee bedoeld wordt die welke niet wettelijk medegedeeld moeten worden op straffe van nietigheid, te laten meedelen wanneer het zulks dienstig acht. Het verschil ten opzichte van de vroegere wetgeving bestaat hierin dat voorheen werd bepaald dat het openbaar ministerie mededeling kreeg van alle andere zaken en daarin zitting hield wanneer het dat dienstig achtte. Onder de nieuwe wetgeving is de mededeling dus niet meer automatisch voorgeschreven en gebeurt zij slechts op verzoek van het openbaar ministerie wanneer het dat dienstig acht. Er kan aan toegevoegd worden dat het openbaar ministerie, indien het zich een zaak laat mededelen, niet verplicht is, zoals dat ook voorheen het geval was, een advies te verlenen. Het openbaar ministerie dient wel de rechter tijdig in kennis te stellen van het feit dat het niet zal tussenkomen in het geding bij wege van advies.

In dit kader verdienen de geschillen waarbij de RSZ of de RSVZ partij is, de aandacht. Naast de hierboven vermelde geschillen betreffende het statuut en die m.b.t. de toepassing van art. 30bis RSZ, zijn er de vorderingen m.b.t. de bijdrageregeling in de sociale zekerheid voor werknemers en in die voor de zelfstandigen. Deze vorderingen zijn niet, zoals dat trouwens ook voorheen het geval was, van rechtswege verplicht mededeelbaar; zij maken immers geen deel uit van de opsomming van art. 764, eerste lid, 10o Ger.W. Het is raadzaam om, zoals in het verleden, deze zaken te laten mededelen (mededeling op initiatief van het openbaar ministerie), met als gevolg dat zodra door de griffie de zittingsdatum wordt medegedeeld waarop de zaak behandeld zal worden, het aan het openbaar ministerie behoort om ten laatste de dag vóór deze zitting te melden dat het al dan niet zal tussenkomen bij wege van advies.

C. Tijdstip van de mededeling en tijdstip en vorm van het advies – Wijzigingen art. 766 Ger.W.

1o Tijdstip en vorm van de mededeling

a) De wettelijk en de facultatief mededeelbare zaken

In de krachtens de wet verplicht mededeelbare zaken of in die waarin het openbaar ministerie de mededeling heeft gevraagd, dient de griffie het openbaar ministerie in kennis te stellen van de datum van de terechtzitting met opgave van de identiteit van de partijen (art. 766, § 1 Ger.W.).

In de memorie van toelichting kan men daarover de volgende verduidelijking terugvinden: «De bij § 1 bedoelde inlichtingen kunnen aan het openbaar ministerie worden meegedeeld met de rol. Het gaat hier wel degelijk om de kennisgeving aan het openbaar ministerie van alle zittingen van een mede te delen zaak, niet enkel de eerste vaststelling ervan.»

De wettelijke bepalingen zeggen niets over de wijze waarop het openbaar ministerie kennis moet krijgen van alle andere zaken dan die welke wettelijk medegedeeld moeten worden. Deze kennisgeving – van mededeling is er dan immers nog geen sprake – is nochtans een essentiële vereiste voor het openbaar ministerie opdat het zou kunnen oordelen of het dienstig is dat een aanhangig gemaakte zaak wordt medegedeeld. Het lijkt dan ook raadzaam dat de werkprocessen die tot op heden op dit vlak gehanteerd werden voor deze niet wettelijk mededeelbare zaken, verder gehandhaafd blijven. Dit betekent dat het openbaar ministerie in sociale zaken hoe dan ook ingelicht wordt over al de voor de rechtbank of het hof aanhangig gemaakte zaken, zodat het vervolgens kan oordelen over het al dan niet dienstig zijn van de mededeling en inzage van het volledige dossier van rechtspleging m.b.t. de niet verplicht mededeelbare zaak.

b) De rechterlijk mededeelbare zaken

Bij de rechterlijke mededeling kan de rechter de zaak op elk tijdstip mededelen aan het openbaar ministerie, met dien verstande dat het wel dient te gebeuren ten laatste op het ogenblik van de sluiting van het debat. De mededeling wordt op het zittingsblad vermeld (art. 766, § 2, eerste lid Ger.W.).

2o Tijdstip en vorm van het advies

a) Wettelijke en facultatieve mededeling

Er zijn verschillende mogelijkheden voor het tijdstip en de vorm van het advies in geval van wettelijke of facultatieve mededeling.

In de vroegere wetgeving werd het schriftelijk advies als de regel beschouwd. Enkel het mondeling advies dat wegens de omstandigheden van de zaak terstond op de zitting of, op verzoek van het openbaar ministerie, op een daartoe later bepaalde zitting verleend kon worden, werd als het ware gedoogd.

Uit de formulering van de nieuwe wetsbepalingen m.b.t. dit advies blijkt nu dat het mondeling en het schriftelijk advies op gelijke voet worden geplaatst en dat het aan het openbaar ministerie wordt overgelaten te beslissen in welke vorm het advies het best verleend kan worden.

Het dient te worden beklemtoond dat het voorschrift van art. 780, 4o Ger.W. om in het vonnis (of arrest) op straffe van nietigheid het advies van het openbaar ministerie te vermelden, niet geschrapt of gewijzigd werd.

(i) Het mondeling advies ter zitting (art. 766, § 1, tweede lid Ger.W.)

Wanneer het openbaar ministerie het dienstig acht een advies uit te brengen in wettelijk of facultatief medegedeelde zaken, dan verleent het dit mondeling op de terechtzitting, na de sluiting van het debat. Daarvan wordt melding gedaan op het zittingsblad.

(ii) Het schriftelijk advies na de pleidooien (art.766, § 1, vierde lid Ger.W.)

Het advies kan eveneens schriftelijk worden verleend na de pleidooien. Het openbaar ministerie dient in dat geval wel de rechter voor het sluiten van het debat in kennis te stellen van zijn voornemen om schriftelijk advies te verlenen.

Het schriftelijk advies wordt vervolgens neergelegd ter griffie uiterlijk op de datum die bepaald werd door de rechter. Dit advies wordt op datzelfde ogenblik meegedeeld aan de advocaat van de partijen of, indien zij geen advocaat hebben, aan de partijen zelf.

Twee bemerkingen in dit verband:

– de mogelijkheid om dit schriftelijk advies in te dienen en voorlezing ervan te geven op een latere zitting, wat onder de vroegere wetgeving zelfs de regel leek, vervalt; het is enkel nog mogelijk dit schriftelijk advies neer te leggen ter griffie;

– de wijze waarop en door wie dit advies wordt ter kennis gebracht van de advocaten van de gedingvoerende partijen of deze partijen zelf, wordt niet bepaald.

Vooral dat laatste kan wel aanleiding geven tot enige discussie. De vroegere wetgeving bepaalde dat dit advies door de griffier aan de advocaten van partijen per gewone brief en aan de partijen zelf per gerechtsbrief werd verzonden. Uit de lezing van artt. 32 en 32bis Ger.W. kan worden afgeleid dat bij gebreke van andersluidende wettelijke bepaling deze mededeling kan gebeuren bij gewone post, uiteraard zolang er nog geen sprake is van de mededeling via elektronische weg. De mening werd immers geopperd dat de wetgever voor de mededeling van het advies al dacht in termen van het nieuwe art. 32ter Ger.W. 39

Omdat het om een akte van rechtspleging gaat die deel uitmaakt van het dossier van de rechtspleging, is het naar mijn oordeel de griffier die zorg dient te dragen voor de kennisgeving aan de advocaten of de partijen zelf, indien zij niet vertegenwoordigd worden door een advocaat.

(iii) Het schriftelijk advies vóór de terechtzitting (art. 766, § 1, derde lid Ger.W.)

Het schriftelijk advies dat vóór de terechtzitting neergelegd wordt ter griffie is zeker een verrassende innovatie te noemen van de Potpourri I. Het derde lid van het nieuwe art. 766, § 1 Ger.W. verwoordt het als volgt: «Wanneer het openbaar ministerie het dienstig acht schriftelijk advies uit te brengen vóór de terechtzitting wordt het advies uiterlijk de dag vóór de terechtzitting ter griffie neergelegd en medegedeeld aan de advocaat van de partijen of, indien zij geen advocaat hebben, aan de partijen zelf.»

Bij de veralgemening van deze vorm van adviesverlening op basis van de dossiergegevens 40 tot alle wettelijke en facultatief mededeelbare zaken bestaat toch het gevaar dat zeker in de geschillen die worden voorgelegd aan de arbeidsgerechten het advies totaal irrelevant of naast de kwestie is als het door het openbaar ministerie wordt gegeven zonder dat partijen gehoord zijn en zonder dat men een zicht heeft op het volledige dossier. Daarenboven vergeet men dat in die specifieke geschillen naast het eigenlijke advies, vooral de aanwezigheid van het openbaar ministerie op de terechtzittingen en de initiatieven die het daar kan nemen de meerwaarde van zijn tussenkomst inhouden. 41 Ten slotte is deze vorm van adviesverlening een miskenning van de waarde van het debat op tegenspraak ter terechtzitting, terwijl dit laatste, alleszins in zaken die voor de arbeidsgerechten worden behandeld, een cruciaal aspect is van een optimale rechtsbedeling.

Het openbaar ministerie dat zijn opdrachten bij de arbeidsgerechten dient te vervullen, is dan ook zeker geen voorstander van de toepassing van deze nieuwe vorm van adviesverlening. Enkel wanneer structurele of organisatorische redenen dit kunnen verantwoorden en voor zover het gaat om uiterst technische, maar niet of weinig betwistbare vorderingen waarin toch verplicht advies moet worden verleend (bv. in een zaak waarin na een tussenvonnis of arrest een advies van een gerechtsdeskundige voorligt waarover partijen geen discussie meer voeren), kan worden aanvaard dat teruggegrepen wordt naar deze vorm van adviesverlening in sociale zaken.

(iv) Geen advies (art. 766, § 1, vijfde en laatste lid Ger.W.)

Wanneer het openbaar ministerie het niet dienstig acht advies uit te brengen in een welbepaalde zaak, stelt het de griffie daarvan in kennis uiterlijk de dag voor de terechtzitting.

De wet bepaalt bijgevolg dat het openbaar ministerie de rechtbank in kennis moet stellen van de beslissing om geen advies te verlenen in een van rechtswege of op initiatief van het openbaar ministerie medegedeelde zaak. De wet spreekt er zich niet over uit hoe deze kennisgeving dan wel dient te gebeuren, noch hoe deze kennisgeving verwerkt zal worden in het dossier van de rechtspleging en of er al dan niet melding hiervan moet worden gemaakt in het vonnis of het arrest. Terecht werd al opgemerkt dat het hier wel raadzaam zou zijn geweest om te bepalen dat de beslissing om geen advies te verlenen vermeld zou worden op het zittingsblad. Bij gebrek aan wettelijke verduidelijking lijkt het bijgevolg nuttig dat de kennisgeving om uiteindelijk geen advies te verlenen schriftelijk – of via elektronische weg – zou gebeuren en dat dit stuk als zodanig ook gevoegd zou worden bij het dossier van de rechtspleging. 42

b) Rechterlijke mededeling (art. 766, § 2 Ger.W.)

Wanneer de rechter beslist een wettelijk niet-mededeelbare zaak toch met het oog op het verlenen van een advies mede te delen aan het openbaar ministerie – welke beslissing, zoals hierboven al vermeld, op het zittingsblad wordt genotuleerd – bepaalt hij tevens de datum van de terechtzitting waarop het openbaar ministerie zijn eventueel mondeling advies uitbrengt en waarop partijen eveneens kunnen antwoorden op dit (mondeling of schriftelijk) advies.

De wet bepaalt voorts dat een afschrift van het zittingsblad samen met de stukken van de procedure binnen 48 uren na de terechtzitting wordt verzonden aan het openbaar ministerie.

Binnen acht dagen vóór de door de rechter aldus bepaalde terechtzitting moet het openbaar ministerie dan de griffie in kennis stellen van zijn voornemen al dan niet advies uit te brengen en deelt het tevens mee in welke vorm dit advies zal worden gegeven. Het schriftelijk advies wordt ten laatste acht dagen voor diezelfde terechtzitting neergelegd ter griffie en wordt op dat ogenblik ook meegedeeld aan de advocaat van partijen of, indien zij geen advocaat hebben, aan de partijen zelf.

De wet voorziet niet in enige sanctie wanneer de griffie of het openbaar ministerie de opgelegde termijnen niet zouden naleven. Indien de termijnen niet worden nageleefd door het openbaar ministerie, kan de rechter enkel het nodige doen om het recht op tegenspraak van de partijen effectief te vrijwaren en zal hij desnoods de zaak moeten verdagen. Tegen het lid van het openbaar ministerie dat zich niet van zijn wettelijke opdracht heeft gekweten staan enkel tuchtrechtelijke maatregelen open.

Iedereen zal het erover eens zijn dat deze regelgeving betreffende het advies in rechterlijk medegedeelde zaken zeer complex en in de praktijk zeer inefficiënt is. Bovendien kan deze regelgeving leiden tot talrijke vergissingen en gelden voor het geval beslist zou worden tot het uitbrengen van een schriftelijk advies dezelfde opmerkingen als die welke gemaakt werden voor het schriftelijk advies dat uitgebracht wordt vóór de terechtzitting, zoals bepaald voor de wettelijke en facultatief mededeelbare zaken in art. 766, § 1, derde lid Ger.W. Op het overleg tussen de magistraten van de arbeidsgerechten en het openbaar ministerie van het ressort Antwerpen, bijeengeroepen op initiatief van de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Antwerpen, werd beslist de informele procedure na te leven die ook in het verleden gehanteerd werd en die erin bestaat dat wanneer de voorzitter van de kamer het nuttig acht dat een zaak wordt medegedeeld aan het openbaar ministerie, hij of zij dit laatste daarvan in kennis stelt vóór de pleitzitting, zodat de zaak dan verder afgehandeld kan worden zoals dit het geval is voor de ambtshalve mededeelbaar gestelde zaken.

D. Tijdstip en vorm van de repliek – Wijzigingen art. 767 Ger.W. (repliek/antwoord op het advies)

1o Tijdstip en vorm van de repliek (art. 767, § 1 Ger.W.)

Wanneer het advies mondeling wordt uitgebracht, worden de partijen die verschijnen onmiddellijk gehoord over hun opmerkingen over dat advies.

De rechter kan de partij die erom verzoekt echter toestemming verlenen om over het advies van het openbaar ministerie een schriftelijk antwoord te formuleren bij wege van een conclusie die dan neergelegd wordt ter griffie binnen de door de rechter bepaalde termijn. Dat verzoek is aan geen enkele vormvereiste onderworpen, zodat het perfect mondeling ter terechtzitting kan worden gedaan. Tegen deze beslissing van de rechter, ook wanneer hij beslist geen repliek toe te staan, kan geen hoger beroep worden ingesteld.

In het derde lid van art. 767, § 1 Ger.W. wordt geen onderscheid gemaakt tussen het mondeling of het schriftelijk advies, zodat daaruit mag worden afgeleid dat in de nieuwe wettelijke bepalingen van de Potpourri I de mogelijkheid voor een partij om met toestemming van de rechter schriftelijk te repliceren op zowel een mondeling als een schriftelijk advies behouden blijft.

Op het schriftelijk advies dat neergelegd wordt voor de terechtzitting kan door partijen mondeling geantwoord worden op die terechtzitting zelf of anders op een latere door de rechter vastgestelde terechtzitting. Partijen hebben echter ook de mogelijkheid te vragen om op dit advies schriftelijk te repliceren via een conclusie die dan binnen de door de rechter bepaalde termijn moet worden neergelegd ter griffie.

Zoals voordien, wordt ook in de Potpourri I-wet niets gezegd over een sanctie voor de niet-tijdige neerlegging van de schriftelijke replieken door een partij. Aangenomen mag worden dat de te laat neergelegde conclusie buiten beschouwing mag worden gelaten.

Het repliekrecht van partijen bij het schriftelijk advies dat na de pleidooien wordt verleend en dat dus uitsluitend ter griffie wordt neergelegd binnen de termijn en uiterlijk op de datum bepaald door de rechter, wordt vreemd genoeg niet geregeld in art. 767, § 1 Ger.W. Maar geen nood, de oplossing hiervoor is terug te vinden in (het nieuwe) art. 766, § 1, vierde lid Ger.W.: daar wordt immers niet alleen bepaald dat het schriftelijk advies na pleidooien van het openbaar ministerie wordt neergelegd ter griffie en meegedeeld aan de advocaten van partijen of de partijen zelf op de datum die wordt bepaald door de rechter, maar ook dat de rechter dan tevens de datum bepaalt tot wanneer de partijen ter griffie hun conclusies mogen neerleggen om te antwoorden op dit advies van het openbaar ministerie. Gelukkig maar, want zonder repliekrecht in deze situatie zou er, zoals het verleden ons geleerd heeft, sprake zijn van een schending van art. 6, eerste lid EVRM. 43

Opvallend is wel dat de termijn waarbinnen de schriftelijke repliek moet worden gegeven, anders geformuleerd wordt. Voor wat de schriftelijke repliek betreft die gegeven wordt na een mondeling advies of een schriftelijk advies dat neergelegd wordt vóór de terechtzitting waarop de zaak behandeld wordt, is bepaald dat deze neergelegd moet worden binnen de termijn die de rechter vastlegt. Dit is een regeling die aansluit bij die welke gehanteerd werd onder de vroegere wetgeving m.b.t. de repliektermijn en die daar steevast strikt geïnterpreteerd werd in die zin dat van de rechter verwacht werd dat hij een termijn en geen uiterste datum voor neerlegging vastlegde. Voor wat de schriftelijke repliek betreft na een schriftelijk advies dat na pleidooien ter griffie wordt neergelegd, spreekt de nieuwe wet plots van «een door de rechter bepaalde datum tot wanneer de partijen hun conclusies ter griffie mogen neerleggen».

2o Inhoud van de repliek (art. 767, § 2 Ger.W.)

De replieken van de partijen op het advies van het openbaar ministerie moeten uitsluitend in aanmerking worden genomen in zoverre ze een antwoord vormen op dit advies. Dit is een regel die ook in de vroegere versie van de bepalingen m.b.t. deze repliek gehuldigd werd. 44

De beperking van de inhoud van de repliek is logisch, omdat het advies van het openbaar ministerie, althans wanneer het advies mondeling of schriftelijk na pleidooien wordt gegeven, wordt verleend na het sluiten van het debat. Er kan dan ook geen sprake zijn van een voortzetting van het debat in die stand van de beslechting van het geschil.

De rechtsleer en rechtspraak hebben m.b.t. deze regel bevestigd dat een repliek als zodanig nooit aanleiding kan of mag geven tot de heropening van het debat over de zaak zelf of over een onderdeel daarvan. Een uitbreiding van vordering, een hervatting van geding, een nieuwe tegeneis of andere tusseneis en een nieuw aanbod van getuigenbewijs zijn in het kader van de repliek uitgesloten. 45

E. De sanctie op de niet-mededeling en/of het gebrek aan advies

Daar art. 764, eerste lid Ger.W. ongewijzigd behouden blijft na de Potpourri I-wet, is de verplichte mededeling van de in diezelfde bepaling aangeduide vorderingen en geschillen nog altijd voorgeschreven op straffe van nietigheid. Eenzelfde sanctie – op straffe van nietigheid – wordt trouwens bepaald in het nieuwe art. 765/1 Ger.W. voor de niet-mededeling van zaken betreffende minderjarigen. Voorts is er nog altijd art. 780, eerste lid, 4o Ger.W. volgens welk het vonnis op straffe van nietigheid de vermelding bevat van het advies van het openbaar ministerie. Ten slotte is er ook nog art. 1138, 5o Ger.W. dat bepaalt dat tegen beslissingen geen herroeping van het gewijsde maar enkel voorziening in cassatie openstaat indien de mededeling aan het openbaar ministerie niet is gebeurd in de gevallen waarin de wet dit voorschrijft. Dit maakt dat de wettelijke bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk de nietigheid voorschrijven van de beslissingen (vonnissen, arresten, ...) die gewezen worden met miskenning van de voorschriften betreffende de wettelijk mededeelbare zaken.

Alle temperingen van de nietigheidsleer (artt. 860-864 Ger.W.) zijn niet van toepassing, omdat deze enkel van toepassing zijn op vormen en proceshandelingen en niet op vonnissen en arresten. 46 Deze rechtspraak is in overeenstemming met de traditionele regel, in herinnering gebracht door art. 20 Ger.W.: «Middelen van nietigheid kunnen niet worden aangewend tegen vonnissen.» Bijgevolg moet worden aangenomen dat de nietigheid bedoeld in art. 764 Ger.W., niet gedekt kan worden, dat zij ambtshalve opgeworpen moet worden door de rechter bij wie een rechtsmiddel aangewend is en dat zij voor de eerste keer voor het Hof van Cassatie kan worden opgeworpen.

Maar hoe zit dat nu na de Potpourri I-wet met deze door de wet voorgeschreven nietigheid? Zoals hierboven gezegd, is één van de belangrijke verschilpunten met de ter zake geldende vroegere wetgeving dat de verplichte mededeling niet automatisch leidt tot het verlenen van een advies. Terwijl voorheen mededeling en advies in één adem werden genoemd, is er met de Potpourri I-wet plots sprake van enerzijds de op straffe van nietigheid voorgeschreven mededeling en anderzijds de facultatieve adviesverlening. Enkel de mededeling is voorgeschreven op straffe van nietigheid. Voor de adviesverlening bepaalt de wet dit niet (meer) uitdrukkelijk. Dit is zelfs niet het geval in de uitzondering bepaald in art. 764, vierde lid Ger.W. Er moet dus vastgesteld worden dat na de splitsing van de mededeling aan het openbaar ministerie en de daarop volgende adviesverlening, de wettelijke bepalingen nalaten uitdrukkelijk in een sanctie te voorzien wanneer het openbaar ministerie het verzoek van de rechter of de richtlijnen van de COL 13/2015 naast zich neerlegt om een advies te verlenen in een welbepaalde zaak. De verplichting om een advies te verlenen zal dan enkel gehandhaafd worden door het tuchtrecht. 47

Uitsluitend de wettelijke mededeling bepaald in art. 764, eerste lid Ger.W. blijft dus op straffe van nietigheid voorgeschreven. Dit betekent dat bij gebreke van mededeling van een zaak met toepassing van deze bepaling het vonnis of arrest getroffen wordt door de nietigheid. Het wordt bijgevolg van belang aan te tonen dat de zaak werd medegedeeld aan het openbaar ministerie.

De oplossing kan misschien gevonden worden door art. 780 Ger.W. – de verplichte vermelding van het advies van het openbaar ministerie in het vonnis of arrest – zo toe te passen dat ook wanneer de magistraat van het openbaar ministerie heeft meegedeeld dat hij het verlenen van een advies niet dienstig acht, de uitspraak de naam vermeldt van de magistraat van het openbaar ministerie door wie deze beslissing is genomen of minstens dat het openbaar ministerie het verlenen van een advies in de kwestieuze zaak niet dienstig heeft geacht.

Een andere mogelijkheid om in het dossier van de rechtspleging een bevestiging terug te vinden dat de zaak werd medegedeeld aan het openbaar ministerie, kan zijn dat de beslissing van het openbaar ministerie om geen advies te verlenen wordt genoteerd op het zittingsblad en/of dat dit schriftelijk bericht van het openbaar ministerie wordt opgenomen in het dossier van de rechtspleging.

F. Inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen betreffende het advies van het openbaar ministerie

Art. 50 van de wet van 19 oktober 2015 bepaalt dat artt. 14 tot 17 (die de adviesverlening door het openbaar ministerie betreffen) van toepassing zijn op de zaken die aanhangig zijn gemaakt vanaf 1 januari 2016. Hier kan de vraag gesteld worden wat bedoeld wordt met het aanhangig maken van de zaak. Op het overleg tussen de magistraten van de arbeidsgerechten en die van het openbaar ministerie van het ressort Antwerpen werd aanvaard dat de datum waarop de inleidende akte werd neergelegd of ontvangen werd ter griffie, zijnde ook de datum waarop de zaak wordt ingeschreven en een algemeen rolnummer krijgt, beschouwd wordt als de datum waarop de zaak aanhangig werd gemaakt bij de rechtbank of het hof. Dit betekent dat alle zaken met een rolnummer beginnend met 2015 of vroeger verder afgehandeld worden conform de vroegere bepalingen en de zaken met een rolnummer 2016 en later conform de nieuwe bepalingen.

III. Slotbeschouwingen

Het stond in de sterren geschreven dat bij een nieuwe besparingsronde in de werking van de Federale Overheidsdienst Justitie en in de zoektocht naar meer efficiëntie met minder middelen de adviesverlening van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken nogmaals in het vizier zou komen.

Deze adviesopdracht van het openbaar ministerie en zijn optreden in burgerlijke zaken maken al enige tijd het voorwerp uit van een controverse in de doctrine, die daarbij in twee kampen wordt verdeeld: het ene kamp wil dit optreden van het openbaar ministerie uitbreiden, het andere wil het beperken of zelfs afschaffen. De voorstanders wijzen erop dat het advies, naast zijn nut in het kader van het algemeen belang, kan bijdragen tot het herstel van de wapengelijkheid tussen partijen wanneer een van de gedingvoerende partijen zich in een verzwakte positie bevindt om haar belangen op een afdoende wijze te verdedigen (minderjarigen, rechtzoekende tegenover het machtige overheidsapparaat, ...). Zij wijzen er ook op dat dit advies een belangrijke factor kan zijn bij het vinden van de waarheid, voor het oplossen van interpretatieproblemen van nieuwe complexe wetteksten, om te komen tot een eenvormige rechtspraak binnen eenzelfde rechtsgebied en op een meer algemene wijze kan bijdragen tot het vertrouwen in Justitie. De tegenstanders voeren vaak de volgende argumenten aan: de remmende en vertragende werking van het advies op de efficiënte afhandeling van de burgerlijke zaak, de nefaste invloed van de adviserende taak op de strafrechtelijke opdrachten van de parketten en auditoraten.

Bij de magistraten van het openbaar ministerie gespecialiseerd in het sociaal recht, het socialezekerheidsrecht en de sociale bijstand worden de vaak gehoorde argumenten die gestoeld zijn op efficiëntie en waarbij het nut van de burgerlijke tussenkomsten in vraag worden gesteld, als frustrerend, ja zelfs bedreigend beschouwd.

In de periode van de jaren zestig en zeventig zwaaiden, zo mag men wel stellen, waarden als emancipatie, democratisering, gelijkheid, solidariteit en welvaart de scepter in onze westerse maatschappij. Dit is toevallig ook de periode waarin het systeem van de arbeidsrechtbanken en -hoven, alsook de arbeidsauditoraten en auditoraten-generaal tot stand zijn gekomen. Sindsdien, vanaf de jaren tachtig, hebben waarden als individuele verantwoordelijkheid, onderlinge competitie, vrije markteconomie, de almacht van het kapitaal en de groeiende ieder-voor-zich-attitude de overhand genomen. In deze veranderende maatschappelijke context is het blijkbaar niet langer vanzelfsprekend om nog prioriteit te verlenen aan een gewaarborgde kwalitatieve rechtsbedeling rond sociale zekerheid, sociale bijstand, ... arbeid. 48

Er zijn in het recente verleden nochtans vurige pleitbezorgers geweest voor de arbeidsauditoraten. Zo trok onder meer procureur-generaal Jean du Jardin in zijn rede op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 2004 als volgt van leer tegen het voornemen om het optreden van het arbeidsauditoraat in burgerlijke sociale zaken in te perken. Ik citeer: «Zoals de Hoge Raad voor de Justitie erop wijst in zijn advies van 24 maart 2004, staat de vermindering van de mededeelbare zaken aan de arbeidsauditoraten «haaks op een streven naar een efficiënte en goede werking van de arbeidsgerechten». 49

«Daarbij komt nog de horizontale integratie van de auditoraten in de parketten van eerste aanleg (zie artt. 13 en 16 van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van o.a. art. 152 Ger.W.; m.b.t. die artikelen is die wet thans nog niet in werking getreden), met name onder het voorwendsel dat de arbeidsgerechten in vergelijking met de burgerlijke hoven en rechtbanken een te lage werklast zouden hebben. Hierdoor wordt om te beginnen de logica van een gespecialiseerd openbaar ministerie opzijgeschoven, wat een rampzalige maatregel zal blijken te zijn, aangezien vaststaat dat de rol van de auditoraten in sociale geschillen onvervangbaar is «pour la protection des acteurs les plus faibles dans la relation entre employeurs et travailleurs (...). Il faut être conscient du fait que les missions qui ont été accomplies dans le cadre des auditorats, perdront leur caractère prioritaire (...). Il ne s’agit pas d’une intégration mais d’une désintégration du ministère public» (114). Die taken zullen dus geleidelijk verdwijnen. Vergeleken met het opgelegde en overstelpende werkvolume van de parketten van eerste aanleg, worden ze voortaan als tweederangstaken beschouwd, terwijl ze de specificiteit van de arbeidsauditoraten waren.

«Een wellicht redelijke en zelfs primordiale doelstelling – de gerechtelijke achterstand bestrijden – kan geen goede reden zijn als zij ertoe leidt dat een instelling die beschouwd werd als «une des innovations les plus marquantes du Code judiciaire» op de achtergrond wordt geplaatst. Bovendien is het nut van het auditoraat in het onderzoek van de dossiers heel vlug tot uiting gekomen en heeft het auditoraat – hier precies ligt de paradox – ertoe bijgedragen dat de arbeidsgerechten geen achterstand hebben.

«Het is eveneens paradoxaal dat er, enerzijds, een tendens is om de bevoegdheid van dat auditoraat uit te breiden en dat men het, anderzijds, wil doen opgaan in het parket van eerste aanleg, onder het mom van de oprichting van een groot auditoraat, waar alle sociale en economische bevoegdheden zouden samenkomen en dat, gelinkt aan de administraties, de kamers voor handelsonderzoek, de griffies van koophandel, zou kunnen beschikken over uitgebreide informatie en dat bovendien over de traditionele onderzoeksmiddelen van het gerechtelijk onderzoek zou beschikken.

«Toch blijven wij ervan overtuigd dat een doeltreffend sociaal recht de specificiteit van een arbeidsgerecht vereist en dus ook die van een auditoraat bij dat gerecht. Het lijkt inderdaad heel nuttig dat er een echt economisch en sociaal auditoraat wordt opgericht, wat trouwens aan de wens van die rechtscolleges zou beantwoorden, maar zou indruisen tegen de wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie die het arbeidsauditoraat als autonoom parket afschafte, door het in het parket van de procureur des Konings te integreren.

«De integratie van alle geledingen van het openbaar ministerie in één geheel kon leiden tot het verdwijnen van een openbaar ministerie, dat als autonome instelling dé specialist is op sociaal vlak. Gelukkig heeft de minister van Justitie in haar algemene beleidsnota uiting gegeven van haar voornemen, en van dat van de regering, om de autonomie van de arbeidsauditoraten te bevestigen.» 50

Met betrekking tot de huidige wetswijziging werd in de ontwerpfase het advies ingewonnen van de Nationale Arbeidsraad. In zijn besluit antwoordde deze instantie met het volgende advies:

«In onderhavig advies spreekt de Raad zich uit over de door het aan hem voorgelegde wetsontwerp voorgestelde aanpassing van de tussenkomsten van de arbeidsauditeurs bij de arbeidsgerechten.

«Onder de sociaalrechtelijke zaken opgesomd in art. 746, eerste lid, 10o, die op dit ogenblik verplicht aan de arbeidsauditeur dienen meegedeeld te worden en waarover deze verplicht advies dient uit te brengen, is de Raad van oordeel dat de zaken betreffende de sociale zekerheid en de sociale bijstand een bijzondere positie innemen.

«Voor deze zaken speelt meer nog dan voor de andere de absolute noodzaak van de tussenkomst van de arbeidsauditeur, aangezien zij een burger plaatsen tegenover een instelling, waardoor de wapenongelijkheid voor de rechter evident is en de arbeidsauditeur de essentiële schakel is om zicht te krijgen op het administratief dossier en in dialoog met de betrokkene en de instelling, vóór en tijdens de zitting, de juridische analyse van het geschil te maken.

«Voor deze zaken is er volgens de Raad een «onweerlegbaar vermoeden van belang» en zijn er geen overbodige of nutteloze tussenkomsten van de arbeidsauditeur die niet langer verantwoord zijn, waardoor het nodig is de beoordeling van het dienstig zijn van een advies van de arbeidsauditeur geval per geval aan de arbeidsauditeur of de rechter over te laten. Een uniforme adviespraktijk voor de verschillende arbeidsgerechten is primordiaal voor het vertrouwen van de burger in de sociale zekerheid/sociale bijstand en dient niet overgelaten te worden aan eventuele richtlijnen van het college van procureurs-generaal.

«Het lijkt de Raad dat de hierboven aangeduide noodzakelijke meerwaarde van de adviezen in deze zaken zeker in verhouding staat tot, enerzijds, de werklast die de adviezen teweegbrengen en de aanwezigheid op de terechtzittingen die ervoor nodig is en, anderzijds, tot de «vertragingen» (d.i. de zitting waarbij het openbaar ministerie zijn eventueel schriftelijk advies meedeelt en de repliekpleidooien gegeven worden) die ze teweegbrengen bij de procedurele behandeling van de zaken.

«Hij pleit dus op basis van de specifieke eigenheid en het belang van de tussenkomst van het arbeidsauditoraat(-generaal) voor de arbeidsgerechten in zaken die de sociale zekerheid en de sociale bijstand betreffen voor het behoud zonder meer van de verplichte adviesverlening in deze dossiers.» 51

Hieruit blijkt nog maar eens hoe gevoelig deze problematiek bij de betrokken instanties en actoren ligt. Intussen kennen wij het gehoor dat de wetgever uiteindelijk aan dit advies heeft verleend.

De adviesverlening van het openbaar ministerie in sociale zaken werd door de Potpourri I-wet toch wel ingrijpend veranderd, met als rechtvaardiging het optreden van het openbaar ministerie in burgerrechtelijke materies te optimaliseren en overbodige tussenkomst zoveel mogelijk te vermijden. Verschillende commentatoren hebben de bedoeling van de wetgever met deze ingreep gunstig onthaald. 52

Wij kunnen slechts vaststellen dat de nieuwe bepalingen geen vereenvoudiging betekenen van de procedure inzake de adviesverlening in sociale zaken. In de rechtsleer heeft men het nu al over elf verschillende mogelijkheden betreffende het verloop van het advies van het openbaar ministerie en de repliek van partijen hierop. 53

Daarenboven mag men dan ook niet vergeten dat de nieuwe wettelijke bepalingen in talrijke mededelingen/kennisgevingen voorzien in het kader van deze adviesverlening, wat de administratieve werklast, zeker zolang er nog altijd geen mogelijkheid van elektronische communicatie tussen alle actoren van Justitie bestaat, niet zal verminderen, integendeel.

Maar in deze moeilijke en complexe tijden, gekenmerkt door besparingen allerhande, blijft het de plicht en de taak van elke magistraat om met een positieve instelling erop toe te zien dat het principe van een rechtvaardige, kwalitatief hoogstaande en efficiënte rechtsbedeling hoog in het vaandel van Justitie gedragen wordt. Dit laatste kan mijn inziens slechts gerealiseerd worden door een nauwe samenwerking, goede verstandhouding en een grote solidariteit tussen de colleges van de zetel en van het openbaar ministerie, alsook de verschillende korpsen onderling.

In het ressort van het Arbeidshof te Antwerpen werd zowel in het verre als in het recente verleden al getoond dat dit mogelijk is. Ik denk daarbij in het bijzonder aan het overleg dat tussen de magistraten van de arbeidsgerechten en van het openbaar ministerie op initiatief van de eerste voorzitter van dit arbeidshof plaatsvond over de toepassing van de nieuwe wettelijke bepalingen betreffende mededeling/adviesverlening in sociale zaken en waarbij een akkoord werd bereikt over verschillende praktische oplossingen voor tal van administratieve en andere problemen van communicatie tussen de wederzijdse diensten. Zo werd daar onder meer – ik geef dit enkel bij wijze van voorbeeld – besloten dat het verzoek van de rechtbank aan het openbaar ministerie om in toepassing van art. 764, vierde lid Ger.W. een advies te verlenen in de zaken bedoeld in art. 764, eerste lid, 1o Ger.W., zou worden opgevangen door een eenmalig verzoek van de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Antwerpen en van de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Aldus werd voorkomen dat in elk van deze dossiers door de rechtbank of het arbeidshof een individueel schriftelijk verzoek zou moeten worden gedaan. Dit laatste zou immers maar een surplus aan briefwisseling tot gevolg hebben tussen de griffie en het secretariaat van het openbaar ministerie, wat zeker niet de bedoeling van de nieuwe wetgeving zal geweest zijn.

Het is door een dergelijk overleg, samenwerking en solidariteit te stimuleren dat met een positieve ingesteldheid Justitie de toekomst in deze moeilijke en soms bizarre maatschappelijke tijden het hoofd zal kunnen bieden.

De laatste tijd zijn er niet zoveel momenten geweest waarop men als Europese burger of als inwoner van België fier of tevreden kan zijn. Er mag daarentegen wel met enige fierheid teruggekeken worden op het werk dat de magistraten van de zetel bij de arbeidsrechtbanken en de arbeidshoven, in samenwerking met de magistraten van de arbeidsauditoraten en de auditoraten-generaal al hebben tot stand gebracht. Ik ben ervan overtuigd, mevrouw de eerste voorzitter, dat dit ook in de toekomst verder mogelijk zal zijn en dat er ook in de toekomst zorg zal worden gedragen in een voor onze magistraten optimaal werkklimaat voor een efficiënte en rechtvaardige rechtsbedeling in sociale zaken.

Het is met deze optimistische noot dat ik mijn betoog wens af te sluiten.

1 Ch. Van Reepinghen, «Verslag over de gerechtelijke hervorming», Parl.St. Kamer 1963-64, nr. 60.

2 J. Du Jardin, «De niet-strafrechtelijke taken van het openbaar ministerie», RW 2004-05, 761-787.

3 Cass. 11 januari 1982, Arr.Cass. 198-82, 603; Cass. 1 oktober 1975, Arr.Cass. 1976, 141.

4 E. J. Krings, «Le rôle du ministère public dans le procès civil» in Rapports belges au IXe Congrès de l’Académie internationale de droit comparé, Brussel, Bruylant, 1974, 146.

5 C. Van Reepinghem, Verslag over de gerechtelijke hervorming, II, Brussel, Belgisch Staatsblad, 1964, 319.

6 J. Du Jardin, o.c., RW 2004-05, 761-787.

7 Cass. 17 september 1990, TSR 1990, 434, Arr.Cass. 1990-91, 51, JTT 1990, 490, Pas. 1990, I, 49: «Overwegende dat uit art. 138, derde lid Ger.W. volgt dat alleen het openbaar ministerie bevoegd is om te oordelen of het de in dat artikel bedoelde bestuurlijke inlichtingen van de bevoegde minister of van de bevoegde openbare instellingen of diensten dient te vorderen en of het daartoe de medewerking van de ambtenaren, belast met het toezicht op de toepassing van de wettelijke en verordeningsbepalingen die bedoeld zijn in de artikelen 578 tot 583, moet verzoeken; dat het arrest, door het openbaar ministerie te gelasten een «onderzoek door de bevoegde sociale inspectiediensten» te vorderen, de onafhankelijkheid en de bevoegdheid van het openbaar ministerie miskent en voormelde wetsbepaling schendt.»

8 Cass. 28 november 1980, Arr.Cass. 1980-81, 351; Cass. 26 april 1990, Arr.Cass. 1989-90, 1104, RW 1990-91, 958, noot J. Laenens; Cass. 24 mei 1991, RW 1991-92, 366, conclusie procureur-generaal H. Lenaerts; Cass. 22 oktober 2009, Arr.Cass. 2009, 2422.

9 Art. 138bis, § 2, eerste lid Ger.W. maakt melding van de rechtsvordering die door de arbeidsauditeur ambtshalve kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank teneinde inbreuken op de wetten en verordeningen die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten en die betrekking hebben op het geheel of een deel van de werknemers van een onderneming, te laten vaststellen.

10 Zie supra en onder meer de rechtspraak van het Hof van Cassatie vermeld in voetnoot 8.

11 S. Rutten en B. Vanlerberghe, «De alleenzetelende rechter en de beperking van het optreden van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken» in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, Brugge, die Keure, 2016, p. 45-46, nrs. 38-39.

12 Zie ook: «Omzendbrief COL 13/2015 van het College van Procureurs-generaal bij de hoven van beroep – richtlijnen met betrekking tot het advies van het openbaar ministerie in burgerlijke materies krachtens de wet van 19 oktober 2015 tot wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen van Justitie», III, b).

13 Zie echter het sinds 23 mei 2016 nieuwe art. 88, § 2 Ger.W., waarin deze adviesverlening ook facultatief werd gemaakt (art. 27 van de wet van 4 mei 2016, in werking getreden op 23 mei 2016).

14 Zie het nieuwe art. 765/1 Ger.W., inzonderheid het derde lid daarvan.

15 S. Rutten en B. Vanlerberghe, o.c., in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, p. 48-50, nrs. 40-41.

16 Omzendbrief COL 13/2015 van het College van Procureurs-generaal bij de hoven van beroep – richtlijnen met betrekking tot het advies van het openbaar ministerie in burgerlijke materies krachtens de wet van 19 oktober 2015 tot wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen van Justitie.

17 Geschillen betreffende de psychosociale risico’s op het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk die hun oorzaak vinden in hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 (Welzijnswet).

18 Geschillen betreffende het statuut, de rechten en de verplichtingen van werknemers, leerlingen en hun rechtverkrijgenden die voortvloeien uit de wetgeving inzake sociale zekerheid, gezinsbijslag, werkloosheid, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, bestaanszekerheid, sluiting van ondernemingen en door de verordeningen waarbij sociale voordelen aan de werknemers en leerlingen worden toegekend.

19 Geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van de personen en hun rechtverkrijgenden die buiten een arbeids- of leerovereenkomst het voordeel genieten van de in art. 580, 1o Ger.W. genoemde wetten en verordeningen.

20 Geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van de personen en hun rechtverkrijgenden die een maatschappelijke verzekering hebben aangegaan krachtens de wetten opgesomd in art. 580, 6o Ger.W.

21 Geschillen betreffende het stelsel van maatschappelijke zekerheid waarvan de prestaties gewaarborgd zijn bij de wet van 16 juni 1960; de toepassing van de wet tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden, de wet tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag, de wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum (inmiddels «leefloon» genaamd), de wet tot instelling van het recht op maatschappelijke integratie, de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de ocmw’s (toekenning, herziening, weigering, maatschappelijke dienstverlening), de wet tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen; de toekenning van de rentebijslag aan de begunstigden met een vervoegd pensioen; de toekenning van een bijzonder brugpensioen; de toekenning van een brugpensioen aan bejaarde invaliden; de verplichting van de sociaal verzekerden om een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te storten; de bijzondere werkgeversbijdrage op het conventioneel brugpensioen; de rechten en plichten voortvloeiend uit de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid; de toelage aan de werkgevers voor het in dienst houden van werknemers die ingevolge ziekte of ongeval definitief ongeschikt zijn om het overeengekomen werk uit te voeren; de verplichtingen van de opdrachtgevers, aannemers, onderaannemers en diegenen die met hen worden gelijkgesteld, bedoeld bij de artt. 30bis en 30ter van de RSZ-wet; de premie ter compensatie van de socialezekerheidsbijdragen bedoeld in art. 144 van de wet van 30 december 1992; het beroep dat ingesteld wordt tegen de beslissingen van het bureau voor juridische bijstand.

22 Geschillen betreffende de rechten die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake sociaal statuut, familiale uitkeringen, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en uitkeringen inzake rust- en overlevingspensioenen ten voordele van de zelfstandigen.

23 Geschillen betreffende de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit Titel V van de wet van 4 augustus 1978 en haar uitvoeringsbesluiten die op zelfstandige beroepen betrekking hebben, alsook die welke voortvloeien uit het decreet van 8 mei 2002 van het Vlaams Parlement en zijn uitvoeringsbesluiten die op de zelfstandige beroepen betrekking hebben.

24 Geschillen op basis van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen mannen en vrouwen, die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van art. 6, § 1, 4oen 5o van voormelde wet en die betrekking hebben op zelfstandige beroepen.

25 Geschillen op basis van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen mannen en vrouwen, die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van art. 5, § 1, 4oen 5o van die wet en die betrekking hebben op zelfstandige beroepen.

26 Geschillen betreffende de rechten ten aanzien van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, alsook de betwistingen inzake medische onderzoeken uitgevoerd met het oog op de toekenning van sociale of fiscale voordelen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn afgeleid van een sociaal recht of van de sociale bijstand.

27 Geschillen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wet betreffende de sociale reclassering van de mindervaliden en de inschrijving en toekenning van bijstand tot sociale integratie.

28 Geschillen betreffende de instelling en de werking van de Europese ondernemingsraden.

29 De geschillen betreffende de instelling en de werking van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan alsook betreffende de procedures aangaande de rol van de werknemers in de Europese vennootschap, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij art. 3 van de wet van 17 september 2005 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap.

30 Geschillen betreffende de instelling en de werking van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan alsook betreffende de procedures aangaande de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij art. 3 van de wet van 9 mei 2008 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap.

31 Geschillen betreffende de instelling en de werking van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan alsook betreffende de procedures aangaande de medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij art. 3 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen.

32 Geschillen betreffende de administratieve sancties bepaald bij de wetten en verordeningen bedoeld in de artt. 578 tot 582 en de administratieve geldboeten bedoeld in het Sociaal Strafwetboek, de compensatoire vergoeding bedoeld in art. 132, vierde lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, de individuele bestuurshandelingen inzake het verlenen, het schorsen en het intrekken van de erkenning als havenarbeider, genomen met toepassing van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid en het opleggen van de administratieve geldboetes, waarin voorzien wordt door het hoofdstuk VII, afdeling 1 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.

33 Geschillen betreffende art. 2 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht.

34 Cass. 28 januari 2008, A.R. nr. S.07.0062.N/5, www.cass.be: «De vordering van de oorspronkelijke eiser tot nietigverklaring van de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om over te gaan tot ambtshalve schrapping van de voor de werkgever gedane aangiften maakt een vordering uit in de zin van art. 580, 2o Ger.W.».

35 Bij wijze van voorbeeld valt de procedure van de ontkentenis van proceshandelingen, waarvan de mededeling aan het openbaar ministerie is voorgeschreven in art. 849 Ger.W., volgens de omzendbrief onder de derde categorie van materies, zijnde die in het kader waarvan in principe geen advies meer door het openbaar ministerie gegeven zal worden.

36 Zie COL 13/2015, p. 2 en 3 (punt I).

37 Zie COL 13/2015, p. 4 en 5 (punt II).

38 De vorderingen valsheid in geschriften in burgerlijke zaken (art. 764, eerste lid, 5o Ger.W.), de vorderingen tot herroeping van gewijsde (art. 764, eerste lid, 6o Ger.W.) en de vorderingen tot wraking (art. 764, eerste lid, 7o Ger.W.).

39 S. Rutten en B. Vanlerberghe, o.c., in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, p. 60, nr. 52.

40 De mogelijkheid van het schriftelijk advies «op dossier» bestond al, aangezien de vrederechter de mogelijkheid had om op grond van art. 765 Ger.W. (ingevoerd door de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank) een advies «op dossier» te vragen aan het openbaar ministerie, met de verantwoording dat het daar ging om zaken met een hoofdzakelijk technisch karakter.

41 Zie ook het advies van de Raad van State nr. 57.529/2-3 bij het wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/001, p. 156.

42 S. Rutten en B. Vanlerberghe, o.c., in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, p. 60-61, nr. 53.

43 EHRM, arrest Vermeulen t/ België van 20 februari 1996, JTT 1996, 579, noot, A.J.T. 1995-96, 90, noot P. Taelman, P&B 1996, 57, noot.

44 Zie het «oude» art. 767, § 3, laatste lid Ger.W.; Cass. 20 september 2004, Soc. Kron. 2004, 570.

45 D. Scheers, «Repliek op het advies van het openbaar ministerie: in de beperking kent men de meester», TBBR 2006, 66-67; Cass. 20 september 2004, Arr.Cass. 2004, 1417, RW 2007-08, 499, TBBR 2006, 65.

46 Cass. 6 februari 1984, Arr.Cass. 1983-84, 682, RW 1984-85, 1921; Cass. 9 april 1989, Arr.Cass. 1989-90, 337, RW 1990-91, 197; Cass. 26 april 1990, Arr.Cass. 1989-90, 1104, RW 1990-91, 958, noot J. Laenens; Cass. 19 april 1999, Arr.Cass. 1999, nr. 221, Pas. 1999, I, 541; Cass. 22 oktober 2009, Arr.Cass. 2009, 2422, Pas. 2009, 2346.

47 S. Rutten en B. Vanlerberghe, o.c., in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, p. 49, nr. 40.

48 Zie ook: N. Vallet, «De hervormingen van justitie en de toekomst van het arbeidsauditoraat. De kwetsbaarheid van een organisatiekundig ecosysteem», Soc. Kron. 2014, (76) 81.

49 In een voetnoot wordt daar nog het volgende aan toegevoegd: «De advies- en onderzoekscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie wijst erop (p. 20) dat «de arbeidsauditoraten in het verleden bewezen dat zij een substantiële meerwaarde kunnen bieden bij de bescherming van de rechten van de sociaal verzekerden. (...). Door de mogelijkheid sociale informatie in te winnen, dragen zij bij tot een evenwichtige beoordeling van de geschillen onderworpen aan de arbeidsgerechten. Het is moeilijk te begrijpen dat de arbeidsauditoraten niet meer verplicht moeten tussenkomen in geschillen die betrekking hebben op socialezekerheidsprestaties, terwijl zij anderzijds wel moeten tussenkomen in geschillen die betrekking hebben op rechten van de bijstandgenieters.» Over de vraag van de mededeelbaarheid komt de advies- en onderzoekscommissie tot de slotsom dat het «ten zeerste wenselijk is dat de arbeidsauditoraten verder, op straffe van nietigheid, tussenkomen in socialezekerheidsgeschillen».

50 J. Du Jardin, o.c., RW 2004-05, 761-787.

51 Advies nr. 1955 van de Nationale Arbeidsraad, zitting 14 juli 2015, «De rol van het arbeidsauditoraat – Ontwerp van wet houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie», www.cnt-nar.be.

52 B. Allemeersch en S. Voet, «De wet «Potpourri I» – Wijzigingen van het burgerlijk procesrecht», RW 2015-16, (1523) 1538.

53 S. Rutten en B. Vanlerberghe, o.c., in B. Allemeersch en P. Taelman (eds.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, p. 67, nr. 64.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 13/05/2017 - 10:45
Laatst aangepast op: za, 13/05/2017 - 10:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.