-A +A

De automatische vergoedingsregeling van art. 19bis-11, § 2 WAM-Wet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Amankwah Jeffrey
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
83
Samenvatting

De invoering van het kettingbotsingartikel 19bis-11, § 2 WAM-Wet heeft geleid tot een aantal belangrijke vraagstukken. Zowel in de rechtsleer als in de rechtspraak heerst er onzekerheid over de juiste draagwijdte en de concrete toepassing van deze bepaling. Deze bijdrage tracht de draagwijdte van art. 19bis-11, § 2 WAM-Wet te achterhalen, onder meer aan de hand van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie.

19bis-11,WAM-Wet

"Art. 19bis-11. <Ingevoegd bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> § 1. Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt :
1°) wanneer de verzekeringsonderneming failliet verklaard is;
2°) wanneer de vergoedingen verschuldigd zijn door een verzekeringsonderneming, die na afstand of intrekking van de toelating in België of na het, met toepassing van artikel 71, §§ 1, derde lid, en 2, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, opgelegde verbod van activiteit, haar verplichtingen niet nakomt;
3°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat;
4°) wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting;
5°) indien binnen drie maanden na de datum waarop hij zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend bij de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of bij haar schaderegelaar, die verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar hem geen met redenen omkleed antwoord op de diverse punten in het verzoek heeft verstrekt;
6°) indien de verzekeringsonderneming heeft nagelaten om een schaderegelaar aan te wijzen;
7°) indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd; in dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon;
8°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is hetzij omdat de verzekeringsplicht niet nageleefd werd, hetzij de verzekeringsonderneming binnen twee maanden na het ongeval niet kan geïdentificeerd worden.
§ 2. In afwijking van 7°) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt."

Inhoudstafel tekst: 

I. Ontstaan

II. Kwalificatie als automatische vergoedingsregeling

III. Verschillende betrokken voertuigen

Art. 19bis-11, § 2 WAM-Wet vereist dat er verscheidene voertuigen betrokken zijn bij het ongeval

A. «Verscheidene»

B. «Betrokken»

C. «Voertuigen»

IV. Onmogelijkheid vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt

V. Hoedanigheid van de benadeelde persoon

VI. Vergoedbare schade

VII. Verdeling van de schadevergoeding

VIII. Besluit

Bronverwijzingen:

• S. Heirbrant en S. Vereecken, «Artikel 19bis-11, § 2 WAM en de beperkingen bij schadevergoeding in de aansprakelijkheidsverzekering», RABG 2016, 403-407;

• I. Pechard , «L’article 19bis-11, paragraphe 2, de la loi du 21 novembre 1989. La Cour de cassation et la Cour constitutionnelle ont tranché. Premières réflexions», JLMB 2015, 588-593;

• G. Jocqué, «Schadevergoeding bij onmogelijkheid om vast te stellen welk voertuig het ongeval veroorzaakt heeft», NJW 2015, 102-103;

• B. Cuelemans en A. Vanhaelen, «La fin d’une controverse autour de l’article 19bis-11, § 2, de la loi du 21 novembre 1989, ou le début d’une augmentation des primes d’assurance R.C. auto?», For.ass. 2015, afl. 152, 61-65;

• A. Rondao Alface, «L’article 19bis-11, § 2, ou la réparation des dommages consécutifs à un accident impliquant plusieurs véhicules dont la responsabilité ne peut être établie» in L’assurance R.C. auto. Les 25 ans de la loi du 21 novembre 1989, Limal, Anthemis, 2014, 25-44;

• S. Vereecken, «Ruim tien jaar artikel 19bis-11, § 2 WAM: een onontwarbaar kluwen van juridische knelpunten?» in Verkeersrecht, Brussel, Larcier, 2014, 77-107;

• S. Vereecken en S. Guiliams, «Recente topics uit cassatierechtspraak i.v.m. aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht» in Recht in (R)evolutie, Brussel, Larcier, 2012, 69-83;

• S. Vereecken, Verscheidene voertuigen en ongekende aansprakelijkheid. Over de (ruime) toepassing van art. 19bis-11, § 2 WAM, Gent, Knops Publishing, 2011, 70 p.;

• S. Vereecken, «Verschillende interpretaties omtrent het noodzakelijk aantal voertuigen betrokken bij een verkeersongeval bedoeld onder art. 19bis-11, § 2 WAM», VAV 2011, 172-178;

• S. Vereecken, «Kettingbotsing tussen het GWF en WAM-verzekeraars in art. 19bis-11 WAM» in I. Boone, I. Claeys en L. Lavrysen, Liber Amicorum Hubert Bocken, Brugge, die Keure, 2009, 247-272;

• C. Van Schoubroeck, «Vergoeding van schade ongeacht aansprakelijkheid» in Aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekeringen en andere schadevergoedingssystemen, Mechelen, Kluwer, 2007;

• G. Jocqué, «Het mysterie van artikel 19bis-11, § 2 W.A.M. 1989», TPR 2004, 353-368.

• Arbitragehof 20 september 2000, AA 2000, 1233, BS 7 december 2000, 41113, T.Verz. 2001, 68, noot H. De Rode, Juristenkrant 2000, afl. 15, 3 (weergave E. Brewaeys), RGAR 2001, nr. 13.332, RW 2002-03, 1435, TAVW 2001, 289, noot J. Muyldermans, TBH 2001, 168, noot J. Fagnart, TBP 2001, 491 (verkort), Verkeersrecht 2001, 11.

• Cass. 26 april 2004, Arr.Cass. 2004, 728, Pas. 2004, 715, conclusie advocaat-generaal J. Leclercq, RGAR 2004, 13918, RGAR 2005, nr. 13.993, RW 2007-08, 736, T.Verz. 2005, 296, VAV 2004, 437;

• Cass. 1 maart 2004, Arr.Cass. 2004, 347, Pas. 2004, 344, RW 2007-08, 103, noot, RW 2007-08, 905, T.Verz. 2004, 486, noot J. Muyldermans en A. Piré, VAV 2004, 222, noot J. Muyldermans.

• GwH 25 juni 2015,

• GwH 4 december 2014

• GwH 3 februari 2011,

• GwH 3 februari 2011, Arr.GwH 2011, 415, JLMB 2011, 2044, Rec.jur.ass. 2011, 327, noot A. Randao Alface, RGAR 2011, nr. 14.751, RW 2010-11, 1278, RW 2012-13, 850, T.Verz. 2011, 158, noot J. Legrand, VAV 2011, 165, noot S. Vereecken.

• GwH 4 december 2014, BS 20 januari 2015, 2674, For.ass. 2015, 59, noot B. Cuelemans en A. Vanhaelen, JT 2015, 425, JLMB 2015, 584, noot I. Pechard, NJW 2015, 100, noot G. Jocqué, T.Pol. 2015, 18, T.Verz. 2015, 48, VAV 2015, 11, noot O. Dierckx De Casterle.

• S. Vereecken, Verscheidene voertuigen en ongekende aansprakelijkheid. Over de

• Rb. Antwerpen 24 februari 2014, T.Pol. 2014, 187;

• Rb. Brugge 28 februari 2013, TGR-TWVR 2014, 52;

• Pol. Charleroi 14 januari 2013, VAV 2013, 10;

• Pol. Charleroi 12 oktober 2012, JLMB 2013, 1813, T.Verz. 2013, 313;

• Pol. Charleroi 11 februari 2011, JLMB 2012, 701;

• Rb. Turnhout 4 december 2009, RW 2011-12, 1604).

• Cass. 3 oktober 2008, NJW 2009, 126, noot I. Boone, Pas. 2008, 2131, RGAR 2009, nr. 14.571, noot M. Marechal, RW 2010-11, 1086, VAV 2009, 152.

• C. Van Schoubroeck en T. Meurs, Vergoedingsregeling zwakke weggebruiker, Mechelen, Kluwer, 2013, 29-37;

• D. Wuyts, «Wanneer is een motorrijtuig «betrokken» bij een verkeerongeval in de zin van art. 29bis W.A.M.-wet?» (noot onder Pol. Gent 29 januari 2007), RW 2007-08, 1423-1426;

• K. Devolder, «Over de «betrokkenheid» in de zin van artikel 29bis WAM-Wet» in Verzekeringen. Artikelsgewijze commentaar, Kluwer, 2006, RABG 2006, 1422-1424.

• Rb. Brugge 28 februari 2013, TGR-TWVR 2014, 52: de versies van beide bij het verkeersongeval betrokken partijen zijn volkomen tegenstrijdig;

•. Pol. Charleroi 12 oktober 2012, JLMB 2013, 1813, T.Verz. 2013, 313;

• Pol. Charleroi 15 maart 2007, VAV 2008, 122;

• Pol. Luik 29 januari 2014, VAV 2015, 7). 26 Pol. Charleroi 14 januari 2013, VAV 2013, 10.

• A. Lenaerts, «Over de algemene rechtsbeginselen Fraus omnia corrumpit en het verbod op rechtsmisbruik: een zoektocht naar hun onderlinge afbakening in het privaatrecht», TBBR 2015, 1-22;

• A. Lenaerts, «De contouren van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit in kaart gebracht en geïllustreerd aan de hand van het wilsgebrek bedrog» in A. De Boeck, I. Samoy, S. Stijns en R. Van Ransbeeck (eds.), Fraus omnia corrumpit: mogelijkheden en moeilijkheden in het privaatrecht, Brugge, die Keure, 2014, 17-49;

• A. Lenaerts, «Le principe général du droit fraus omnia corrumpit: une analyse de sa portée et de sa fonction en droit privé belge», TBBR 2014, 98-115;

• A. Lenaerts, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht. Autonome rechtsfiguur of miskend correctiemechanisme?, Brugge, die Keure, 2013, 516 p.;

• P. Van Ommeslaghe, «Un principe général du droit: fraus omnia corrumpit» in P. Martens (ed.), Liber amicorum Paul Martens: l’humanisme dans la résolution des conflits. Utopie ou réalité?, Brussel, Larcier, 2007, 591-612.

• Rb. Brussel 28 mei 2013, VAV 2014, 8, noot D. Clesse.

• Rb. Antwerpen 13 oktober 2014, VAV 2015, 15. Voor andere beslissingen in die zin, zie o.m.: Rb. Henegouwen (afdeling Charleroi) 17 september 2014, VAV 2014, 4.

• Pol. Charleroi 11 februari 2011, JLMB 2012, 701.

• Pol. Brugge 19 december 2007, RABG 2009, 692, noot S. Vereecken, RW 2009-10, 848, VAV 2009, 257.

• Cass. 30 januari 2014, RABG 2014, 714, T.Verz. 2015, 196.

• GwH 3 februari 2011, overweging B.11.2.

• GwH 25 juni 2015, overweging B.7, BS 6 augustus 2015, 49.520, T.Verz. 2015, 312, VAV 2015, 37;

• GwH 4 december 2014, overweging B.7.

• Pol. Brussel 15 oktober 2013, VAV 2014, 10, noot D. Clesse;

• Pol. Charleroi 26 september 2013, T.Verz. 2014, 298;

• Rb. Charleroi 24 januari 2013, VAV 2013, 38;

• Pol. Charleroi 14 januari 2013, VAV 2013, 10;

• Pol. Charleroi 12 oktober 2012, JLMB 2013, 1813, noot N.S., T.Verz. 2013, 313;

• Pol. Charleroi 21 oktober 2011, VAV 2013, 35.

• Cass. 6 november 2014, JT 2015, 429, T.Verz. 2015, 51.

• GwH 4 december 2014,

• GwH 25 juni 2015, BS 6 augustus 2015, 49.520, T.Verz. 2015, 312, VAV 2015, 37.

• Cass. 30 januari 2014, RABG 2014, 714, T.Verz. 2015, 196.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 05/10/2016 - 17:16
Laatst aangepast op: do, 06/10/2016 - 16:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.