-A +A

Claritas custodies ipsos custodes – Helderheid bewaakt de bewakers bij overheidsaansprakelijkheid voor het optreden van de hoogste nationale rechtscolleges

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Jenart C
Auteur: 
Leloup M
Auteur: 
Van Orshoven J
Auteur: 
Peeters N
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
372
Samenvatting

In het arrest nr. 29/2017 stelt het Grondwettelijk Hof geen schending vast van het recht op een onpartijdige rechter wanneer het Hof van Cassatie zich mee uitspreekt over een vordering tot aansprakelijkheid van de Staat die wordt ingesteld tegen een vermeende fout in een voorgaand arrest van het Hof van Cassatie. Dit artikel plaatst deze uitspraak in haar ruimere context en evalueert de argumentatie van het Grondwettelijk Hof. Ten slotte formuleren de auteurs enkele suggesties voor de wetgever en/of het Hof van Cassatie om aan de hand van meer transparantie enige schijn van partijdigheid zoveel mogelijk te vermijden in de toekomst.

Inhoudstafel tekst: 

I. Achtergrond en dictum arrest 29/2017 Grondwettelijk Hof

II. Nationaal versus Europees recht: prejudiciële vragen als waarborg voor onpartijdigheid

III. Nationaalrechtelijke waarborgen op een onpartijdige rechter

IV. Verantwoordelijkheid van de grondwettelijke rechtspraak en verantwoordelijkheid van de wetgever

V. Conclusie

Bronvermeldingen

• A. Van Oevelen, De overheidsaansprakelijkheid voor het optreden van de rechterlijke macht, Antwerpen, Maklu, 1987, 945 p.

• P. Peeters en J. Vanhoenacker, «Grondwettelijk Hof en Overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de rechterlijke macht» in W. Pas (ed.), Liber Discipulorum André Alen, Brugge, die Keure, 2015, 359-371;

• F. Glansdorff, «La responsabilité de l’Etat du fait des magistrats progresse ... Et ralentit», APT 2014, 644-650;

• A. Van Oevelen, «Dwingt het Grondwettelijk Hof het Hof van Cassatie tot een verfijning van zijn Anca-rechtspraak?», RW 2014-15, 1581;

• J. Van Compernolle en G. De Leval, «La responsabilité extracontractuelle de l’Etat du fait des magistrats» in D. Renders (ed.), La responsabilité des pouvoirs publics – XIIes journées d’études juridiques Jean Dabin, Brussel, Bruylant, 2016, 197-203;

• A. Carton en S. Lierman, «De toekomst van de ANCA-rechtspraak na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 juni 2014», RW 2015-16, 763-782.

• Cass. 19 december 1991, Arr.Cass. 1991-92, 364, RW 1992-93, 396, noot A. Van Oevelen;

• T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 220 en 227 en verwijzingen aldaar.

• J. Van Compernolle en G. De Leval, o.c., in D. Renders (ed.), La responsabilité des pouvoirs publics – XIIes journées d’études juridiques Jean Dabin, 202.

• HvJ 30 september 2003, C-224/01, Köbler. Deze rechtspraak werd verfijnd in HvJ 13 juni 2006, C-173/03, Traghetti del Mediterraneo.

• S. Somers, «De toetsing van de verscheidenheid van bijzondere aansprakelijkheidsregimes aan het gelijkheidsbeginsel», TPR 2015, 55-56.

• P. Legrand, «The impossibility of legal transplants», Maastricht Journal of European & Comparative Law 1997, 111-124. Of «spontane harmonisatie»: A. Carton en S. Lierman, o.c., RW 2015-16, 779.

• F. Tulkens, «Consécration de la responsabilité de l’état en cas de violation suffisamment caractérisée par le Conseil d’état des règles de droit applicable», RGAR 2015, 15164;

• F. Bouhon en B. Lagasse, «La responsabilité de l’état pour le fait du juge. De l’arrêt Anca à l’arrêt de la Cour constitutionnelle du 30 juin 2014» in F. Glansdorff (ed.), Droit de la responsabilité, Brussel, Larcier, 2015, 259-260;

• F. Glansdorff, «La responsabilité de l’Etat du fait des magistrats progresse ... Et ralentit», APT 2014, 646.

• B. Dubuisson en J.-F. Van Drooghenbroeck, «L’anéantissement de la décision fautive, condition de recevabilité de l’action en réparation de l’erreur judiciaire» in D. Renders (ed.), La responsabilité des pouvoirs publics – XIIes journées d’études juridiques Jean Dabin, Brussel, Bruylant, 2016, 241-308.

• GwH 30 juni 2014, nr. 99/2014, overwegingen B.20-B.22.

• P. Nihoul, «L’indépendance et l’impartialité du juge», Ann. dr. 2011, 235-236. In de internationale doctrine werd eenzelfde bezorgdheid geuit na het arrest-Köbler.

• Z. Nicolo, «Member State Liability vs. National Procedural Autonomy: What Rules for Judicial Breach of EU Law?», German Law Journal 2010, vol. 11, nr. 4, 433;

• X. Groussot en T. Minssen, «Res judicata in the Court of Justice Case-law», European Constitutional Law Review 2007, 395;

• P. J. Wattel, «Köbler, CILFIT and Welthgrove: we can’t go on meeting like this», Common Market Review 2004, 180;

• M.H. Wissink, «Liability of a Member State for Damage Caused to Individuals by Infringements of Community law for Which It is Responsible», European Review of Private Law 2005, 425.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, 4.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging B.1.

• J. David Campbell, «Unenforceable impracticality: exploring Köbler’s constitutional, jurisprudential and practical miscues», Syracuse Journal of International Law and Commerce 2010-11, 14;

• Z. Nicolo, «Member State Liability vs. National Procedural Autonomy: What Rules for Judicial Breach of EU Law?», German Law Journal 2010, vol. 11, nr. 4, p. 433).

14 GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging B.10.2.

15 GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging B.10.1.

16 GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overwegingen B.11-B.13.

• E. Huyttens, Discussions du Congrès national de Belgique, I, Brussel, Adolphe Wahlen, 1844, 96.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overwegingen B.10.2 en B.10.3.

• Art. 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, BS 7 januari 1989.

• A. Dashwood, M. Dougan, B. Rodger, E. Spaventa en D. Wyatt, European Union Law, 2011, Oxford, Hart Publishing, 2011, 61;

• F. De Quadros, Droit de l’Union européenne, Brussel, Bruylant, 2008, 251.

• HvJ 9 maart 1978, C- 106/77, Simmenthal, overwegingen 24 en 26.

• A. Dashwood, M. Dougan, B. Rodger, E. Spaventa en D. Wyatt, European Union Law, Oxford, Hart Publishing, 2011, 209-232.

• A. Arnull, The European Union and its Court of Justice, Oxford, Oxford University Press, 2006, 95.

•J.P. Jacqué en J. H.H. Weiler, «On the road to European Union – A new judicial architecture: An agenda for the intergovernmental conference», Common Market Law Review 1990, 196;

• K. Lenaerts, «The rule of law and the coherence of the judicial system of the European Union», Common Market Law Review 2007, 1652.

27 HvJ 19 november 1991, C-6/90 en C-9/90, Frankovich.

• HvJ 5 maart 1996, C-46/93 en C-48/93, Brasserie du Pêcheur en Factortame III, overweging 51. Zie voor een grondigere bespreking: A. Van Den Bossche en J. Prinssen, «Het recht van de Europese Unie en de nationale rechter», TPR 2008, 197-206;

• T. Tridimas, The general principles of EU law, Oxford, Oxford University Press, 2006, 498-547.

• HvJ 30 september 2003, C-224/01, Köbler.

• HvJ 13 juni 2006, C-173/03, Traghetti del Mediterraneo.

• M. C. Chaes, «Member State Liability for Decisions of National Courts Adjudicating at Last Instance», Maastricht Journal of European & Comparative Law 2006, 109-126.

• HvJ 6 oktober 1982, C-283/81, Cilfit, 21.

• W. Van Gerven, «De normatieve en rechterlijke aansprakelijkheid naar Europees en Belgisch recht» in M. Storme (ed.), Recht halen uit aansprakelijkheid, Gent, Mys en Breesch, 1993, 399.

• HvJ 30 september 2003, C-224/01, Köbler, 89-126

• HvJ 30 september 2003, C-224/01, Köbler, overweging 120

• HvJ 25 november 2010, C-429/09, Günter Fuss, 51-58;

• HvJ 17 april 2007, C-470/03, AGM-COS.MET, 80-82;

• HvJ 28 juni 2001, C-118/00, Larsy, 33-49;

• HvJ 24 september 1998, C-319/96, Brinkmann Tabakfabriken GmbH, 26-28;

• HvJ 17 oktober 1996, C-283/94, Denkavit, 47-49. Zie ook: P. Aalto, Public liability in EU Law. Brasserie, Bergaderm and Beyond, Londen, Hart Publishing, 2011, 153-196;

• P. Aalto, «Twelve years of Francovich in the European Court of Justice: a survey of the case-law on the interpretation of the three conditions of liability» in S. De Sousa (ed.), Enforcing community law from Francovich to Köbler: twelve years of the state liability principle, Keulen, Bundesanzeiger, 2004, 59-77.

• B. Vesterdorf, «A Constitutional court for the EU», Int. J. Const. L. 2006, 607-617;

• L. Besselink, «The ECJ as the European «Supreme Court»;

• Setting Aside Citizens’ Rights for EU Law Supremacy», Verfassungsblog 18 augustus 2014). Dit sluit evenwel niet uit dat het Hof van Justitie aan een vorm van grondwets- (lees: verdrags-) toetsing doet (M. Rosenfeld, «Comparing constitutional review of the European Court of Justice and the US Supreme Court», Int. J. Const. L. 2006, 618).

• M. De Groot, «Samenloop van prejudiciële vragen: Naar een evenwichtige oplossing», Jura Falconis 2012-13, 226-231.

• GwH 21 december 2004, nr. 203/2004.

• K. Lenaerts, I. Maselis en K. Gutman, EU Procedural Law, Oxford, Oxford University Press, 2014, 496-497

• A. Lazowski, S. Blockmans, Research Handbook on EU Institutional Law, Edward Elgar, Cheltenham, 2016, 443-450).

• HvJ 15 maart 2017, C-3/16, Lucio Cesare Aquino.

• HvJ 15 maart 2017, C-3/16, Lucio Cesare Aquino, overweging 48.

• HvJ 17 maart 2016, C-161/15, Bensadi Benallal, overweging 24;

• HvJ 21 januari 2016, C-74/14, Eturas, overweging 32.

• HvJ 15 maart 2017, C-3/16, Lucio Cesare Aquino, overwegingen 51 en 55.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging B.10.1.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging B.12.2.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging B.12.3.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging A.5.3.

• EHRM (beslissing) 11 september 2002,

• HvJ 30 september 2003, C-224/01, overwegingen 55-56.

• Cass. 13 april 2010, P.10.0005.N, T. Strafr. 2010, 211.

• I. Boone, «De «bescheiden» bijdrage van het Hof van Cassatie aan het aansprakelijkheidsrecht» in A. Bossuyt, B. Deconinck, E. Dirix, A. Fettweis en E. Forrier (eds.), Liber Spei et Amicitiae Ivan Verougstraete, Gent, Larcier, 2011, 57.

• EHRM 29 juli 2004, San Leonard Band Club t/ Malta, §§ 61-66.

• EHRM 13 november 2007, Driza t/ Albanië, §§ 79-83;

• EHRM 1 februari 2005, Indra t/ Slovakije, §§ 51-55.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging B.12.4.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, 2 en overwegingen A.2.2-A.3.

• EHRM (GK) 23 april 2015, Morice t/ Frankrijk, 78;

• EHRM (GK) 15 oktober 2009, Micallef t/ Malta, 98;

• EHRM (GK) 22 oktober 2007, Lindon, Otchakovsky-Laurens en July t/ Frankrijk, § 77;

• EHRM (GK) 15 december 2005, Kyprianou t/ Cyprus, § 118;

• EHRM 26 oktober 1984, De Cubber t/ België, § 26.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging B.9.2.

• GwH 30 juni 2014, nr. 99/2014, overweging 21.

• I. Boone, «Aansprakelijkheid van de staat wegens de schending van het EVRM bij een rechtsprekende handeling» (noot onder Cass. 25 maart 2010), NJW 2011, 230;

• S. Guiliams, «Overheidsaansprakelijkheid wegens fouten van magistraten in de uitoefening van hun rechtsprekende functie verder verfijnd» (noot onder GwH 30 juni 2014), NJW 2014, 890).

• Cass. 25 maart 2010, Arr.Cass. 2010, 920.

• Z. Nicolo, o.c., German Law Journal 2010, vol. 11, nr. 4, 433;

• P. J. Wattel, o.c., Common Market Law Review 2004, 180;

• EHRM 21 juni 2011, Fruni t/ Slovakije, § 134;

• EHRM 5 oktober 2010, DMD Group, A.S. t/ Slovakije, § 60;

• EHRM 4 maart 2003, Posokhov t/ Polen, § 39;

• EHRM 22 juni 2000, Coeme e.a t/ België, § 98;

• J. Vande Lanotte, G. Goedertier, Y. Haeck, J. Goossens en T. De Pelsmaeker, Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2015, 713.

• W. De Pauw, «De objectieve onpartijdigheid en de extensieve bevoegdheden van de kamer van inbeschuldigingstelling: een subtiel evenwicht?» (noot onder Cass. 10 juni 2010), RABG 2011, 623.

• EHRM 12 januari 2016, Miracle Europe KFT t/ Hongarije, § 49;

• EHRM 17 december 2013, Jenita Mocanu t/ Roemenië, § 37;

• EHRM 3 november 2011, Sorgic t/ Servië, § 62;

• EHRM (beslissing) 4 mei 2000, Buscarani t/ San Marino.

• P. Popelier, «La loi aujourd’hui (le principe de légalité)» in I. Hanchez, Y Cartuyvels, H. Dumont, P. Gerard, F. Ost en M. Van De Kerchove (eds.), Les sources du droit revisitées, 2, Limal, Anthemis, 2012, § 19.

• EHRM 5 oktober 2010, DMD Group, A.S. t/ Slovakije, § 66. Zie m.b.t. transparantie ook: EHRM (GK) 7 juni 2001, Kress t/ Frankrijk, § 78. Met dank aan em. prof. dr. Henri Swennen voor het inspirerende gesprek over dit onderwerp.

• EHRM 5 oktober 2010, DMD Group, A.S. t/ Slovakije, § 58.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging B.12.4.

• EHRM 12 januari 2016, Miracle Europe KFT t/ Hongarije, § 63;

• EHRM 5 oktober 2010, DMD Group, A.S. t/ Slovakije, §§ 65-72.

• GwH 23 februari 2017, nr. 29/2017, overweging B.12.3.

• Cass. 13 maart 2012, P.11.1750.N, Arr.Cass. 2012, 651

Grondwettelijk Hof (Arbitragehof), België, 29/2017, 23/02/2017, RW 2017-2018, 372

Samenvatting

Tegen de beslissing van een burgerlijke rechter over de aansprakelijkheid van de Staat voor een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie kan een voorziening in cassatie worden ingesteld. Aldus bestaat de mogelijkheid dat het Hof van Cassatie zich moet uitspreken over een beslissing van de burgerlijke rechtscolleges betreffende de aansprakelijkheid van de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie zelf.

Het algemeen rechtsbeginsel van de subjectieve en objectieve onpartijdigheid dient hierbij geëerbiedigd.

Tekst arrest

Arrest nr. 29/2017

Onderwerp van de prejudiciële vragen

a) Bij arrest van 21 december 2015 (...) heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

«1. Schenden de artt. 568, 602, 608, 1050 en 1073 Ger.W. in hun samenhang de artt. 10 en 11 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de artt. 6 en 13 EVRM en met art. 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: «BUPO») in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan dat de beweerde fout beging zelf de uitlegging van het foutbegrip, toegepast op zijn beweerd eigen foutief handelen, decisief kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden?

«2. Schenden de artt. 568, 602, 608, 1050 en 1073 Ger.W. in hun samenhang, in het licht van het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, art. 13 Gw., in samenhang met de artt. 146 en 160 Gw., art. 6.1 EVRM en art. 14.1 van het BUPO-Verdrag en het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, doordat de beslissing van de bodemrechter aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens het rechtsprekend handelen of nalaten van het Hof van Cassatie ter beoordeling kan worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van die cassatierechter in het algemeen of op het punt van de uitlegging van de voorschriften die de aansprakelijkheidsvordering beheersen?»

b) Bij arrest van 23 december 2015 (...) heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

«1. Schenden de artt. 568, 602, 608, 1050 en 1073 Ger.W. in hun samenhang de artt. 10 en 11 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de artt. 6 en 13 EVRM en met art. 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BUPO) in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie, het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan dat de beweerde fout beging zelf de uitkomst van het geding kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden?

«2. Schenden de artt. 568, 602, 608, 1050 en 1073 Ger.W. in hun samenhang, in het licht van het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, art. 13 Gw., in samenhang met de artt. 146 en 160 Gw., art. 6.1 EVRM en art. 14.1 van het BUPO-Verdrag en het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, doordat de beslissing van de bodemrechter aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens het rechtsprekend handelen of nalaten van het Hof van Cassatie ter beoordeling moet worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van die cassatierechter in het algemeen of op punten van de uitlegging van de voorschriften die de aansprakelijkheidsvordering beheersen?»

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6323 en 6324 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

...

In rechte

...

B.1. In de geschillen ten gronde moeten de verwijzende rechters zich uitspreken over een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat op grond van art. 1382 BW wegens een beweerde fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie.

In de zaak nr. 6323 wordt het Hof van Cassatie een fout verweten wegens de weigering een memorie in aanmerking te nemen die in opdracht van de advocaat van een procespartij was ondertekend door een andere advocaat, maar waarbij die laatste haar hoedanigheid van advocaat niet had vermeld. In de zaak nr. 6324 wordt het Hof van Cassatie een fout verweten wegens miskenning van het Europees Unierecht omdat het zonder motivering zou hebben geweigerd een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, doordat de memorie waarin het verzoek daartoe werd gedaan, laattijdig zou zijn ingediend.

Vooraleer de verwijzende rechters zich uitspreken over de aansprakelijkheidsvorderingen, achten zij het aangewezen het Hof prejudiciële vragen te stellen. De rechter in de zaak nr. 6324 stelt in dezelfde verwijzingsbeslissing ook drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

B.2.1. Met betrekking tot de mogelijke aansprakelijkheid van de Staat voor een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie verwijzen de rechters ten gronde naar het arrest nr. 99/2014 van 30 juni 2014.

B.2.2. Bij dat arrest oordeelde het Hof:

«Art. 1382 BW schendt de artt. 10 en 11 Gw. indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, zelfs al bestaat die fout in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en zelfs al maakt die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk de vernietiging ervan te verkrijgen.

«Dezelfde bepaling schendt niet de artt. 10 en 11 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de artt. 6 en 13 EVRM, indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij niet belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen.»

B.2.3. Volgens de verwijzende rechters kan er, gelet op het voormelde arrest, geen twijfel over bestaan dat een vordering zoals die welke door de partijen in de geschillen ten gronde werd ingesteld, in beginsel zou kunnen leiden tot een vaststelling van de aansprakelijkheid van de Staat op grond van art. 1382 BW voor een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie. Niettemin rijzen volgens de verwijzende rechters vragen in het licht van het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, wanneer procespartijen die een dergelijke aansprakelijkheidsvordering instellen, worden geconfronteerd met het gegeven dat, wanneer tegen de beslissing van de burgerlijke rechter een voorziening in cassatie wordt ingesteld, het Hof van Cassatie zelf een beslissende invloed zou kunnen hebben in de beoordeling van zijn beweerde eigen foutieve handelen.

B.3.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artt. 568, 602, 608, 1050 en 1073 Ger.W.

B.3.2. De artikelen 568, 602 en 608, vervat in het derde deel (« Bevoegdheid »), van het Gerechtelijk Wetboek bepalen :

« Art. 568. De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen.

Indien de verweerder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg betwist, kan de eiser, vóór de sluiting van de debatten, de verwijzing vorderen van de zaak naar de arrondissementsrechtbank, die uitspraak doet zoals bepaald is in de artikelen 641 en 642.

Wanneer de verweerder de rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg afwijst, ingevolge de toewijzing van het geschil aan scheidsrechters, geeft de rechtbank de zaak uit handen, zo daartoe grond bestaat ».

« Art. 602. Het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep :
1° tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen door de rechtbanken van eerste aanleg en door de rechtbanken van koophandel;
2° tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en door de voorzitter van de rechtbank van koophandel;
3° tegen beslissingen van het prijsgerecht;
4° tegen beslissingen gegeven door Belgische consuls in het buitenland;
5° tegen beslissingen inzake verkiezingen gegeven door het college van burgemeester en schepenen en door de hoofdbureaus.

In de gevallen van 3° en 4° is alleen het hof van beroep te Brussel bevoegd ».

« Art. 608. Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen ».

B.3.3. De artikelen 1050 en 1073, vervat in het boek III (« Rechtsmiddelen ») van het vierde deel (« Burgerlijke rechtspleging »), van het Gerechtelijk Wetboek, bepalen :

« Art. 1050. In alle zaken kan hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een verstekvonnis.

Tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te doen kan slechts hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis ».

« Art. 1073. Behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, is de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.

Indien de eiser geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft in België, wordt de in het eerste lid bepaalde termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.

De termijn wordt met drie maanden verlengd ten behoeve van hen die zich, voor een openbare dienst niet op Belgisch grondgebied en buiten Europa bevinden, en ten behoeve van de zeelieden die afwezig zijn wegens scheepsdienst ».

Ten aanzien van de excepties

B.4.1. Volgens de Ministerraad is het Hof niet bevoegd om de prejudiciële vragen te beantwoorden aangezien het aldus zou worden gevraagd te oordelen over de verdeling van de bevoegdheden binnen de rechterlijke macht, zoals die is vastgelegd in de artikelen 144, 145, 146 en 147 van de Grondwet.

Voorts voert de Ministerraad aan dat de in het geding zijnde bepalingen kennelijk geen betrekking hebben op de geschillen ten gronde. Die bepalingen zouden slechts op algemene wijze de bevoegdheid omschrijven van de rechtbank van eerste aanleg, van het hof van beroep en van het Hof van Cassatie. Ze zouden geen betrekking hebben op de concrete ontvankelijkheids- en toelaatbaarheidsvoorwaarden van de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering.

B.4.2. De artikelen 144 en 145 van de Grondwet regelen de bevoegdheidsverdeling tussen de hoven en rechtbanken en de administratieve rechtscolleges. Artikel 146 van de Grondwet vereist dat alle rechtsprekende organen worden ingesteld krachtens een wet en verbiedt de oprichting van buitengewone rechtbanken of commissies. Artikel 147 van de Grondwet bepaalt dat het Hof van Cassatie niet in beoordeling van de zaken zelf treedt.

B.4.3. Volgens artikel 144 van de Grondwet behoren de geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de keuze van de Grondwetgever om dergelijke geschillen aan de burgerlijke rechter voor te behouden, of over een verschil in behandeling of een beperking van een grondrecht voortvloeiende uit die keuze. Het Hof kan zich evenmin uitspreken over de bevoegdheid van het Hof van Cassatie zoals omschreven in artikel 147 van de Grondwet.

B.4.4. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt evenwel dat de rechters ten gronde beogen het Hof te ondervragen over de in de prejudiciële vragen vermelde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre zij op algemene wijze de bevoegdheid van de betrokken rechtscolleges bepalen, zonder daarbij in specifieke regels te voorzien voor het geval waarin ze kennis dienen te nemen van een vordering tegen de Belgische Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, wegens een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van de rechtsprekende functie. Hieruit vloeit voort dat het Hof niet wordt ondervraagd over grondwetsbepalingen, noch over keuzes van de Grondwetgever die de in het geding zijnde bepalingen zouden weergeven, zodat het Hof bevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden.

B.5.1. Voorts voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven omdat zij een zuiver hypothetisch karakter zouden hebben. De zaken ten gronde zijn nog hangende voor het hof van beroep, zodat niet zou vaststaan dat een cassatieberoep zal worden ingesteld. Bijgevolg zou het antwoord op de vragen niet nuttig zijn voor de oplossing van de geschillen ten gronde.

B.5.2. Het staat in de regel aan het rechtscollege dat een prejudiciële vraag aan het Hof stelt, om te oordelen of het antwoord op die vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil dat het moet beslechten. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.5.3. De verwijzende rechters wensen van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepalingen, die het verloop van de rechtsgang van de hangende aansprakelijkheidsvorderingen bepalen, bestaanbaar zijn met de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen, in het licht van het voormelde arrest nr. 99/2014. Zij kunnen ervan uitgaan dat hierbij rekening moet worden gehouden met het verloop van de gehele rechtsgang, en inzonderheid met de rol van het Hof van Cassatie daarin (zie EHRM, 16 januari 2007, Warsicka t. Polen, § 34). Wanneer een aansprakelijkheidsvordering wordt ingesteld voor de burgerlijke rechtscolleges, is de voorziening in cassatie één van de rechtsmiddelen die de rechtzoekenden kunnen aanwenden teneinde hun rechten uit te putten. Bijgevolg kan niet worden besloten dat de antwoorden op de prejudiciële vragen klaarblijkelijk niet nuttig zijn voor de oplossing van de geschillen ten gronde.

B.6. De excepties worden verworpen.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.7. In beide zaken wensen de verwijzende rechters van het Hof te vernemen of de artt. 568, 602, 608, 1050 en 1073 Ger.W. verenigbaar zijn met de artt. 10 en 11 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met de art. 6 en 13 EVRM en met art. 14, eerste lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechterlijke beslissing van het Hof van Cassatie, het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan dat de beweerde fout beging zelf de uitlegging van het foutbegrip, toegepast op het beweerde eigen foutieve handelen, op beslissende wijze kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden.

B.8.1. Zoals is vermeld in overweging B.2, zijn de prejudiciële vragen gerezen ingevolge het arrest nr. 99/2014 van het Hof. Volgens dat arrest «[kan] de Staat aansprakelijk [...] worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen».

B.8.2. Op die manier wordt rekening gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend. Een billijk evenwicht wordt zo gewaarborgd tussen het recht om toegang te hebben tot een rechter teneinde de vergoeding van zijn schade te verkrijgen en de rechtszekerheid (arrest nr. 99/2014, overweging B.20.1).

B.8.3. Tegen de beslissing van een burgerlijke rechter over de aansprakelijkheid van de Staat voor een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie kan een voorziening in cassatie worden ingesteld. Aldus bestaat de mogelijkheid dat het Hof van Cassatie zich moet uitspreken over een beslissing van de burgerlijke rechtscolleges betreffende de aansprakelijkheid van de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie zelf.

B.8.4. Om de prejudiciële vragen te beantwoorden, moet het Hof nagaan of de rechtsgang waarin het Hof van Cassatie een dergelijke beslissing kan nemen, verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege.

B.9.1. Het is van fundamenteel belang in een democratische rechtsstaat dat de hoven en rechtbanken het vertrouwen genieten van de rechtzoekenden en van de procespartijen in het bijzonder (EHRM, Grote Kamer 6 mei 2003, Kleyn e.a. t/ Nederland, § 191; 9 november 2006, Sacilor Lormines t/ Frankrijk, § 60). Daartoe vereist art. 6.1 EVRM dat de rechtscolleges waarop die bepaling van toepassing is, onpartijdig zijn.

Die onpartijdigheid dient op twee manieren te worden onderzocht. De subjectieve onpartijdigheid, die wordt vermoed tot het bewijs van het tegendeel, vereist dat de rechter in een zaak waarover hij dient te oordelen, niet vooringenomen is noch vooroordelen heeft en dat hij geen belang heeft bij de uitkomst ervan. De objectieve onpartijdigheid vereist dat er voldoende waarborgen zijn om ook een gerechtvaardigde vrees op die punten uit te sluiten (EHRM, Grote Kamer 6 mei 2003, Kleyn e.a. t/ Nederland, § 191; Grote Kamer 15 oktober 2009, Micallef t/ Malta, §§ 93-97; Grote Kamer 23 april 2015, Morice t/ Frankrijk, §§ 73-78).

B.9.2. Wat de objectieve onpartijdigheid betreft, moet worden nagegaan of er, los van het gedrag van de rechters, aantoonbare feiten bestaan die twijfel doen ontstaan over die onpartijdigheid. Een schending van het beginsel van onpartijdigheid veronderstelt geenszins het bewijs van partijdigheid; een schijn van partijdigheid kan volstaan (EHRM, Grote Kamer 6 mei 2003, Kleyn e.a. t/ Nederland, § 191; Grote Kamer 15 oktober 2009, Micallef t/ Malta, § 98; Grote Kamer 23 april 2015, Morice t/ Frankrijk, § 78).

Het beginsel van onpartijdigheid kan worden geschonden wanneer aan een rechter een zaak ter beoordeling wordt voorgelegd waarvan hij reeds eerder in een andere hoedanigheid kennis heeft genomen. Nochtans is niet elk voorafgaand optreden van de rechter van die aard dat bij de rechtzoekende een gerechtvaardigde vrees van partijdigheid wordt opgewekt. Opdat het beginsel van onpartijdigheid kan zijn geschonden, moet dat optreden van de rechter van die aard zijn dat het de indruk kan wekken dat hij zich reeds een oordeel over de grond van de zaak heeft gevormd.

B.10.1. Wanneer het zich uitspreekt over de kwalificatie door de burgerlijke rechter van de betwiste handeling als een «voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels», dient het Hof van Cassatie rekening te houden met de criteria uiteengezet in het arrest nr. 99/2014 van het Hof:

«B.20.1. Hoewel een lichte fout even aanzienlijke schade met zich kan meebrengen als een zware fout, dient ten aanzien van de afzonderlijk gelezen artt. 10 en 11 Gw. rekening te worden gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend.

«Het nastreven van een billijk evenwicht tussen het rechtszekerheidsbeginsel, enerzijds, en het recht op toegang tot de rechter, anderzijds, kan aldus verantwoorden dat het recht op de volledige vergoeding van de schade veroorzaakt door een fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie slechts wordt gewaarborgd, zonder de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing te vereisen, indien de rechterlijke instantie op voldoende gekwalificeerde wijze een toepasselijke rechtsregel heeft geschonden.

«B.20.2. Vereisen dat de fout begaan door de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, aantoonbaar en ernstig is, maakt het bovendien mogelijk het risico op vergissingen te verminderen bij de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid en die ermee is belast de onwettigheid van de beslissing die is genomen, of van de procedure die is gevolgd door een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie alleen te beoordelen, welke zelf aanleiding zouden kunnen geven tot een opeenvolging van aansprakelijkheidsvorderingen.

«B.21. Rekening houdend met de noodzaak om de waarborgen die zijn toegekend door het recht van de Europese Unie, enerzijds, en door het interne recht, anderzijds, te harmoniseren, houdt het Hof rekening met de rechtspraak van het Hof van Justitie, krachtens welke de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie die een bepaling van het recht van de Europese Unie op voldoende gekwalificeerde wijze schendt die tot doel heeft aan de particulieren rechten te verlenen, de Staat aansprakelijk maakt tegenover de particulier die aantoont dat die schending hem een nadeel heeft berokkend, waarbij de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering, die door de lidstaten kunnen worden bepaald in het kader van hun procedurele autonomie, bovendien de uitoefening van een dergelijk voorrecht niet «in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk» mogen maken (zie: HvJ 30 september 2003, Köbler, C-224/01, punten 34, 47 en 53-59, en, over de grenzen van de procedurele autonomie van de lidstaten, HvJ 12 december 2013, Test Claimants in the Franked Investment Income Group Litigation, C-362/12, punten 31-32).

B.22. Het Hof van Justitie dat moest preciseren wat het verstond onder een voldoende gekwalificeerde schending van de rechtsregels van de Unie, heeft geoordeeld:

«Om te bepalen of aan die voorwaarde is voldaan, dient de nationale rechter bij wie een schadevordering aanhangig is, rekening te houden met alle elementen die de aan hem voorgelegde situatie kenmerken.

«Die elementen zijn onder meer: de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de vraag of de schending opzettelijk is begaan, de al dan niet verschoonbaarheid van de rechtsdwaling, het eventueel door een Gemeenschapsinstelling ingenomen standpunt en de schending door de betrokken rechter van zijn verplichting om op grond van art. 234, derde alinea, EG, een prejudiciële vraag te stellen.

«In ieder geval is een schending van het Gemeenschapsrecht voldoende gekwalificeerd, wanneer ’s Hofs rechtspraak op het gebied bij het nemen van de betrokken beslissing kennelijk is miskend (zie, in deze zin: arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds vermeld, punt 57)» (HvJ 30 september 2003 voormeld, punten 54-56; Grote Kamer 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo, C-173/03, punt 32).

«Teneinde het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen, staat het aan de aansprakelijkheidsrechter rekening te houden met dergelijke elementen teneinde te bepalen of de door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie begane fout, buiten de toepassingssfeer van het recht van de Europese Unie, een voldoende gekwalificeerde schending vormt van de toepasselijke rechtsregels.»

B.10.2. Wanneer het Europees Unierecht in het geding is, dient het Hof van Cassatie na te gaan of het raadzaam is om in voorkomend geval een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, in het bijzonder over de kwestie of een betwiste handeling het Unierecht op voldoende gekwalificeerde wijze heeft geschonden. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is «een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, ertoe gehouden [...] een vraag van Unierecht die voor haar rijst, te verwijzen, tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan» (HvJ 6 oktober 1982, C-283/81, Cilfit e.a., punt 21; HvJ, Grote Kamer 18 oktober 2011, C-128/09, Boxus, punt 31).

B.10.3. Ten slotte dient het Hof van Cassatie, wanneer voldaan is aan de vereisten gesteld in art. 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, in voorkomend geval een prejudiciële vraag te stellen aan dat Hof, alvorens uitspraak te doen.

B.11. Wanneer het Hof van Cassatie zich uitspreekt over de wettigheid van een beslissing van een burgerlijke rechter betreffende de aansprakelijkheid van de Staat wegens een beweerde fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door die rechterlijke instantie zelf, kan evenwel twijfel ontstaan over zijn objectieve onpartijdigheid ingevolge de wijze waarop het Hof is samengesteld.

B.12.1. Het zou niet verenigbaar zijn met het recht op een onpartijdige rechter dat raadsheren die hebben deelgenomen aan de totstandkoming van een beslissing die aan de oorsprong ligt van een aansprakelijkheidsvordering op grond van art. 1382 BW, zich zouden uitspreken over de wettigheid van de beslissing van de rechter ten gronde over die vordering. In het bijzonder zouden die raadsheren zich mogelijk dienen uit te spreken over de vraag of de burgerlijke rechter hun eigen betwiste handeling al dan niet terecht als een «voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels» heeft gekwalificeerd (zie: EHRM 29 juli 2004, San Leonard Band Club t/ Malta, §§ 61-64; 1 februari 2005, Indra t/ Slowakije, §§ 51-53; 24 juli 2012, Toziczka t/ Polen, §§ 40-44).

B.12.2. Raadsheren van het Hof van Cassatie kunnen worden gewraakt wegens wettige verdenking (art. 828, 1o Ger.W.). Iedere rechter die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden (art. 831 Ger.W.; EHRM, Grote Kamer 23 april 2015, Morice t/ Frankrijk, § 78). Dit laatste is het geval wanneer een raadsheer in het Hof van Cassatie uitspraak moet doen over een beslissing van de burgerlijke rechter waarbij deze uitspraak doet over een vordering op grond van art. 1382 BW waarbij de aansprakelijkheid van de Staat betreffende een rechtsprekende handeling van het voormelde rechtscollege in het geding is en waarbij die raadsheer deel uitmaakte van de zetel die dat arrest had gewezen.

B.12.3. Overigens is het Hof van Cassatie, zoals ieder rechtscollege, ertoe gehouden het algemeen rechtsbeginsel van de subjectieve en objectieve onpartijdigheid van de rechter te eerbiedigen. Dat beginsel impliceert bijgevolg dat het Hof van Cassatie de nodige maatregelen neemt die moeten verhinderen dat de raadsheren wier betwiste rechtsprekende handeling aan de oorsprong ligt van een aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat, zich zouden uitspreken over de beslissing van de burgerlijke rechter over die vordering.

B.12.4. Volgens art. 133 Ger.W. neemt de eerste kamer van het Hof van Cassatie kennis van de voorzieningen in burgerlijke zaken. De eerste voorzitter kan evenwel de zaak naar een andere kamer verwijzen wanneer de behoeften van de dienst dat rechtvaardigen. Aldus kan de onpartijdige samenstelling van het Hof worden gewaarborgd. Het reglement houdende de dienstregeling van het Hof, vastgesteld door de eerste voorzitter, bepaalt het aantal raadsheren aan elke kamer verbonden (art. 132 Ger.W.). De dienst der terechtzittingen wordt onder de raadsheren verdeeld door de kamervoorzitter (art. 317 Ger.W.).

B.13. Rekening houdend met het bovenstaande doen de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek geen discriminatie ontstaan tussen procespartijen naargelang de aansprakelijkheid van de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie, dan wel wegens een fout begaan door een ander orgaan van de Staat in het geding is.

B.14. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.15.1. Met de tweede prejudiciële vraag wensen de verwijzende rechters te vernemen of de artt. 568, 602, 608, 1050 en 1073 Ger.W. verenigbaar zijn met art. 13 Gw., gelezen in samenhang met de artt. 146 en 160 ervan, met art. 6.1 EVRM, met art. 14, eerste lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, in zoverre de beslissing van de rechter ten gronde aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie ter beoordeling kan worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van het Hof van Cassatie.

B.15.2. Met de Ministerraad dient te worden opgemerkt dat het Hof te dezen wordt ondervraagd over de verenigbaarheid van bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de bevoegdheden van de gewone hoven en rechtbanken, zodat niet valt in te zien in welk opzicht de artt. 146 en 160 Gw. zouden kunnen zijn geschonden.

B.16.1. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vorderen van een in laatste aanleg gewezen beslissing. Dat een vonnis of een arrest kan worden vernietigd, is inherent aan een rechtssysteem met een voorziening in cassatie en brengt de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter ten gronde niet in het geding.

B.16.2. Voor het overige wordt geen afbreuk gedaan aan de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen en beginselen om de redenen die zijn aangegeven in antwoord op de eerste prejudiciële vraag.

B.17. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/10/2017 - 14:58
Laatst aangepast op: vr, 27/10/2017 - 14:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.