-A +A

Rechterlijk gewijsde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechterlijk gewijsde of gezag van gewijsde betekent dat de vordering niet meer opnieuw kan worden ingesteld. Er is immers over de zaak reeds recht gewezen. Men kan zich niet meerdere malen tot de rechter wenden om steeds hetzelfde te vragen. In de meeste gevallen is hoger beroep en cassatie mogelijk.

De bepalingen uit het gerechtelijk wetboek:

HOOFDSTUK IV.  Rechterlijk gewijsde.

Art. 23. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.

Art. 24. Iedere eindbeslissing heeft gezag van gewijsde vanaf de uitspraak.

Art. 25. Het gezag van het rechterlijk gewijsde verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.

Art. 26. Het gezag van het rechterlijk gewijsde blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.

Art. 27. De exceptie van gewijsde kan in elke stand van het geding worden voorgedragen voor de feitenrechter voor wie de vordering is ingesteld.
Zij kan door de rechter niet ambtshalve worden opgeworpen.

Art. 28. Iedere beslissing gaat in kracht van gewijsde zodra zij niet meer voor verzet of hoger beroep vatbaar is, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de gevolgen van de buitengewone rechtsmiddelen.

Het gezag van gewijsde geldt enkel voor wat definitief werd beslecht; een beslissing alvorens recht te doen heeft geen gezag van gewijsde, omdat het geen definitieve beslissing inhoudt. Bovendien heeft een vonnis dat is aangetast door een tegenstrijdigheid die niet toelaat met zekerheid te bepalen welke betekenis aan een bepaalde beslissing moet worden gegeven, geen gezag van gewijsde. Dit is het geval wanneer een rechter zonder dat maatregelen gevraagd werden op grond van art. 19,2de Ger. W. zich in een tussenvonnis voorlopig bevoegd verklaard, om zich in het eindvonnis onbevoegd te verklaren voor een deel van de vordering.

Het gezag van gewijsde staat ingeschreven in artikel 23 Ger.W. :

Art. 23.Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; [1 dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond;]1 dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.
----------
(1)<W 2015-10-19/01, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Wat betekent gezag van gewijsde?
 

Met de uitdrukking gezag van gewijsde wordt de bindende kracht van een vonnis of arrest aangeduid. Deze houdt in dat de beslissing voor partijen bindend is en dat met name in latere processen tussen dezelfde partijen onbetwistbaar vastligt wat de rechter omtrent de rechtsbetrekking tussen deze partijen in de uitspraak heeft beslist.

Het gaat om de juridische waarheid: wat de rechter beslist over de feiten en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen. Dit is daarom niet "de" waarheid, maar wordt beschouwd als de waarheid zoals die wordt gezien vanuit een juridisch perspectief. Het is nodig om dit gezag aan een rechterlijke uitspraak te geven, omdat geschillen in een maatschappij op een bepaald moment moeten beëindigd worden. Zo wordt het uitdrukkelijk gesteld door het Hof Van Cassatie: "Het gezag van gewijsde steunt op de noodzakelijkheid te beletten dat eenzelfde betwisting altijd zou blijven duren".

Het gaat als juridische waarheid ook om een "voorlopige" waarheid, tot de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Om een beroep te doen op het gezag van gewijsde in een later proces is dus vereist dat de betreffende uitspraak waarop men zich beroept, kracht van gewijsde heeft gekregen, dat wil zeggen onherroepelijk is geworden. Immers in hoger beroep of cassatie zou de in eerste aanleg bindend vastgestelde rechtsbetrekking nog anders vastgesteld kunnen worden. Voor een beroep op gezag van gewijsde is dus vereist dat het vonnis(arrest) in kracht van gewijsde is gegaan. Er staan dan geen rechtsmiddelen meer open.

Het gezag van gewijsde is in burgerlijke zaken doorgaans niet van openbare orde (art. 27, 2e lid, Ger.W). De exceptie van gewijsde kan dus niet ambtshalve door de rechter worden opgeworpen. 

 

Wat betekent kracht van gewijsde?
 

Wanneer een zaak niet meer vatbaar is voor een rechtsmiddel zegt men dat de uitspraak definitief is en dus kracht van gewijsde heeft. Dit wil zeggen dat recht is gewezen met de kracht van definitief gewezen recht zonder verdere mogelijkheid van hoger beroep of verzet.

De rechterlijke uitspraak die gezag van gewijsde heeft kan gedwongen ten volle worden uitgevoerd, zonder dat verzet of hoger beroep (gewone rechtsmiddelen) de beslissing van de rechter nog kunnen terugdraaien.
Let wel een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is kan worden uitgevoerd, zelfs zonder dat het kracht van gewijsde heeft. De uitvoering gebeurt dan op risico van hij die het vonnis uitvoert, met de kans dat er zal dienen terugbetaald indien in hoger beroep of verzet de uitspraak wordt hervormd.

Een rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan kan nog wel worden teruggedraaid door de buitengewone rechtsmiddelen.

Enkel een uitspraak in kracht van gewijsde is vatbaar voor cassatie.

Een verklaring van berusting wordt meestal opgesteld om de kosten van een betekening te vermijden. Een partij heeft immers pas zekerheid dat haar vonnis definitief is van zodra de termijn verstreken is om een rechtsmiddel in te stellen. De termijn om een rechtsmiddel in te stellen loopt in de regel pas vanaf de betekening. Zonder betekening of berusting is men derhalve vaak niet zeker over het definitief karakter van de uitspraak.

 

Gezag van strafrechtelijk gewijsde ten aanzien van de burgerlijke rechter

 

De burgerlijke rechter is gehouden tot hetgeen de strafrechter heeft beslist. Dit heet men het gezag van strafrechtelijk gewijsde in burgerlijke zaken. Maar dit gezag blijft beperkt tot hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk besliste, met name de bewezen feiten en hun kwalificatie. Wanneer bij de omschrijving van het misdrijf een bepaald nadeel (vb de ontvreemding van een bepaald bedrag) wordt vermeld, bindt dit bedrag de burgerlijke rechter (of de beroepsrechter die enkel op burgerlijk vlak gevat wordt) niet, tenware wanneer de omvang van de schade zelf een constitutief element is van het misdrijf waarvan de kwalificatie en de toepasselijke straf veranderen naar gelang van de omvang van de schade. Zie Antwerpen 15/02/2006, RABG 1512, met noot.

Het gezag van gewijsde in strafzaken, zoals dit besloten ligt in artikel 4 van de voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering staat niet eraan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden. Cass. 24 april 2006, NJW 2007, 176, met noot. Zie in zelfde zin Cass. 7 maart. 2008 NJW 2008, 492. Een persoon werden vrijgesproken door de correctionele rechtbank wegens vrijwillige brandstichting. Hierna richt hij zich tot de verzekeringsmaatschappij die geen partij was in het correctionele geding, waarbij hij poogt schadevergoeding te verkrijgen. De verzekeringsmaatschappij weigert uit te betalen op basis van de opzettelijke brandstichting. De schadelijder roept het gezag van gewijsde in van het vonnis gewezen door de correctionele rechtbank. Cassatie wijst dit verweer af, gezien de verzekeringsmaatschappij geen partij was in het correctioneel geding

rechtsleer: Piet Taelman, het gezag van rechterlijk gewijsde, Kluwer 2001.

Toepassing:

Wanneer de strafrechter twee afzonderlijke straffen oplegt, één voor het rijden in staat van dronkenschap (of strafbare alcoholintoxicatie) en anderzijds wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen, heeft hij aldus beslist dat de dronkenschap niet het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg opleverde dat één van de oorzaken vormt van de toegebrachte schade (cassatie 19 september 1968, A.C. 1969,72; cassatie 5 februari 1987, Verkeersrecht 1988, 6; cassatie 23 november 1990, rechtskundig weekblad 1990-1991,1098; cassatie 6 mei 1993 en 2 oktober 1997.

Wanneer de strafrechter voor de vermelde feiten één straf uitspreekt beslist de rechter impliciet doch zeker dat de dronkenschap de oorzaak is van het ongeval.

Sinds het cassatiearrest van de 15 februari 1991, rechtskundig weekblad 1991-1992,15, wordt algemeen aanvaard dat het gezag van strafrechtelijk gewijsde slechts uitwerking heeft ten aanzien van een partij die betrokken was in het geschil. De toepassing van deze regel op de regresvordering inzake dronkenschap werd bevestigd in een cassatiearrest van 2 oktober 1997. derhalve kan de verzekeraar, niettegenstaande het gezag van gewijsde in strafzaken nog steeds een verhaal vordering uitoefenen wanneer de verzekeraar niet in het voorafgaande strafproces betrokken was en kan hij dan in een nieuw proces nog steeds trachten aan te tonen dat de dronkenschap wel de oorzaak was of een van de oorzaken was van het ongeval. zie relatief karakter van het gezag van gewijsde met verwijzing naar rechtspraak

Wanneer een verzekerde in de strafrechtelijke procedure veroordeeld werd wegens dronkenschap zal hij in de  latere procedure voor de burgerlijke rechter (nopens het regres) deze dronkenschap niet meer in twijfel kunnen trekken. het gezag van gewijsde geldt namelijk wel ten aanzien van hem omdat hij de partij was in het strafproces, dit in tegenstelling tot de verzekeringsmaatschappij.

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Art. 23. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.

Art. 24. Iedere eindbeslissing heeft gezag van gewijsde vanaf de uitspraak.

Art. 25. Het gezag van het rechterlijk gewijsde verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.

Art. 26. Het gezag van het rechterlijk gewijsde blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.

Art. 27. De exceptie van gewijsde kan in elke stand van het geding worden voorgedragen voor de feitenrechter voor wie de vordering is ingesteld.
Zij kan door de rechter niet ambtshalve worden opgeworpen. 

voor meer uitleg over het verschil tussen het gezag van rechterlijk gewijsde en kracht van gewijsde, zie Piet Taelman, het gezag van rechterlijk gewijsde, Kluwer 2001, pagina 133 tot 152;

voor meer uitleg over het onderscheid tussen het gezag van gewijsde en uitputting van de rechtsmacht, zie Piet Taelman, het gezag van rechterlijk gewijsde, Kluwer 2001, pagina 95 tot 130;


voor meer uitleg over het onderscheid tussen het gezag van gewijsde en de werking jegens derden van de uitspraak, zie Piet Taelman, het gezag van rechterlijk gewijsde, Kluwer 2001, pagina 155 tot 323;

voor meer uitleg over het onderscheid tussen het gezag van gewijsde en de uitvoerbare kracht, zie Piet Taelman, het gezag van rechterlijk gewijsde, Kluwer 2001, pagina 327 tot 346

• gezag van het strafrechtelijk gewijsde

De beslissingen van de onderzoeksgerechten hebben alleen gezag van gewijsde wanneer zij uitspraak doen als vonnisgerechten.

Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt alleen geldt voor datgene wat de strafrechter zeker en noodzakelijkerwijs heeft geoordeeld m.b.t. het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de strafrechtelijke beslissing uitmaken.

Cass. 12 april 2000, A.C. 2000, nr. 249 (een beslissing alvorens recht te doen, zoals een arrest dat een deskundigenonderzoek beveelt, heeft geen gezag van gewijsde;

Cass. 24 december 1999, A.C. 1999, nr. 705 een beslissing over de strafvordering verkrijgt slechts gezag van gewijsde met alle daaruit voortvloeiende gevolgen op het ogenblik dat de strafvordering is vervallen, d.w.z. op het ogenblik dat de zaak onherroepelijk is berecht; dat is niet het geval zolang het cassatieberoep niet is verworpen;

Cass. 29 maart 1999, A.C. 1999, nr. 189: de beschikking of het arrest van buitenvervolgingstelling die het onderzoeksgerecht hierop grondt dat er niet voldoende bezwaren bestaan tegen de verdachte, hebben enkel tot gevolg dat de strafvordering voorlopig wordt stopgezet; ze hebben dus geen gezag van gewijsde t.a.v. de rechtsvordering die voor de burgerlijke rechter wordt ingesteld door een partij die rechten wil afleiden uit het bestaan van de ten laste gelegde feiten;

Cass. 1 december 1998, A.C. 1998, nr. 498:In geval van een tot de beslissingen op de burgerlijke rechtsvordering beperkte cassatie, hoort de rechter naar wie de zaak verwezen wordt, de ontvankelijkheid te beoordelen van de strafvordering, waarvan de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering afhankelijk is, vanuit het oogpunt van de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering; het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde wordt bijgevolg miskend door de rechter naar wie de zaak verwezen is, die oordeelt dat het arrest van het Hof het gezag van gewijsde ‘ongeschonden laat’ van de beschikkingen van het vernietigde arrest, die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van de vervolgingen);

Cass. 2 oktober 1997, A.C. 1997, nr. 381: Het gezag van het strafrechtelijk gewijsde staat er niet aan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten gelden). Met deze beslissing is het erga omnes karakter van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van het strafrechterlijk gewijsde duidelijk afgezwakt;

Cass. 24 januari 1997, A.C. 1997, nr. 45: Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het strafrechterlijk gewijsde erga omnes heeft de beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke rechter gezag van gewijsde wat betreft de feiten waarvan de strafrechter, binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, ten aanzien van de beklaagde het bestaan zeker en noodzakelijk heeft aangenomen en wat betreft de noodzakelijke gronden waarop die beslissing steunt; daaruit volgt dat in de regel die feiten door de partijen en door derden in een later burgerlijk geschil niet meer kunnen worden betwist. De burgerlijke rechter die het besturen van een voertuig door de verzekerde met een alcoholintoxicatie die een misdrijf uitmaakt als een zware fout in aanmerking neemt, terwijl hij vaststelt dat de strafrechter de verzekerde heeft vrijgesproken van dit misdrijf, miskent het gezag van het strafrechterlijk gewijsde;

Invloed van het instellen van een gewoon rechtsmiddel op het gezag van gewijsde

Art. 26, Ger.W bepaalt dat het gezag van gewijsde blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.
Dit betekent dat men erkent dat het vonnis van bij de uitspraak gezag van gewijsde heeft, maar dat dit gezag voorwaardelijk is, zolang de beslissing niet in kracht van gewijsde is getreden, dit wil zeggen zolang ze vatbaar blijft voor
verzet of hoger beroep (art. 28, Ger.W).

Indien binnen de wettelijke termijn geen gewoon rechtsmiddel is ingesteld, of indien de aangewende rechtsmiddelen falen, blijft de bestreden beslissing behouden, zodat het vonnis in kracht van gewijsde gaat (art. 28, Ger.W). Het heeft vanaf dat ogenblik onvoorwaardelijk gezag van gewijsde en uitvoerbare kracht.

De uitoefening van buitengewone rechtsmiddelen (voorziening in cassatie, derdenverzet, herroeping van het gewijsde) heeft in principe geen invloed of schorsend effect ten aanzien van het gezag van gewijsde of van de uitvoerbare kracht. Art. 300, § 2, WIB 92 stelt evenwel inzake belastingen dat « wanneer een vordering voor het gerecht, zelfs gedeeltelijk, maatregelen tot onderwerp heeft welke ertoe strekken de invordering te verwezenlijken of te waarborgen van de belasting, daarin begrepen alle opcentiemen, verhogingen en boeten, alsmede van de desbetreffende interesten en kosten, hebben de cassatietermijn zomede de voorziening in cassatie schorsende kracht ».

Absoluut gezag van gewijsde

Sommige vonnissen hebben een absoluut (en geen betrekkelijk) gezag van gewijsde. De derden moeten er zich zoals de partijen bij neerleggen. De beslissing dringt zich "erga omnes" (tegen allen) op, zonder dat iemand kan betwisten wat er is uitgesproken. Het vermoeden van waarheid is onweerlegbaar ten aanzien van eenieder, omdat de rechtstoestand waarover is beslist van nature tegenstelbaar is aan iedereen.
Het gaat onder meer om constitutieve beslissingen ten aanzien van de staat van personen (echtscheiding, enz.), vernietigingsarresten van de Raad van State, enz.

Er werd traditioneel aangenomen dat de strafrechterlijke beslissingen een absoluut gezag van gewijsde hadden op de burgerlijke zaken. Dit beginsel werd evenwel in een arrest van 15 februari 1991 door het Hof van Cassatie op de helling gezet (Cass., 15 februari 1991, Arr.Cass., 1990-1991, p. 641 ; R.W., 1991- 1992, p. 15). In de overweging dat dit principe indruist tegen het recht op een eerlijke behandeling van de zaak (art. 6, § 1, Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens), in de mate dat het een derde die geen partij was in het strafgeding niet toegelaten was bepaalde elementen voor de burgerlijke rechter te weerleggen, heeft het Hof van Cassatie gesteld dat deze derde het recht had zich te verdedigen voor de burgerlijke rechter (H. - D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, p. 208).

Rechtspraak:

• Cassatie 4 januari 2007, RW 2007-2008, 65:

Een vonnis dat enerzijds uitspraak doet over een eis door deze ontvankelijk te verklaren en dat anderzijds de rechtbank niet bevoegd verklaart om er kennis van te nemen, is aangetast door een tegenstrijdigheid die het niet mogelijk maakt met zekerheid te bepalen welke betekenis aan die beslissing moet worden gegeven. Een dergelijke beslissing kan derhalve geen gezag van gewijsde hebben.

Beperking van het gezag van gewijsde tot de vorderingen waarover de rechter heeft geoordeeld

• Arbeidshof Brussel 04/02/2011, AR 2010/AB/00077, juridat

samenvatting

Het gezag van het rechterlijk gewijsde is echter beperkt tot wat de rechter heeft beslist over een punt dat in betwisting was en tot wat, tengevolge van het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarvoor de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, al was het impliciet, van die beslissing uitmaakte.

tekst arrest

In de zaak:

A.-M. A. , wonende te [xxx],
appellante,

Tegen:

1. VAN CAUWENBERGE René, in zijn hoedanigheid van lid van het Executief Bureau van Gewestelijke en van het Intergewestelijk Bureau van het ABVV, wonende te 1700 DILBEEK, Populierenlaan, 8,

2. VAN MUYLDER Philippe, in zijn hoedanigheid van lid van het Executief Bureau van Gewestelijke en van het Intergewestelijk Bureau van het ABVV, wonende te 1190 BRUSSEL, Canadastraat, 31,

geïntimeerden,

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 23 november 2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 8940/08).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 26 januari 2010;

- de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 28 juni 2010,

- de conclusie, de aanvullende en syntheseconclusie voor de geïntimeerden neergelegd ter griffie, respectievelijk op 3 mei 2010 en 14 september 2010;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 7 januari 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

I. FEITEN, VOORGAANDEN EN RECHTSPLEGING

1.Mevrouw A.-M. A. was in dienst van het ABVV Brussel van 1 oktober 1989 tot 16 oktober 2002. Zij werd op die datum ontslagen om dringende reden.

Voor haar ontslag was ze in onderhandeling met haar werkgever in verband met een mogelijk brugpensioen op basis van de bedrijfs-cao's van 1 september 1999 en van 5 september 2002.

2. Mevrouw A.-M. A. betwistte haar ontslag met dringende reden en dagvaardde hiertoe de leden van het uitvoerend bureau van het ABVV Brussel op 6 februari 2003; zij vroeg daarbij o.m. de veroordeling van haar werkgever tot betaling van
euro 1 provisioneel als aanvullende vergoeding brugpensioen die verschuldigd zou zijn na het verstrijken van de periode gedekt door de vervangende opzeggingsvergoeding; tevens vroeg zij een formulier C4-brugpensioen en een formulier C17.

3. Bij tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 30 juli 2004 werd de dringende reden niet weerhouden en werd de werkgever veroordeeld tot betaling van een vervangende opzeggingsvergoeding van 18 maanden; in verband met de aanvullende vergoeding brugpensioen hield de arbeidsrechtbank de vordering aan, omdat de verweerders hierover niet ten gronde hadden besloten.

4. In haar besluiten na dit tussenvonnis legde mevrouw A.-M. A. uit dat zij na haar ontslag door de RVA beschouwd werd als werkzoekende werkloze en dat zij ook effectief werk had gevonden, eerst bij de VZW ECOSOC en nadien bij de VZW FTS; om die reden vroeg zij in verband met het gederfde brugpensioen een schadevergoeding van euro 33.069,12 voor de periode van 1 mei 2004 tot 1 mei 2006 en een schadevergoeding van euro 44.388 voor de periode van 1 mei 2006 tot 1 oktober 2008, telkens te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten.

Wat betreft de aanvankelijke vraag van mevrouw A.-M. A. in verband met de aanvullende vergoeding brugpensioen, gedroeg het ABVV Brussel in de persoon van zijn vertegenwoordigers zich naar de wijsheid van de rechtbank en verwees daarvoor naar de besluiten voorafgaand aan het tussenvonnis van 23 februari 2004.
Vervolgens betwistte de werkgever de in zijn ogen nieuwe vordering tot schadevergoeding, niet begrepen in de oorspronkelijke vordering, die zijn inziens tevens verjaard was op grond van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet; in ondergeschikte orde werd ook ten gronde betwist dat mevrouw A.-M. A. een schadevergoeding kon vragen omwille van het niet bekomen van brugpensioen, omdat ze zich verder beschikbaar had gehouden voor de algemene arbeidsmarkt.

Mevrouw A.-M. A. betwistte al deze standpunten.

5. In een nieuw tussenvonnis van 9 mei 2006 aanvaardde de arbeidsrechtbank te Brussel de uitbreiding van de vordering, die niet verjaard werd geacht.
Hierna oordeelde de arbeidsrechtbank dat het enkele feit van het ontslag om dringende reden aan mevrouw A.-M. A. nog geen recht gaf op een aanvullende vergoeding brugpensioen op zich, en dit ongeacht de beoordeling van de arbeidsrechtbank dat dit ontslag onregelmatig was waardoor zij recht had op een opzeggingsvergoeding.

Niettemin oordeelde de arbeidsrechtbank dat mevrouw A.-M. A. op grond van artikel 1382 BW aanspraak kon maken op schadevergoeding omwille van het verlies van haar brugpensioen, maar de partijen werden door middel van een heropening van de debatten uitgenodigd om verder te concluderen over de schadevergoeding die aan dit verlies van een kans verbonden was.

Mevrouw A.-M. A. liet dit tussenvonnis betekenen op 21 juni 2006.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 20 juli 2006 tekenden de vertegenwoordigers van de werkgever een beperkt hoger beroep aan wat betreft het principiële recht van mevrouw A.-M. A. op schadevergoeding, maar ze herhaalden hierbij dat ze zich naar de wijsheid van het hof gedroegen wat betreft het recht op een aanvullende vergoeding brugpensioen van mevrouw A.-M. A..

In haar antwoordbesluiten herhaalde mevrouw A.-M. A. dat zij aanvankelijk euro 1 provisioneel gevraagd had als aanvullende vergoeding brugpensioen, maar dat zij deze vordering verduidelijkt had (a été précisée en...) naar een schadevergoeding, omdat ze niet had kunnen genieten van een brugpensioen (p. 2 en 6 van haar syntheseconclusie).

7. In het arrest van 16 mei 2007 stelde het arbeidshof Brussel vast dat het door het ontbreken van hoger beroep op dit onderdeel niet gevat was door een vraag tot toekenning van een aanvullende vergoeding brugpensioen; het arbeidshof verwees naar de beroepsbesluiten van mevrouw A.-M. A., waarin zij uitdrukte dat ze voor de eerste rechters haar vraag tot betaling van deze vergoeding had verduidelijkt en dat zij in de plaats van deze vergoeding een schadevergoeding vroeg wegens het verlies van de vergoeding brugpensioen.
Voor het hof heeft mevrouw A.-M. A. nogmaals bevestigd dat dit laatste het enige voorwerp van haar vordering was, waardoor het hof vaststelde dat de vertegenwoordigers van de werkgever zich naar de wijsheid gedroegen op een vordering die niet was gesteld door mevrouw A.-M. A. (Blad 4 en 5 van het arrest).

Hierna aanvaardde het arbeidshof de nieuwe vraag in betaling van schadevergoeding als ontvankelijk en niet verjaard, maar het volgde het standpunt van de werkgever dat ze geen principieel recht had op een schadevergoeding, waardoor deze vordering werd afgewezen als ongegrond.

Het hof overwoog hierbij onder meer dat de opzeggingsvergoeding forfaitair alle schade tengevolge van het ontslag dekte en ten overvloede dat mevrouw A.-M. A. weliswaar aanspraak kon maken op een aanvullende vergoeding brugpensioen, maar dat zij dit evenzeer kon weigeren door zich beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt en dat dit laatste een eigen keuze van haarzelf was waardoor zij niet meer in aanmerking kon komen voor het brugpensioen.

8. De arbeidsovereenkomst van mevrouw A.-M. A. bij de VZW FTS liep tot 30 september 2007; vanaf 7 oktober 2007 maakte ze aanspraak op werkloosheids-uitkeringen.

Bij aangetekende brief van 28 februari 2008 vroeg mevrouw A.-M. A. aan het ABVV Brussel betaling van een aanvullende vergoeding brugpensioen, gelet op haar nieuwe situatie van werkloosheid.

In een antwoordschrijven van 12 maart 2008 repliceerde het ABVV Brussel dat zij geen schuldenaar kon zijn van deze vergoeding, omdat deze verschuldigd was door de laatste werkgever (en niet door de voorlaatste werkgever) en omdat haar eerdere eis tot het bekomen van deze vergoeding door de arbeidsrechtbank te Brussel ongegrond werd verklaard en dit vonnis door het arbeidshof niet werd hervormd, aangezien zij geen incidenteel beroep had ingesteld maar wel een onderscheiden eis had geformuleerd die onontvankelijk en ongegrond werd verklaard.

9. Aangezien partijen aldus niet tot overeenstemming kwamen, legde mevrouw A.-M. A. op 18 juni 2008 een tegensprekelijk verzoekschrift neer bij de arbeidsrechtbank te Brussel, waarbij zij veroordeling vroeg van de heren Van Cauwenberghe en Van Muylder, in hun hoedanigheid van lid van het uitvoerend bureau van het gewestelijk bureau van het ABVV Brussel in betaling van
euro 31.050,12, zijnde de maandelijkse aanvullende brugpensioenvergoeding ten bedrage van euro 2.587,51 van 1 oktober 2007 tot 1 oktober 2008, deze laatste datum zijnde de aanvang van het pensioen van mevrouw A.-M. A.; tevens vroeg zij de veroordeling tot de wettelijke intresten op het verschuldigd bedrag sinds 1 maart 2007 als gemiddelde datum en tot de kosten van het geding.

10. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 23 november 2009 werd deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard met veroordeling van mevrouw A.-M. A. tot de gerechtskosten.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 26 januari 2010, tekende mevrouw A.-M. A. hoger beroep aan en hernam zij haar oorspronkelijke vordering.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

 

De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering

2. Geïntimeerden verwijzen naar het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 9 mei 2006 en naar het arrest van het arbeidshof Brussel van 16 mei 2007 en zij roepen het gezag van gewijsde in van deze rechterlijke beslissingen.

Artikel 27 Ger. W. bepaalt dat de exceptie van gewijsde in elke stand van het geding kan worden voorgedragen voor de feitenrechter voor wie de vordering is ingesteld.

Op grond van artikel 24 Ger. W. heeft iedere eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf de uitspraak.

Het gezag van rechterlijk gewijsde verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld. ( art. 25 Ger. W.) Men noemt dit ook het negatief gevolg van het gezag van gewijsde. (Van Drooghenbroeck J en Ballot F.; L'effet positif de la chose jugée, JT 2009, 298, nr. 4; Bedoret, C., L'autorité de chose décidée en droit de la sécurité sociale ou quand la montagne accouche d'une souris... TSR 2010, afl. 1, 118, nr. 8)

Het opnieuw instellen van de vordering leidt tot onontvankelijkheid. (Bedoret, zelfde aanhaling).

Het gezag van rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot wat het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is (art. 23 Ger.W.).

Het gezag van het rechterlijk gewijsde is echter beperkt tot wat de rechter heeft beslist over een punt dat in betwisting was en tot wat, tengevolge van het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarvoor de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, al was het impliciet, van die beslissing uitmaakte. (Cass. 24 december 1981, A.C. 1981-82, nr. 272, 569; Cass. 27 februari 1995, JTT 1995, 435; Cass. 29 januari 2007 Pas. 2007, afl. 2, 195; Cass. 4 december 2008, JT 2009, afl. 6351, 303 met noot Van Drooghenbroeck J en Ballot F.)

3. Mevrouw A.-M. A. richtte huidige vordering tegen dezelfde partijen als deze die in het geding waren in de procedure die geleid heeft tot het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 9 mei 2006 en tot het arrest van het arbeidshof Brussel van 16 mei 2007.

Zij houdt nochtans voor dat het voorwerp en de oorzaak niet identiek zijn, omdat ze thans de vergoedingen brugpensioen vraagt, terwijl ze in haar voorgaande procedure een schadevergoeding vroeg op grond van artikel 1382 BW wegens het verlies van een kans omwille van het niet bekomen van brugpensioen.

Zij gaat er aldus aan voorbij dat deze vordering in schadevergoeding een nieuwe vordering was bij toepassing van artikel 807 Ger. W., zoals uitdrukkelijk vastgesteld werd in het arrest van het arbeidshof Brussel van 16 mei 2007 (6de blad).

In haar inleidende dagvaarding van 6 februari 2003 had mevrouw A.-M. A. wel degelijk de aanvullende vergoeding brugpensioen ten bedrage van euro 1 provisioneel gevorderd en hierover werd door de arbeidsrechtbank te Brussel beslist in het vonnis van 9 mei 2006 zeggende dat het enkele feit van het ontslag om dringende reden aan mevrouw A.-M. A. nog geen recht gaf op een aanvullende vergoeding brugpensioen op zich, en dit ongeacht de beoordeling van de arbeidsrechtbank dat dit ontslag onregelmatig was waardoor zij recht had op een opzeggingsvergoeding. (blad 4, 2.2., a).

Dit vonnis werd betekend op 21 juni 2006 en mevrouw A.-M. A. tekende op dit punt geen incidenteel beroep aan. Het heeft wat betreft dit onderdeel, waarover definitief werd beslist, aldus gezag (en zelfs kracht) van gewijsde.

Het arbeidshof Brussel stelde in zijn arrest van 16 mei 2007 overigens vast dat zij aldus niet gevat was door de vraag van mevrouw A.-M. A. tot de erkenning van haar recht op een aanvullende vergoeding brugpensioen, zodat de vertegenwoordigers van de werkgever zich op dit punt naar de wijsheid gedroegen betreffende een vraag die door mevrouw A.-M. A. in graad van hoger beroep niet werd gesteld (blad 4 en 5 van het arrest).

Wat betreft de definitieve beslissing over de aanvankelijke vordering betreffende de aanvullende vergoeding brugpensioen heeft het vonnis van 9 mei 2006 dus alleszins gezag (en zelfs kracht) van gewijsde.

Huidige vordering van mevrouw A.-M. A. is immers gericht tegen dezelfde personen en heeft hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak als haar eerdere vordering, waarover definitief werd beslist in het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 9 mei 2006.

Zodoende kan deze vordering omwille van artikel 25 Ger. W. niet opnieuw worden ingesteld en is deze onontvankelijk.

De exceptie van gewijsde is gegrond.

4.Ten overvloede kan vastgesteld worden dat het ontbreken van incidenteel beroep tegen het afwijzen door de arbeidsrechtbank van de aanvankelijke vraag tot toekenning van een aanvullende vergoeding, ook niet zo onlogisch was, daar de nieuwe vordering van mevrouw A.-M. A. betrekking had op een schadevergoeding bij equivalent, en dit voor de periodes van 1 mei 2004 tot 1 mei 2006 en vervolgens van 1 mei 2006 tot 1 oktober 2008. Ze begrootte deze schadevergoedingen door het verschil te maken tussen haar loon of haar te verwachten loon en het brugpensioen.

Door deze vordering bij equivalent aanvaardde ze dat een herstel in natura onmogelijk was en dat ze geen aanspraak kon maken op brugpensioen.

Het verlies van het recht op deze aanvullende vergoeding werd in het arrest van het arbeidshof Brussel van 16 mei 2007 overigens toegeschreven aan de eigen beslissing van mevrouw A.-M. A. om bij een nieuwe werkgever in dienst te treden.

Terecht wijzen geïntimeerden er op dat ze daardoor evenmin de laatste werkgever zijn; anders dan in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van het arbeidshof Antwerpen van 12 april 2002, was er ook geen tijdelijke onderbreking van enig brugpensioen op grond van de tewerkstelling bij ABVV Brussel.

Voor zover huidige vordering van mevrouw A.-M. A. al ontvankelijk zou zijn, dan kan ze alleszins niet gegrond worden verklaard.

5. Mevrouw A.-M. A. vraagt dat de rechtsplegingsvergoedingen van beide aanleggen zouden worden herleid tot het minimumbedrag, gelet op haar beperkte financiële draagkracht, wegens haar pensionering sinds 1 oktober 2008.
Op deze vraag kan worden ingegaan en enkel wat dit onderdeel betreft is het hoger beroep gegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, en gedeeltelijk gegrond,
verklaart de exceptie van het gezag van het rechterlijk gewijsde gegrond en
hervormt het bestreden vonnis in de zin dat de oorspronkelijke vordering wordt afgewezen omdat ze onontvankelijk is, alleszins ongegrond,
en veroordeelt mevrouw A.-M. A. tot betaling van de gerechtskosten eerste aanleg, deze aan de zijde van de aanvankelijke verweerders begroot op rechtsplegingsvergoeding basisbedrag euro 2.000, doch herleid en vereffend tot het minimumbedrag, zijnde euro 1.000.

Veroordeelt mevrouw A.-M. A. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van geïntimeerden begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 4.000 en door het hof herleid tot het minimumbedrag rechtsplegingsvergoeding
euro 1.000.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 21/08/2014 - 19:09
Laatst aangepast op: vr, 03/03/2017 - 14:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.