-A +A

Rechter is niet verplicht herroeping collectieve schuldenregeling uit te spreken bij niet vervullen voorwaarden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De arbeidsrechtbank kan op verzoek van de schuldbemiddelaar of de schuldeisers de schuldbemiddeling herroepen.

De rechter is niet verplicht om de herroeping uit te spreken, ook al stelt hij vast dat is voldaan aan één of meerdere van de herroepingsgronden; de rechter dient de opportuniteit van de herroeping te beoordelen in het licht van alle belangen, zowel die van de schuldenaar als deze van de schuldeisers.
De gronden tot herroeping komen in essentie neer op het niet nakomen van de procedurele goede trouw, wat neerkomt op de loyale en actieve medewerking van de schuldenaar bij de uitvoering van de aanzuiveringregeling.

De herroeping van de collectieve schuldenregeling is een sanctie, zodat de schuldeisers, die zich hierop beroepen, de bewijslast dragen in verband met de verweten tekortkomingen. Zij kunnen dan ook niet volstaan met zomaar nieuwe beweringen voor te brengen, waarvan zij dan aan de schuldenaar tegenwerpen dat hij geen tegenbewijs brengt. Ze draaien aldus de bewijslast om.

Arbeidshof, Brussel, 06/06/2011, AR 2011/AB/00197

 

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 JUNI 2011.
11de KAMER

In de zaak A.R. nr. 2011/AB/197 :

Mevrouw L. M., schuldeiser,

Appellante,

Tegen :

Mevrouw H. M., schuldenaar,
Geïntimeerde,

Mede inzake :

1. HET LEGER DES HEILS V.Z.W. met maatschappelijke zetel gevestigd te 1081 Brussel, Annakerkstraat, 102, waarvoor optreedt de Heer Martin Lievens in de hoedanigheid van schuldbemiddelaar,

2. De Heer C. J., schuldeiser,
3. HET A.B.V.V., schuldeiser, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Rouppeplein, 16, schuldeiser, niet verschijnend,
4. DE N.V. CITIBANK, schuldeiser, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Generaal Jacqueslaan, 263g, niet verschijnend,
5. N.V. ELECTRABEL CUSTOMER SOLUTIONS, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Regentlaan, 8, niet verschijnend,
6. CLOITRE III, schuldeiser, met zetel te 1030 Brussel, Roodebeeklaan, 89, niet verschijnend,
7. SIBELGA CVBA, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Werkhuizenkaai, 16, niet verschijnend,
8. V. S.,
schuldeiser, niet verschijnend,
9. B., schuldeiser,
niet verschijnend,
10. F.O.D. FINANCIEN - ONTVANGKANTOOR MOLENBEEK I, schuldeiser, met kantoren te 1000 Brussel, Sainctelettesquare , 13, niet verschijnend,
11. SANTANDER CONSUMER FINANCE BENELUX BV, schuldeiser, met zetel te 9820 Merelbeke, Guldensporenpark 81, niet verschijnend,
12. N.V. AREMA, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Ravensteinstraat, 68/28, niet verschijnend,
13. N.V. FIDUCRE, schuldeiser, met zetel te 1140 Brussel, Henri Matisselaan, 16, niet verschijnend,
14. N.V. JURI-DESK, schuldeiser, met zetel te 8000 Brugge, Peter Benoitlaan, 48, niet verschijnend,
15. SECUREX INTEGRITY, schuldeiser, met zetel te 1140 Brussel, Genuvestraat, 4, niet verschijnend,
16. VENTURIS, schuldeiser, met zetel te 1310 La Hulpe, Koning Astridlaan, 18A, niet verschijnend,
17. F.G.T.B. schuldeiser, met zetel te 1060 Brussel, Zwedenstraat, 45, niet verschijnend,

 

In de zaak A.R. nr. 2011/AB/00200 :

De Heer C. J., schuldeiser,

Appellant,

Tegen :

Mevrouw H. M., schuldenaar,
Geïntimeerde

Mede inzake :

1. L. M., schuldeiser,

2. V. S., schuldeiser,
niet verschijnend,
3. V.Z.W. LEGERS DES HEILS, met zetel te 1081 Brussel, Sint-Annakerkstraat, 102 voor wie optreedt Mr. Lieven Martin in de hoedanigheid van schuldbemiddelaar,
4. N.V. CITIBANK, schuldeiser, met zetel te 1050 Brussel, Generaal Jacqueslaan 263 g, niet verschijnend,
5. N.V. ELECTRABEL CUSTOMER SOLUTIONS, met zetel te 9000 Gent, Rooseveltlaan, 1, niet verschijnend,
6. CLOITRE, schuldeiser, met zetel te 1030 Brussel, Roodebeeklaan, 89, niet verschijnend,
7. SIBELGA CVBA, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Werkhuizenkaai, 16, niet verschijnend,
8. B., schuldeiser,
35, niet verschijnend,
9. FOD FINANCIEN - ONTVANKANTOOR MOLENBEEK I, schuldeiser, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan, 50/3138, niet verschijnend,
10. SANDER COSUMER FINANCE BENELUX BV, schuldeiser, met zetel te 9820 Merelbeke, Guldensporenpark, 81, niet verschijnend,
11. N.V. AREMAS, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Ravensteinstraat, 68/28, niet verschijnend,
12. N.V. FIDUCRE, schuldeiser, met zetel te 1140 Brussel, Henri Matisselaan, 16, niet verschijnend,
13. N.V. JURI-DESK, schuldeiser, met zetel te 8200 Sint-Michiels, Peter Benoitlaan, 48, niet verschijnend,
14. SECUREX INTEGRITY, schuldeiser, met zetel te 1140 Evere, Genèvestraat, 4, niet verschijnend,
15. A.B.V.B., schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Rouppeplein, 16, niet verschijnend,
16. VENTURIS, schuldeiser, met zetel te 1310 La Hulpe, Avenue Reine Astrid 18 A, niet verschijnend,
17. FGTB, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Zwedenstraat, 45, niet verschijnend.


Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 25 januari 2011 door de 32 ste kamer (R.V. nr. 08/7944/B).
- de verzoekschriften tot hoger beroep in de zaken A.R. nr. 2011/AB/00197 en A.R. nr. 2011/AB/00200 neergelegd ter griffie van dit Hof respectievelijk op 24 februari 2011 en 25 februari 2011;
- de neergelegde besluiten;
- de voorgelegde stukken.
Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 2 mei 2011, waarna de debatten gesloten werden, de zaken in beraad genomen werden en voor uitspraak werden vastgesteld op heden.

I. OVERZICHT VAN DE RECHTSPLEGING.

1. Op 23 augustus 2007 legde mevrouw H. M. een verzoek tot collectieve schuldenregeling neer bij de beslagrechter te Brussel, die bij beschikking van 10 december 2007 dit verzoek toelaatbaar verklaarde en de VZW Het Leger des Heils als schuldbemiddelaar aanstelde.

Op 17 oktober 2007 heeft de schuldbemiddelaar aan de schuldeisers L. en C. bij gerechtsbrief kennis gegeven van de beschikking van toelaatbaarheid.

De heer C. heeft op 5 november 2007 een schuldvordering ingediend; mevrouw L. deed dit op 7 december 2007.

Op 6 december 2007 schrijft de heer C. een brief aan de beslagrechter te Brussel, waarbij hij verzoekt het dossier te herwaarderen en de ontvankelijkheid te onderzoeken; hoewel hij niet uitdrukkelijk de herroeping vraagt, verwijst hij naar artikel 1675/15 Ger. W.

De dochter van mevrouw H., mevrouw S. V., legt op 8 januari 2008 een verzoekschrift tot herroeping neer.
Mevrouw L. legt op 1 april 2008 een verzoekschrift tot herroeping neer.

2. Op 26 augustus 2008 stelt de schuldbemiddelaar een eerste minnelijk aanzuiveringplan op, waarbij hij voorziet in terugbetaling van 78% van de hoofdsommen. Dit plan wordt goedgekeurd door alle schuldeisers met uitzondering van mevrouw L..
Op 10 december 2008 legt de schuldbemiddelaar dit plan ter homologatie voor.

Op 18 september 2009 stelt de schuldbemiddelaar een gewijzigd minnelijk aanzuiveringplan op, dat voorziet in terugbetaling van 100% van de door de schuldbemiddelaar aanvaarde hoofdsommen, waartegen mevrouw L. opnieuw bezwaar aantekent.

De heer C. heeft tegen deze plannen geen bezwaar aangetekend, maar hij legt nu uit dat hij dit niet gedaan heeft omwille van zijn eerdere brief van 6 december 2007.

3. Op 6 november 2009 en 17 november 2009 leggen respectievelijk de heer C. en mevrouw L. een nieuw verzoek tot herroeping neer teneinde alle misverstanden i.v.m. hun vorige verzoeken uit te sluiten.

Deze verzoeken worden behandeld op de terechtzitting van de arbeidsrechtbank te Brussel van 21 december 2010, waar zij in beraad worden genomen; de dochter van mevrouw H., mevrouw S. V., verschijnt niet en dringt klaarblijkelijk niet langer aan op haar oorspronkelijk verzoek tot herroeping.

4. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 25 januari 2011 worden de samengevoegde vorderingen tot herroeping afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond en wordt aan mevrouw H. opgedragen de schuldbemiddelaar in te lichten van alle nieuwe feiten die haar financiële toestand kunnen beïnvloeden. De schuldbemiddelaar dient zijn opdracht verder te zetten.

5. Bij verzoekschriften tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 24 februari 2011 en 25 februari 2011, tekenen respectievelijk de heer C. en mevrouw L. hoger beroep aan tegen dit vonnis en handhaven zij aldus hun verzoeken tot herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid.

II. RELEVANTE FEITEN.

1. Mevrouw H. werd geboren op het eiland Mauritius op 10 februari 1958. Haar vader woont in Mauritius, haar moeder verblijft in België in een rust- en verzorgingstehuis.

Mevrouw L. is haar halfzus en deze had een volmacht op de bankrekening van mevrouw H..

Mevrouw H. was gehuwd met dokter V., met wie ze twee kinderen had, met name S. en Jacques.

In de loop van 1998 won het echtpaar V.- H. de lotto.
De heer V. beheerde het geld, maar verkwistte het naar verluidt ten voordele van een vriendin.

Dokter Jacques V. overleed op 9 juni 1998.

Op 23 oktober 1999 wordt een dochtertje geboren H. K met als vader de heer T. G.

Mevrouw H. leerde een nieuwe vriend kennen, de heer F., met wie ze een latrelatie heeft.

2. In het verzoekschrift collectieve schuldenregeling schrijft mevrouw H.:
Na de dood van mijn man ben ik, samen met de vader van mijn jongste dochter, vertrokken naar Mauritius. Ik heb met mijn geld heel veel schulden van mijn vriend betaald en ook slechte investeringen gedaan. Op een bepaald moment was ik alles kwijt, teruggekeerd naar België en moest ik van 0 beginnen en heb ik schulden gemaakt.

Door bemiddeling van mevrouw L. heeft de heer C. aan mevrouw H. een onderhandse lening van euro 3.000 gegeven om haar uit de nood te helpen. Hiervan werd euro 600 terugbetaald.

Mevrouw H. was gokverslaafd en diende op 31 juli 2007 bij de kansspelcommissie een verzoek in tot toegangsverbod tot speelzalen en casino's.

3. De verzoeken tot herroeping zijn grotendeels gesteund op het feit dat volgens de appellanten mevrouw H. geen voldoende inzicht heeft gegeven in haar daadwerkelijke situatie.

III. BEOORDELING.

1. De hogere beroepen van de heer C. en mevrouw L. werden tijdig ingesteld en voldoen aan de ontvankelijkheidvereisten, wat overigens niet wordt betwist, zodat de hogere beroepen ontvankelijk kunnen worden verklaard.

Beide hogere beroepen zijn gericht tegen hetzelfde vonnis, zodat ze voor een goede rechtsbedeling wegens samenhang dienen te worden samengevoegd.

2. Artikel 1675/15 §1 Ger. W. bepaalt dat de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke aanzuiveringregeling kan worden uitgesproken, wanneer de schuldenaars:

1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;

2° hetzij zijn verplichtingen niet nakomt, zonder dat zich nieuwe feiten voordoen die de aanpassing of herziening van de regeling rechtvaardigen;

3° hetzij onrechtmatig zijn lasten heeft verhoogd of zijn baten heeft verminderd;

4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt;
.
5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd
...

3. De rechter is niet verplicht om de herroeping uit te spreken, ook al stelt hij vast dat is voldaan aan één of meerdere van de herroepinggronden; de rechter dient de opportuniteit van de herroeping te beoordelen in het licht van alle belangen, zowel die van de schuldenaar als deze van de schuldeisers
( P. Dauw, Topics van de collectieve schuldenregeling, p. 75, nr. 110).

In de parlementaire voorbereiding van de wetgeving betreffende de collectieve schuldenregeling werd benadrukt dat de gronden tot herroeping in essentie neerkomen op het niet nakomen van de procedurele goede trouw (Gedr. St. Kamer, 1996-97, 1073/11, 87-88; 1073/1, 17 en 1073/11, 23).
Deze veronderstelt een loyale en actieve medewerking van de schuldenaar bij de uitvoering van de aanzuiveringregeling.

4. In zijn beroepsconclusies bevestigt de schuldbemiddelaar uitdrukkelijk en met nadruk dat er, sinds de beschikking van toelaatbaarheid, een goede en transparante samenwerking is tussen verzoekster en de schuldbemiddelaar, dat verzoekster loyaal is t.a.v. de schuldbemiddelaar, dat zij geen enkel laakbaar, noch bedrieglijk feit gepleegd heeft sinds de start van de procedure die een mogelijke negatieve invloed zou kunnen hebben op het verloop en mogelijk resultaat van deze procedure. De loyale opstelling van verzoekster is eerder lovenswaardig als er rekening gehouden wordt met haar beperkt inkomen, haar gezinssituatie, haar anamnese, haar fragiele persoonlijkheid, haar medische problemen en het strikte budgetbeheer door de schuldbemiddelaar.

De schuldbemiddelaar situeert de verzoeken tot herroeping in het kader van een familieruzie en hij houdt voor dat het toch niet de bedoeling kan zijn dat de herroeping in dit licht wordt ingeroepen.

Mevrouw L. ontkent dit laatste, maar tijdens de behandeling ter zitting werd de vaststelling van de schuldbemiddelaar in verband met de goede en transparante samenwerking bevestigd en alleszins niet ontkend of tegengesproken. Hieruit volgt meteen dat aan mevrouw H. niet kan verweten worden dat ze haar verplichtingen niet zou zijn nagekomen. De tweede herroepinggrond van artikel 1675/15 kan alleszins niet worden weerhouden.

Bovendien heeft het laatst voorliggende plan van minnelijke aanzuiveringregeling tot gevolg dat alle door de schuldbemiddelaar aanvaarde hoofdsommen voor 100% kunnen worden terugbetaald, zodat bij gebeurlijke homologatie van het plan de door de schuldbemiddelaar uitgewerkte regeling in het belang is van alle schuldeisers met inbegrip van de appellanten.

Deze vaststellingen op zich volstaan reeds om de gevorderde herroepingen niet toe te staan wegens inopportuun, zelfs indien in enigerlei mate voldaan zou zijn aan één of meer van de herroepinggronden.

Reeds op basis van die overwegingen, dient het vonnis van de eerste rechter te worden bevestigd en is het hoger beroep ongegrond.

5. Samengevat komen de door de appellanten ingeroepen elementen neer op het verwijt dat mevrouw H. in haar oorspronkelijk verzoek tot collectieve schuldenregeling onvoldoende uitvoerig is geweest en van een aantal zaken geen melding heeft gemaakt.

Nochtans volgt uit de motivering, weergegeven in II. 2, dat ze de essentie van haar ontreddering heeft naar voorgebracht en dat zij hierbij haar duurzame financiële ontwrichting heeft toegelicht.

Wanneer een schuldenaar onvolledig is en bepaalde gegevens vergeet te vermelden, volstaat dit op zich niet voor de herroeping van de regeling, omdat het doelbewust afgeven van onjuiste stukken of het afleggen van onjuiste verklaringen intentioneel dient te zijn met het oog op het aanspraak maken of behouden van de procedure ( Parl. St. Kamer 1996-97, 1073/11, 91). Appellanten insinueren op dit punt veel, maar ze brengen geen enkel relevant bewijs van hun beweringen voor.

Terecht heeft de eerste rechter hierbij opgemerkt dat appellanten in overeenstemming met artikel 1675/16 Ger. W. derdenverzet hadden dienen aan te tekenen tegen de beschikking van toelaatbaarheid, indien ze van mening waren dat het verzoek toelaatbaar was verklaard omwille van het ontbreken van relevante aan de rechter onbekende elementen.

6. Bovendien komen de bezwaren van appellanten heel dikwijls neer op het feit dat zijzelf elementen naar voren brengen, waarbij zij dan aan mevrouw H. verwijten dat ze hiervan geen tegenbewijs levert en dat ze geen stukken voorbrengt.

Aldus gaan appellanten eraan voorbij dat de herroeping van de collectieve schuldenregeling een sanctie is in verband met het niet naleven van de goede trouw tijdens de procedure en dat, wanneer zij zich hierop willen beroepen, zijzelf de bewijslast hebben in verband met hun verwijten. Zij kunnen dan ook niet volstaan met zomaar telkens nieuwe beweringen voor te brengen, waarvan zij dan aan mevrouw H. tegenwerpen dat zij geen tegenbewijs brengt.
Ze draaien aldus de bewijslast om.

7. Het hof kan uit stuk 12 van mevrouw L. niet afleiden dat mevrouw H. een huis zou bezitten op Mauritius. Mevrouw H. legt uit dat de telefoonaansluiting in Mauritius gebonden is aan het huis, zodat deze zonder naamswijziging wordt overgenomen.

Ze heeft in haar verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling aangegeven dat zij in Mauritius veel schulden heeft betaald en ook slechte investeringen heeft gedaan, zodat zij zonder middelen naar België is teruggekeerd, waardoor ze in een financieel duurzaam slechte situatie is terechtgekomen. Appellanten tonen helemaal niet aan dat mevrouw H. hierbij een onjuiste verklaring zou hebben afgelegd en zich zou gesteund hebben op onjuiste stukken.

Mevrouw H. brengt een verklaring van haar vader van 18 september 2009 voor, waaruit volgt dat ze op het eiland Mauritius noch onroerende goederen, noch een voertuig, noch inkomsten heeft, wat hij staaft door een bankattest van 1 juli 2008. Tevens wordt hierin bevestigd dat mevrouw H. gebruik kan maken van het adres van haar vader.

Evenmin tonen appellanten aan dat mevrouw H. in verband met de vereffening en verdeling van de nalatenschap van haar echtgenoot onjuiste gegevens zou hebben meegedeeld, temeer daar zij de documenten in verband met de vereffening en verdeling bij de notaris heeft opgevraagd.

In verband met de timesharing te Portugal doet de schuldbemiddelaar de nodige opzoekingen, maar tot op heden blijkt niet dat hier relevante activa voorhanden zouden zijn. De opzoekingen van de schuldbemiddelaar spreken tegen dat mevrouw H. op dit punt intentioneel bepaalde zaken zou achterhouden met de bedoeling haar reële financiële situatie te verbergen of foutief voor te stellen.

Ook in verband met de latrelatie met de heer F. heeft mevrouw H. niets verborgen gehouden en mevrouw L. bewijst op geen enkele wijze dat zij hieruit meer voordelen zou putten dan dat zij aangeeft.

De verklaring van de moeder van mevrouw H. van 22 april 2008 bewijst niet dat mevrouw H. een titel heeft in verband met eigendommen op het eiland Rodrigues. Gelet op de moeilijke familiale verhoudingen, zoals beschreven in stuk 9 van mevrouw L., moet deze verklaring met de nodige omzichtigheid worden gehanteerd. Indien er een eigendomsoverdracht zou zijn getekend, dan kon de moeder gemakkelijk de titel zelf overmaken.

Het voertuig Citroën Break is een oude wagen van meer dan 10 jaar, die geen noemenswaardig activabestanddeel kan uitmaken. De aankoop van de computer door de zoon in 2006 is irrelevant voor de opgave van de activa van mevrouw H..

Bezwaarlijk kon mevrouw H. in haar aanvraag collectieve schuldenregeling van 23 augustus 2007 melding maken van de onderhoudsgeldregeling, waarvan zij melding maakte in haar conclusies van 16 april 2010, maar die op het ogenblik van de aanvraag nog in betwisting was.

Uit de verklaring van haar broer in Mauritius, Christian, van 20 januari 2010 volgt dat deze wegens financiële moeilijkheden in de onmogelijkheid is om zijn eerder engagement tot terugbetaling van een bedrag met euro 1.000 per maand na te leven. Dit kadert klaarblijkelijk in de foute investeringen die mevrouw H. daar heeft gedaan en waarvan zij melding heeft gemaakt.

De notities in de stukken 1 en 20 van mevrouw L. vormen geen bewijs van de beweringen in verband met het bestaan van andere schuldeisers.

Haar stuk 28 bewijst niet als dusdanig dat zij in februari 2008 naar Mauritius is geweest, wel blijkt eruit dat men zoekt naar de goedkoopste oplossing om via een mogelijk bezoek de familiale banden daar in stand te houden, maar een dergelijke betrachting houdt geen herroepingsgrond in, in de zin van artikel 1675/15 Ger. W.

De overige elementen kunnen evenmin aantonen en hebben alleszins geen voldoende relevantie voor het bewijs dat mevrouw H. tekort zou geschoten zijn in haar procedurele goede trouw en dat ze zich schuldig zou hebben gemaakt aan een van de herroepingsgronden vermeld in artikel 1675/15 Ger. W.

De heer C. brengt geen elementen aan die hierboven nog niet zijn besproken, zodat voor zijn verzoek tot de herroeping dezelfde beoordeling geldt.

De hogere beroepen zijn dan ook ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak t.o.v. de schuldenaar, de schuldbemiddelaar en de schuldeisers Mevrouw M. L. en de Heer C. J. en bij verstek t.o.v. alle andere schuldeisers;

Voegt de hogere beroepen, ingeschreven onder AR 2011/AB/197 en 2011/AB/200 samen;

Verklaart deze hogere beroepen ontvankelijk, doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verzendt de zaak opnieuw naar de arbeidsrechtbank te Brussel voor verder gevolg.

Aldus gewezen en uitgesproken door de 11de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 juni 2011,

 

 

 

Nog dit: 

Arbeidsrechtbank te Brugge 18 november 2013 NJW 2014(305), 566

Samenvatting

Sinds 1 september 2013 kan een collectieve schuldenregeling door de rechter enkel worden herroepen, mits bedrieglijk opzet. (nieuw art. 1675/15 § 1 lid 1, 2° Ger.W. sinds de wet van 14/01/2013).

Wanneer de schuldenaar niet meer meewerkt met de collectieve schuldenregeling en er anderzijds geen bewijs van bedrieglijk opzet kan worden bewezen, meende de arbeidsrechter te Brugge (volgens ons ten onrechte) dat weliswaar de herroeping niet kon worden uitgesproken maar er wel uit dit gebrek aan medewerking een (stilzwijgende) afstand van geding door de schuldenaar kon worden afgeleid.

De afstand van geding beëindigt de procedure van collectieve schuldenregeling, maar is geen herroeping zodat de sanctie van de vijfjarige wachttermijn ex artikel 1675/2 lid 3 Ger.W. geen toepassing vindt (op zich is deze gevolgtrekking correct).

Tekst vonnis

V.W.,[ ... ]

verzoekende partij in collectieve schuldenregeling,[ ... ]

en

1. Fod financien - dom. & pen.boeten Gent,[ ... ]

Z. OCMW Sint-Niklaas, [ ... ] 3. D.V.D.B., [ ... ]

schuldeisers en/of personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld

nog inzake:

Mr. Vinciane Delbaere, [ ... ],inde hoedanigheid van schuldbemiddelaar.

nog inzake:

L.K.,[ ... ] schuldenaar

1. PROCEDURE EN DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

Bij beschikking van lZ maart 2°13 werd de heer V.W. toegelaten tot de collectieve schuldenregeling.

Op 6 juni 2°13 legde de schuldbemiddelaar een verzoek tot herroeping neer ter griffie.

[ ... ]

ll. BEOORDELING

1. Omtrent het verzoek tot herroeping

1.1 De schuldbemiddelaar vraagt de herroeping van de beschikking van lZ maart 2°13, waarbij de heer V.W. werd toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, om reden dat hij zijn verblijfkosten in het opvangcentrum niet betaalt, hij thans zonder gekende woonplaats is en niet meer op zijn werk verschijnt. Ook worden sinds juni 2°13 geen inkomsten meer ontvangen op de rubriekrekening.

1.2 Artikel 1675/15, § 1 bepaalt: [ ... ]

Artikel 1675/2, derde lid, Ger.W., zoals gewijzigd bij artikel 78 van de wet van 14 januari 2°13 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie thans van toepassing, stelt thans:

"De persoon waarvan de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsprocedure werd herroepen bij toepassing van artikel 1675/15, § 1, [. .. ] kan gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis van herroeping geen verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen".

1.3 De herroeping, zoals voorzien in artikel 1675/15, § 1 Ger.W., is bedoeld als sanctie voor de toegelaten schuldenaar die tijdens de procedure collectieve schuldenregeling (bij wet bepaalde) "bedrieglijke daden" stelt. De sanctie in geval van herroeping, zoals bepaald bij artikel 1675/2, 3a, lid Ger.W. beoogt immers, aldus de memorie van toelichting, elke nieuwe aanvraag tegen te gaan van een toegelaten schuldenaar, van wie de procedure collectieve schuldenregeling wordt herroepen "om redenen van bedrieglijke daden zoals bedoeld in artikel 1675/15, § 1, (1° en 3° tot 5°)" (Pari. St. Kamer, memorie van toelichting, 1996- 1997, 1073/1, p. 19).

Artikel 78 van de wet van 14 januari 2°13 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie heeft de sanctie, voorzien in artikel 1675/2, 3a, lid Ger.W., uitgebreid tot alle in artikel 1675/15, § 1 Ger.W. opgesomde gronden, inzonderheid tot artikel 1675/15, § 1, 20 Ger.W. (niet nakomen van verplichtingen). Hierdoor moet aangenomen worden dat de herroeping ex artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W., naar analogie met de overige gronden, slechts uitgesproken kan worden n.a.v. een bedrieglijke daad, d.w.z. wanneer de toegelaten schuldenaar met bedrieglijk opzet zijn verplichtingen niet is nagekomen.

Dat tengevolge de wetswijziging van 14 januari 2°13 voortaan een bedrieglijk opzet vereist is bij een herroeping ex artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W., kan ook afgeleid worden uit de wil van de wetgever om "de verschillende redenen voor herroeping (. .. ) op gelijke voet" te stellen (te behandelen) en "de termijn van 5 jaar verplicht te maken die geldt voor de andere redenen in verband met fraude vanwege de schuldenaar" (Pari. St. Kamer, 2°11-2°12, doc 53, 1804/008, p. 2; 1804/016, p. 78-79).

Anders voorhouden, lijkt bovendien in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De verantwoording van een werklastvermindering voor de griffies van de arbeidsrechtbanken is, naar oordeel van de rechtbank, niet redelijk om onderscheiden categorieën van personen m.n., enerzijds, schuldenaars die bedrieglijke daden hebben gesteld ex artikel 1675/15, § 1, 1 ° en 3° tot 5° Ger.W. en, anderzijds, schuldenaars die ex artikel 1675/15, § 1, 1 ° Ger.W. zonder bedrieglijk opzet hebben gehandeld - op gelijke wijze te sanctioneren/behandelen (d.m.v. herroeping, met vijf jaar uitsluiting).

Dit geldt a fortiori nu de specifieke verantwoording om de sanctie vanaf 1 september 2°13 uit te breiden naar artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W., m.n. om "een toename van de herhaalde bij de griffie ingediende verzoeken (. .. ) te beperken" (Pari. St. Kamer, 2°11-2°12, doc 53, 1804/008, p. 2; 1804/008, p. Z), nergens cijfermatig wordt onderbouwd, minstens sterk moet worden gerelativeerd, zoals blijkt uit de statistieken van de centrale voor kredieten aan particulieren bij de Nationale Bank van België (cfr. statistisch verslag 2012, kredietcentrale particulieren, www. nbb.be). [Slechts 4,2 % van de dossiers collectieve schuldenregeling werden in 2012 herroepen (op basis van artikel 1675/15, § 1, 1 ° tot 5° Ger.W.). Het betreft hier in totaal 4.249 zaken (101.155 x 4,2/100) in België. Het aantal herroepingen uitsluitend op grond van artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W. is onbekend, doch bedraagt slechts een fractie van voornoemd aantal herroepingen (20%?). Bovendien legt niet iedereen, die uitsluitend ex artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W. wordt herroepen, een nieuw verzoek neer ter griffie om (opnieuw) toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling. Van een overrompeling van "wederindieningen" (na een herroeping ex artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W.) is derhalve geen sprake!]

Uit al het voorgaande leidt de rechtbank af dat de wetgever, met de wet van 14 januari 2013, de toepassing van een herroeping ex artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W. heeft willen verstrengen (beperken), inzonderheid door vanaf 1 september 2013 een bedrieglijk opzet te vereisen, zoals dat het geval is voor de overige gronden tot herroeping, en zulks in tegenstelling tot de periode vóórafgaand aan de wetswijziging, toen een inbreuk op de goede trouw volstond om ex artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W. een herroeping te bekomen, weliswaar zonder sanctie. [Dit alles heeft tot gevolg dat de vroegere rechtsleer en rechtspraak m.b.t. artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W. slechts met de nodige omzichtigheid mag worden toegepast op huidige situatie.]

Degene die de herroeping vordert, draagt de bewijslast van de tekortkomingen die hij de schuldenaar(s) verwijt, evenals van het "bedrieglijk opzet" die eraan ten grondslag moeten liggen.

De herroeping is bovendien geen automatische maatregel, zelfs niet indien de toegelaten schuldenaar daden of tekortkomingen kan worden verweten die een dergelijke maatregel tot gevolg zouden moeten hebben. Het komt de rechter toe te oordelen of de gepleegde fouten te wijten zijn aan een slecht begrip van de procedure en haar gevolgen, dan wel aan de wil van de toegelaten schuldenaar zich met bedrieglijk opzet te onttrekken aan zijn verplichtingen. De rechter oordeelt of de zwaarwichtigheid van de sanctie in verhouding staat tot de ingeroepen feiten Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de belangen van alle partijen, evenals met de zwaarte van de sanctie (vijf jaar uitsluiting) die sinds 1 september 2013 voortvloeit uit elke beslissing tot herroeping (Arbh. Gent, 14 oktober 2013, A.R. nr. 2013/AG /168, onuitgeg).

1.4 De aan de heer V.W. verweten gedragingen moeten, zowel op zich als in hun geheel, worden gekwalificeerd als een inbreuk op artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W.

De bij artikel 1675/15, § 1, 2° Ger.W. bepaalde grond om de herroeping te vragen, impliceert niet automatisch dat de toegelaten schuldenaar met bedrieglijk opzet aan zijn verplichtingen t.a.v. zijn schuldeisers en/of de schuldbemiddelaar poogde te ontsnappen. Zowel het materieel element (bij wet bepaalde grond) als het moreel element (bedrieglijk opzet) moet bewijskrachtig worden aangetoond.

Uit het onvermogen van de schuldenaar zijn inkomsten en/of uitgaven te beheren, kan, zonder bijkomend bewijs, op zich geen bedrog (fraude) worden afgeleid. Ook de vaststelling dat betrokkene, nadat hij het opvangcentrum diende te verlaten, niet langer zijn medewerking verleende aan de schuldbemiddelaar en/of niet meer op het werk verscheen, bewijst op zich niet dat hij handelde met bedrieglijk inzicht.

Elk bewijs terzake ontbreekt. Het is immers niet uitgesloten dat de aangevoerde tekortkomingen te wijten zijn aan een persoonlijke crisis (overmacht), dan wel voortvloeien uit een slecht begrip van de procedure en haar gevolgen. [Wat mogelijk is nu betrokkene, die werd toegelaten bij beschikking van 12 maart 2013, nog niet lang vertrouwd was met de procedure collectieve schuldenregeling.] Tenslotte dient opgemerkt te worden dat, op enkele maanden tijd, bijna één derde van de totale schuld werd opgespaard, wat evenmin doet blijken van een bedrieglijk inzicht bij de heer V.W.

Elk overtuigend bewijs van bedrieglijk opzet ontbreekt, zodat niet voldaan is aan de constitutieve elementen om een herroeping op grond van artikel 1675/15, § 1 Ger.W. uit te spreken.

In alle geval is, naar oordeel van de rechtbank, de sanctie voorzien in artikel 1675/2, 3a, lid Ger.W. in casu niet in het belang van de schuldeisers, en bovenal buiten elke proportie, vermits het aannemelijk voorkomt dat de heer V.W. zich binnen een korte(re) termijn (dan vijf jaar) herpakt en uitsluitend door middel van de maatregelen voorzien bij artikel 1675/2, e.v. Ger.W. [De maatregelen voorzien bij de wet op de collectieve schuldenregeling van 5 juli 1998 zijn immers bedoeld om de negatieve schuldspiraal, ten gevolge oplopende interesten en kosten, te doorbreken en alle schuldeisers (en niet alleen de bevoorrechte) op gelijke wijze (pro rata) te laten genieten van een (gedeeltelijke) terugbetaling van hun schuldvorderingen.] tot beter fortuin komt, waardoor hij zijn schuldeisers, in de mate van het mogelijke, (vroeger) zal kunnen terugbetalen, temeer zijn schuld beperkt is tot 7. 751,91 euro.

Uit al het voorgaande volgt dat het verzoek tot herroeping ex artikel 1675/15, § 1 Ger.W. als ongegrond wordt afgewezen.

2. Omtrent de toepassing van artikel 820, e.v. Ger.W.

2.1 De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddelaar, tengevolge het (niet) handelen van de heer V.W. sedert juni 2013, niet langer in de mogelijk is het doel van de wet op de collectieve schuldenregeling van 5 juli 1998 te realiseren.

2.2 Het (niet) handelen van de heer V.W. sedert juni 2013, inzonderheid het niet langer naleven van zijn verplichtingen (medewerking verlenen, inkomsten overmaken aan schuldbemiddelaar, enz.), zonder dat hieraan een (bewezen) bedrieglijk inzicht ten grondslag ligt, moet in casu worden opgevat als een afstand van geding als bedoeld bij artikel 820, e.v. Ger.W.

Een partij kan afzien van de rechtspleging die zij begonnen is. Alsdan doet zij afstand van geding ex artikel 820 Ger.W. Deze afstand is geoorloofd in alle zaken (artikel 823, 2a, lid, Ger.W.). Afstand van geding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn. De stilzwijgende afstand vereist toestemming noch betekening. De aangenomen afstand van geding heeft van rechtswege tot gevolg dat de zaken tussen de betrokken partijen over en weer in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest was (art. 826, 1° lid, Ger.W.).

Door vanaf april 2013 niet langer vrijwillig mee te werken met de schuldbemiddelaar en tevens zonder bedrieglijk opzet af te zien van de aan de procedure verbonden verplichtingen, heeft de heer V.W., gelet op voornoemde met elkaar overeenstemmende feiten, stilzwijgend, doch zeker, zijn wil te kennen gegeven af te zien van zijn (lopende) procedure collectieve schuldenregeling. Voornoemde blijkt tevens uit het gegeven dat betrokkene nooit ter zitting is verschenen (Artikel 824 Ger.W., in X., Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, p. 35, voetnoot *2).

2.3 Deze vorm van beëindiging van de procedure is geen herroeping van de aanzuiveringsregeling als bedoeld in artikel 1675/15, § 1 Ger.W., zodat de bij artikel 1675/2, in fine, Ger.W. voorziene sanctie hier geen toepassing vindt.

De rechtbank merkt wel op dat, in het licht van al het voorgaande, het lichtzinnig neerleggen van een nieuwe verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling desgevallend als rechtsmisbruik zou kunnen worden opgevat.

[ ... ]

OM DEZE REDENEN

[ ... ]

Ontvangen het verzoek tot herroeping, doch wijzen het af als ongegrond. Nemen akte van de afstand van geding in hoofde van de heer V.W.

Zeggen voor recht dat de procedure collectieve schuldenregeling, waartoe de heer V.W. werd toegelaten bij beschikking van 12 maart 2013, beëindigd is.

[ ... ]

Kritische noot

C. Van Severen, Wet van 14 januari 2013 wijzigt (de gevolgen van) de herroeping van de procedure van collectieve schuldenregeling, NJW2014 (305), 569.

De auteur bespreekt de werking van art. 1675/2 lid 3 Ger.W.
De auteur wijst erop dat dit standpunt van de arbeidsrechtbank ingaat tegen de duidelijke tekst van artikel 1675/15 § 1 lid 1, 2° j° 1675/2 lid 3 Ger.W., noch in de parlementaire voorbereiding van de wet van 14 januari 2013 (Pari. St. Kamer 2011-12, nr. 53K1804/8, 2; Parl.St. Kamer 2011-12, nr. 53K1804/16, 78-79).
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 07/09/2017 - 05:53
Laatst aangepast op: do, 07/09/2017 - 05:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.