-A +A

Rechter moet laattijdige conclusies weren. De rechter mag geen opportuniteitsoordeel vellen of de sanctie milderen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De tijdigheid van een conclusie hangt af van 3 voorwaarden:

• de tijdige neerlegging ter griffie (tijdens de openingsuren van de griffie)

• de tijdige toezending aan de tegenpartij (hetgeen per fax kan tot middernacht)

• de afwezigheid van een akkoord tussen partijen om andere conclusietermijnen af te spreken.

De rechter kan dus niet zomaar op eigen initiatief conclusies uit het debat weren. De rechtbank heeft immers geen kennis (tenzij deze wordt voorgelegd) wanneer een conclusie aan de tegenpartij werd toegezonden en vooral of er geen ander akkoord is tussen de partijen. Er zal dus steeds een debat dienen vooraf te gaan alvorens een rechter zomaar conclusies uit het debat kan weren.

De vraag stelt zich verder of de wering van laattijdige conclusies een autonome sanctie is (zoals verdedigd door K. Wagner, sancties in het burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu 2007, 360) dan wel of er toch niet belang dient aangetoond in hoofde van de partij die om de wering van de conclusies verzoekt.

Gelet op de verschillende standpunten ter zake (zie cassatie 20.04.2007, A.C. 2007, 836 en RW 2010-11, 954, versus M. De Corte, Hoe autonoom is het procesrecht, studie van enkele raakvlakken tussen materiaal recht en gerechtelijk recht in M. Storme, Procesrecht vandaag, Antwerpen, Kluwer 1980, 22) is het aangewezen om toch steeds het belang aan te tonen wanneer men de wering van de conclusies vordert.

Het nut van termijnen beoogt het efficiënte procesverloop, zo stelt D. Scheers, in “Termijnen van goede wil”, RW 2011-2012, 1214.

Met betrekking tot de tijdige toezending per telefax aan de tegenpartij, stelt zich de vraag naar het bewijs van de datum en het uur van de verzending.

Ter zake kan verwezen worden naar het Cassatiearrest van 04.12.2006 zoals verschenen bij het RW 2006-07, 1522 met noot T. Toremans; NJW 2007, 567 met noot Peeters.

Elk normaal faxtoestel vermeldt een datum en uur van verzending.

Bovendien maakt het verzendrapport melding of de verzending al dan niet succesvol is verlopen.

Natuurlijk kan men het toestel manipuleren. Maar kwader trouw wordt niet vermoed.

Natuurlijk kan de tegenpartij melden dat hij een totaal onleesbaar exemplaar heeft gekregen, een blanco fax of een zwarte fax. Het is dan aan de tegenpartij om onmiddellijk te reageren naar het faxnummer van de afzender dat hij een onleesbaar exemplaar of een blanco exemplaar heeft gekregen bij gebreke waaraan een verweer in die zin zou falen.

Voor een tepassing zie Brussel 18.11.1997, JLMB 1998, 1139.
 

• Cass. 21/04/2017, AR C.16.0418.N, besproken door Jelle Flo in de Juristenkrant, 350 van 24 mei 2017, pag 7, Rechter moet laattijdige conclusies weren

Nr. C.16.0418.N
1. J. C. D. V.,
2. A. H.,
eisers,
tegen
BNP PARIBAS FORTIS nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 september 2015.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt op dat het middel geen belang vertoont aangezien in geval van vernietiging niets belet dat de verweerster haar tweede appelconclusie alsnog opnieuw voor de verwijzingsrechter indient.

2. Het belang van een middel wordt objectief beoordeeld in het licht van een mogelijke vernietiging van de bestreden beslissing en niet op grond van de voort-zetting van het geding voor de verwijzingsrechter.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

3. Krachtens artikel 747, § 2, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt de rech-ter het aantal conclusies en de uiterste datum waarop de conclusies ter griffie moe-ten worden neergelegd en toegezonden aan de andere partij, alsmede de datum en het uur van de pleitzitting en de duur ervan.

Krachtens het zesde lid van diezelfde bepaling worden, onverminderd de toepas-sing van de in artikel 748, § 1 en § 2, bedoelde uitzonderingen, de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegen-partij gezonden, ambtshalve uit het debat geweerd.

4. Wanneer de rechter bij toepassing van de voormelde bepaling termijnen bepaalt om conclusie te nemen, moeten telkens zowel de neerlegging van de conclusie ter griffie als de toezending ervan aan de tegenpartij binnen de bepaalde termijn plaatsvinden.

De enkele toezending van de conclusie aan de tegenpartij binnen de door de rechter bepaalde termijn voldoet niet aan het wettelijke vereiste.

In voorkomend geval moet de rechter de laattijdig ter griffie neergelegde conclusie uit het debat weren, ook al is ze tijdig aan de tegenpartij gezonden.

5. Het hof van beroep stelt vast dat:

- de eisers hun conclusie dienden neer te leggen op 15 april 2015 en de verweer-ster op 15 mei 2015;
- de eisers op 15 april 2015, zijnde de laatste dag van de hen toegekende termijn, hun conclusie ter griffie hebben neergelegd;
- de eisers niet betwisten dat de verweerster haar syntheseconclusie en stukken aan hen heeft bezorgd op 15 mei 2015, zijnde de laatste dag van de haar toegekende termijn;
- de verweerster haar conclusie pas ter griffie heeft neergelegd op 20 mei 2015.

6. Het hof van beroep oordeelt vervolgens dat aangezien voor de eisers geen termijn van repliek was bepaald en de verweerster als laatste kon concluderen, er geen reden is om de conclusie van de verweerster die binnen de termijn aan de ei-sers is medegedeeld, ambtshalve uit het debat te weren omdat zij pas enkele dagen na het verstrijken van de termijn ter griffie is neergelegd.

7. Door aldus te oordelen, schendt het bestreden arrest artikel 747, § 2, Gerechtelijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 21 april 2017 uitgesproken

26406/W/2/

VOORZIENING IN CASSATIE

Aan het Hof van Cassatie van België

geeft te kennen:

1. de heer J. C. D. V., en
2. mevrouw A. H.,
samen wonende te,
eisers tot cassatie,

De eisers, voornoemd, verklaren hierbij zich in cassatie te voorzien tegen het hieronder nader omschreven arrest en cassatieberoep aan te tekenen tegen de hier-onder nader aangewezen partij.

I. BESTREDEN UITSPRAAK EN PARTIJ WAARTEGEN CASSATIE-BEROEP WORDT AANGETEKEND

Dit cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 15 september 2015 door de veertiende bis kamer van het hof van beroep te Gent, werd gewezen in de zaak, ingeschreven op de algemene rol onder het nummer 2014/AR/3245, van de ei-sers, als appellanten, tegen:

de naamloze vennootschap BNP PARIBAS FORTIS, met vennootschaps-zetel te 1000 Brussel, aan de Warandeberg 3, en met het ondernemings-nummer 0403.199.702,
toen geïntimeerde, thans verweerster in cassatie,

en tegen die verwerende partij.

Deze voorziening in cassatie is gesteund op de volgende twee middelen en con-clusies.

II. FEITEN EN RETROACTA VAN DE PROCEDURE

1. Het voorliggende geschil betreft een uitvoerend beslag op onroerend goed.

Bij beschikking van de beslagrechter te Oudenaarde van 23 januari 1997 werd de aanstelling vernieuwd van notaris Goeminne, die al bij beschikking van 26 augus-tus 1994 op verzoek van de verweerster werd aangesteld en belast met de veiling van de in beslag genomen onroerende goederen van de eisers, en de verrichtingen van rangregeling en evenredige verdeling.

2. Met een exploot van 21 maart 1997 tekenden de eisers derdenverzet aan tegen de beschikking van 23 januari 1997.

Bij beschikking van 21 mei 1997 werd het verzet ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en werden de kosten van het verzet ten laste van de massa gelegd.

3. Tegen de beschikking van 21 mei 1997 tekenden de eisers op 13 augustus 1997 hoger beroep aan.

Na ambtshalve weglating, werd de zaak eind 2014 opnieuw op de rol gebracht.

In een arrest van 15 september 2015 bevestigt het hof van beroep de bestreden beschikking in al zijn onderdelen, en veroordeelt het de eisers tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep.

Tegen dat arrest voeren de eisers de volgende twee middelen tot cassatie aan.

III. MIDDELEN

Eerste middel

MIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 747, § 2, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek
- voor zoveel als nodig, artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep het hoger beroep toe-laatbaar maar ongegrond. Het hof van beroep bevestigt de bestreden beslissing in al haar onderdelen en veroordeelt de eisers tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep.

Het hof van beroep neemt die beslissingen op grond van alle overwegingen en motieven waarop zij steunen, die hier als integraal hernomen worden beschouwd, en in het bijzonder op de volgende overwegingen:

"I. Wat betreft het verzoek van [de eisers] tot wering van de be-roepsconclusie en stukken van [de verweerster]

1.1. Ter zitting van 23 juni 2015 vraagt de raadsman van [de eisers] de ambtshalve wering uit de debatten van de tweede beroepsconclusie van [de verweerster], neergelegd ter griffie van het hof op 20 mei 2015. Hij vraagt ook de wering uit de debatten van de stukken 4a tot en met 6 uit "Bewijsstukken VI" van [de verweerster] die hem niet zouden zijn meege-deeld.

1.2. [De verweerster] verzet zich tegen de wering van zowel haar tweede beroepsconclusie als van de stukken, dit omdat zowel de conclusie als de stukken tijdig aan [de eisers] zouden zijn overgemaakt, zoals bepaald in de beschikking van 24 februari 2015. Volgens [de verweerster] is voldaan aan de doelstelling van artikel 747 Ger.W. in die zin dat [de eisers] tijdig kennis hebben kunnen nemen van het standpunt en de stukken van [de verweer-ster] en hierop hebben kunnen reageren.

1.3. Onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§1 en 2 bedoelde uitzonderingen, worden de conclusies die na het verstrijken van de termij-nen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambts-halve uit de debatten geweerd.

Het [hof van beroep] stelt vast dat [de eisers] tijdig, op de laatste dag van de hen toegekende termijn, hun conclusie ter griffie hebben neergelegd. Het wordt door [de eisers] niet betwist dat [de verweerster] haar synthese-conclusie en stukken aan hen heeft bezorgd op vrijdag 15 mei 201[5], hetzij de laatste dag van de hen toegekende termijn. De conclusie werd echter pas ter griffie neergelegd op woensdag 20 mei 2015.

Conclusies die buiten de wettelijke termijn ter griffie zijn neergelegd, worden door de rechter ambtshalve uit het debat geweerd wanneer niet blijkt dat zij vóór het verstrijken van de termijn aan de tegenpartij zijn overgelegd [...]. [De eisers] hebben de conclusie en stukken van [de verweerster] ont-vangen voor het verstrijken van de termijn. Nu voor hen geen termijn van repliek was bepaald en [de verweerster] als laatste kon concluderen, is er geen reden om de conclusie van [de verweerster] die binnen de termijn aan [de eisers] is medegedeeld, ambtshalve uit het debat te weren omdat zij enkele dagen na het verstrijken van de termijn pas ter griffie is neergelegd.

Ook de stukken van [de verweerster] werden meegedeeld aan [de eisers] binnen de termijn bepaald voor de neerlegging van de conclusies. Uit de artikelen 747 en 748 Ger.W. vloeit niet voort dat de afwezigheid van over-legging van de conclusies of de laattijdige overlegging ervan de wering tot gevolg heeft van de stukken die regelmatig werden meegedeeld aan de te-genpartij binnen de termijn bepaald voor de neerlegging van de conclusie [...].

Aangezien [de verweerster] het bewijs levert dat op haar rust dat haar con-clusies en stukken binnen de daartoe verleende conclusietermijn werden gezonden aan [de eisers], zonder dat deze het tegendeel bewijst, beslist op basis hiervan de conclusies en stukken van [de verweerster] in aanmerking te nemen. Door aldus te beslissen wordt geen enkele wettelijke bepaling miskend, noch het algemeen rechtsbeginsel betreffende de naleving van het recht van verdediging en van artikel 6.1 E.V.R.M. [...]."
(p. 3, midden, en p. 4, van het bestreden arrest).

Grieven

1. Artikel 747, § 2, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, onver-minderd de toepassing van de in artikel 748, §§ 1 en 2 bedoelde uitzonderingen, welke in deze zaak niet van toepassing zijn, de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten worden geweerd.

Ook artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet overigens in eenzelfde sanctie. Zo bepaalt artikel 748, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat in de zaken waarin artikel 735 niet van toepassing is, de conclusies neergelegd ter griffie of gezonden aan de tegenpartij na het in artikel 750 bedoelde gezamenlijk verzoek om bepaling van de rechtsdag, ambtshalve uit de debatten worden ge-weerd. Luidens paragraaf 2, laatste lid, van hetzelfde artikel worden de conclusies die ter griffie zijn neergelegd of aan de andere partij gezonden na het verstrijken van de termijnen vastgesteld als bepaald in dat artikel, ambtshalve uit de debatten geweerd.

De door de rechter vastgestelde termijnen om conclusie te nemen, zijn dwingend. Wanneer een partij de rechter vraagt om een laattijdige conclusie uit het debat te weren, mag de rechter het belang van die partij niet beoordelen.

2. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan en uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de verweerster haar conclusie uiterlijk op 15 mei 2015 diende neer te leggen (bevelschrift van 24 februari 2015; p. 3, bovenaan, van het bestreden arrest).

Eveneens blijkt uit de stukken van het rechtsplegingsdossier waarop uw Hof ver-mag acht te slaan en uit de vaststellingen van het bestreden arrest, dat de verweer-ster haar conclusie pas op 20 mei 2015 neerlegde ter griffie (p. 3, tweede alinea, en p. 4, eerste lid, van het bestreden arrest).

Het hof van beroep beslist de conclusie die de verweerster laattijdig ter griffie neerlegde op 20 mei 2015 toch in aanmerking te nemen op de gronden dat (p. 4, tweede en vierde alinea, van het bestreden arrest):
- conclusies die buiten de wettelijke termijn ter griffie zijn neergelegd, door de rechter ambtshalve uit het debat worden geweerd wanneer niet blijkt dat zij vóór het verstrijken van de termijn aan de tegenpartij zijn overgelegd,
- de eisers de conclusie en de stukken van de verweerster hebben ontvangen vóór het verstrijken van de termijn,
- aangezien er voor de eisers geen termijn van repliek was bepaald en de verweer-ster als laatste kon concluderen, er geen reden is om de conclusie van de ver-weerster die binnen de termijn aan de eisers is meegedeeld, ambtshalve uit het debat te weren omdat zij pas enkele dagen na het verstrijken van de termijn ter griffie is neergelegd,
- aangezien de verweerster het bewijs levert dat haar conclusie binnen de daartoe verleende termijn werd gezonden aan de eisers, zonder dat deze het tegendeel bewijzen, de conclusie in aanmerking kan worden genomen.

Door aldus te beslissen en te weigeren de laattijdig neergelegde conclusie van de verweerster uit de debatten te weren op grond dat de eisers de conlcusie hebben ontvangen vóór het verstrijken van de termijn, er voor hen geen termijn van repliek was bepaald en de verweerster als laatste kon concluderen, miskent het hof van beroep artikel 747, § 2, zesde lid, en artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek.

Conclusie
De beslissing van het hof van beroep de laattijdig neergelegde conclusie van de verweerster in aanmerking te nemen, is niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 747, § 2, zesde lid, en 748 van het Gerechtelijk Wetboek).

TOELICHTING

Het eerste middel behoeft geen toelichting.

Tweede middel

MIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

de artikelen 5, 17, 18, 1042, 1033, 1122, 1395 en 1494 van het Gerechtelijk Wet-boek

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep het hoger beroep toe-laatbaar maar ongegrond. Het hof van beroep bevestigt de bestreden beslissing in al haar onderdelen en veroordeelt de eisers tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep.

Het hof van beroep neemt die beslissingen op grond van alle overwegingen en motieven waarop zij steunen, die hier als integraal hernomen worden beschouwd, en in het bijzonder op de volgende overwegingen:

"IV. Beoordeling

4.1. Voorwerp van het geschil tussen partijen is het derdenverzet dat [de eisers] op 21 maart 1997, hetzij meer dan 18 jaar geleden, hebben ingesteld tegen de beschikking van 23 januari 1997, waarbij notaris GOEMINNE werd benoemd met de opdracht om over te gaan tot de veiling en de verrichtingen van rangregeling m.b.t. de onroerende goederen van [de ei-sers] gelegen te ..., ..., waarop [de verweerster] uitvoerend beslag had laten leggen.

Inmiddels zijn de betrokken onroerende goederen reeds definitief verkocht in 2002 en bestaat er betwisting tussen partijen omtrent de rangregeling die door de notaris is opgesteld, welke discussie het voorwerp uitmaakt van een andere procedure voor de beslagrechter te Oudenaarde, die bij tus-senbeschikking een deskundigenonderzoek heeft bevolen om de afreke-ning op te stellen.

[De verweerster] betwist vooreerst de toelaatbaarheid van het hoger beroep en vervolgens de gegrondheid ervan.

A. Wat betreft de geldigheid van de beroepsakte

[...]

B. Wat betreft de gegrondheid van het hoger beroep

4.4. In zijn verzet tegen de aanstelling van de notaris kan de beslagene grieven doen gelden zowel betreffende de regelmatigheid van de procedure, als betreffende de titel zelf. De beslagene kan bezwaren formuleren tegen de uitvoerbaarheid van de titel van de schuldeiser, over het zeker en vaststaande karakter van de schuldvordering of over de actualiteit van de titel.

De beslagrechter moet enkel nagaan of de schuldeiser beschikt over een ti-tel, die uitvoerbare kracht bezit en of er sprake is van een zekere, vast-staande en opeisbare schuldvordering, alsook of de procedurevoorschriften werden nageleefd.

4.5. [De verweerster] betwist[...] de gegrondheid van het verzet van [de ei-sers] op de volgende gronden:
- rechtsverwerking: [de eisers] hebben in de beroepsprocedure gedu-rende meer dan 17 jaar geen enkel initiatief genomen en door hun stilzitten hun rechten verwerkt;
- schending van het recht van verdediging van [de verweerster];
- de procedure uitvoerend onroerend beslag bevindt zich reeds in een eindstadium en de aanstelling van de notaris kan niet meer worden betwist;
- de door [de eisers] nieuw aangehaalde middelen kunnen niet in aan-merking worden genomen, gelet op artikel 1625, lid 2 Ger.W.;
- de betwistingen van [de eisers] i.v.m. de afrekening van [de verweer-ster] hebben betrekking op de rangregeling, die het voorwerp uitmaakt van een andere procedure.

4.6. [De eisers] hebben reeds in vele procedures op basis van dezelf-de/gelijkaardige argumenten obstructie gevoerd tegen de tenuitvoerlegging door [de verweerster]. Tot op heden zijn alle verzetsprocedures van [de ei-sers] tegen de opeenvolgende uitvoeringshandelingen van [de verweerster] afgewezen als ontoelaatbaar of ongegrond.

Huidige procedure betreft het derdenverzet van [de eisers], dat zij reeds 18 jaar geleden hebben ingesteld tegen de beschikking tot aanstelling van no-taris GOEMINNE dd. 23 januari 1997 en dat bij de thans voor dit hof be-streden beschikking dd. 21 mei 1997 als ongegrond werd afgewezen.

[De verweerster] legde een eerste conclusie neer op 1 oktober 1997, de zaak werd ingeleid op 8 oktober 1997 en ter zitting van 11 oktober 2001 wegens gebrek aan enige activiteit in hoofde van [de eisers] ambtshalve weggelaten van de rol.

De zaak werd op verzoek van [de eisers] meer dan 17 jaar na inleiding op-nieuw vastgesteld voor behandeling.

4.7. [...]

4.8. [...]

4.9. Het [hof van beroep] dient thans te onderzoeken of het verzet van [de eisers] al dan niet gegrond is.

Zoals blijkt uit artikel 1625 Ger.W. kan de beslagene in hoger beroep geen andere middelen voordragen dan wie welke in eerste aanleg zijn aange-voerd.

De kern van het verzet van [de eisers] - reeds opgeworpen in hun ver-zetsakte van 1997 - kwam erop neer dat [de verweerster] niet beschikte over een vaststaande en opeisbare schuld ten aanzien van hen op grond van de diverse hypotheekakten. Zij handhaaft deze grond van verzet en meent deze thans te kunnen steunen op het gezag van gewijsde van een recente beschikking van de beslagrechter te Oudenaarde dd. 2 oktober 2013 in het kader van de rangregeling, reden waarom zij de beroepsproce-dure tegen de afwijzing van haar verzet na vele jaren opnieuw geactiveerd heeft.

[De verweerster] is volgens [de eisers] overgegaan tot onrechtmatige uit-voering om volgende redenen:
- één schuld was niet authentiek vastgelegd en derhalve niet vat-baar voor executie tenzij mits vonnis;
- één akte sloeg niet op het pand te ..., ...., maar op een pand te ..., ... en kon bijgevolg niet dienen voor de uitwinning van het pand aan de ...;
- de kredieten zijn nooit opgezegd bij gebrek aan aangetekend schrijven;
- elke betaling diende eerste te worden aangerekend op de hypo-thecaire schuld (art. 1256 W.B.);
- de vier titels bevatten niet alle noodzakelijke elementen om de exacte schuld te bepalen, zodat zij geen uitvoerbare titel verlenen;
° voor één van de vier hypotheken is de onderliggende schuld-vordering nog steeds niet eisbaar en betwist, want niet notarieel vastgesteld, maar enkel bij brief dd. 7 maart 1990 toegekend;
° een tweede hypotheek, hypothecair gewaarborgd op het onroe-rend goed aan de ..., werd reeds gerealiseerd, het goed werd verkocht in der minne op 21.10.1994 en de schuld was al afbe-taald op het moment dat de uitvoering van het pand aan de ... een aanvang nam;
° het goed aan de ... kan slechts worden uitgewonnen op basis van de twee overige hypotheekakten voor een nominaal bedrag van 148.736,11 EUR en niet voor het bedrag van 278.956,64 EUR, zoals weerhouden in het bevel tot betaling;
- [de verweerster] heeft nooit de betalingen van [de eisers] geïmpu-teerd zodat artikel 1256 B.W. van toepassing was;
- [de verweerster] heeft nog nooit een volledige en deugdelijke afre-kening voorgelegd, in het bijzonder wat betreft de interesten, die overdreven zijn, alsook het afsluiten van de rekening-couranten, de oorsprong, het bedrag en de imputatie van de diverse afbetalingen;
- dat geen rekening-courant meer kon openstaan lastens [de eisers], gelet op de faling van de vennootschappen aan wie de kredieten werden toegekend en de persoonlijke faling van [de eiser] in juni 1998;
- er werd nooit een rechtmatig einde gesteld aan de kredietovereen-komsten, zodat de kredieten nog niet opeisbaar kunnen zijn;
- enkel een degelijke en deugdelijke afrekening, met duidelijke ver-melding van de datum van het ontstaan van de schuld van [de ei-sers], ten genoege van recht bewezen aan de hand van onbe-twistbare stukken, kan hierover uitsluitsel geven.

Samengevat betreft de grief van [de eisers] de uitvoerbaarheid van de titel en het zekere en vaststaande karakter van de schuldvordering van [de verweerster]. Zij hebben de verzetsprocedure na 18 jaar geactiveerd omdat zij menen tot staving van hun verzet te kunnen verwijzen naar een recente beschikking van de beslagrechter te Oudenaarde in het kader van de be-twisting van de rangregeling.

Zij werpen op dat de afrekening van de vordering van [de verweerster] wel-iswaar moet behandeld worden in het kader van de rangregeling, maar in-dien deze afrekening er niet komt, blijven [de eisers] verstoken van hun recht op een exacte afrekening en kunnen verder interesten aangerekend worden.

4.10. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat [de verweerster] [haar] schuld-vordering [baseert] op verschillende uitvoerbare titels, met name enkele no-tariële akten van hypothecair gewaarborgde kredietopeningen.

De opeenvolgende hypotheekakten dd. 20 mei 1988, 28 september 1990, 11 december 1991 waarborgen telkens de terugbetaling van alle bedragen die [de eisers] aan de bank verschuldigd zouden kunnen zijn als gevolg van de kredietopening, alsook van alle bedragen die de kredietnemer - geza-menlijk of afzonderlijk op één of meerderen van hen samen met anderen en/of alleen of samen met anderen - verschuldigd zouden zijn aan de bank uit hoofde van alle bankverrichtingen ongeacht hun aard, borgstellingen of andere persoonlijke waarborgen.

De hypotheekstellingen werden verleend "voor alle sommen", niet enkel tot het specifieke krediet dat bij de betrokken akten werd verleend, maar ook tot waarborg van alle andere verplichtingen van de kredietnemers die voortvloeien uit alle mogelijke financiële verplichtingen die [de eisers] in het kader van hun handelsrelatie met de bank hebben aangegaan.

De hypothecaire akten, waarop [de verweerster] de uitwinning heeft geba-seerd, zijn uitvoerbare titels die in principe als basis konden dienen voor de gedwongen uitvoering op het onroerend goed aan de Kapellestraat 200 te Ronse, mits de schuld van [de eisers] op basis van deze akten zonder re-delijke betwisting kon worden bepaald.

Onder deze voorwaarden kon [de verweerster] overgaan tot gedwongen tenuitvoerlegging op de onroerende goederen van [de eisers] ter invordering van haar schuldvordering.

4.11. Het [hof van beroep] stelt evenwel vast dat er tussen partijen ernstige betwisting bestaat omtrent het precieze bedrag van de resterende schuld-vordering van [de verweerster] waarvan zij betaling eist krachtens de ver-schillende notariële hypotheekakten.

In het kader van de rangregeling heeft immers de beslagrechter te Ouden-aarde, omwille van deze aanhoudende betwisting, bij beschikking van 2 ok-tober 2013 een boekhouding en financieel onderzoek bevolen wat betreft de schuldvordering van [de verweerster].

In deze beschikking, die gezag van gewijsde heeft welke zich opdringt aan [het hof van beroep], oordeelde de beslagrechter dat de door [de verweer-ster] voorgelegde afrekening onduidelijk is en dat volgens hem op de op-merkingen van de beslagenen niet voldoende wordt geantwoord.

De beslagrechter stelde vast dat hem geen gedetailleerde afrekening werd voorgelegd door [de verweerster] van de sommen die zij heeft ontvangen van de gefailleerde vennootschappen.

Verder overwoog de beslagrechter het volgende:

"In de brief van [de verweerster] dd. 7 april 1997 wordt er melding gemaakt van de aanwending van de ontvangen bedragen, doch niet van het restant, wat er overblijft na betaling. Voor Ons is het eveneens onduidelijk.

Het is ook vreemd dat er in rekening-courant sprake is van bedragen in mindering gebracht van interesten, waar in een rekening-courant er na een bepaalde tijd een saldo dient te worden gevormd en de inte-resten hun identiteit verliezen.

In de éne rekening worden bedragen in mindering gebracht op het kapitaal, in de andere op de interesten. De aanwending van de gelden lijkt willekeurig.

Terecht werpen [de eisers] op dat na de falingen de kredieten dienden opgezegd en er geen verrekening in rekening-courant meer kan geschieden.

Het saldo van de rekening dient opgemaakt.

Interesten mogen geen interesten opbrengen (dichotomie).

Het lijkt aangeraden dat het kluwen van rekeningen dient onderzocht door een financieel expert.

De kosten zullen voorgeschoten worden door de massa, via de in-strumenterende notaris."

Deskundige Johan Dewaele werd bij voormelde beschikking d. 2 oktober 2013 aangesteld om na te gaan:
- welke de schuld was, openstaand op datum van de falingen en op-eisbaarstelling van de rekeningen, in kapitaal en intresten;
- advies te verstrekken of de geïmputeerde bedragen volgens schrij-ven van [de verweerster] aan Mter. Verroken Koen dd. 7 april 1997 correct zijn geschied;
- de afrekening van [de verweerster] dd. 27 mei 2002 eveneens te controleren, in navolging van het voorgaande;
- rekening houdend met de verleende hypothecaire waarborgen, na te gaan welke opbrengsten van de gerealiseerde activa konden en kunnen geïmputeerd worden op de voorgelegde openstaande be-dragen;
- aan de hand van een verder correct verloop van aanrekening van interesten (niet in rekening-courant) advies te verlenen over de juiste inhoud van de bedragen in het proces-verbaal van rangregeling;
- te antwoorden op de pertinente aansluitende [vragen] van partijen;
- het bedrag van het gebeurlijk saldo te bepalen.

4.12. Op datum van 13 april 2015 liet de door de beslagrechter aangestelde deskundige weten dat hij geen verslag kon opstellen bij gebreke aan het verschaffen van de nodige en gevraagde documenten door [de verweerster] ondanks het feit dat de beslagrechter bij beslissing van 21 januari 2015 uiteindelijk nog een laatste termijn had toegekend tot 15 april 2015 met verplichting aan [de verweerster] om de nodige stukken tijdig over te maken, in de volgende bewoordingen:

"Verlengt de termijn voor het neerleggen van het voorverslag tot 15 april 2015 onder voorbehoud van neerlegging door de N.V. BNP Paribas Fortis van alle nodige stukken. Bevelen de N.V. BNP Paribas Fortis voor zoveel als nodig om aan de deskundige de nodige stukken tijdig over te maken."

Aan dit verzoek werd door [de verweerster] blijkbaar geen gevolg gegeven, zodat de deskundige geen verslag kon opstellen binnen de voorziene ter-mijn. [De verweerster] liet op 14 april 2015 weten dat één en ander langere tijd op zich laat wachten ten gevolge van de ouderdom van het dossier.

4.13. Hoewel het geschil omtrent de afrekening van de schuldvordering van [de verweerster] dient te worden beslecht in het kader van de rangregeling, die het voorwerp uitmaakt van een andere procedure voor de beslagrechter te Oudenaarde, kan het [hof van beroep] op grond van de voorliggende stukken niet besluiten dat [de verweerster] ten tijde van het beslag niet be-schikte over een zekere, vaststaande en eisbare schuldvordering.

Alleen blijkt op basis van de vaststellingen van de beslagrechter in de be-schikking van 2 oktober 2013 en de recente mededeling van de aangestel-de deskundige dat:

- niet duidelijk was wat het saldo van de schuldvordering was, wat er overblijft na betaling,
- dat het ook vreemd is dat er in rekening-courant sprake is van be-dragen in mindering gebracht van intresten, waar in een rekening-courant er na een bepaalde tijd een saldo dient te worden gevormd en de intresten hun identiteit verliezen;
- dat in de éne rekening worden bedragen in mindering gebracht op het kapitaal, in de andere op de intresten en de aanwending van de gelden willekeurig lijkt;
- dat [de eisers] terecht hebben opgeworpen dat na de falingen de kredieten dienden opgezegd en er geen verrekening in rekening-courant meer kan geschieden;
- dat het saldo van de rekening dient opgemaakt en dat dit tot op he-den nog steeds niet is geschied.

Aangezien de gedwongen invordering inmiddels werd verdergezet en de onroerende goederen werden gerealiseerd, kan de discussie:
- omtrent de precieze omvang van de ten uitvoer gelegde schuldvor-dering enkel nog het voorwerp uitmaken van de betwisting in het kader van de rangregeling, die hangende is voor de beslagrechter te Oudenaarde en afhankelijk is van de resultaten van het deskundig onderzoek dat door deze is bevolen;
- omtrent het al dan niet rechtmatig karakter van de voortgezette ten-uitvoerlegging en de mogelijke schadevergoeding die hiervoor door [de verweerster] verschuldigd is,
enkel beoordeeld worden door de bevoegde rechter na beslechting van het eerstgenoemde geschil in het kader van de rangregeling.

De vraag of [de verweerster] zich heeft schuldig gemaakt aan tergende en roekeloze uitwinning (openbare verkoping) kan pas beoordeeld worden na-dat met zekerheid is komen vast te staan dat [de verweerster] destijds is overgegaan tot gedwongen uitvoering zonder te beschikken over een schuldvordering. Over deze vordering kan dit [hof van beroep] hic et nunc geen uitspraak doen.

Het probleem van de omvang van de schuldvordering, de intresten en de aanrekening van de betaalde bedragen en de problemen inzake de toe-passing van artikel 1256 B.W. (toerekening betaling), kortom het geschil omtrent de verschillende punten waarover de beslagrechter te Oudenaarde een deskundig onderzoek heeft bevolen, moet nog worden behandeld in de procedure m.b.t. de rangregeling.

Het precieze bedrag van de nog openstaande schuld dient thans aan het einde van deze procedure te worden geëvalueerd en terzake werd een deskundige aangesteld bij voornoemd vonnis. Het [hof van beroep] kan op basis van de voorliggende gegevens enkel besluiten dat de deskundige tot op heden nog geen afrekening kon voorleggen bij gebrek aan documenten en inlichtingen vanwege [de verweerster].

Het hoger beroep van [de eisers] tegen de beschikking van 21 mei 1997 is ongegrond, mede bij gebrek aan voorwerp. Het [hof van beroep] stelt vast dat het verzet gericht was tegen de aanstelling van een notaris met het oog op de gedwongen realisatie van het onroerend goed, dat inmiddels - na afwijzing van het derdenverzet van [de eisers] bij de bestreden beschikking dd. 21 mei 1997 - reeds op risico van [de verweerster] is verkocht en defi-nitief toegewezen in 2002, hetzij 13 jaar geleden.

Thans rest enkel nog de discussie m.b.t. de rangregeling waarmee dit [hof van beroep] niet is gevat en het geschil nopens het tergend en roekeloos karakter van de tenuitvoerlegging, dat pas kan beoordeeld worden na be-slechting van de betwisting m.b.t. de rangregeling."
(p. 8, onderaan, tot p. 18, van het bestreden arrest).
Grieven

1.1. Artikel 1033 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat al wie niet in de-zelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, verzet kan doen tegen de be-slissing die zijn rechten benadeelt.

Luidens artikel 1122, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussen gekomen, derdenverzet doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan.

Inzake de positie van de derde oefent de rechter die van het derdenverzet kennis neemt, zijn volledige rechtsmacht uit over hetgeen in de bestreden beslissing is beslist. Binnen die grenzen mag de derde alle middelen in feite en in rechte aan-voeren.

De rechter die van een derdenverzet kennisneemt, moet, in dezelfde omstandighe-den als de eerste rechter, nagaan of de procedure op verzoekschrift regelmatig is en of de door de eerste rechter bevolen maatregelen gegrond zijn.

1.2. Alle vorderingen betreffende middelen tot tenuitvoerlegging worden krach-tens artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek voor de beslagrechter gebracht.

Krachtens artikel 1494, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, mag geen uit-voerend beslag op roerend of onroerend goed gelegd worden dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken.

De beslagrechter is bevoegd om te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt, niet is teniet gegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval die niet meer actueel is en de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn.

1.3. Uit de samenlezing van de artikelen 1033, 1122, 1395 en 1494 van het Ge-rechtelijk Wetboek volgt dat de rechter die kennis neemt van een derdenverzet te-gen een uitvoerend derdenbeslag, moet nagaan of de tenuitvoerlegging rechtmatig is. In dat kader komt het de rechter toe te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt niet is teniet gegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn.

Met toepassing van de voornoemde bepalingen en de artikelen 17, 18 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek blijft de beslagrechter ook in beroep bevoegd kennis te nemen van de betwisting over de rechtmatigheid van een uitvoerend beslag en zal hij, ook wanneer de uitwinning zich reeds heeft gerealiseerd, toch moeten nagaan of de beslissing van de eerste rechter verantwoord was.

2. Zoals blijkt uit de stukken van het rechtsplegingsdossier en uit de vaststellingen van het bestreden arrest, betwistten de eisers met hun derdenverzet de actualiteit van de titel van de verweerster, betwistten zij het bestaan van een vaststaande en opeisbare schuld en voerden zij aan dat de uitvoering onrechtmatig is (p. 5, randnr. 2.3, en p. 12 en 13, randnr. 4.9, van het bestreden arrest; zie ook de akte "Derdenverzet" van 21 maart 1997 en de "Conclusies" van de eisers gedateerd 15 april 2015).

Het hof van beroep overweegt dat de hypothecaire akten waarop de verweerster de uitwinning heeft gesteund, uitvoerbare titels zijn die in principe als basis kon-den dienen voor de gedwongen uitvoering op het onroerend goed gelegen te Ron-se, aan de Kapellestraat 200, mits de schuld van de eisers op basis van die akten zonder redelijke betwisting kon worden bepaald, en dat de verweerster onder die voorwaarden kon overgaan tot gedwongen tenuitvoerlegging op de onroerende goederen van de eisers ter invordering van haar schuldvordering (p. 14, randnr. 4.10, van het bestreden arrest).

Vervolgens overweegt het hof van beroep dat tussen de partijen ernstige betwis-ting bestaat over het precieze bedrag van de resterende schuldvordering van de verweerster waarvan zij betaling eist krachtens de verschillende notariële hypo-theekakten (p. 14, onderaan, van het bestreden arrest) en verwijst het hof van be-roep naar een beschikking van de beslagrechter van 2 oktober 2013 waarin werd geoordeeld dat de door de verweerster voorgelegde afrekening onduidelijk is en de opmerkingen van de eisers niet voldoende worden beantwoord, en waaruit het hof van beroep ook citeert (p. 15 van het bestreden arrest). Ook stelt het hof van beroep vast dat in de beschikking van 2 oktober 2013 een financieel expert werd aangesteld en dat deze geen verslag kon opstellen binnen de voorziene termijn (p. 16 van het bestreden arrest).

Het hof van beroep wijst het hoger beroep van de eisers vervolgens af als onge-grond, op de gronden dat:
- hoewel het geschil omtrent de afrekening van de schuldvordering van de ver-weerster dient te worden beslecht in het kader van de rangregeling, die het voorwerp uitmaakt van een andere procedure voor de beslagrechter te Ouden-aarde, het hof van beroep op grond van de voorliggende stukken niet kan be-sluiten dat de verweerster ten tijde van het beslag niet beschikte over een zeke-re, vaststaande en eisbare schuldvordering (p. 16, onderaan, en p. 17, boven-aan, van het bestreden arrest),
- op basis van de vaststellingen van de beslagrechter in de beschikking van 2 ok-tober 2013 en de recente mededeling van de aangestelde deskundige alleen blijkt dat:
• niet duidelijk was wat het saldo van de schuldvordering was, wat er overblijft na betaling,
• het ook vreemd is dat er in rekening-courant sprake is van bedragen in mindering gebracht van intresten, waar in een rekening-courant er na een bepaalde tijd een saldo dient te worden gevormd en de intresten hun identi-teit verliezen;
• in de ene rekening bedragen in mindering worden gebracht op het kapitaal, in de andere op de intresten en de aanwending van de gelden willekeurig lijkt;
• de eisers terecht hebben opgeworpen dat na de falingen de kredieten dienden opgezegd en er geen verrekening in rekening-courant meer kan geschieden;
• het saldo van de rekening dient opgemaakt en dat dit tot op heden nog steeds niet is geschied (p. 17, tweede alinea, van het bestreden arrest),
- aangezien de gedwongen invordering inmiddels werd verdergezet en de onroe-rende goederen werden gerealiseerd, de discussie:
(1) omtrent de precieze omvang van de ten uitvoer gelegde schuldvordering enkel nog het voorwerp kan uitmaken van de betwisting in het kader van de rangregeling, die hangende is voor de beslagrechter te Oudenaarde en af-hankelijk is van de resultaten van het deskundig onderzoek dat door deze is bevolen;
(2) omtrent het al dan niet rechtmatig karakter van de voortgezette tenuitvoer-legging en de mogelijke schadevergoeding die hiervoor door de verweerster verschuldigd is,
enkel beoordeeld kan worden door de bevoegde rechter na beslechting van het eerstgenoemde geschil in het kader van de rangregeling (p. 17, derde alinea, van het bestreden arrest),
- de vraag of de verweerster zich heeft schuldig gemaakt aan tergende en roeke-loze uitwinning (openbare verkoping) pas beoordeeld kan worden nadat met zekerheid is komen vast te staan dat de verweerster destijds is overgegaan tot gedwongen uitvoering zonder te beschikken over een schuldvordering; dat het hof van beroep over deze vordering hic et nunc geen uitspraak kan doen (p. 17, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest),
- het probleem van de omvang van de schuldvordering, de intresten en de aan-rekening van de betaalde bedragen en de problemen inzake de toepassing van artikel 1256 van het Burgerlijk Wetboek (toerekening betaling), kortom het ge-schil omtrent de verschillende punten waarover de beslagrechter te Oudenaarde een deskundig onderzoek heeft bevolen, nog moet worden behandeld in de procedure m.b.t. de rangregeling (p. 17, onderaan, en p. 18, bovenaan, van het bestreden arrest),
- het precieze bedrag van de nog openstaande schuld thans aan het einde van deze procedure dient te worden geëvalueerd en terzake een deskundige werd aangesteld bij voornoemd vonnis; dat het hof van beroep op basis van de voor-liggende gegevens enkel kan besluiten dat de deskundige tot op heden nog geen afrekening kon voorleggen bij gebrek aan documenten en inlichtingen vanwege de verweerster (p. 18, tweede alinea, van het bestreden arrest),
- het hoger beroep van de eisers tegen de beschikking van 21 mei 1997 onge-grond is, mede bij gebrek aan voorwerp; dat het hof van beroep vaststelt dat het verzet gericht was tegen de aanstelling van een notaris met het oog op de ge-dwongen realisatie van het onroerend goed, dat inmiddels - na afwijzing van het derdenverzet van de eisers bij de bestreden beschikking dd. 21 mei 1997 - reeds op risico van de verweerster is verkocht en definitief toegewezen in 2002, hetzij 13 jaar geleden (p. 18, derde alinea, van het bestreden arrest),
- thans enkel nog de discussie rest m.b.t. de rangregeling waarmee dit hof van beroep niet is gevat en het geschil nopens het tergend en roekeloos karakter van de tenuitvoerlegging, dat pas kan beoordeeld worden na beslechting van de betwisting i.v.m. de rangregeling (p. 18, vierde alinea, van het bestreden arrest).

De omstandigheid dat het hoger beroep van de eisers ongegrond is in zoverre de gedwongen uitvoering al is geschied, neemt niet weg dat de appelrechter gehou-den is de rechtmatigheid van het uitvoerend beslag na te gaan, minstens na te gaan of de beslissing van de eerste rechter verantwoord was op het ogenblik dat hij uit-spraak deed.

Het hof van beroep oordeelt dat het op grond van de voorliggende stukken niet kan besluiten dat de verweerster ten tijde van het beslag niet beschikte over een zekere, vaststaande en eisbare schuldvordering (p. 16, onderaan, en p. 17, boven-aan, van het bestreden arrest), waarmee echter niet wordt vastgesteld dat wel een zekere, vaststaande en eisbare schuldvordering voorhanden was. Uit geen van de vaststellingen en overwegingen van het bestreden arrest blijkt of volgt dat de ver-weerster op het ogenblik van de beschikking van 21 mei 1997 beschikte over een uitvoerbare en actuele titel op grond waarvan het uitvoerend beslag rechtmatig was. Integendeel volgt uit de overwegingen van het hof van beroep dat het al dan niet rechtmatig karakter van de voortgezette tenuitvoerlegging enkel beoordeeld kan worden door de bevoegde rechter na beslechting van het geschil over de pre-cieze omvang van de ten uitvoer gelegde schuldvordering in het kader van de rangregeling, en dat de vraag of de verweerster zich heeft schuldig gemaakt aan tergende en roekeloze uitwinning pas beoordeeld kan worden nadat met zekerheid is komen vast te staan dat de verweerster destijds is overgegaan tot gedwongen uitvoering zonder te beschikken over een schuldvordering en het hof van beroep over die vordering hic et nunc geen uitspraak kan doen, dat het hof van beroep de rechtmatigheid van het uitvoerend beslag niet nagaat.

Door het hoger beroep van de eisers af te wijzen zonder na te gaan of en vast te stellen dat de verweerster beschikte over een uitvoerbare titel, waarin een zekere en vaststaande schuld ligt vervat en die nog steeds actueel was op het ogenblik van de uitspraak van de eerste rechter, miskent het hof van beroep de artikelen 17, 18, 1042, 1033, 1122, 1395 en 1494 van het Gerechtelijk Wetboek.

Door op de voornoemde gronden het hoger beroep van de eisers ongegrond te verklaren, maakt het hof van beroep zich bovendien schuldig aan rechtsweigering, aangezien het hof van beroep weigert recht te spreken onder voorwendsel dat de beoordeling van de rechtmatigheid van het uitvoerend beslag hem niet toekomt (schending van artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek).

Conclusie
De beslissing van het hof van beroep dat het hoger beroep ongegrond is, is niet naar recht verantwoord (schending van alle in de aanhef van het middel opgesom-de wettelijke bepalingen).


TOELICHTING

Het tweede middel behoeft geen toelichting.

OM DEZE REDENEN

Concluderen de eisers dat het uw Hof behage

- de bestreden beslissing te vernietigen,
- de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep,
- uitspraak te doen over de kosten als naar recht.


Gent, 27 september 2016

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 25/07/2017 - 18:50
Laatst aangepast op: di, 25/07/2017 - 19:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.