-A +A

De rechten van de reiziger bij annulatie en vertraging in de luchtvaart

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wettelijke bron: Verordening EG nr. 261/2004 inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten

In tegenstelling tot de vertraging wordt in de verordening wel de annulatie gedefinieerd. De annulatie is het niet uitvoeren van een geplande vlucht waarop ten minste 1 plaats was geboekt.

Bij de annulatie van een vlucht heeft een passagier recht op volledige terugbetaling van zijn ticket, hetzij een andere vlucht naar zijn bestemming.

Verder heeft de passagier recht op verzorging. Deze verzorging impliceert gratis maaltijden, verfrissingen en 2 telefoongesprekken, telex, fax of e-mailberichten. Zo nodig, heeft de passagier ook recht op een hotelkamer met inbegrip van vervoer van en naar de luchthaven (art. juncto 8 en art. 5 juncto 9 van de verordening).

Ten slotte heeft de passagier recht op een financiële compensatie tussen 250 en 600 € afhankelijk van de afstand van de vlucht behoudens in een aantal uitzonderingen.

Bij de vertraging van een vlucht, in tegenstelling tot de annulatie is er geen sprake van een financiële compensatie. Afhankelijk van de duur van de vertraging, respectievelijk 2, 3, 4 uur of meer en dit in functie van het aantal af te leggen kilometers, dient de luchtvaartmaatschappij in te staan voor gratis maaltijden, verfrissingen, telefoongesprekken (2), telex, fax of e-mailberichten en zo nodig een hotelkamer met vervoer van en naar de luchthaven.

Wanneer er een vertraging is van tenminste 5 uur kan de luchtvaartpassagier kiezen voor volledige terugbetaling van het ticket, dan wel in retourvlucht.

Volgens een arrest van het Hof van Justitie van 19.11.2009 is een vlucht vertraagd indien de oorspronkelijke planning wordt uitgevoerd en de daadwerkelijke vertrektijd later valt dan de geplande vertrektijd, terwijl de annulatie van een vlucht impliceert dat de oorspronkelijk geplande vlucht niet wordt uitgevoerd.

De implicaties zijn zeer verregaande, aangezien het Hof van Justitie zeer duidelijk stelde dat hoelang de vertraging ook weze, er geen sprake is van annulatie wanneer er uiteindelijk toch wordt vertrokken.

Meldingen op het vertrekbord van de luchthaven zijn ter zake niet relevant voor de kwalificatie. Wanneer dus op het vertrekbord staat “geannuleerd”, kan de luchtvaartpassagier zich hierop niet beroepen om te stellen dat er annulatie van de vlucht plaatsvond wanneer deze later toch werd uitgevoerd.

Een luchtvaartpassagier die geconfronteerd wordt met vertraging of annulatie heeft recht op het bekomen van een informatiebrochure waarin zijn rechten worden uitgelegd en die hij moet kunnen bekomen aan de incheckbalie of bij de boarding gate.

 

Rechtsleer: 

• Vertraagde en geannuleerde vluchten in de Europese luchtvaart; een reis doorheen de criteria van het Hof van Justitie, Renzo Van Der Bruggen, DCCR nr. 96, pag. 5 en volgende.

• R. Steenot en S. Dejonghe, handboek Consumentenbescherming en handelspraktijken in de reeks instituut financieel recht, Antwerpen, Intersentia 2007, 602 en volgende.

• Marek Verhoeven, Cassatie bevestigt: vertraagde vliegtuigpasssagiers hebben wel degelijk recht op compensatie (bespreking van Cass. 12/10/2017, C.17.0278.N, juridat), De juristenkrant, 22 november 2017, pagina 2

• Vertraagde en geannuleerde vluchten in de Europese luchtvaart: een vlucht doorheen de criteria van het Hof van Justitie, DCCR 96, 5 (Beschikbaar in bibliotheek Advocatenkantoor Elfri De Neve)

 


 

In het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) nr. 217 van 24 februari 2010, p. 136 en volgende bestudeert Marek Verhoeven de rechten van vliegtuigpassagiers in het licht van deze Europese verordening. Hij behandelt hierin:

- het toepassingsgebied van de verordening,
- de rechten en plichten van vliegtuigpassagiers,
- de toezichthoudende instanties.

de volledige bijdrage is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rechtspraak: 

Cassatie 12/10/2017, AR C.17.0278.N, juridat

Nr. C.17.0278.N
G. M.,
eiser,
tegen
THOMAS COOK AIRLINES BELGIUM nv, met zetel te 1831 Diegem (Ma-chelen), Bedrijvenzone Diegem-Luchthaven 45,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de vrederechter van het kanton Vilvoorde, van 3 maart 2016.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

1. Krachtens artikel 7 van Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parle-ment en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke re-gels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en an-nulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: Passagiersverordening) hebben de passagiers, wanneer naar dit artikel wordt verwezen, recht op compensatie.

Artikel 5, eerste lid, Passagiersverordening bepaalt dat in geval van annulering van een vlucht de betrokken passagiers recht hebben op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.

Krachtens het derde lid van deze bepaling is een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstan-digheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

Artikel 6 Passagiersverordening verwijst in geval van vertraging van een vlucht niet naar de in artikel 7 bedoelde compensatie.

2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat de artikelen 5, 6 en 7 Passagiersverordening aldus moeten worden uitgelegd dat passagiers van vertraagde vluchten voor de toepassing van het recht op schade-vergoeding met passagiers van geannuleerde vluchten kunnen worden gelijkgesteld en aldus aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van deze verordening bedoelde compensatie, wanneer zij door een vertraging van de vlucht drie of meer uren tijd verliezen, dat wil zeggen wanneer zij hun eindbestemming drie of meer uren na de door de luchtvaartmaatschappij oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken. Een dergelijke vertraging verleent de passagiers evenwel geen recht op compensatie indien de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, dat wil zeggen van omstandigheden waarop de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen (HvJ 19 november 2009, Sturgeon, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, r.o. 69; HvJ 23 oktober 2012, Nelson, gevoegde zaken C-581/10 en C-629/10, r.o. 40; HvJ 18 april 2013, Germanwings GmbH, zaak C-413/11, r.o. 19).

Het Hof van Justitie oordeelt dat, gelet op het met de Passagiersverordening nage-streefde doel om de bescherming van alle luchtreizigers te verhogen, passagiers van vluchten met drie uur vertraging of meer niet anders mogen worden behan-deld dan passagiers van geannuleerde vluchten, aangezien een dergelijke ongelijke behandeling niet legitiem gerechtvaardigd is gelet op de met deze verordening nagestreefde doelstellingen (HvJ 19 november 2009, Sturgeon, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, r.o. 60; HvJ 23 oktober 2012, Nelson, gevoegde zaken C-581/10 en C-629/10, r.o. 37).

3. Krachtens artikel 19, eerste lid, VEU verzekert het Hof van Justitie van de Europese Unie de eerbiediging van het recht bij de uitleg en toepassing van de Verdragen.

Krachtens artikel 19, derde lid, b), VEU en artikel 267, eerste lid, VWEU is het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslis-sing, een uitspraak te doen a) over de uitleg van de Verdragen, b) over de geldig-heid en de uitleg van de handelingen van de instellingen, de organen of de instan-ties van de Unie.

Artikel 267, tweede lid, VWEU bepaalt dat, indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, deze in-stantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie kan verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

Het derde lid bepaalt dat, indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, deze instantie gehouden is zich tot het Hof te wenden.

4. Een op een prejudiciële vraag gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindt niet slechts de verwijzende rechter, maar ook elke andere nationale rechter, wat betreft de uitleg van de in het geding zijnde bepalingen van Unierecht, onder voorbehoud van de mogelijkheid voor deze nationale rechter om een nieuwe vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

5. Door de artikelen 5, 6 en 7 Passagiersverordening in die zin uit te leggen dat passagiers van vluchten met drie uur vertraging of meer geen aanspraak kunnen maken op compensatie, en zich niet gebonden te achten door de op prejudiciële vraag gewezen arresten van het Hof van Justitie die aan voormelde bepalingen een andere uitleg geven, zonder nochtans een nieuwe vraag te stellen aan het Hof van Justitie, schendt het bestreden vonnis alle in het middel aangevoerde wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar het vredegerecht van het eerste kanton Leuven.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer en in openbare rechtszitting van 12 oktober 2017 uitgesproken 

VOORZIENING IN CASSATIE

 

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer het in eerste en laatste aanleg en op tegenspraak gewezen vonnis van het Vredegerecht van het kanton Vilvoorde van 3 maart 2016 aan Uw beoordeling te onderwerpen (A.R. nr. 15A2741).

 

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

• de artikelen 5, 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: "Passagiersverordening")
• de artikelen 2, 4, 13 en 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals van kracht na het Verdrag tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Lissabon op 13 december 2007 en goedgekeurd bij wet van 19 juni 2008 (hierna: "VEU")
• de artikelen 267 en 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals van kracht na het Verdrag tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Lissabon op 13 december 2007 en goedgekeurd bij wet van 19 juni 2008 (hierna: "VWEU")
• het in het Unierecht geldende gelijkheidsbeginsel
• het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het Unierecht
• het in de Unie geldende samenwerkingsbeginsel
• het in het Unierecht geldende algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis verklaart de vordering van eiser ongegrond en verwijst eiser in de kosten van het geding, zijn beslissing op volgende motieven steunend (p. 2-3):

"Aanlegger baseert zijn vraag tot het bekomen van een financiële compensatie op de Verordening 261/2004. Uit de artikels 5 en 7 van hogervermelde verordening resulteert dat passagiers na annulering van hun vlucht recht hebben op bepaalde schadevergoedingen. Tevens verwijt hij aan verweerster dat ondanks hun vroege aanwezigheid op de luchthaven zij geen gebruik mochten maken van een vroegere vlucht, die ogenschijnlijk niet volgeboekt was, en m.a.w. vrije plaatsen had.

Aanlegger argumenteert dat op basis van bepaalde Europese rechtspraak ook passagiers van langdurig vertraagde vluchten wiens vlucht niet werd geannuleerd, maar enkel 3 uur of meer vertraagd werden, kunnen aanspraak maken op de vergoedingen voorzien in artikel 7 van hogervermelde verordening.

Wij, Vrederechter, kunnen Ons niet terugvinden in deze verregaande interpretatie die op geen enkele tekst berust. Wij kunnen alleen maar vaststellen dat er geen wettelijke, algemeen verbindende bepaling voorhanden is, noch in het nationaal recht, noch in het Europese en internationaal recht, die voorziet dat luchtvaartmaatschappijen verplicht zijn om aan hun passagiers een financiële vergoeding te betalen, telkens wanneer hun vlucht een bepaalde vertraging heeft opgelopen.

Uit de artikels 6 tot en met 9 van de passagiersverordening kunnen Wij nergens afleiden dat benadeelde passagiers recht zouden hebben op een vergoeding bij een vertraging. Artikel 6 van de passagiersverordening stipuleert, dat in geval van vertraging van de vlucht, er een andere bescherming is voorzien om de passagiers op te vangen nl. maaltijd/drankje/eventueel hotel-accommodatie.

Aanlegger overstelpt Ons met allerlei internationale uitspraken waaruit het tegendeel zou moeten blijken. Wij merken op dat in tegenstelling tot de passagiersverordening de rechtspraak van het Europees Hof geen algemeen verbindende werking heeft. Deze rechtspraak is alleen maar bindend voor de rechter die de zaak heeft voorgelegd aan het Hof.

Voor Ons, Vrederechter is de passagiersverordening in haar huidige vorm duidelijk. Deze voorziet geen geldelijke vergoeding bij vertraging. Wij houden Ons aan de letterlijke toepassing ervan. Het behoort aan de Europese wetgever desgevallend een nieuwe-vervolledigde verordening uit te vaardigen. Een tekst die duidelijk is hoeft niet geïnterpreteerd te worden. In casu moet niets uitgelegd worden. Wij moeten er alleen over waken dat de verordening te goeder trouw uitgevoerd wordt. Het is Ons als rechter verboden op basis van een subjectieve interpretatie van een verordening een dermate uitleg eraan te geven dat deze verplichtingen zou opleggen aan een partij die niet uit de tekst blijken! Zo We Ons toch op dat pad zouden begeven dan resulteert dit onvermijdelijk in een cascade aan tegenstrijdige rechtspraak van allerlei instanties (zoals overduidelijk resulteert uit de besluiten van de gedingvoerende partijen).

Wanneer de Europese Commissie een ander oogmerk had, dan hadden ze dit maar moeten voorzien. Vermits ze dit niet deden, kan men zich niet baseren op de verordening EG/261/2004 om een vergoeding af te dwingen in geval van vertraging.

Terloops merken Wij op dat er reeds praktisch 12 jaar verstreken zijn sinds de verordening van 2004 en dat men ogenschijnlijk nog niet de tijd gevonden heeft om iets aan te passen. Vermits hogervermelde verordening niet van toepassing is, moeten Wij Ons ook niet uitspreken over de andere door partijen ontwikkelde argumenten.

Voor wat het al dan niet gebruik kunnen maken van een vroegere vlucht betreft, kunnen Wij Ons niet uitspreken. Wij weten niet of dit technisch mogelijk was. Alleszins is dit geen argument om een schadeloosstelling op te baseren!

De vordering zoals ingeleid is ongegrond, en dient afgewezen te worden in zijn integraliteit."

Grieven

1.
Krachtens artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (Passagiersverordening) hebben de passagiers, wanneer naar dit artikel wordt verwezen, recht op compensatie waarvan het bedrag en de wijze van betaling nader in het artikel zijn bepaald.

Artikel 4 van dezelfde Verordening, dat geldt bij instapweigering, verwijst naar de compensatie van voormeld artikel 7 (artikel 4.3). Artikel 5 van dezelfde Verordening, dat geldt bij annulering van een vlucht, verwijst eveneens naar de compensatie van artikel 7 (artikel 5.1.c), maar preciseert dat de luchtvaartmaatschappij niet verplicht is compensatie te betalen indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die, ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen, niet voorkomen konden worden (artikel 5.3). Artikel 6, dat geldt bij vertraging, bevat geen verwijzing naar voormeld artikel 7.

Niettemin moeten de artikelen 5 t/m 7 van de Passagiersverordening volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie (H.v.J. 19 november 2009, C-402/07 en C-432/07, Sturgeon en H.v.J. 23 oktober 2012, C-581/10 en C-629/10, Nelson) in die zin worden uitgelegd dat passagiers van vertraagde vluchten, voor de toepassing van het recht op compensatie, met passagiers van geannuleerde vluchten kunnen worden gelijkgesteld en aldus aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van de Verordening bedoelde compensatie wanneer zij door een vertraging van de vlucht drie of meer uren tijd verliezen, tenzij de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die, ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen, niet voorkomen konden worden.

Een andere uitlegging zou niet alleen strijdig zijn met de context (zie considerans 15 van de Verordening) en het doel (zie consideransen 1 t/m 4) van de Passagiersverordening, maar ook met het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer uitgedrukt in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) (zie de voormelde arresten van het Hof van Justitie).

2.
Krachtens artikel 19.1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verzekert het Hof van Justitie de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen.

Krachtens artikel 19.3.b) VEU en artikel 267, lid 1, a) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) doet het Hof van Justitie bij wijze van prejudiciële vraagstelling uitspraak over de uitlegging van het Unierecht. De uitlegging die het Hof van Justitie geeft van Verdrags- of Verordeningsbepalingen geldt als verklaring of precisering van die bepalingen en raakt niet aan het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten tussen de Europese instellingen zoals onder meer uitgedrukt in artikel 13.2 VEU (zie beschikking H.v.J. 18 april 2003, C-413/11, Germanwings Gmbh).

Krachtens artikel 267, leden 2 en 3, VWEU komt het aan de nationale rechterlijke instantie voor wie een vraag van uitlegging van het Unierecht wordt opgeworpen toe om het Hof van Justitie te verzoeken over die vraag uitspraak te doen. Zij kan de prejudiciële vraag stellen wanneer zij een antwoord op die vraag noodzakelijk acht voor het wijzen van haar beslissing (lid 2), met dien verstande dat de prejudiciële vraagstelling verplicht is wanneer haar beslissing niet vatbaar is voor hoger beroep (lid 3). Zij hoeft de prejudiciële vraag niet te stellen wanneer het Hof van Justitie in een vergelijkbare zaak reeds uitspraak deed over de vraag (zie H.v.J. 6 oktober 1982, nr. 383/81, Cilfit e.a.; H.v.J. 9 september 2015, C-72/14 en C-197/14, X en van Dijk).

Uit die bepalingen, die alle de eenvormige toepassing van het Unierecht waarborgen, evenals uit het algemeen beginsel van de primauteit van het Unierecht op het nationale recht zoals onder meer uitgedrukt in de artikelen 4.3 VEU en 288 VWEU en uit het samenwerkingsbeginsel uitgedrukt in artikel 4.3 VEU, volgt dat prejudiciële arresten van het Hof van Justitie niet alleen bindend zijn voor de verwijzende nationale rechterlijke instantie, maar ook voor de andere nationale rechterlijke instanties. Zij moeten de bepalingen van het Unierecht derhalve toepassen in de uitlegging die het Hof van Justitie eraan heeft gegeven, desnoods na hernieuwde prejudiciële vraagstelling, en ongeacht of enige bepaling van nationaal recht tot een andersluidende uitlegging zou leiden.

3.
Er (ten onrechte) van uitgaande dat de rechtspraak van het Hof van Justitie slechts een relatief bindend karakter heeft, dat de tekst van de Verordening geen uitlegging behoeft nu uit zijn letterlijke tekst duidelijk blijkt dat er in geval van vertraging van de vlucht niet voorzien is in compensatie maar in andere vormen van bescherming van de passagiers, en dat de Europese wetgever de tekst maar had moeten aanpassen indien hij het anders had gewild (p. 3, al. 3 t/m 8), oordeelt het bestreden vonnis dat de artikelen 5 en 7 van de Passagiersverordening in die zin moeten worden begrepen dat er geen forfaitaire compensatie geldt in geval van vertraging van een vlucht.

Door aldus de compensatieregeling van de Passagiersverordening in die zin uit te leggen dat passagiers van langdurig vertraagde vluchten geen aanspraak kunnen maken op compensatie, terwijl volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie precies de tegenovergestelde uitlegging zich opdringt gelet op het gelijkheidsbeginsel en op het doel en de context van de Verordening, schendt het bestreden vonnis de artikelen 4 t/m 7 van de Passagiersverordening, evenals het schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel en artikel 2 VEU waarin dit beginsel onder meer is uitgedrukt.

Door zich niet gebonden te achten door de rechtspraak van het Hof van Justitie houdende uitlegging van de artikelen 4 t/m 7 van de Passagiersverordening en evenmin zelf een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen maar, integendeel, onder het voorwendsel dat de tekst van de Verordening duidelijk is en de Europese wetgever maar had moeten tussenkomen, voorkeur te geven aan zijn eigen letterlijke uitlegging van de bedoelde Verordeningsbepalingen, schendt de vrederechter ook de artikelen 19 VEU en 267 VWEU waaruit blijkt dat het Hof van Justitie exclusief bevoegd is om bij wege van prejudiciële vraagstelling de Verordeningsbepalingen uit te leggen en dat de prejudiciële arresten van het Hof van Justitie algemeen bindende kracht hebben. Tevens houdt het vonnis hierdoor schending in van het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het Unierecht en de artikelen 4 VEU en 288 VWEU waarin dit beginsel onder meer is uitgedrukt, van het samenwerkingsbeginsel en artikel 4 VEU waarin dit beginsel is uitgedrukt, evenals van het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten en artikel 13 VEU waarin dit beginsel onder meer is uitgedrukt.

 

 

Wetgeving: 

Algemene rechten vliegtuigpassagiers wettelijke basis:

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 11/12/2013 - 01:33
Laatst aangepast op: do, 30/11/2017 - 08:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.