-A +A

rechten van de arrestant

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

RECHTEN VAN DE ARRESTANT

1. Ik word vermoed onschuldig te zijn.

Zolang een rechter niet definitief mijn zaak heeft beoordeeld, blijft het vermoeden van onschuld overeind.
Artikel 6.2 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

2. Ik mag niet zomaar van mijn vrijheid worden beroofd.

Aanhouding is slechts mogelijk in de gevallen bij de wet bepaald.
Artikel 5 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, artikel 9 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, artikel 12 Grondwet.

3. Ik heb altijd recht op een advocaat.

Steeds –zelfs indien ik word afgezonderd (op secreet gezet)- heb ik recht op een advocaat en recht op contact met mijn advocaat.
Artikel 23, lid 3, 2° Grondwet, artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, artikel 6.3, b) en c), artikel 14.3, b) en d) Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en algemeen rechtsbeginsel en artikel 20 Voorlopige Hechteniswet.

4. Politieambtenaren mogen mij niet blootstellen aan publieke nieuwsgierigheid wanneer ik ben aangehouden. Gebruik van handboeien is slechts zeer uitzonderlijk toegelaten.

Zij mogen mij ook niet onderwerpen aan vragen van journalisten of derden. Ik mag niet worden gefilmd.
Mijn identiteit mag niet worden bekendgemaakt zonder de instemming van de bevoegde gerechtelijke instantie.
Ik word in beginsel niet geboeid. Slechts in uitzonderlijke gevallen mogen politieambtenaren handboeien gebruiken.
Artikel 35 en 37bis Wet van 5 augustus 1992 op het Politieambt.

5. Over een lopend onderzoek mag geen informatie worden vrijgegeven.

Deze geheimhoudingsplicht moet zorgen voor een sereen verloop van het onderzoek.
Artikel 28quinquies en artikel 57, §1 van het Wetboek van Strafvordering.

6. Ik mag mij uitdrukken in de taal die ik spreek en begrijp of ik krijg de hulp van een tolk.

Ik moet kunnen begrijpen waarom ik ben aangehouden. Ik mag een verklaring afleggen in mijn moedertaal. Ik kan kosteloos een kopie van mijn verhoor krijgen.
Artikel 6.3 e) Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, artikel 14.3, a) en f) Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en artikel 31 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

7. Als ik ben aangehouden, ben ik niet verplicht te antwoorden op de vragen die mij worden gesteld.

Dit zwijgrecht houdt het recht in om niet tegen zichzelf te getuigen en niet mee te werken aan het onderzoek. Ik dien mezelf niet te beschuldigen.
Algemeen rechtsbeginsel en artikel 14.3.g) Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.

8. Ik kan vragen dat er bepaalde onderzoekshandelingen worden gedaan.

Op die manier kan ik meehelpen om mijn onschuld te bewijzen, zodat het dossier reeds zo volledig mogelijk is.
Artikel 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering.

9. Mijn woning mag niet zomaar worden doorzocht. Mijn privé- en gezinsleven verdienen ook bescherming.

In beginsel mag niemand mijn woning betreden indien ik dit niet wens. Een huiszoeking met dwang is slechts mogelijk tussen 5:00 u. en 21:00 u. en wanneer de onderzoeksrechter hiervoor de opdracht heeft gegeven.
Mijn telefoons mogen niet worden afgeluisterd en mijn e-mails en brieven mogen niet worden geopend, tenzij de onderzoeksrechter dit volstrekt noodzakelijk acht.
Artikel 8 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, artikel 15 Grondwet, artikel 1 van de wet van 7 juni 1969 en artikel 22 Grondwet.

10. Ik heb steeds recht op een eerlijk proces.

Als ik uiteindelijk toch voor de rechter moet verschijnen, heb ik het recht op een eerlijke behandeling van mijn zaak. Mijn rechten van verdediging moeten worden geëerbiedigd. Ik mag mijn verdediging organiseren zoals ik het wil.
Artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en artikel 14 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.

Bron OVB

Maximale duur van aanhouding:
art 12 Grondwet (24 oktober 2017 tot wijziging van de termijn van 24 uur naar 48 uur)
"Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter dat uiterlijk binnen achtenveertig uren te rekenen van de vrijheidsberoving moet worden betekend en enkel tot voorlopige inhechtenisneming kan strekken.".



 

Nog dit: 

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 22 januari 2013, RW 2012-2013, 1539

AR nr. P.13.0068.N

I.B.R.G.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 januari 2013.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

...

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van art. 5.4 EVRM, art. 12 Gw. en art. 15bis, 21 en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest gaat ervan uit dat de bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 15bis Voorlopige Hechteniswet niet noodzakelijk verband dienen te houden met het recht op bijstand van een advocaat en oordeelt dat ook andere omstandigheden een bevel tot verlenging overeenkomstig die wetsbepaling kunnen rechtvaardigen; er kan slechts sprake zijn van bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 15bis Voorlopige Hechteniswet wanneer het niet mogelijk blijkt om binnen vierentwintig uren na de vrijheidsberoving een verhoor met bijstand van een advocaat te organiseren.

4. Art. 15bis, derde lid Voorlopige Hechteniswet bepaalt: “Het bevel [tot verlenging] is met redenen omkleed en kan slechts eenmaal worden verleend. Het vermeldt de gegevens die het ingaan van een nieuwe termijn verantwoorden, te weten:

1o de ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf;

2o de bijzondere omstandigheden van het voorliggend geval”.

5. Anders dan het onderdeel aanvoert, sluit de wet niet uit dat de bijzondere omstandigheden die de verlenging van de arrestatietermijn van vierentwintig uren wettigen, andere omstandigheden kunnen zijn dan die welke verband houden met het recht op bijstand van een advocaat.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van art. 5.4 EVRM, art. 12 Gw. en art. 15bis, 21 en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt dat de eiser gedurende het grootste deel van de eerste arrestatietermijn van vierentwintig uren medisch gezien niet kon worden verhoord en dat de onderzoeksrechter in zijn motivering verwezen heeft naar de aard van de feiten, waardoor het voor hem onontbeerlijk was de eiser eerst grondig te laten verhoren door de politiediensten vooraleer tot voorleiding en verhoor door hemzelf over te gaan; de wens om een voorafgaand verhoor van de verdachte door de politie te organiseren, maakt geen bijzondere omstandigheid uit als bedoeld bij art. 15bis Voorlopige Hechteniswet.

7. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de bijzondere omstandigheden die overeenkomstig art. 15bis, derde lid Voorlopige Hechteniswet een verlenging van de arrestatietermijn kunnen rechtvaardigen, ook betrekking kunnen hebben op de noodzaak bijkomende onderzoekshandelingen uit te voeren.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

...

NOOT onder dit arrest in het RW, Bart De Smet – Voorwaarden voor een bevel tot verlenging van de arrestatietermijn
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: wo, 29/11/2017 - 10:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.